Willem de Zwijger, Prins van Oranje

Chapter 14

Chapter 143,844 wordsPublic domain

Toch begrijpen we aan den anderen kant het ongeduld van mannen als De Hames zeer goed. De aarzeling en beraadslaging, de terughouding en voorzichtigheid, waarmede Oranje elken stap voorwaarts deed, de rem toepassend bij elke wenteling van het wiel, waren ontmoedigend voor mannen van één denkbeeld, die begrepen, dat het vroeg of laat toch tot wapengeweld moest komen. Daartegenover was het natuurlijk, dat de Prins, die de gevolgen kende van den burgeroorlog in Frankrijk, door dergelijke oorzaken aangewakkerd als hier aanwezig waren en die wist, hoe daar het geneesmiddel nog erger dan de kwaal scheen te worden, waarschuwde tegen gewelddadige maatregelen.

De samenkomst te Breda in 't eind van Februari had den Prins geleerd, dat de vurige partij onder de edelen niet licht haar plan zou opgeven; de brief van De Hames onder den indruk dier samenkomst geschreven, kan ook ons daarvan overtuigen. Mannen als De Hames zouden, aan zichzelf overgelaten, tot onberaden stappen komen.

Vandaar dat enkele dagen, nadat de Prins de plannen van die partij ten sterkste had afgekeurd, door hem eene samenkomst van de voornaamste grooten, eerst in Breda en kort daarop te Hoogstraten werd geleid, waarin hij dezen ter voorkoming van de gevaren die uit het Verbond der Edelen konden voortvloeien, opwekte zich met hem aan het hoofd der beweging te plaatsen.

Welk plan daar te Hoogstraten door den Prins zelf geopperd werd, is niet geheel zeker. Wel bewijst de aanwezigheid van Lodewijk van Nassau en van George von Holl aldaar en het beroep, dat de Prins op hen deed, dat de gedachte toch ook in hem omging, om desnoods door wapengeweld het land tegen een aanval van Spaansche troepen te verdedigen. Misschien wilde hij wel, zonder zich van Antwerpen meester te maken, de Staten-Generaal bijeenroepen en gedekt door de toezegging van vreemde hulptroepen, vrij met den koning onderhandelen. Doch ook aan dit plan, zoo het aldus werd voorgesteld, lag wapengeweld ten grondslag en daarvan wilde Egmond niets weten. Ook Meghen en Mansfelt kozen Egmonds zijde.

Het is hier de plaats niet om een oordeel over Egmond uit te spreken. Hard, zeer hard wordt hij om die houding aangevallen; door anderen, die zijn loyauteit blijven roemen, daarom geëerbiedigd, al bejammeren ook deze zijn nauwgezetheid, die zooveel ongeluk aan het land berokkende. Doch, terwijl we het oordeel in dezen over Egmond aan anderen overlaten, die zijn karakter bestudeeren, voor ons, wie het te doen is om den Prins, is daarom alleen Egmonds verzet te Hoogstraten merkwaardig, omdat de Prins ook toen zijn ontwerp opgaf en ten stelligste aanried, de daden nog uit te stellen en alleen met woorden te beginnen.

Het is jammer genoeg, dat Egmonds voorbeeld zoo aanstekelijk op den Prins heeft gewerkt. In 1566 en 1567 zullen we Oranje meer dan eens onder den invloed van Egmonds versaagdheid zien. De kracht van den volkswil heeft hij in het eind van 1566 miskend en in plaats van in 1568 had hij wellicht beter gedaan in dat jaar reeds de vaan van den opstand te ontrollen.

Aan Lodewijk van Nassau werd opgedragen, het adres van de edelen aan Margareta op te stellen. Hij en Brederode waren in Maart de erkende leiders. Doch ook de Prins had grooten invloed op den inhoud van het smeekschrift; althans terwijl Lodewijk met de samenstelling bezig was, vertoefde hij meestal bij zijn broeder in Breda. Gezamenlijk zou dit smeekschrift aan de landvoogdes worden aangeboden. Op uitdrukkelijk verlangen van Oranje zouden de edelen bij die aanbieding ongewapend verschijnen. Het mocht geen revolutionaire maatregel zijn, maar een eenvoudig protest tegen een regeeringsdaad.

Nadat de zaak alzoo geschikt was, viel er nog veel te doen voor hen, die aan het hoofd stonden en met de geestdrift en den ijver van moderne leiders der politieke bewegingen togen ze aan den arbeid. De verbondenen--die naam werd niet voor April gebruikt--verdeelden de gewesten onderling om onderteekeningen voor de petitie te verwerven. Lodewijk nam o. a. Zeeland, Friesland en Antwerpen, Brederode Holland voor zijn rekening. De Hames alleen beroemde er zich op, in korten tijd meer dan 2000 handteekeningen op het smeekschrift te hebben verworven.

HOOFDSTUK VIII.

AANBIEDING VAN HET SMEEKSCHRIFT EN DE GEVOLGEN. ORANJE IN ANTWERPEN. 1566.

Men kan zich begrijpen, dat Margareta niet zonder zorg de stemming van het volk opmerkte. Terwijl men zich van den kant der edelen op de demonstratie voorbereidde en het duidelijk werd, dat de verbondenen weldra tot een openlijke daad zouden overgaan, begon de landvoogdes zich steeds minder op haar gemak te voelen. De meest overdreven geruchten waren tot haar doorgedrongen; de krijgsmacht van het Verbond der Edelen werd zelfs op 30.000 man geschat!

Wat te doen? Haar positie was niet benijdenswaardig en ze voelde zich bovendien erg verlaten. Viglius en Barlaimont vertrouwde zij niet volkomen en had zij van zich vervreemd, terwijl de meeste grooten uit de residentie waren vertrokken en herhaaldelijk verzocht zij hun terug te keeren om haar met raad en daad bij te staan.

Op het einde van Maart riep zij de ridders van de Vliesorde en de leden van den Raad van State bijeen en ook Oranje ontving van haar een dringende uitnoodiging om in Brussel te komen, ten einde haar raad te geven in den dreigenden toestand. Zijn antwoorden waren eerst ontwijkend. Zijn zaken hielden hem bezig, zijn vrouw was ziek en al dergelijke uitvluchten zocht hij om Breda niet te verlaten. De Prins vond echter genoeg tijd om aan een der Duitsche vorsten een brief te schrijven, waarin hij uiteenzette, dat de oorlogstoerustingen van Filips niet alle tegen de Turken bedoeld waren, maar dat het verzamelde krijgsvolk onder den schijn van een Turkentocht wel voor een ander doel bestemd zou zijn. Hij hoopte dan ook, dat de Protestantsche Duitsche rijksvorsten op hun hoede zouden zijn en op den tegenwoordigen Rijksdag veel goeds en heilzaams zouden weten te bewerken in het belang van deze landen.

Op den 27en Maart ging echter de Prins naar Brussel en woonde twee dagen later een vergadering van den Raad van State bij. Lid voor lid vroeg de regentes de meening der vergadering omtrent de inquisitie. Allen zonder onderscheid, hetzij ze, gelijk de meesten katholiek waren, hetzij ze de hervorming sympathie toedroegen, allen waren van meening, dat de plakkaten moesten worden gematigd en dat de inquisitie hatelijk was en niet in het belang van den godsdienst.

Toen de beurt aan den Prins kwam, zei hij, dat in alle wereldlijke zaken de orde moest worden bewaard, in godsdienstige plichten meer dan in iets anders. De bedoelingen van den koning waren goed, maar zij hadden het resultaat niet voorzien. De godsdienst ging achteruit. "Een mensch voor zijn meeningen te zien verbranden, krenkt het volk; de rechters zullen de plakkaten niet uitvoeren, terwijl de strenge dekreten niets doen om den godsdienst te handhaven." Hij raadt dus de vergadering aan, een moderatie te ontwerpen en voor alles op de nieuwe plaatsen de inquisitie niet in te voeren, terwijl hij hoopt, dat Hare Hoogheid de bemiddelares zal wezen tusschen den koning en de inquisiteurs.

De regentes was gedurende de vergadering zeer ontrust, doch toen de quaestie van de petitie te berde kwam, vermeerderde nog haar ontroering. Wat zou zij haar broeder zeggen, als zij de Edelen ontving; het was toch een protest tegen zijn wil en wat zou het volk doen, als zij hen eens weigerde te ontvangen? De koning was verre en het volk stond aan haar deur!

Oranje beklaagde zich met Hoorne, dat zij als leden van het verbond werden aangemerkt. Als stadhouder en als ridder van het gulden Vlies moest hij die houding aannemen, ook al had hij persoonlijk zijn goedkeuring aan het verbond gehecht en al vond hij zelfs in het smeekschrift den grond om het verbond te verdedigen. De Prins schaarde zich echter in de discussie geheel aan de zijde der regeering. Op den 1en April schrijft hij aan Lodewijk, toch vooral niet te veel verbondenen tot den optocht toe te staan, nogmaals bepaald er op aandringende, dat men ongewapend zal verschijnen.

De 5e April was voor de aanbieding van het smeekschrift vastgesteld.

In den avond van den 3en April 1566 omstreeks 6 uur kwam een cavalcade, 200 ruiters sterk, Brussel binnen. Een ontelbare menigte uit alle klassen der maatschappij verdrong zich overal waar de stoet zich vertoonde. Aan het hoofd reed Brederode, die met zijn groote gestalte en krijgshaftige houding een geschikt aanvoerder scheen voor dezen troep bataafsche ridders. Onder herhaalde toejuichingen reden ze langzaam de stad door tot het huis van Oranje, waar Lodewijk van Nassau en Brederode afstapten, daar zij de gasten van den Prins waren, terwijl de rest der edellieden in verschillende kwartieren der stad een onderkomen vonden.

Den volgenden dag kwamen de graven Culemborg en Bergen aan, met ongeveer 100 volgers. De geheele troep verzamelde zich op den 5en bij het paleis van Culemborg. Dit huis lag op het plein Petit Sablon, nu versierd met de standbeelden van de voornaamste petitionarissen. De plaats, waar het paleis was, is thans ingenomen door een stedelijke gevangenis.

Wie waren die edelen?

"Het was een mooi gezicht die troep edellieden; de meesten hunner baardeloos, maar even beschaafd en volmaakt als er eenige in Europa zouden te vinden zijn. Velen van hen waren even ervaren in de letteren als in het gebruik van wapenen, maar zeer onkundig in staatszaken, het gevolg van hun jongen leeftijd. De meest uitstekenden waren Floris van Pallandt, graaf Culemborg, graaf Lodewijk van Nassau, broeder van den Prins van Oranje, George de Ligne en andere welbekende edelen.

"Hunne bedoelingen waren zeer verschillend; dientengevolge was hun verbond slechts van korten duur, want er ontstond verdeeldheid, waaruit hun geheele ondergang volgde. Sommigen hadden zich bij het verbond aangesloten uit affectie voor hun land, met geen enkele gedachte van ontrouw aan den katholieken godsdienst en aan den dienst des konings. Anderen hoopten de oproerige leeringen van Calvijn in het land over te planten, doch deze waren niet zeer talrijk. De groote meerderheid wenschte eenvoudig den bestaanden staat van zaken te verwarren om, zooals het spreekwoord zegt, in troebel water te visschen en hun ledige beurzen ten koste van den staat en de geestelijkheid te vullen. Vooral haatten zij de leden van den geheimen raad en de betere dienaren des konings, die ze kardinalisten noemden. Behalve deze drie soorten waren er nog enkele plebejers, die het Compromis geteekend hadden om daardoor hun nakomelingen een merkteeken van adeldom te geven. Deze werden later door den hertog van Alva het strengst vervolgd als de meest schuldigen en zoo kregen ze hun verdiende loon voor hun ijdelheid."

Deze beschrijving van den katholieken schrijver Pontus Payen bevat veel waarheid, want die 300 edellieden langer te idealiseeren gaat niet aan. Er was meer kaf dan koren onder. De adel van die dagen was niet zoo schitterend en "gaf door zijn onderling verbond het laatste teeken van leven, dat eerlang door een doodelijke kwijning zou worden gevolgd."

Het Verbond der Edelen bestond bij lange na niet uit louter hervormingsgezinden. Wel kunnen zich een groot aantal bij hen hebben aangesloten uit zuiver geldelijke berekening, maar ook tal van onverdachte katholieke Edelen uitten zich evenzeer als de hervormingsgezinden tegen de inquisitie en de plakkaten. Toch was dit weder oorzaak, dat er spoedig door de volgende gebeurtenissen verdeeldheid onder die edelen kwam, die meer dan de slimheid der Landvoogdes tot de oplossing van het verbond heeft meegewerkt.

Ongeveer ten getale van 300 gingen de edelen te voet naar het koninklijk paleis. Een fraaie, rechte straat leidde vandaar, langs den top van den heuvel naar het prachtig verblijf van de oude hertogen van Brabant, thans bewoond door hertogin Margareta. Het was over twaalven, toen ze het paleis van Culemborg verlieten, waarschijnlijk onmiddellijk na het eten, dat toen omstreeks elf uur plaats had. Een tallooze menigte had zich op de markt tegenover het paleis verzameld om de mannen te begroeten, die geacht werden het land te zullen bevrijden van de Spaansche heerschappij, de aanhangers van den kardinaal en van de inquisitie.

Oranje, Hoorne en Egmond en de andere raadsleden waren reeds ten paleize, om Margareta, die zich van angst nauwelijks kon beheerschen, bij te staan. Ze had haar geest trachten te vermannen door gala-kleeding aan te trekken en in hooge statie in de raadkamer te gaan zitten, die alleen kon bereikt worden door de groote hal, waar haar vader afstand had gedaan van de regeering. Op haar angstig gegeven bevel werden de petitionarissen toegelaten. Brederode trad vooruit, maakte een diepe buiging en las daarop met toestemming van de landvoogdes de petitie voor.

Het verzoekschrift begon met betuigingen van trouw, zoowel jegens den koning als jegens de hertogin. Na deze inleiding echter werd er onbewimpeld in meegedeeld, dat de laatste besluiten van Zijne Majesteit ten aanzien van de inquisitie een algemeenen opstand zouden teweeg brengen. Tevergeefs hadden zij genoopt, dat er een poging zou worden gedaan om het kwaad weg te nemen. Het gevaar nam dagelijks toe en daarom hadden zij zich gedrongen gevoeld niet langer te wachten, maar op te komen en hun plicht te doen. Ze deden dit met te meer gerustheid daar vooral hun landgoederen en huizen het meest waren blootgesteld aan de rampen, welke gewoonlijk het gevolg waren van inwendige beroerten.

Bovendien was er niemand onder hen, van welken rang of stand ook, of hij zag bij de bestaande plakkaten elk oogenblik een doodvonnis boven zijn hoofd hangen op de valsche aanklacht van den eerste den beste, die zich van de goederen van den aangeklaagde wenschte meester te maken en die hem slechts had op te geven bij den kettermeester, aan wiens genade aller leven en bezittingen waren overgeleverd. Zij verzochten daarom de hertogin een gezant te zenden naar den koning, teneinde hem met hun smeekschrift bekend te maken, waarin op afschaffing der inquisitie en wijziging der plakkaten in overleg met de Staten-Generaal werd aangedrongen. Tevens vroegen zij, of de Hertogin de inquisitie en de invoering der plakkaten wilde schorsen, totdat de koning een beslissing had genomen.

Het geschrift eindigde na betuiging van trouw: "Moge Uwe Hoogheid er er naar hooren, voordat er ander kwaad komt; gij zult dan goed doen."

Margareta werd hoe langer hoe onrustiger onder de voorlezing. Een poos lang bleef zij daarna zonder een woord te spreken, niet in staat om de tranen te bedwingen, die haar langs de wangen vloeiden en die de zekere getuigenis waren van de verslagenheid van haar geest. Zoodra zij de beheersching over zichzelf had herkregen, zei ze kort, dat de petitionarissen haar antwoord zouden erlangen, nadat ze met haar raadslieden overleg had gepleegd.

Die raadpleging begon, zoodra de edelen zich hadden verwijderd. Er ontspon zich een zeer heftige discussie. Oranje trachtte de ontroerde regentes te bedaren, door haar te verzekeren, dat die mannen, die daar voor haar waren verschenen, geen woeste samenzweerders waren, maar waardige, ernstige, welmeenende en welgeboren edellieden, die den geest van het land kenden en wier protest eervolle overweging verdiende. Egmond trok zijn schouders op en zei, dat hij voor genezing van zijn voetgebrek eerstdaags naar Aix moest gaan. Barlaimont, altijd even onaangenaam, had in het geheel geen sympathie met het volk, dat hij eenvoudig voor gepeupel, voor een "beest met vele koppen" hield. Het was op dat oogenblik dat Barlaimont in heftigen toorn de merkwaardige woorden uitsprak, die bestemd waren, den naam der verbonden edelen te veranderen:

"Hoe Mevrouw! kan het zijn, dat Uwe Hoogheid bevreesd is voor deze bedelaars? Bij den levenden God, indien mijn raad werd gevraagd, dan zou hun smeekschrift alleen stokslagen tot antwoord hebben en zij zouden de trappen van het paleis spoediger afdalen, dan dat zij die waren opgestegen."

Meghen drukte zich even heftig uit. Aremberg meende, dat "hunne hoogeerwaarden, de verbondenen," op eens de stad moesten worden uitgezet. De raad ging voor een uur ongeveer uiteen. In groepen wandelden de edelen door Brussel, tevreden over hun ochtendarbeid, want zij hadden ongetwijfeld op Margareta indruk gemaakt, hetzij ze dan al of niet succes zouden hebben. Toen een dier groepen Barlaimonts huis voorbijging stond deze toevallig met Aremberg voor het venster: "Kijk," riep Barlaimont, "onze beminlijke bedelaars! Hoe onbeschaamd om zoo onder onze oogen te komen."

Op den volgenden dag ging Brederode met enkele der voornaamste mannen naar het paleis en ontving het smeekschrift op plechtige wijze terug. Margareta had hare kantteekeningen in margine op het adres geschreven en zeide daarbij, dat ze de zaak bij den koning zou brengen, doch zij had absoluut geen macht om de plakkaten buiten werking te stellen. Al wat ze kon doen zou zijn: den ambtenaars voorzichtigheid aan te bevelen. Zij drukte daarbij de hoop uit, dat de edelen zich op loyale wijze zouden gedragen en toonen, dat ze geen kwade bedoelingen hadden tegenover den ouden landsgodsdienst.

Twee dagen gingen voorbij en op den 8en verscheen Brederode weder voor de poort van het paleis met een antwoord op Margareta's aanmerkingen. In dat antwoord, recht vriendelijk gesteld, beklaagden zich de verbondenen, dat de landvoogdes niet uitvoeriger de redenen had omkleed, die haar hadden bewogen. Zij betreurden het, dat zij niet de macht had, de inquisitie buiten werking te stellen, maar vertrouwden, dat zij aan alle gezaghebbende personen de order zou geven, dat de vervolging zou ophouden, totdat 's konings wil bekend was. Welke regeling Filips ook trof, ze zouden zich daaraan onderwerpen, als de Staten-Generaal er hun goedkeuring aan gaven.

Ze beloofden zich als nederige en gehoorzame dienaren des konings te gedragen, maar verzochten vriendelijk, ten einde alle booze geruchten en lasterpraatjes omtrent hunne vereeniging te bestrijden, dat hunne petitie op de koninklijke drukkerij zou gedrukt worden, woord voor woord, zooals zij door hen was aangeboden. Margareta gaf op die boodschap een vrij bevredigend antwoord. Zij hoopte zulk een order te geven aan de inquisiteuren en magistraten dat er "ni désordre, ni scandale" zou plaats hebben, maar vertrouwde van hare zijde, dat de verbondenen zich ook aan hunne beloften zouden houden en zelfs geene kleine geheime praktijken zouden verrichten, om uitbreiding aan hun bond te geven. Aldus scheen de zaak voorloopig geschikt, tot de boden heen en weer naar Spanje gereisd waren, om den wil van den koning zelf te vernemen.

In de oogen van Brederode, den gezworen vijand van de Spanjaarden en van "klaar water" was er thans niets beters te doen dan aan tafel te gaan. Hij noodigde dus de verbondenen aan een prachtig gastmaal, dat hij in het huis van Culemborg in gereedheid had doen brengen. Drie honderd gasten namen op den 8en April deel aan dezen maaltijd, bestemd om in de geschiedenis vermaard te worden.

Barlaimonts verachtelijke fraze was den feestgenooten ter oore gekomen en werd met toenemende vroolijkheid, van mond tot mond herhaald, toen de wijn rondging.

"Vroolijk vulden de gasten de groote gouden en verguld zilveren bekers met kostbaren wijn en ze vergaten niet de gezondheid van den Prins van Oranje en den graaf van Egmond te drinken. Toen de wijn hunne hoofden had verhit, gaf Brederode, een der geestigsten van het gezelschap, een teeken aan de gasten om zich stil te houden.

"Hij begon met luider stemme de opmerkingen te verhalen, die Barlaimont omtrent de verbondenen had gemaakt; hij had den fraaien en eervollen naam van "bedelaars" op hen toegepast. Welnu, zoo ging Brederode voort, sinds wij dan bedelaars zijn, bestaat er een goede reden voor ons om bedelzakken te dragen en uit houten nappen te drinken; op hetzelfde oogenblik bracht een zijner dienaren hem een bedelzak, die hij op de manier van het scapulier van een monnik omdeed en daarop nam hij met beide handen een houten schaal, schonk dien boordevol wijn, ledigde die in een slok, vulde hem weder en gaf hem zijn buurman, luid roepende: "Op de gezondheid der bedelaars! Lang leven zij!" Zijn buurman deed hetzelfde met den zak en de schaal en toen ook hij hem dus ledigde, riep het gansche gezelschap met luider stemme: "Lang leven de bedelaars!"

"Elk der gasten deed hetzelfde op zijn beurt. Zij zwoeren elkander een eed hun verbond te onderhouden, voor elkander te leven en te sterven, onder de dwaaste en ongerijmdste plechtigheden waarvan ik ooit gehoord heb. Want hij die den zak omhad en de houten schaal in de hand, wierp eenige zoutkorrels in den wijn, terzelfder tijd deze rijmelarij herhalende:

"Bij brood, bij zout, bij bedeltasch, De Geuzentroep blijft wat zij was!"

"En daarop hadt gij, indien ge er bij tegenwoordig hadt kunnen zijn, tal van houten nappen en schalen op de tafel kunnen zien werpen, in plaats van de gouden en zilveren bekers en terwijl de pages van mijn edellieden zich beijverden om die te vullen, deden hun meesters nog meer hun best, die te ledigen, niet vergetende bij elken dronk te roepen: "Lang leven de bedelaars!" Er bestaat een bekend spreekwoord dat zegt: "Er is geen gehenna [3] behalve in den wijn," want die maakt, dat we de meest geheime dingen openbaren; zoo deden sommigen van die verbondenen op dat ongelukkig feest; uit eerbied voor hunne verwanten zal ik hun namen niet noemen.

"Op een zeer gevorderd uur van het souper kwamen de Prins van Oranje en de graven van Egmond en Hoorne, die met den graaf van Mansfelt het avondmaal hadden gebruikt, in het gezelschap. Ook zij dronken de vereeniging een dronk toe en toen weergalmde de kreet: "Lang leve de koning, heil den bedelaars!" zoo luid, dat men een donderslag niet zou hebben gehoord.

"Wat zal ik verder zeggen? Zij gevoelden zich zoo vereerd door den naam van "bedelaars," een naam, die hen van schaamte moest doen blozen, dat zij oogenblikkelijk daarna een devies verzonnen, luidende: "Getrouw aan den koning tot aan den bedelzak."

"Dit devies werd op looden en tinnen medailles gegraveerd, die ze in plaats van juweelen snoeren om den hals hingen. Aan den eenen kant van deze medailles was het beeld des konings met deze woorden daaromheen: "Getrouw aan den koning," en aan de andere zijde waren twee handen, het geloof beduidende, boven een bedelzak met de rest van het devies: "tot aan den bedelzak," en ze noemden die medaille: "De orde van de bedelaars."

Dit is de geschiedenis van het ontstaan van eene uitdrukking, die van zoo groote beteekenis voor de verbeelding gedurende de volgende jaren van den burgeroorlog is gebleven. Geheel spontaan ontstond de naam op een zeer bepaald oogenblik. Van de meeste andere partijnamen ligt de oorsprong in het duister. De naam van "Geuzen" is misschien een eenig geval in de geschiedenis, waarvan men het nauwkeurig oogenblik van zijn ontstaan kent.

Margareta had onder den indruk van het oogenblik eene moderatie van de plakkaten beloofd, totdat de koning zijn wil zou hebben kenbaar gemaakt. Doch die moderatie werd op zoo'n geheimzinnige wijze ontworpen en behandeld, dat de regeering daardoor zelf verraadde, hoe weinig zij er voor de bevrediging van het volk van verwachtte.

De uitroeiing der ketterij bleef ook in de ontworpen moderatie de hoofdgedachte, alleen de middelen werden een weinig verzacht en een ruimer uitvlucht voor berouwhebbenden werd daarin opengesteld. Doch dat was het niet, wat het volk begeerde; het wenschte niet alleen afschaffing der inquisitie, maar vrijheid van de prediking van het nieuwe geloof. Toch werd de moderatie in den Raad van State goedgekeurd. Ook de Prins durfde niet openlijk het stelsel afkeuren, waarop het ontwerp berustte.