Willem de Zwijger, Prins van Oranje

Chapter 17

Chapter 173,854 wordsPublic domain

Tegenover de alzoo gewapende regeering stond de nationale partij machteloos. Geen wonder, dat de stadhouder van Holland daarover zeer ontstemd was en dat Oranje door middel van Varich, Egmond op het gevaar liet wijzen, dat Holland langzamerhand geheel versterkt werd. Oranje was dan ook besloten afstand te doen van zijn stadhouderschappen en zich vrij te maken van alle verplichtingen, maar zonder den raad van Egmond en den admiraal wilde hij niets doen.

Oranje vroeg een samenkomst met hem. Egmond antwoordde op deze boodschap met een kort, koud briefje, dat hij den volgenden Dinsdag te 10 uur Oranje te Dendermonde hoopte te ontmoeten. Met zijn gewoon optimisme gaf de graaf te kennen, dat hij de verzekering van de regentes geloofde en Filips zijn toestemming zou geven tot het bijeenroepen der Staten-Generaal, terwijl hij het erg jammer vond, dat Brederode en Culemborg zoo ver waren gegaan.

Overeenkomstig de afspraak had de samenkomst op den volgenden Dinsdag plaats. Ze kan niet lang geduurd hebben, want ze begon nagenoeg 11 uur en was voor het middageten afgeloopen.

Alle edelen beklaagden zich bitter over de regentes en Lodewijk van Nassau in het bijzonder was zeer gekrenkt over haar mededeeling aan zijn broeder, dat hij uit het land gebannen zou worden. Hoorne liet een brief van zijn broeder Montigny lezen, waarin deze de gramschap van den koning over den beeldenstorm beschreef en Oranje las een brief voor van den Spaanschen gezant te Parijs, Don Alava aan de hertogin, waarin de schuld van het oproer aan de drie mannen, Oranje, Egmond en Hoorne werd geweten en waaruit bleek, dat het Filips' doel was, op deze drie te gelegener tijd zijn wraak te nemen.

Lodewijk van Nassau beweerde, dat, als de koning een leger naar de Nederlanden zond om een tirannie te vestigen, de edelen volkomen in hun recht waren, tegenover de Spanjaards Duitsche huurtroepen te stellen. Algemeen zag men in, dat Filips valsch spel met hen speelde.

De brief van Don Alava heette onderschept te zijn, maar was hoogst waarschijnlijk verdicht, om Egmond, die aan de echtheid geloofde, voor Oranje's plannen te winnen. Toch heeft ook dit niets geholpen. Egmond bleef weigeren om mede te werken tot afwering van het Spaansche geweld; hij was de eenige te Dendermonde, die het verzet tegen den koning afkeurde. Veertien jaar later schreef Oranje in zijn Apologie:

"Indien mijne kameraden en broeders der Orde slechts verkozen hadden, hun raadgevingen met de mijne te paren in plaats van hun leven goedkoop te verkoopen, we zouden alle middelen, die in onze macht waren, hebben aangewend, ons geld en ons bloed hebben geofferd, om te voorkomen, dat Alva en de Spanjaards vasten voet in het land verkregen hadden."

De samenkomst te Dendermonde was alzoo een waardig pendant van die te Hoogstraten. Op beide vergaderingen was het de loyauteit van Egmond, die zijn vrienden belette, althans een poging te wagen, het land te redden.

Kort daarop schreef Egmond uit Brussel een brief aan Oranje, waarin hij hem meedeelde, hoe verontwaardigd Margareta was over den inhoud van den verdichten brief van don Alava, maar tevens (en dit vooral had Egmonds oogen moeten doen opengaan), hoe de Landvoogdes hem behandelde als een man, van wien zij een slechten dunk had.

In den aanvang van October was Antwerpen wederom in een dragelijk rustigen toestand, ten minste voor het uiterlijke. De noordelijke gewesten, die reeds geruimen tijd op de aanwezigheid van hun stadhouder hadden aangedrongen, herhaalden steeds luider die vraag. Om hem over te halen, gaven ze te kennen, dat de Staten van Holland hadden besloten, hem een wacht van 36 man te geven. Ook wilden ze hem een geschenk aanbieden, evenals Vlaanderen dat aan Egmond gedaan had. Ze wilden hem 55000 ponden geven, maar de Prins meende, dat in die moeilijke dagen het geld beter kon besteed worden. Toch nam hij een gift voor zijn uitgaven aan.

Wel vreesde de Prins voor een herhaling van het oproer, als hij Antwerpen aan de zorg van de overheid overliet, maar hij begreep ook de billijkheid van het verzoek der Hollanders en gevolgd door zijn "bande d'ordonnance" uit 260 ruiters bestaande, toog hij op reis naar Utrecht. Hoogstraten werd Oranje's tijdelijke plaatsvervanger te Antwerpen.

In het Noorden waren de troebelen eenvoudig een herhaling van die te Antwerpen. De hervormde sekten wenschten te hooren preeken, de regentes wilde dit voorkomen en de schending van de kerkgebouwen straffen, terwijl de Prins den hervormden het voorrecht wilde geven, hun wettig toegestaan door het Accoord van 25 Augustus. Er was over de nauwkeurige datums, wanneer er in verschillende plaatsen voor het eerst gepreekt was, groot geharrewar en de quaestie was niet altijd gemakkelijk te beslissen, daar de getuigen noodzakelijk er bij geïntresseerd waren.

In Utrecht was de Prins tamelijk voorspoedig in het herstellen van de orde; daarna ging hij naar Amsterdam. Margareta waarschuwde Oranje, voordat hij Utrecht verliet, dat binnen de stedelijke grenzen te Amsterdam geen preeken hoegenaamd mochten worden toegestaan.

De ligging van Amsterdam maakte den toestand daar eenig in zijn soort. Van alle zijden door kanalen en grachten doorsneden, stond het verbreken van samenkomsten binnen de stad gelijk met een uitnoodiging om in het IJ te springen, als de predikers buiten de stad hun toespraken gingen houden. Oranje was niet blind voor dit moeilijk vraagstuk en verzocht de hertogin een ander te zenden, om hare onmogelijke opdracht uit te voeren.

Margareta antwoordde daarop, dat het haar wensch was, dat het preeken in Amsterdam ophield, daar er vóór het Accoord niet gepreekt werd, naar zij had vernomen. Alleen buiten de stad, waar wel gepreekt was op een bepaalde plaats, moest de Prins het in Godsnaam toelaten, als hij het niet kon verhinderen. Ook verzoekt zij in haar brief, zoowel in Amsterdam als in de andere plaatsen, waar wanorde werd aangetroffen op voorbeeldige wijze "de ontwijders en de roovers der kerken" te straffen.

Al begonnen de brieven van de Landvoogdes aan Oranje steeds met "mon bon cousin," al eindigden ze altijd met "votre bonne cousine," toch bleek uit alles, dat ze eigenlijk den Prins weinig vertrouwde in het uitvoeren van haar scherpe bevelen.

Reeds het Accoord met de edelen aangegaan, was haar te veel; buiten de grenzen daarvan te treden, zelfs dan, wanneer de noodzakelijkheid dit niet anders mogelijk maakte, wekte haar toorn in hooge mate op. Dat de regeeringspositie van Oranje van dag tot dag moeilijker werd laat zich hooren, maar toch werd hij door zeer begrijpelijke motieven er nog steeds toe geleid, zich niet bij de partij van het geweld aan te sluiten.

Alle kansen om een geregelde gewapende macht samen te stellen tegenover de naderende Spaansche soldaten, waren verloren. Zelfs het aanvankelijk in wachtgeld genomen krijgsvolk, door Lodewijk van Nassau aangeworven, was nog voor den winter van 1566-67 door gebrek aan geld ontbonden; men had per slot van rekening voor Filips het leger bijeengebracht, want voor rekening van hem werden die huursoldaten, die het geuzenleger moesten vormen, overgenomen. Ook weigerde Oranje het opperbevel te aanvaarden over een leger van de consistoriën. Aan Brederode werd dit toen opgedragen, doch daar men voor de lente geen ernstigen aanval wachtte, werd er geen al te groote haast met de maatregelen gemaakt. De regeering was met haar voorbereiding reeds veel verder gevorderd en in het midden van December werd tot de belegering van Valenciennes besloten, dat in het Zuiden der Nederlanden het brandpunt der hervorming was.

Noircarmes was aan het hoofd van het leger geplaatst, om Valenciennes ten onder te brengen. De stad werd buiten de wet verklaard. Verschrikt door dezen onverwachten aanval, liepen de geuzen van het zuiden, aangespoord door Dathenus, van alle kanten samen, om Valenciennes en de geloofsbroeders te ontzetten. Doch die ongeregelde massa was een gemakkelijke prooi voor de troepen der regeering. Noircarmes overrompelde de hoofdmacht van het geuzenleger en drieduizend man sneuvelden in een gevecht bij Lannoy.

Welken indruk die verovering op Egmond maakte, is bekend. De zwakke man liet toen den laatsten stengel los, die hem nog aan de verbondenen hechtte. Ook hij ontwapende het volk van Vlaanderen, het gewest van zijn stadhouderschap, schafte zelfs op de meeste plaatsen de openbare preek af en stelde zich zonder eenig voorbehoud voor de regeering beschikbaar.

Oranje was tijdens deze jammerlijke eerste nederlaag nog te Amsterdam. Hier was hij er na eindelooze moeite in geslaagd de orde te herstellen, zooals die elders was verkregen en einde Januari zond hij de Landvoogdes een copie van het Accoord met de burgers.

Wel had hij de dissenters verboden gebruik te maken van de kerk der Minoriten, maar hij meende hun te moeten toestaan, binnen de stad vergaderingen te houden, tot ze in de lente een gebouw buiten de wallen hadden gesticht. Godsdienstige buitensporigheden had hij beteugeld, maar voor godsdienstijver een uitweg gevonden, meenende dat dit het eenige middel kon zijn om Filips' gezag te handhaven.

Margareta was er in 't geheel niet mee voldaan, dat er eenige privileges zouden worden toegestaan. Opstand was opstand en moest in kerk of staat worden overwonnen. Ze berispte dan ook Oranje zoowel over de liberaliteit van het Accoord als over zijn laksheid tegenover de bondgenooten. Vooral wantrouwde zij Lodewijk van Nassau. Daarom schreef Oranje haar op den 20en Januari:

"Wat mijn broeder aangaat, Mevrouw! het is waar, dat hij den godsdienst, waarin hij is opgevoed en die een andere is dan de onze, niet verloochent. Maar het kan moeilijk vreemd gevonden worden, dat ik in spijt daarvan hem bij mij houd, daar ik van keizer Karels tijd af, altijd Duitsche edellieden van verschillend geloof in mijn hofhouding heb gehad."

Was Margareta ontevreden over de concessies door den Prins gedaan, terwijl ze toch zelf haar eigen onmacht om de Vlaamsche oproerige beweging te kalmeeren, moest inzien, men kan licht begrijpen, dat haar broeder van zijn verwijder gezichtspunt uit, nog een gestrenger beoordeelaar van Oranje was.

Naar zijne meening waren de protesteerende geesten van het Noorden een hoop onrustige, oproerige en goddelooze booswichten. Hij besloot na eindelooze overwegingen, een nieuwen eed van trouw van elken koninklijken ambtenaar en dienaar in zijn Nederlandschen dienst te eischen. Wie deze eedsaflegging weigerde, zou worden aangemerkt als een verrader.

In December 1566 had Margareta het bevel ontvangen, dezen nieuwen eed van al de troepen in de gewesten af te nemen. Dienovereenkomstig beval zij in Januari aan den Prins dien eed aan zijn troepen op te leggen. Hij antwoordde daarop uit Haarlem, dat hij niet in staat was, haar bevel op te volgen, daar zijn compagnie reeds was vertrokken. De hertogin zou gemakkelijk een ander vinden, om de troepen den vereischten eed te doen afleggen. De tijd scheen hem nog niet rijp, om zijn werkelijke meening over deze nieuwe regeling uit te spreken. Hij wendde geen poging aan, zijn manschappen terug te houden van de opvolging van Filips' gebod, maar gaf toch duidelijk te kennen, dat hij liever niet als tusschenpersoon daarbij diende.

Toen het Accoord te Amsterdam was geteekend en alles door hem gedaan was, wat binnen de grenzen zijner macht viel, ging Oranje naar Antwerpen terug, waar de zaken weder in zulk een toestand gekomen waren, dat er een sterkere hand dan die van Hoogstraten noodig was. Hij hield te Breda op, waar de graven van Hoorne, Nieuwenaar, Hoogstraten, Brederode en verschillende andere verbondenen zijn aankomst afwachtten.

De Landvoogdes, die van het voornemen dezer samenkomst had gehoord, had wel aan den Prins geschreven, dat zij dit niet goedkeurde, maar haar brief was te laat gekomen om het te beletten.

Hoe verontwaardigd de edelen waren over den maatregel van een nieuwen eed in het midden zijner regeering, terwijl alle vereischte vormen van den eed van getrouwheid aan den koning in den aanvang van diens regeering geheel en al nagekomen waren, laat zich denken.

Brederode stelde een nieuwe petitie aan de regeering voor; Oranje keurde die evenmin goed als dat hij ze verhinderde. Het schijnt dat hij op het oogenblik den toestand van den kranken staat zoo hopeloos vond, dat hij onverschillig was voor de proef van elk geneesmiddel.

Het nieuwe request was krachtig gesteld; het klaagde over het verbreken van het Accoord, over het uitvaardigen van daarmee strijdige plakkaten en over andere onwettigheden. Margareta wilde Brederode zelf niet ontvangen; een zijner vrienden overhandigde het haar en zij antwoordde acht dagen later met tegenklachten. Ook zij beschuldigde de tegenpartij van overtreding van het Accoord en had Brederode met oproer gedreigd, haar antwoord luidde, dat het onderdanen niet paste, zulk een taal tegen de overheid te voeren. Nauwelijks was dit antwoord in Brederode's handen gekomen, of hij begon te Antwerpen krijgstoerustingen, die Oranje oogluikend toestond.

Met Duitsche vorsten bleef de Prins ook in die dagen in drukke briefwisseling, terwijl zijn broeder Lodewijk hen persoonlijk bezocht, om raad en hulp te vragen. Augustus van Saksen schreef Oranje o.a. dat niemand eigenlijk den Prins kon raden dan de Prins zelf, maar dat het een goed plan was, als hij de Augsburgsche confessie aannam en de gereformeerden kon overreden, die insgelijks te omhelzen. En inderdaad, daartoe deed Oranje in die dagen allerlei pogingen. De Lutheranen en de Calvinisten wilden zich echter niet vereenigen. Al kwamen er ook in Antwerpen eenige Luthersche predikanten, om de Calvinisten te bekeeren (misschien door toedoen van den Prins), hun bekrompen en onverdraagzaam dogmatisme kon slechts de tweedracht verergeren. Van den preekstoel werd er alleen hatelijk tegen andersdenkenden geredetwist. De Lutheranen ontzagen zich niet, de gereformeerden voor ketters en oproermakers te schelden en als menschen voor te stellen, die in een goed geordenden staat niet geduld mochten worden.

't Is wel vreemd: Oranje meende, dat het mogelijk zou zijn deze felle bestrijders van elkaar, te vereenigen! Wel een bewijs, dat hij in die dagen de beteekenis van den godsdienst nog niet voldoende begreep en dat hij, alleen om de hulp der Duitschers te verkrijgen, wilde vereenigen, wat in dien tijd niet bij elkaar te brengen was. De dagen waren echter niet verre meer, of hij zou dit begrijpen.

Intusschen begon de Landvoogdes de bedoelingen van Oranje te wantrouwen. Wel was hij machtiger dan iemand anders geweest, om een schijn van vrede in de steden te herstellen, die door de onstuimigste beroeringen der verschillende sekten waren verdeeld. Maar wat hielpen al die pogingen van den Prins voor de rust van het land, als hij toch weder in het geheim samenwerkte met Brederode, die openlijk in Antwerpen lichtingen aanwierf, niet voor den dienst des konings bestemd.

Nog één poging wendde de Prins aan, om door middel van de Duitsche vorsten invloed op de politiek van de Landvoogdes uit te oefenen. Had hij op den 7en Januari 1567 een brief aan Willem van Hessen geschreven, met dringende bede om Duitsche hulp, was er dientengevolge eene vrij vruchtelooze samenkomst van edelen te Dusseldorf geweest, om over de Nederlandsche zaken te raadplegen, op den 21en Februari schreef de Prins weder een langen brief aan denzelfden Willem van Hessen, waarin hij uitvoerig Margareta's pogingen beschreef, om het Protestantisme uit te roeien.

Van de regentes was niets te verwachten. Meghen was door en door papistisch en hij beheerschte geheel en al de hertogin. Hij was de oorzaak van al de ellende in Brabant, evenals Aremberg in Friesland; beiden bedoelden alleen de arme Christenen te onderdrukken, onder voorwendsel van den godsdienst te beschermen. Deze brief kruiste met een van Willem van Hessen aan Oranje. Daarin deelde hij den Prins mede, dat de Duitsche vorsten van plan waren, een deputatie naar Margareta te zenden, om door mondelinge bespreking ten gunste van de Lutherschen iets uit te werken. Hij waarschuwde Oranje zich tegen de Spanjaards in acht te nemen, in naam van den ouden landgraaf, die op sterven lag en zoo er iemand in Europa was, die daarover uit ervaring kon spreken, dan was het wel Filips van Hessen.

Misschien heeft deze waarschuwing van den ouden Landgraaf wel medegewerkt tot den beslissenden stap van Oranje, toen hij weigerde den nieuwen eed af te leggen. Vroeg in Maart herinnerde Margareta hem, dat de tijd voor alle trouwe vazallen van Spanje gekomen was, om openlijk voor den dag te komen en zich als zoodanig te toonen. De koning toch had zijn bevel herhaald, dat iedereen in zijnen dienst, zonder eenige uitzondering, zijn eed van getrouwheid zou hernieuwen. De regentes nam als zeker aan, dat de Prins niet aarzelen zou, aan haar verzoek te voldoen. Geen loyaal man zou onder de bestaande omstandigheden zijn handteekening kunnen weigeren. Het was eenvoudig herhaling. Dat was haar gezichtspunt--het was een doodgewone zaak.

Nog denzelfden dag, waarop de Prins den nieuwen eed ter teekening ontving, zond hij Margareta bericht, dat het hem tot zijn spijt niet mogelijk was aan het verzoek van de Landvoogdes te voldoen. In zijn antwoord schrijft hij o. a.: ...."Indien ik nog eens getrouwheid zweer, dan kon het schijnen, alsof ik mijn vroegere geloften had verwaarloosd. De vorm van dezen nieuwen eed is daarbij wel eenigszins vreemd en schijnt van de gedachte uit te gaan, òf dat ik er over denk mij zelf te onttrekken aan het volbrengen van loyale plichten in 's Konings dienst, òf dat ik meen orders te ontvangen, die ik niet gewetensvol zou kunnen uitvoeren, daar ik gezworen heb, de voorrechten der gewesten te beschermen...."

Tevens verzoekt Oranje iemand te zenden om zijn opdracht te kunnen overnemen.

Verwondert het ons, dat Margareta ontroerd was, toen zij die weigering van den Prins op hare vraag ontving? Ze had niet opgehouden in de dagelijksche briefwisseling met haar broeder, hem alle geruchten betreffende Oranje, mede te deelen en elke regel, dien zij schreef, ademde wantrouwen. En toch was ze zich levendig bewust, hoe nuttig de Prins voor haar was geweest en hoe geen ander man een dergelijken invloed op het volk kon uitoefenen. Het denkbeeld, dat hij zich onttrok, vervulde haar met grooten angst.

Zij antwoordde Oranje, dat zij niet bij machte was, zijn besluit aan te nemen, daar zij hem de ambten niet had overgedragen, die hij vervulde. Ze zou echter den koning inlichten maar hoopte, dat hij voorloopig zijn bestuur zou blijven uitoefenen op zulk een wijze, dat hij zich tegenover God en zijn souverein kon verantwoorden en overeenkomstig zijn eersten eed.

Kort daarna zond ze haar secretaris Berty naar Oranje, die met hem een persoonlijk onderhoud over dien eed had, doch hun samenkomst had geenerlei resultaat. Oranje kon en wilde geen eed zweren, dien hij voor kleingeestig hield, indien hij niet meer behelsde dan oppervlakkig scheen en dien hij voor gevaarlijk hield, indien er meer in verborgen lag, dan het oog kon zien. Hij bleef dus bij zijn voornemen, zijn ambten, die hij van den Spaanschen koning had verkregen, neder te leggen.

Thans zou men zeggen, dat het oogenblik voor den Prins was gekomen om zich royaal aan de zijde van het volk te plaatsen of zich aanstonds geheel terug te trekken. Maar nog bleef Oranje weifelen. Al wordt alles in aanmerking genomen, om zijn houding te verontschuldigen, zijn weifeling tot het laatste oogenblik toe en zijn gebrek aan zelfvertrouwen zijn mede oorzaak geweest van de noodlottige gebeurtenissen, die het vaderland zoo diep te betreuren had.

Filips II was besluiteloos, maar Oranje was het niet minder. De besluiteloosheid van den koning van Spanje was de oorzaak, dat Alva eerst in April 1567 Madrid verliet, terwijl toch de koning onmiddellijk na den beeldenstorm besloten had tot zijn zending. Had Oranje die maanden, die daartusschen verliepen (Aug. 1566-Maart 1567) gebruikt, om hem te voorkomen, de opstand ware georganiseerd en Alva had de poorten der steden gesloten gevonden. Maar de Prins miste het noodige vertrouwen op de duurzame kracht der beweging en op zich zelven.

In de laatste maanden van zijn verblijf in de Nederlanden is er dan ook weinig verheffends in zijn persoonlijkheid. Staatkundige berekening gaf bij al zijn daden den doorslag. En al zullen wij hem op hoogst gespannen oogenblikken, die nog volgden, de hulde niet onthouden, die hem toekwam, toch betreuren we het, dat destijds niet reeds die hoogere geest in hem leefde, dien we later bij zijn terugkeer in het vaderland in hem bewonderen.

Margareta had op de terugkomst van den Prins te Antwerpen gerekend, om krachtiger tegen de vrije prediking op te treden. Hoogstraten, die Oranje vervangen had tijdens diens afwezigheid in het Noorden, had wel met oordeel en kracht bestuurd en zelfs in October een oproer door strenge maatregelen bedwongen, maar of hij de man er naar was, om den katholieken godsdienst te herstellen ten koste der sekten, daaraan twijfelde Margareta.

De Landvoogdes bleef op den Prins vertrouwen en nauwelijks was hij dan ook in de Scheldestad teruggekeerd, of Margareta ving weer aan, zich beroepende op zijn trouw aan den koning, hem aan te zetten tot het doen ophouden der prediking binnen de muren der stad. Daar Margareta zich niet van den Prins wilde ontslaan, ook al had hij den nieuwen eed geweigerd, totdat de koning daaromtrent zou beslist hebben, was Oranje wel verplicht, de moeilijke taak te Antwerpen weer op zich te nemen.

Na verschillende samenkomsten met de hervormers, kwamen de Prins, de magistraat en de graaf van Hoogstraten, die Oranje's coadjuctor bleef, tot het resultaat, dat de prediking binnen de muren niet zou kunnen ophouden, tenzij er eenige compensatie aan de sekten gegeven werd. Op 17 Februari zonden ze een deputatie naar de Landvoogdes om de zaak met haar te bespreken. De regentes was zeer positief in haar eischen; zij stond met kracht op de nakoming van de volgende voorwaarden: Alle predikers moesten aanstonds vertrekken en alle preeken en godsdienstoefeningen ophouden. De katholieke eeredienst moest worden hersteld en het bouwen van nieuwe tempels gestaakt worden; alle burgers moesten den koning gehoorzamen en zich aan zijn geboden houden. Geen vagebonds of vluchtelingen mochten binnen de stad geduld worden en alle gewapende mannen in den dienst van de gemeente moesten gehoorzaamheid aan den koning zweren. Als die voorwaarden vervuld werden, dan beloofde de regentes den burgers van Antwerpen, dat ze niet om vroegere daden zouden worden gestraft, tenzij de koning, door de edelen, de raden en staten geraadpleegd, anders zou bevelen.

In die amnestie was niet één persoon begrepen, die schuldig was aan beeldstormerij, samenzwering tegen Z. M. enz. Ten overvloede, om alles nog minder beteekenend te maken, verklaarde ze, dat de beloften in die artikelen vervat, aan 's konings welbehagen waren onderworpen.

Welk een slag was dit in het aangezicht van alle hervormden, van welke kleur ze ook waren! Op den 27en Februari verschenen afgevaardigden van de sekten voor den Prins en vroegen, waarom er geen acht was geslagen op het verdrag van het voorgaand jaar. Was het wonder dat er samenscholingen van het volk plaats hadden, dat op zulk een wijze werd geprikkeld?

Op den 2en Maart verzamelde zich een menigte van 2000 man voor de deur van 's Prinsen verblijf en eischte de verzekering, dat er geen geweld zou worden gebezigd, om de preeken te doen ophouden. Toch gingen ze toen nog zonder rumoer uiteen.

In plaats van zich aan het hoofd dier onstuimige menigte te plaatsen, dacht Oranje er aan, haar te bedwingen en te ontwapenen, met het doel den koning het voorwendsel te ontnemen, het land met Spaansche benden in te trekken. Daarom richtte hij in overleg met Nieuwenaar, die ook voor Hoorne sprak, Brederode en Hoogstraten nog eens een brief aan Egmond, zonder wien ze allen te zamen niets vermochten.