Willem de Zwijger, Prins van Oranje

Chapter 16

Chapter 163,811 wordsPublic domain

Intusschen was de vroedschap op het stadhuis samen gekomen. De eenige man, op wien zij gedurende de laatste weken hadden vertrouwd, was weggegaan en er was geen telegraaf om hem terug te roepen. Ze zonden hem echter een ijlbode achterna. Den dag brachten ze met ijdele besprekingen door en eindelijk gingen ze naar huis, zonder een besluit te hebben genomen, maar in de hoop, dat de nieuwe morgen rust zou aanbrengen. De volkshoop echter, ziende, dat er geen maatregelen tegen hun wetteloos gedrag waren genomen, werd hoe langer hoe stoutmoediger. Toen den volgenden morgen de kerkdeuren werden geopend, stroomde een woedende menigte binnen en het: "Lang leven de Geuzen!" weerklonk door het gebouw. Spotkreten en bedreigingen werden tegen het ongelukkige kleine beeldje geslingerd.

Een arme vrouw, die waskaarsjes verkocht, werd het mikpunt van de grappen van den volkshoop, hetgeen zij beantwoordde met de plagers asch en vuilnis naar het hoofd te werpen, misschien getergd, doordat men haar zeide, dat er geen trek meer voor die koopwaar was en dat ze haar kraam wel kon opbreken. Ondertusschen werd de kerk al voller en voller en ontstond er weer een heftig tumult. Toen besloot de Magistraat gezamenlijk naar de kerk te gaan en te zien, wat haar plechtige tegenwoordigheid zou uitwerken. Dat was echter olie in het vuur. Wel werden op voorstel van den Raad alle deuren op een na gesloten, omdat men hoopte, dat dan de menigte uit dien eenen uitgang de kerk zou verlaten. Maar ook dit baatte niet; de weerspannigsten bleven in de kerk en anderen stormden er weder in. Ten einde raad ging de Magistraat weer naar het stadhuis, om over nieuwe maatregelen te raadplegen. Maar in dien tijd was de Kathedraal aan de willekeur der bestormers overgeleverd en het verwoestingswerk ving aan.

Het beeld der H. Maagd was het eerste slachtoffer. Haar glans werd in de vier hoeken van den wind verstrooid en haar zielloos lichaam in stukken gehakt. Daarop keerde de woede van het gepeupel zich tot andere versieringen; beelden, schilderijen, altaren werden zonder acht te slaan op ouderdom, kunst of kostbaarheid vernield. Voor middernacht was de prachtig versierde kerk, zooals er in Europa geen tweede te vinden was, in een ledigen, akeligen romp veranderd. Al de haat tegen priesterbedrog en Roomsche gebruiken barstte los en zij, die uit werkelijken godsdienstijver handelden, werden door het gespuis, dat alleen uit lust in oproer zich bij hen voegde, geholpen.

En daarop toog de menigte van de eene kerk naar de andere; twee dagen en twee nachten duurde de vernieling. Beelden werden gebroken, schilderijen vernield, crucifixen afgeslagen, doch alle schrijvers erkennen, dat er geen plundering plaats had. De gehate voorwerpen, zelfs die van groote waarde, werden vernield maar niet gestolen. De vroedschap, onbekwaam om den storm te bedaren, sidderde van ontzetting, hopende op 's Prinsen terugkomst en vreezende voor hun leven. Doch hun angst daarvoor was overbodig. Geen persoonlijk geweld van eenigen aard werd er bedreven; geen enkel mensch werd leed gedaan. Dit was een sprekende trek gedurende dien geheelen storm van geestdrijverij, die gedurende de maand Augustus door het land woedde. Beelden werden vernield, maar menschenlevens overal gespaard.

De tijding bereikte Brussel en bracht de Landvoogdes in de hevigste ontroering. Waarom Oranje niet onmiddellijk aan den wensch der Antwerpsche overheid voldeed, om daar terug te keeren, is niet bekend. Waarschijnlijk was het Margareta, die hem tegenhield. Hij was volgens haar meening een volkstribuun en tegenover de dreigende volksmacht wilde zij een beschermer. Margareta begreep natuurlijk niets van dien beeldenstorm. Het groote beest, het volk, had zijn horens getoond; het moest worden overwonnen en tot onderwerping gebracht. Van een mogelijk recht, dat daaraan ten grondslag lag, had zij geen begrip. Haar voornaamste aandoening echter was vrees bij de uitbarsting en ze zocht naar elke bescherming, die zich aanbood.

Om 3 uur in den morgen van 22 Augustus werden Egmond, Hoorne, Oranje en anderen in het paleis geroepen. Het voorplein lag vol kisten en koffers en de regentes stond gereed, naar Mons te vluchten, waar Aerschot het bevel voerde. Aremberg, Barlaimont en Noircarmes waren reeds bij de Landvoogdes, toen de anderen aankwamen. Al hare raadslieden verzetten zich tegen dit roekeloos plan, dat een algemeenen opstand zou ten gevolge hebben. Had men de regentes tot vertrek kunnen bewegen, dan zou het Oranje niets gekost hebben, de teugels van het bewind te aanvaarden; hij deed niets van dien aard, maar wees integendeel Margareta op de uiterste dwaasheid van zulk een handelwijze.

De oude president Viglius kwam met de tijding binnen, dat de burgers de poorten van Brussel hadden gesloten om het vertrek van de regentes te beletten. Zij overlaadde den armen ouden man met een vloed verwijten; toch week ze eindelijk voor den aandrang harer raadslieden, als wier gevangene zij zich nu beschouwde.

Mansfelt werd met het opzicht over de stad belast, terwijl Egmond, Hoorne en Oranje zich onder hem schaarden. Er liepen dan ook geruchten, dat de beeldstormers van plan waren, in den nacht van den 24en Augustus op alle Brusselsche kerken een aanval te doen. De eene paniek volgde op de andere en de Landvoogdes was met moeite tot bedaren te brengen. Die angst vermeerderde bij elk bericht, dat uit andere Vlaamsche steden kwam. In Doornik, Valenciennes, Gent en Mechelen hadden de berichten uit Antwerpen eveneens een vuur ontstoken. Tevergeefs trachtte men den hartstocht van den volkshoop te breidelen; de furie van den beeldenstorm was ontembaar.

Op 25 Augustus werd Margareta tot een gewichtige concessie gedwongen. Eenige dagen te voren was er van Filips tijding gekomen, in antwoord op het verzoekschrift van April; het behelsde, dat de inquisitie kon worden afgeschaft en dat er een gematigd plakkaat moest worden ontworpen. Dat bericht, hoe nietswaardig ook, daar Filips terzelfder tijd aan den Paus verzekerde, dat die belofte aan de Nederlanders hem slechts door den nood was afgedwongen en daarom ijdel was, dat bericht moest thans dienen om de edelen te bevredigen. Zelfs beloofde Margareta hun, dat zij bij den koning zou aandringen op het bijeenroepen der Staten-Generaal, waartoe hij nog geen verlof had gegeven. Zij erkende met weerzin, dat de hervormingsgezinden haar te machtig waren geworden en dat zij hun recht om God te dienen naar hun eigen wensch niet langer veilig kon ontkennen. En daarom teekende zij ook een verdrag (Accoord), waarbij de vrije prediking werd toegestaan op plaatsen, waar die tot nu toe reeds bestaan had, terwijl de Edelen van hun zijde het Compromis beloofden op te heffen.

Die laatste belofte was een groote fout. Welk aandeel Oranje daaraan gehad heeft, is moeilijk te bepalen, doch zooveel is zeker, dat Lodewijk van Nassau de bewerker van het verdrag is geweest. Brederode en Jan van Marnix (Toulouse) keurden het met scherpe woorden af. De eerste zeide zelfs, dat hij altijd gedacht had "que la seule mort nous pouroit séparer du Compromis."

Ook een groot deel van het volk beschouwde dit verdrag als verraad aan de goede zaak gepleegd. De vrije prediking alleen toe te staan op plaatsen, waar die reeds gehouden werd, stond gelijk met een verbod en was te duidelijk bewijs, dat Margareta alleen uit vrees en voor 't oogenblik iets toegaf.

Waarschijnlijk is Lodewijk van Nassau evenals zijn broeder, de Prins, uit vrees voor de uitspattingen van het Calvinisme, tot het sluiten van dat verdrag gekomen. De vergunning der vrije prediking, waar ze reeds bestond, scheen in de oogen van het volk, dat daarvan voordeel trok, een groote stap voorwaarts. Toen dit bekend werd, was de onnadenkende menigte uitgelaten van vreugde en meende in haar opgewondenheid den dageraad van een nieuwen dag over land en volk te zien aangebroken.

Op 26 Augustus keerde Oranje naar Antwerpen terug en op den 29en schreef hij aan Margareta:

"Mevrouw. In deze stad teruggekeerd, heb ik de zaken in groote verwarring gevonden. Ik zal mijn uiterste best doen om de onteerde, verwoeste kerken ter eere Gods te herstellen, overeenkomstig den heiligen wensch van Zijne Majesteit, van Uwe Hoogheid en van mij zelf.

"Ik heb met van Straalen gesproken zooals Uwe Hoogheid mij opdroeg, om geld gereed te houden, de bandes d'ordonnance te betalen."

Oranje vond natuurlijk volop bezigheid in Antwerpen. De geheele stad zag er uit, alsof er een cycloon over was heengegaan. Het was een zware taak de orde te herstellen. Buitendien was de positie van den Prins op dat oogenblik uiterst vreemd.

De verbondenen bleven Margareta's goede trouw verdenken. Zij besloten gewapende mannen in hun dienst te nemen en Jan van Nassau zelfs had op zich genomen, Duitsche hulptroepen voor dit doel te lichten.

Oranje kan hiermede niet onbekend geweest zijn. Natuurlijk was het lichten van troepen om zich te verzetten tegen regeeringsmaatregelen een revolutionaire daad--maar toch was er zeker nooit een loyaler rebel dan de Prins. Hij toch liet geen steen ongekeerd, om allen burgers te geven, wat hun toekwam en publiceerde een ordonnantie, die onder bedreiging van de doodstraf, de minste stoornis van den katholieken eeredienst of eenige beleediging van geestelijken verbood en hij toonde zelfs zijn beslistheid om door te zetten, door drie beeldenstormers in zijn tegenwoordigheid te doen ophangen.

Hij toonde hoe krachtig hij zich kon beheerschen in het handhaven van het koninklijk gezag, zoover dit maar eenigszins mogelijk was, terwijl hij terzelfder tijd duidelijk aan de regentes uiteenzette, dat de regeering alleen haar eigen zwakheid openbaarde door wetten te maken, die niet konden worden uitgevoerd en dat er een zekere vrijheid van godsdienst aan de bevolking moest worden toegestaan. Hij gaf zijn goedkeuring aan de versterking van het garnizoen in Antwerpen en elders, maar liet ook geen gelegenheid voorbijgaan, aan te dringen op een bijeenroeping van de Staten-Generaal.

De brieven van Margareta ademen doorgaans vertrouwen in hem. Op den 1en September verzocht zij hem bij haar te komen, toen zij kwade geruchten gehoord had van lichtingen der verbondenen in Duitschland, maar toch was ze angstig, hem te raadplegen. Indien ze geweten had, dat op den dag vóór zij schreef, de Prins een langen brief aan Hendrik van Brunswijk had gezonden, om verder verstuurd te worden aan de Hessische vorsten, den hertog van Cleef en Graaf Schwartzburg, dan zou ze niet zoo angstig voor zijn raad geweest zijn.

Daarin toch beschrijft hij het wilde spel, dat de godsdienst in de Nederlanden had gespeeld, daaraan deze woorden toevoegende: "Wij kunnen wel gissen dat dit gedrag onzen genadigsten Heer, de Koninklijke Majesteit van Spanje ten zeerste zal mishagen en grieven, gelijk het inderdaad niet minder ons ontrust en krenkt." Hij zegt zelfs, dat, als de Spaansche Koning de Inquisitie spoediger uit het land had gebannen, deze beweging niet zou ontstaan zijn en de oude Katholieke godsdienst beter zou hebben kunnen gehandhaafd worden.

Zijn woorden zijn als altijd, ook hier zeer oordeelkundig gekozen; de lezer proeft er uit algemeene liefde tot vrede en orde en een werkelijke aanhankelijkheid aan het Katholicisme. Hij herhaalt zijne overtuiging, dat, indien men den Hervormden rustige uitoefening van hun godsdienst had toegestaan, alles goed zou gegaan zijn. Hij hoopt, dat Filips nog zal hooren naar rede en dat de toestand zal verbeteren.

Uit dergelijke brieven leert men het karakter van den Prins het best kennen. Indien dit verraad was, dan was het wel het openhartigst samenzweren, ooit door een staatsman in praktijk gebracht. Hij was een Washington gelijk, die elken stap voorwaarts in de oogen der wereld wenschte te rechtvaardigen.

Lodewijk, die destijds in Breda was en die evenals de Prins de heftige Calvinisten als gevaarlijke oproermakers beschouwde, was nog steeds in de weer, de Duitsche vorsten tot hulp te overreden. Hij schreef daarover zelfs aan zijn broeder te Antwerpen, die, hoe regeeringsgezind ook, toch ook steeds op de mogelijkheid van gewapend verzet bedacht bleef.

Volgens Lodewijk zou de overeenkomst, die hij zou aangaan met George van Holl, den koning wel noodzaken, wat water in zijn wijn te doen. Lodewijk werd dan ook voor veel gevaarlijker geacht dan Oranje. De koning verzocht zelfs aan Oranje, Lodewijk voor eenigen tijd weg te zenden, hetgeen Margareta met aandrang herhaalde. Door Lodewijks verwijdering hoopten zij den band te zullen verbreken tusschen de ketters der verschillende landen, doch de Prins weigerde zijn broeder weg te sturen.

Sir Thomas Gresham, de bekende Londensche koopman, stichter van de Londensche beurs, die ook groote zaken dreef, had het raadzaam gevonden, naar die stad terug te keeren, toen hij van den onrustigen geest, die daar heerschte, hoorde. Op den 8en September schreef hij vandaar het volgende:

"Den vierden dezer maand, liet de Prins van Oranje mij vragen, met hem te dineeren. Ik had een hoogst aangenaam onderhoud met hem. Hij vroeg mij naar de gezondheid van Hare Majesteit (Elisabeth); vertelde mij alles wat er in de stad plaats had gehad; wat een gevaarlijke taak hij had te vervullen en hoe hij met de Protestanten een overeenkomst had gesloten, welke hij mij door den secretaris der stad, Wesembeke (dezelfde die in Engeland kwam voor den vrijen handel in het koren) liet voorlezen. Op denzelfden dag werd de overeenkomst op het stadhuis geproclameerd.

De copie daarvan zend ik U hierin gesloten. Maar bij al wat de Prins sprak, zeide hij: "De koning zal niet tevreden zijn met hetgeen wij thans doen," hetgeen mij deed denken, dat die zaak nog lang niet geëindigd was, maar wel tot grooten rampspoed voeren zou; vooral als de koning van Spanje de bovenhand krijgt. Ook vroeg hij mij, of ons volk van plan was, de stad te verlaten. Ik zei hem, dat ik daarvan niets gehoord had."

Blijkbaar had Oranje dien maaltijd gegeven, om de meening der Engelschen te weten te komen.

Men kan zich licht voorstellen, hoe angstig de familie van den Prins op het rustige Dillenburgsche kasteel naar de aankomst der koeriers uitzag.

Gravin Juliana was nog in leven. De toestand in de Nederlanden, waarbij een harer zoons aan de zijde der wet en der gevestigde regeering stond, maar de ander min of meer rebelleerde tegen het gezag, dat zijn broeder vertegenwoordigde, boezemde aan de moeder grooten angst in.

Einde Augustus 1566 schrijft ze aan Lodewijk o. a.:

".....Met een bezwaard gemoed heb ik gehoord van de gevaren en moeilijkheden, waarin gij tegenwoordig verkeert. De Heilige Drieëenheid moge u bewaren en beschermen, opdat gij niets raadt noch doet dat tegen Gods woord indruischt en dat in strijd zal zijn met de zaligheid uwer ziel en met de welvaart van land en luiden.

Laat U niet door menschelijke wijsheid en goede meening verleiden, maar bid met alle vlijt Uwen hemelschen Vader om Zijn heiligen geest, dat Hij Uw hart verlichte en gij zijn goddelijk woord, zooveel in U is, bevordert en niet in strijd daarmee handelt en het eeuwige meer dan het tijdelijke lief hebt.... Bidden is hoog noodzakelijk, want de booze geest zal niet rusten. Daarom bid ik U, hartelijk geliefde zoon, dat gij in de vreeze Gods leeft, opdat de vijand U niet snellijk versla. Ach! hoe bezwaard is mijn gemoed, wat groote zorg heb ik voor U! Wat ik met bidden kan uitrichten, zal door mij niet gespaard worden. De barmhartige God moge alles tot een zalig goed einde leiden en hen die het christelijk en goed meenen, niet verlaten enz."

Ongetwijfeld werden de Nassausche vorsten in hun godsdienst door staatkundige motieven geleid; niet aldus hun brave moeder. De godsdienst was leven voor haar en menig innig gebed zond ze omhoog voor de geliefde, dierbare zonen, die in een vreemd land in de moeilijkste zaken gewikkeld waren.

In hoever het den Prins gelukte, de orde in Antwerpen te herstellen, blijkt het best uit zijn brieven aan de Landvoogdes. Reeds 2 September 1566 kon Oranje haar berichten, dat er weder in de groote kerk Notre Dame gepreekt werd en ook de mis in tegenwoordigheid van een groote menigte was gecelebreerd.

Hij geeft haar tevens te kennen, dat door hem niets zal worden nagelaten, den godsdienst overal weder te herstellen overeenkomstig de bevelen van haar, maar hij vond de oppositie in de stad zelfs onder menschen van goeden stand zeer sterk.

Twaalf dagen dus na de verwoesting van de Antwerpsche Kathedraal was de kerk weder voor haar oorspronkelijk doel hersteld en dat alleen door inspanning van den man, wiens naam later gold als synoniem van het strijdend Protestantisme. In een later schrijven zegt Oranje, dat hij met de grootste moeite de beroeringen tot rust heeft gebracht.

De aanhangers van den nieuwen godsdienst zijn zoo talrijk, dat zij meenen alles in hun macht te hebben. Daarom zendt Oranje bij den brief een overeenkomst, die hij na eindelooze discussies heeft tot stand gebracht en die o.a. inhoudt de prediking binnen de muren toe te staan; hij hoopt, dat de Landvoogdes hare goedkeuring daaraan zal kunnen verleenen; hij wijst haar op het ontzaglijke aantal van 18 à 20.000, dat buiten de muren der stad het preeken bijwoont en spreekt de vrees uit, dat bij weigering er nog meer beroering zal komen, daar er vele landloopers en vagebonden zijn, die zich wel met het groot aantal werklooze arbeiders zouden kunnen vereenigen.

Oranje hoopt vooral, dat de Landvoogdes de numerieke sterkte van de hervormden in Antwerpen niet te licht zal schatten.

Margareta was ten zeerste ontevreden over de erkenning der schadelijke sekten en over de concessies, die hun waren gedaan. Haar brieven zijn dan ook vol tegenwerpingen over zijn handelwijze, terwijl Oranje's verontwaardiging steeds grooter werd over haar verwachting, dat hij het onmogelijke doen zou, op een oogenblik, dat hij reeds verricht had wat onwaarschijnlijk scheen.

In het begin van September schreef Egmond aan Oranje, toen hij gereed stond naar zijn gouvernement te vertrekken. Ook Egmond ging naar Vlaanderen om het Accoord in zijn gouvernement ten uitvoer te brengen. Dit was voor alle stadhouders een moeilijke taak. "Het teugelloos gemeen tot zijn plicht te brengen, het beeldstormen te verhinderen, de bedrijvers der wanorde te straffen, de openbare preek te bepalen tot die plaatsen, waar ze voor den 23en Augustus werd gehouden en voor dit alles geen andere middelen, dan goede woorden te hebben, daar de regeering geen troepen kon missen; het was een uiterst zware plicht.

Toch slaagden ze er in door hun invloed en den bijstand der gezeten burgers, maar voor al hun moeite kregen ze weinig dank van de Landvoogdes, die van haar eigen concessies gruwende, het hun kwalijk nam, dat ze ter goeder trouw het Accoord naleefden."

Al hield Egmond, de meest katholieke der drie, zich het naast aan de bedoeling der Landvoogdes, ook hij gevoelde niet vertrouwd te worden. Egmond klaagt er ook over, dat Margareta op niemand anders haar vertrouwen schijnt te stellen dan op Barlaimont, Viglius, Assonleville en mannen van dat slag, met wie ze elken dag vergaderingen houdt, soms drie uur achtereen. Als reden geeft de Landvoogdes op, dat zij gewaarschuwd is tegen lichtingen, die in Saksen en Hessen door ons volk worden voorbereid, maar Egmond kan dat niet gelooven, want dit zou in strijd zijn met hetgeen de edelen hem hebben verzekerd.

Blijkbaar was de graaf van Egmond minder in het vertrouwen der verbonden edelen dan Oranje. Deze sloot met overleg zijn oogen voor hetgeen er gebeurde; de eerste was te eenvoudig om te wantrouwen, hetgeen niet in het openbaar geschiedde; hij bleef dus in onwetendheid.

De maand September wordt wel als datum vastgesteld, waarop "gedachten van trouweloosheid" in Oranje begonnen op te komen. Dat er plannen in hem omgingen van oppositie tegen de onderdrukking van den vreemden koning en van pogingen om zelfregeering te verkrijgen, is waarschijnlijk, doch dit alles hield hem ook vroeger reeds bezig. Dit is daarom des te eigenaardiger, omdat hij juist ook in 1566 alles aanwendde, om het koninklijk gezag te handhaven. Zeker is het, dat hij in September, waarschijnlijk na ontvangst van het vermelde briefje van Egmond, een zekeren Varich naar den graaf toezond om Egmond eens te polsen over het verzet tegen Filips.

Wilde hij aan den eenen kant het gezag van den koning handhaven, tegelijkertijd zocht hij echter naar middelen om een ander toevlucht dan Filips' genade te hebben. Hij droomde van verheffing van het volk, dat een sterke begeerte naar nationaal bestaan begon te openbaren.

Egmond beschikte over een magnetische kracht, die Oranje miste; er was in hem een onbeschrijfelijke eigenschap, die persoonlijke bewondering opwekte. In den oorlog was hij voorspoedig geweest en daarbij werd Egmond door aandrift, niet door rede beheerscht, twee groote factoren om een populair held te worden. De warmte, die in Oranje's karakter slechts langzaam ontstond, was in Egmonds karakter van zelf aanwezig.

De Prins begreep ten volle dit verschil tusschen hen beiden en gevoelde, dat met hulp van Egmond de zaak gewonnen was; een groot bezwaar voor het leiderschap van Egmond was er echter en dat was Egmond zelf. Hij was van harte een loyaal dienaar van Spanje, zooals Oranje nooit, sedert hij page was, had kunnen zijn. Egmond kon niet gelooven, dat al de indrukken van zijn onbeduidende reis naar Spanje valsch waren geweest en zijn brief van 6 September aan Oranje is een positief bewijs, dat hij niets wist van de pogingen om zich Duitsche hulp te verzekeren.

Prins Varich, een vertrouwd edelman, broeder van zijn stadhouder in het kleine vorstendom Oranje, werd daarom naar Egmond gezonden met instructies, welke het handschrift van Lodewijk verraden, zoodat deze jonge geestdriftvolle man er waarschijnlijk in geslaagd is zijn meer voorzichtigen broeder te bewegen, Egmond zijn hand te toonen.

Varich moest de aandacht vestigen op de zeer uitgebreide toerustingen van den Koning van Spanje, zoodat niet alleen de dissenters maar ook de Katholieken verdacht werden en het plan van Filips misschien was, hen geheel onder slavernij te brengen.

Verder moest hij mededeelen, dat Oranje voor zich zelf besloten had niet in het land te blijven en getuige te zijn van zijn ondergang en de vernedering van het volk. Indien de graaf en de admiraal van gelijke meening waren geen tirannieke onderdrukking te dulden, dan bood Oranje aan, met zijn vrienden de middelen te overleggen om dat te vermijden. De Staten-Generaal bijeen te roepen zou een goede zaak zijn, maar nog beter zou het wezen, er geen gras over te laten groeien, totdat het te laat zou zijn, handelend op te treden. Ten slotte moest Varich den graaf van de onbillijkheid overtuigen, dat Eric van Brunswijk met zijn troepen naar Holland was gezonden.

Onmiddellijk na den beeldenstorm was de regeering begonnen troepen aan te werven, hetgeen des te gemakkelijker ging, omdat er juist in die dagen aanzienlijke sommen uit Spanje waren gezonden. Reeds in October kon Margareta op 10.000 man te voet en 3000 ruiters rekenen. Deze legermacht kwam onder commando van Mansfelt, Meghen en anderen; Oranje en Egmond werden niet voldoende vertrouwd. De nieuwe troepen kwamen in de groote steden in bezetting; weigerden deze, zooals Antwerpen en 's-Hertogenbosch, dan werden de troepen in de nabijheid gelegerd.

Niet zoo gemakkelijk ging het, in de stadhouderschappen van Oranje en Egmond, in Holland en Vlaanderen, bezetting te brengen en toch had de Landvoogdes zich niet ontzien toe te staan, dat Eric van Brunswijk zich in Woerden versterkte en dat Gouda 300 waardgelders aannam.