Willem de Zwijger, Prins van Oranje
Chapter 15
Nu wenschte de landvoogdes, dat de Staten der gewesten er eveneens hun zegel aan hechtten, want de Staten-Generaal bijeen te roepen, hetgeen de edelen en het volk begeerden, zou te zeer tegen den wil des konings hebben ingedruischt. Zij richtte op den 9en April aan alle stadhouders en provinciale raden een schrijven over de ontworpen moderatie.
Artois hield zijn vergadering het eerst. Verscheidene leden waren besliste geuzen, maar ook Egmond was natuurlijk als stadhouder aanwezig. Diens houding was, gelijk een ooggetuige zegt, zeer zwak. "De graaf," beweert deze, "sprak geen woord, hield voortdurend den blik ter aarde gewend en gedroeg zich als iemand die de kluts kwijt was, niet wetende, waartoe te besluiten." Het gevolg was, dat de geestelijkheid, die in sterke mate in de Staten vertegenwoordigd was, den slag won en dat trots het protest van de enkele edelen van het verbond, het moderatieplakkaat, dat in den grond der zaak niets beduidde, werd aangenomen en goedgekeurd.
Wij leggen den nadruk op die houding van Egmond, omdat zij, evenals vroeger te Hoogstraten, den Prins ook maar al te zeer ten jare 1566 heeft doen terugdeinzen. Was de eertijds zoo door het volk gevierde Egmond een man gebleven, ook Oranje zou in dat gewichtig jaar meer aan de zijde van het volk dan aan die van de regeering gestaan hebben. Want de prins plaatste zich in die dagen geheel aan de zijde der regeering, was de rechterhand van Margareta en woonde tallooze vergaderingen van den Raad van State bij. Algemeen werd in die vergaderingen aangedrongen op de overkomst van den koning zelf. Ook Oranje drong daarop met kracht aan en gaf zelfs als zijne meening te kennen, dat het beste zijn zou, als de koning naar Italië reisde, om daar nadere berichten uit de Nederlanden af te wachten en dan te besluiten, met of zonder leger te komen. In hoever het waarheid was, dat de Prins in dien tijd zijne spionnen in Spanje had, die hem dagelijks alles van 't Escuriaal vertelden, is niet met zekerheid te zeggen, maar men noemt o. a. een van Filips' secretarissen, Van den Esse, die de geheimen van den koning aan Oranje overbriefde.
Deze dubbelzinnige houding van den Prins, waarop we nog nader terugkomen, heeft zeker ook veroorzaakt, dat de volksbeweging hem in 1566 te machtig werd. Want er mag niet vergeten worden, dat het compromis der edelen vooral de oorzaak is geworden, dat er onder het volk voor het eerst groote beweging ontstond. Tot dien tijd hadden de hervormingsgezinden zich zooveel mogelijk schuil gehouden. Nu het Verbond der Edelen zich hunner had aangetrokken en men in den waan verkeerde, dat het verbond groot succes had gehad, nu kwamen ze bij menigte uit hun schuilhoeken te voorschijn, keerden ballingen terug uit den vreemde en was het volk uitgelaten van vreugde over de plotselinge verlossing en in den waan verkeerend, dat godsdienstvrijheid werd toegestaan, snelde men bij duizendtallen hier en ginds naar de openbare preek, die op de grazige velden, tusschen bosschages verscholen, werd gehouden.
Eene fatale rol speelde echter in die spontane godsdienstige beweging het geloofsverschil der Protestanten. De grootste toevloed der hervormingsgezinden bestond uit Calvinisten en hoewel Oranje in die dagen nog voor het uiterlijke Katholiek was, had toch het Lutheranisme vooral door zijn omgang en briefwisseling met de Duitsche vorsten meer zijn sympathie weten te verwerven. Voor de geloofsbelijdenis der Lutheranen zou hij te winnen zijn geweest, maar tegen Calvinisten gevoelde de man, die de orde op den hoogsten prijs stelde, een heftige antipathie. Dit was te meer te bejammeren, omdat de ontwaakte volksbeweging, door de consistories geleid en door de vurigste predikers opgewekt, een zeer sterk Calvinistisch karakter had. Wel had men in 1565 gestreefd naar een verbroedering aller Protestanten, waarvoor Lodewijk van Nassau zeer had geijverd, maar op raad van den beroemden Geneefschen leeraar Beza was er van die vereeniging niets gekomen.
Antwerpen vooral was een middelpunt van beroering. Daar was het allerminst een schamele gemeente, die de hervorming voorstond. De rijkste koopmansstand telde menigen grooten vriend van het Calvinisme. De komst van Meghen, een der afvalligen van het Verbond en de vrees voor de komst van Aremberg met een leger bracht in Antwerpen groote ontroering te weeg, omdat men eene bezetting der regeering vreesde. Daartegenover verscheen Brederode insgelijks met een grooten sleep in de stad. Gelijk we begrijpen kunnen, was dit alles de oorzaak van groote beweging te midden der volksmassa, die reeds stormenderhand de vrijheid der openbare prediking vroeg.
In dien verontrustenden staat van zaken besloot Margareta den Prins van Oranje, die burggraaf van Antwerpen was, derwaarts te zenden, met volmacht om de rust te herstellen. Op den 13en Juli werd hij met juichkreten in de Scheldestad ingehaald. Volgens de Antwerpsche autoriteiten was de Prins de eenig mogelijke persoon, om de opgewonden gemoederen tot rust te brengen. Aan die roepstem des volks gaf Margareta gehoor, want uit zich zelve zou ze daartoe niet licht besloten hebben. Oranje deelde toch hare gevoelens op het stuk van den godsdienst niet. Hij sprak zelfs nog op den 6en Juli tot haar de woorden: "De godsdienst is de groote zaak van het hart en den wil der menschen, die door geene uitwendige macht ooit gedwongen kunnen worden."
In beginsel stond hij derhalve toen reeds op zijn hoog standpunt van verdraagzaamheid. Maar hoe weinig dit tot het gemoed en verstand van Margareta kon doordringen--één ding wist ze van hem: hij was een man die de orde voorstond.
Daar dat optreden van Oranje te Antwerpen van groote beteekenis is geweest en zijne houding aldaar zoo verschillend is beoordeeld, is het noodig, dat we ons nog nader de omstandigheden verlevendigen, waaronder hij derwaarts trok.
De stedelijke autoriteit had tevergeefs getracht de samenkomsten bij de openbare prediking in het veld tegen te gaan. Op den 24en Juni was er bij Berchem eene predikatie gehouden, waarbij 4 à 5000 menschen tegenwoordig waren. De Landvoogdes, geraadpleegd, had nog eerst geantwoord, dat die vergaderingen door kracht van wapenen moesten worden uiteengejaagd. Maar daartegen zagen de autoriteiten op, aangezien ze hun eigen zwakheid vreesden. Toen verscheen er met het oog op de menigte ballingen, die terugkeerden en die in den waan verkeerden, dat godsdienstvrijheid was toegestaan, een plakkaat, waarbij de komst van vreemdelingen in de stad en het houden van openbare prediking werden verboden.
Op denzelfden dag vroegen de hervormden aan de magistraat de vergunning om die prediking te doen houden en te hooren. En ondertusschen dreigden vele rijke kooplieden, die de hervorming waren toegedaan, de stad te verlaten en aldus den handel van Antwerpen te verplaatsen. De overheid wist, tusschen twee vuren geplaatst, niet wat te doen. Zij vroeg aan de regentes onmiddellijk in de stad te komen en daartoe was zij eerst besloten, gelijk uit een brief van den Prins aan Lodewijk blijkt.
De Prins vertelt daarin, dat Madame verzocht had aan hem en Egmond een dag of drie vóór haar naar Antwerpen te gaan en reeds mededeeling te doen aan de burgers, dat het preeken niet naar den zin van de Landvoogdes was. Ook wilde zij weten van de Antwerpsche heeren, welke zekerheid zij gaven voor de persoonlijke veiligheid van Margareta.
Oranje had haar meegedeeld daarin weinig lust te hebben, maar wel wilde hij alleen naar Antwerpen gaan en dan met zulk een gezag bekleed als betamelijk was; dan zou hij, zooveel in zijn vermogen was zijn plicht vervullen en trachten te voorkomen, dat er eenig tumult of wanorde in de stad zou plaats hebben.
Ook gaf de Prins te kennen, dat indien de Antwerpenaars hem als hun burggraaf verzochten te komen, dit hem meer tot eer zou verstrekken, dan afgezonden te worden als de fourier van de Landvoogdes, die haar logies kwam bestellen. Ook was dit voor de veiligheid van de Landvoogdes beter. Aan Lodewijk vraagt hij ten slotte alles in het werk te stellen, om Brederode te weerhouden, in dien kritieken toestand in Antwerpen te komen.
Wij zagen reeds, dat Brederode in spijt van Oranje's afkeuring, toch met een breeden stoet van ruiters in de Scheldestad aankwam en door zijn aanwezigheid de onrust nog vermeerderde. Zijn komst maakte den weg voor den Prins niet gemakkelijker om zijn doel te bereiken n.l. de oproerige geesten tot rust te brengen. Want daar is geen twijfel aan, of dat doel had hij. Totdat Filips' antwoord op het smeekschrift komen zou, wilde de Prins voor alle dingen getrouw blijven binnen de grenzen der April-belofte. Vrijheid van godsdienstoefening ging voor zijn bewustzijn op dat oogenblik buiten die grenzen, doch hij zag, al wenschte hij een loyaal dienaar des konings te blijven, reeds op een afstand een donker punt, buiten 't welk hij vroeg of laat, met opoffering dier loyaliteit, zou moeten gaan.
Het hinderde hem zeer, dat het antwoord van Filips zoo lang uitbleef en in het begin van Juli beklaagde de Prins zich daarover in een brief aan Filips van Hessen, den ouden landgraaf, tevens vragende om zijn vaderlijken raad en hulp ingeval van noodzakelijkheid. Hoe moeilijk hij voor zich den toestand vond, blijkt wel uit een schrijven aan de hertogen van Saksen en Wurtemberg, waarin o. a. stond: "Zwijg ik, dan staat de ondergang dezer landen voor de deur; streef ik de regeering tegen, dan wordt dit beschouwd als tekortkoming aan mijn plicht."
Antwerpen was inderdaad de meest kosmopolitische plaats van de Europeesche wereld van dien tijd. Kooplieden van alle andere koopsteden hadden daar hun eigen huizen ten bate van hun stadgenooten, die Antwerpen bezochten met commercieele, financieele of diplomatieke bedoelingen.
Deze reizigers waren de groote dragers van nieuwe denkbeelden en door hun bemiddeling waren al de verschillende fasen van godsdienstige gedachten en belangen, die in Europa gistten, tot in de nauwe straten van Antwerpen doorgedrongen. Steden als Valenciennes, in de nabijheid van Frankrijk gelegen, waren bijna geheel Calvinistisch, maar Antwerpen had Duitsche invloeden ondergaan en daar had men ook, behalve Calvinisten, groote Luthersche en Anabaptistische congregaties. Die verschillende secten werden in de eerste helft van 1566 al stoutmoediger en veeleischender.
Nu was Oranje erfelijk burggraaf van Antwerpen, gelijk Engelbert, Hendrik en Réné van Chalons dat vóór hem geweest waren. Op den 13en Juli verliet hij Brussel. Verschillende geruchten deden de ronde over zijn eerste weigering, daarheen te gaan; we hoorden reeds, dat hij er niet als de lakei van Margareta heen wilde, maar wel als burggraaf der stad, wien alle gezag was opgedragen. Voor zijn vertrek gaf hij aan de Landvoogdes en den Raad van State te kennen, dat het niet in zijn macht, noch in zijn wil lag de prediking te doen ophouden.
Hij vond de stad tegen zich zelf verdeeld. De overheid wantrouwde de burgers; de burgers het hof en de overheid; de Protestanten het hof, de overheid en de andere burgers en ten slotte waren de Protestanten onder elkander verdeeld; aan den eenen kant heftige Calvinisten en aan de andere zijde kalme Lutheranen en tegenover beiden weder vijandig, de Anabaptisten.
"De heffe van het volk had gezamenlijk Antwerpen in zijn macht."
Welk een taak, die den Prins daar wachtte! Hij voor zich was een burger, die zich bovenal aan de wet hield; hij beschouwde den godsdienst als een deel van de inrichting van den staat, hoewel hij zelf voor zich nog geen godsdienstige gevoelens kende. Hij had behoefte aan vrede en welvaart; het volk was zoo dwaas en Filips zulk een kortzichtige ezel, dat de Prins ontmoedigd werd door de vraag, hoe deze twee te verzoenen.
Den 14en Juli meldt Oranje aan de Landvoogdes zijn wedervaren in Antwerpen.
Hij vertelt, dat hij pas te 7 uur aan was gekomen, daar hij door verschillende zaken werd opgehouden en eerst laat uit Brussel kon vertrekken. Toen hij in de buurt van Berchem was gekomen, een halve mijl van de stad, kwam Brederode hem met een groot aantal edelen tegemoet, die als groet een salvo uit hunne pistolen gaven. Enkele burgers, die bij dien troep waren, riepen: "Vivent les gueux," hetgeen zij af en toe op den geheelen weg naar de stad herhaalden. Meer dan 30.000 menschen waren er totaal op de been. Bij de komst in de stad begon de menigte Fransche psalmen te zingen, maar de Prins gebood hun aanstonds stil te zijn. Toen daarentegen de kreten al luider en luider werden en het "Vivent les gueux" ook op de wallen werd gehoord, trachtte de Prins eerst door teekenen hen te bedaren en toen dit niet hielp, werd hij zeer driftig en zwoer bij God, dat zij zeer goed wisten wat ze deden en dat sommigen hunner het zouden betreuren, als zij daarmee voortgingen.
De overheid was hem tegemoet gereden en had hem eenige ordonnanties overhandigd om de rust in de stad te herstellen. De Prins beloofde die zorgvuldig te zullen onderzoeken. Wat de predikaties betreft, ze hadden plaats buiten de wallen en de Prins had gehoord, dat velen gewapend naar de vergaderingen gingen om anderen te beschermen, daar ze vernomen hadden, dat de Drost van Brabant in opdracht had, hen uiteen te jagen.
Aan het slot van zijn schrijven, spreekt hij wel de hoop uit, dat ze niet zullen trachten de preeken binnen de wallen te houden, maar hij vreest, dat aan zijn verzoek niet te vergaderen, geen gevolg zal worden gegeven.
Tusschen de Landvoogdes en den Prins volgde een dagelijksche briefwisseling. Spoedig bleek het Oranje, dat de hervormingsgezinden numeriek te sterk waren om het mogelijk te maken hun de preek te verbieden. Zeer noodlottig was het daarbij, dat de hervormden het onderling zoo oneens waren, terwijl de Anabaptisten tegen iedereen waren en iedereen tegen hen.
Zou de hertogin hen evenals de Lutheranen en de Calvinisten op denzelfden voet willen behandelen--want ze beschouwde hen allen zonder onderscheid als ketters--Oranje kon geen wanordelijke daad van welken aard ook goedkeuren. Niets revolutionairs was er in zijn geest, zoodat het ons niet verwondert, dat hij het ongeregeld optreden van Anabaptisten en Calvinisten niet goed kon verdragen.
Terwijl de Prins alzoo naar Antwerpen ging, om, als het kon, hoog boven de vele partijen in naam der regeering de orde te handhaven, zonnen de edelen en de consistoriën op middelen, om meer te erlangen dan het moderatie-plakkaat van April hun schonk. Na een voorloopige bijeenkomst te Lier werd tegen de helft van de maand Juli St. Truyen als het verzameloord vastgesteld, waar de verbonden edelen en de hoofden der gereformeerde partij tot eene overeenkomst zouden trachten te komen. Geldelijk werden namelijk de consistories gesteund door het compromis der kooplieden. Was de aaneensluiting gevonden, dan zou niet alleen de eisch om afschaffing der inquisitie, maar om volkomen godsdienstvrijheid voor de poorten van Margareta's paleis weerklinken.
De vergadering te St. Truyen staat te kwader naam en faam in de geschiedenis bekend. Men heeft niet geaarzeld o. a. te vertellen, dat daar door de edelen de voorslag werd gedaan, om op één nacht in al de 17 Nederlandsche gewesten de Roomsche geestelijken te vermoorden. Wij kunnen gerust zeggen, dat deze bewering als zoodanig lasterlijk was. Doch overigens moet het te St. Truyen wel heet zijn toegegaan en was er misschien meer dan een op de vergadering, die wel zijn hand zou geleend hebben tot zulk moordbedrijf.
De Prins heeft door zijn invloed evenals bij het eerste smeekschrift bewerkt, dat men te St. Truyen niet tot daden kwam, maar zich nogmaals alleen tot woorden zou bepalen. We vragen niet, of het misschien heilzamer ware geweest, indien de Prins openlijk de zijde der gematigde edelen te St. Truyen gekozen had. Naar onze zienswijze had hij in 1566 zich meer door de stemming van het volk moeten laten bepalen. Maar ook toen was het weer Egmond, "qui tenait la balance droit; s'il met l'épée sur l'une, elle l'emporte."
Margareta, bevreesd voor 't geen zij van de samenkomst te St. Truyen vermoedde, droeg den Prins en Egmond op, naar Duffel te gaan, om van daar als onderhandelaars met de verbondenen te St. Truyen op te treden. En zeker is het, dat de Prins daardoor veel moedwil heeft te keer gegaan en nogmaals met goed gevolg de edelen tot een kalme houding bij hun tweede verzoekschrift heeft gebracht. De vraag is echter of hij, die door zijn aanwezigheid te Antwerpen, het brandpunt van de toenmalige volksbeweging, niet voldoende op de hoogte had kunnen en moeten zijn van de geweldige stroomingen, die niet langer door woorden zouden te keeren zijn en of hij door zijne houding, die de hoofden der Consistories zeer verbitterde, niet mede verantwoordelijk is voor de geweldige uitbarsting van de volkswoede bij den beeldenstorm.
Wij kunnen ons uitstekend verplaatsen in de hoogst moeilijke positie van Oranje, maar of thans nog niet het oogenblik was gekomen, om de Hames' woorden op te volgen: Geen woorden meer, maar daden--wij zouden niet gaarne deze vraag ontkennend beantwoorden. Wij eerbiedigen ten volle zijne poging om het revolutionair karakter zoolang mogelijk van de volksbeweging vreemd te houden, maar dat hij die volksbeweging in haar diepste oorzaken niet begreep en nog zou moeten leeren begrijpen, kwam hoofdzakelijk daar vandaan, dat het hem persoonlijk aan godsdienstig leven schortte. Eerlang zou de tijd komen, waarin hij begreep, dat alleen daden konden helpen om een volk te verlossen.
HOOFDSTUK IX.
DE HERSTELLER VAN DE ORDE NA DEN BEELDENSTORM. DE NIEUWE EED. 1566-1567.
Oranje spande zich in Antwerpen met alle macht in, de orde te herstellen en werkelijk gelukte het hem binnen een kort tijdsverloop, met medewerking van de Magistraat, vergelijkenderwijze de stad weder tot rust te brengen. Hij slaagde er in, de vreemde kooplieden, die gedreigd hadden de stad te zullen verlaten om elders hunne zaken te hervatten, te overreden in Antwerpen te blijven. Ook besloot hij de preeken niet te verbieden, maar te zorgen, dat zij rustig gehouden werden. Zijn voorstel om de stedelijke militaire macht met een paar honderd man op kosten van de stad te versterken, vond geen goedkeuring bij de Magistraat.
De Landvoogdes was ondertusschen zeer bevreesd geweest, dat de geheele stoet van de verzamelde edellieden te St. Truyen weer naar Brussel zou komen. Door invloed van den Prins, van Duffel uit, werd zij hiervan bevrijd. Slechts een commissie van twaalf gedeputeerden, gewoonlijk de twaalf Apostelen genoemd, met Lodewijk van Nassau aan het hoofd, kwam in Brussel, om het tweede verzoekschrift aan te bieden. Niet dan met moeite liet de Landvoogdes zich bewegen de gedeputeerden te ontvangen. Stoute taal lieten zij hooren. Medewerking zouden zij verleenen om de vrede te helpen bewaren indien werd toegestaan, dat er geen wraak zou genomen worden over het verledene, dat de regeering hun toestond zich met de gereformeerden te vereenigen en hun godsdienstoefeningen zouden worden beschermd, dat Oranje, Egmond en Hoorne in alle gewichtige zaken zouden worden geraadpleegd en als de Landvoogdes de Staten-Generaal wilde bijeenroepen.
Het smeekschrift van April was Margareta al te ver gegaan, maar dit nieuwe verzoekschrift was, zooals zij het zelf uitdrukte "nog veel wranger van smaak en nog veel harder om te verduwen."
Ten einde over dat verzoekschrift en het antwoord er op te geven te beraadslagen, riep Margareta tegen den 18en Augustus de Ridders van het Gulden Vlies en de leden van den Raad van State bijeen; met opzet nam ze een uitstel van drie weken in de hoop, dat inmiddels antwoord uit Madrid zou komen op het verzoekschrift van April en haar hoop, zullen we zien, werd verwezenlijkt.
Ook den Prins schreef ze herhaaldelijk naar Antwerpen om haar toch in Brussel te komen bijstaan. Daartoe was echter Oranje allesbehalve gezind, want hij wist, dat de schijnbare kalmte in Antwerpen slechts aan de oppervlakte lag. De regentes echter weigerde naar zijn bezwaren te luisteren. Al verzekerde hij, dat zijn vertrek het sein zou wezen tot onlusten en dat het gevaarlijk was, de opgeruide menigte aan zich zelf over te laten, zonder een leidsman, dien ze vertrouwde, toch werd hij telkens dringender naar de hoofdstad ontboden.
De 18de Augustus was toen en is nog een geliefde heilige dag voor de Vlaamsche stad. Een klein beeldje van de H. Maagd, in de Antwerpsche Kathedraal bewaard, werd op dien dag gewoonlijk door de stad gedragen. Het was het feest van den "ommegang."
Kennende het gevaar van samengevloeide menigten, drong de Prins er op aan, althans zijn vertrek tot na dat feest uit te stellen. Op den 18en Augustus was hij dus nog in Antwerpen en woonde zelfs als ooggetuige, voor een venster op het stadhuis, met de Prinses en met Lodewijk den feestelijken omgang bij.
Toen het kleine beeldje, als naar gewoonte bedekt door de rijke geschenken, die van tijd tot tijd haar toevloeiden, het heiligdom verliet, werd het van den kant der menigte, die op een veiligen afstand volgde, met spotkreten begroet en bij tusschenpoozen, als het rumoer wat bedaarde, werden de honende woorden vernomen: "Maaike, Maaike, uw uur heeft geslagen. Het is de laatste maal, dat gij zoo rondgaat. De stad is u moede geworden."
Er werden enkele steenen geworpen, maar ze beschadigden niets en het arme onschuldige beeldje, voor de eerste maal oneerbiedig behandeld, werd veilig en wel in het heiligdom teruggebracht. Gewoonlijk werd het na den terugkeer van haar omgang bij de westelijke deur van de Kathedraal geplaatst, om daar nog gelukwenschen en geschenken te ontvangen. Maar dit jaar waren haar bewakers al blij genoeg, dat ze haar veilig onder dak hadden teruggebracht, dan dat ze verder gevaar wilden loopen en het beeldje werd in het koor achter een ijzeren traliedeur geplaatst.
Daags na de processie, gaf Oranje gehoor aan den oproep der regentes en ging vroegtijdig naar Brussel, in de hoop, dat het gevaar niet dreigend zou zijn en toch was hij niet vrij van vrees. Die vrees bleek spoedig maar al te gegrond.
Voordat hij nog Brussel had bereikt, verzamelde zich een menigte bij de deur der Kathedraal; het verborgen beeldje werd ontdekt en het volk begon de kreten van den vorigen dag te herhalen: "Maaike, Maaike, zijt gij zoo vroeg bevreesd geworden? Zoo spoedig naar uw bergplaats gebracht? Dacht gij buiten het bereik van kwaadwilligheid te zijn? Waak, Maaike, waak, uw uur is gekomen!"
De kerk stond open, gelijk toen en gelijk nog de gewoonte is en de menigte liep in en rond het gebouw even vrij als de toerist van heden.
Een in lompen gehulde kerel kwam op het denkbeeld, om den preekstoel te beklimmen; hij opende den bijbel en begon spottend een monnikenpreek na te bootsen. Sommigen van de ooggetuigen waren verontwaardigd. Maar anderen juichten den man toe en schreeuwden: "Lang leven de Geuzen!" woorden, die voor een Vlaamschen volkshoop even natuurlijk begonnen te worden als de Marseillaise voor onze hedendaagsche oproermakers. Doch die kreet had volstrekt niet altijd bijzonder het oog op de verbonden edelen.
De volkssympathie was niet geheel met de hervormingsgezinden. De spotboef, die op den preekstoel was geklommen, werd door enkelen uit den volkshoop beetgegrepen. Een jonge schipper, die aan den anderen kant den kansel opklauterde, pakte hem beet en sleurde hem van de trappen. De twee worstelaars waren ongedeerd, maar er volgde een algemeene verwarring. Een pistool werd afgeschoten en de schipper in den arm gewond. Met de grootste moeite slechts slaagden de priesters er in, de kerk te doen ontruimen en de groote kerkdeuren werden gesloten.