Willem de Zwijger, Prins van Oranje
Chapter 13
Ja eer we zwichten, zal dit hemelsblauw gewelf Zoo trots, zoo vast gebouwd, met zijn doorluchte bogen Te bersten springen en verstuiven voor onz' oogen, 't Geradbraakt aardrijk zien als een wanschapen romp Dit wonderlijk heelal in zijnen mengelklomp En wilde woestheid weer verwarren en verkeeren. Laat zien wie Lucifer durft trotsen en braveeren.
Geheel anders wordt echter onze voorstelling, indien we ons te binnen brengen, dat er aan dat hemelsblauw gewelf van de Nederlanden reeds lang zeer donkere en onheilspellende wolken waren aanschouwd; dat de man die die woorden sprak: "Nu zullen we het begin van een fraai treurspel zien," langzamerhand ontwaakte tot het bewustzijn van zijn roeping; dat zijn karakter bezig was zich te vormen voor den grooten strijd, die niet uit kon blijven, nu de koning van Spanje zich zoo onwijs bleef verzetten tegen den geest van het volk en den geest van zijn tijd.
Moedig was integendeel de daad van den Prins na de heillooze brieven uit Segovia; noem het een somberen moed, mij wel; want niet elk sterveling is er op aangelegd, om op die wijze de lont in het kruit te steken; maar evenmin als het ons voegt een steen te werpen op historische personen, die mannen van staal en bloed zijn geworden, omdat zij een hoog volksideaal tot verwezenlijking moesten brengen door bloed en tranen heen, al blijft ook hun karakter, uit het oogpunt van de gangbare moraal raadselachtig; evenmin voegt ons hier een oordeel over Willem van Oranje, die door zijn houding in den Raad van State de droeve tragedie met volle bewustheid heeft geopend.
De gebeurtenissen moesten hun loop hebben; wie de verantwoordelijkheid van die gebeurtenissen op zich neemt, zal altijd blootstaan aan het oppervlakkig oordeel der menigte. Wij zijn niet van meening, dat deze bladzijde tegen den Prins getuigt. Zelfs onpartijdige historieschrijvers hebben er Oranje om veroordeeld; anderen hebben getracht de beteekenis der woorden te verzwakken. Wij daarentegen vinden in deze fase, toen het den Prins nog ontbrak aan den hoogen en diepen ernst van waren godsdienst, toen hij, hoewel geneigd de slachtoffers van de inquisitie te beschermen, toch nog voor tijdelijke belangen voorgaf den R-Katholieken godsdienst aan te hangen; wij vinden er een echt menschelijke uiting in van een wordend karakter en wel verre van hier een Lucifer-incarnatie in hem te aanschouwen, begroeten we hem hier als een geestverwant van dien ander, die somber de wonderspreuk uitte: "Ik ben niet gekomen, om vrede te brengen, maar het zwaard."
Het is te begrijpen, hoe grooten indruk het in de gewesten maakte, toen men vernam, dat 's konings bevelen moesten worden uitgevoerd. De hervorming, die onder alle standen en rangen der maatschappij reeds wortel had geschoten en zich vooral in Antwerpen onder de Duitsche kooplieden, daar woonachtig, zich sterk had uitgebreid, was niet meer te keeren en er was dan ook in 1565 slechts één verlangen onder het volk: dat Filips zijn eischen zou matigen. Het misnoegen was werkelijk zeer groot; overal, op straat, in de herberg, op het veld, op de markt of in de kerk, bij eene begrafenis of bij een bruiloft, zoowel op het kasteel van den edele, als in de hut van den landman, zoowel in de woning van den daglooner, als onder de kooplieden op de beurs--overal en altijd werd slechts over dat ééne verschrikkelijke onderwerp gesproken.
In Brabant, dat altijd krachtens bijzondere privilegiën van de inquisitie was verschoond gebleven, wilde men de nieuwe inbreuk op de rechten van het volk niet dulden en in Vlaanderen en Namen protesteerde men ook krachtig. Geen wonder, dat de stadhouders der verschillende gewesten er bezwaar in hadden, de bevelen uit te voeren en verzochten, vervangen te worden door mannen, die zich in staat zouden achten, de bevelen van Filips op te volgen. Ook Oranje gaf in zijn qualiteit van stadhouder te kennen, dat de uitvoering, waartoe hij als lid van den Raad van State had moeten meewerken, voor hem ondoenlijk was.
In den zomer van 1565 was tijdens een verblijf van Lodewijk van Nassau te Spa, het eerste denkbeeld omtrent een verbond van edelen ontstaan. Het is zeer waarschijnlijk, dat het niet alleen gezondheidsredenen waren, die Lodewijk bewogen daar de baden te gebruiken. Spa was, evenals in onze dagen verschillende badplaatsen, in dien tijd dikwijls het vereenigingspunt voor andere doeleinden dan het watergebruik.
Zeker, Lodewijk was op dat oogenblik ongesteld; Oranje vraagt hem naar den invloed van de baden op zijn gezondheid en Brederode waarschuwt hem op zijn manier, om toch niet te veel water te drinken en den wijn niet te vergeten, maar de Prins schreef ook tevens aan zijn broeder, dat zijn verblijf te Spa, nu Bergen daar ook was, misschien een goede gelegenheid zou zijn, "om een weinig te praten over de zaken, die wij overlegden."
Onbekend is, of Bergen, met wien Lodewijk in Spa druk verkeerde, heeft deelgenomen aan de besprekingen, die op de badplaats de aanleiding zijn geworden tot het verbond der edelen.
Lodewijk van Nassau ontmoette aldaar eenige leiders van de Calvinistische partij, twee edelen, n.l. Jan van Marnix, den broeder van Marnix van St. Aldegonde en Nicolaas de Hames, wapenheraut van het Gulden Vlies en een vertegenwoordiger van den rijken burgerstand Gilles le Clercq van Doornik. Over die ontmoeting, of ze toevallig was, dan op afspraak berustte, noch over de bijzonderheden van de samenkomst bestaan eenige berichten. Alleen weet men met zekerheid, dat er met Lodewijk door de drie genoemde personen van gedachten gewisseld is over het oprichten van een verbond, tot verdediging der gewetensvrijheid.
Of de Prins hiervan geheel was ingelicht, is onzeker. In 't algemeen ried de voorzichtige man in die dagen groote behoedzaamheid aan, gelijk o. a. blijkt uit zijn reeds vermelden brief over Hendrik, waarin hij aan Lodewijk den raad geeft, toch zoo weinig mogelijk te schrijven over dergelijke zaken, hetgeen waarschijnlijk ziet op de hulp, die men van de Duitsche rijksvorsten wachtte.
Wat te Spa begonnen was, werd in het einde van November te Brussel voltooid. Ondertusschen waren de brieven uit Segovia gekomen en was de toestand veel meer gespannen geworden. Het huwelijk van Alexander Farnese met Donna Maria van Portugal werd te Brussel gevierd en daar het hof bij die gelegenheid openstond voor alle Nederlandsche edelen van hooger en lager rang, hadden deze een ongezochte gelegenheid meermalen samen te komen, zonder dat dit achterdocht zou wekken. Ook Lodewijk van Nassau kwam einde November uit Dillenburg om deel te nemen aan alle feesten, maaltijden en vermaken, waartoe dat huwelijk aanleiding gaf.
Geen wonder, dat bij die gelegenheid weer het onderwerp van Spa ter sprake kwam. Men trachtte de jonge edelen voor het denkbeeld van een verbond te winnen en in het paleis van Floris van Pallandt, heer van Culemborg, werd er na het aanhooren van eene predikatie van den Calvinistischen prediker Junius, die te Antwerpen leeraar was, over de zaak gesproken, hetgeen twee dagen later ten huize van den genoemden de Hames tot het Compromis der Edelen leidde. De hoofdpersoon in die vergadering was Jan van Marnix, heer van Toulouse. Dezelfde mannen dus, die het vier maanden geleden te Spa hadden beraamd, waren hier de voornaamsten, die het oprichtten; terecht kan men hen niet beschuldigen in overijling gehandeld te hebben.
Een belangrijke vraag doet zich nu voor, n.l. in hoeverre de Prins aandeel heeft gehad aan dat verbond en hoe zijn houding daarbij was, want ook hier zal het ons blijken, hetgeen trouwens elke bladzijde van het leven van den Prins van Oranje bewijst, dat het moeilijk, ja onmogelijk is, zijn persoon uit de gebeurtenissen te lichten. Het blijkt ons, dat Willem van Oranje tegenover het Compromis der Edelen van het begin af eer waarschuwend en intoomend, dan aansporend en opwekkend gestaan heeft. Zijn broeder Lodewijk was zeer voortvarend geweest, al verklaarde hij later ook in zijn Apologie, dat hij eerst niet had willen teekenen, maar er slechts op aandrang zijner vrienden toe was overgegaan; in Maart 1566 was Lodewijk reeds met Hendrik van Brederode, de erkende leider der beweging.
De Prins hield niet op, hem in den aanvang althans te waarschuwen, zich toch niet te veel bloot te geven; zelfs vond Oranje, dat Lodewijk zich reeds te ver had gewaagd. Men beschuldigde Lodewijk zelfs de hand te hebben gehad in een geschrift tegen de inquisitie. Zijn broeder keurde in den aanvang het Verbond der Edelen af als een begin van opstand tegen de regeering, vandaar dat hij den graaf naar aanleiding van het gerucht, dat hij de schrijver zou zijn van het stuk, dat in den nacht van 23 December op drie of vier plaatsen in Antwerpen was aangeplakt, het volgende schrijft:
12 Januari. "Mijn broeder!
Ik wacht ongeduldig op nieuws van U en zou wel duizend kronen willen geven, als gij hier waart, want daar is een zaak, die U betreft en die zeer geruchtmakend is.... Gij wordt beschuldigd de schrijver te zijn van het geschrift, dat in Antwerpen is gevonden en ook van verschillende andere dingen, waarover ik nu geen tijd heb te schrijven, wordt gij verdacht. Als ik in Breda ben, zal ik U meer in bijzonderheden schrijven. Ik verzoek u echter van zulke dingen den schijn niet meer op u te nemen."
Het blijkt uit dezen brief, dat, hoe groot ook de vertrouwelijkheid tusschen den Prins en zijn broeder Lodewijk moge geweest zijn, Oranje toch meende, dat hij niet in al de geheimen van Lodewijk deelde.
Willem van Oranje bleef, wilde althans in 1566 de loyale dienaar van den koning blijven. Hij wilde den strijd tusschen de onderdanen en den souverein vermijden, zoolang het mogelijk was. Wel had hij niet geaarzeld, om in den Raad van State den raad te geven 's konings bevelen uit te voeren, doch al wist hij, dat dit 't begin zou zijn van een jammerlijk treurspel, tot de opening daarvan verder mee te werken, achtte hij in 1566 nog ongeoorloofd.
Hij voorzag de mogelijkheid van ernstige onlusten, maar zocht tegelijk naar het middel om ze te voorkomen. Geen wonder, dat de schijnbare tegenstrijdigheid zijner handelingen in dat jaar aanleiding heeft gegeven tot verklaringen van den kant zijner vijanden ten nadeele van zijn karakter. Dubbelzinnigheid en huichelarij zijn karaktertrekken van den Prins, in den mond zijner vijanden bestorven. Voor hem, die althans iets dieper weet te peilen in zijn ondoorgrondelijk karakter, is zijn houding in dat jaar niet geheel onverstaanbaar. En al zullen wij niet ontkennen, dat Oranje in 1566 de kracht van den volkswil heeft miskend, dat hij m. a. w. nog steeds de staatsman in wording was, de snelle loop der gebeurtenissen, die dagelijks de kans van burgerkrijg vermeerderde, maakte hem, die in 1566 nog geen vaste plannen had, destijds besluiteloos en angstvallig.
Wie een karakter, als dat des Prinsen wil beoordeelen en hem in dat voor den staatsman zoo bange jaar 1566 wil begrijpen, mag dit bij de volgende uiteenzetting geen enkel oogenblik uit de gedachte verliezen. Ook mag men de verschillende qualiteiten niet vergeten, waarin de Prins moest handelen. Als lid van den Raad van State had hij de onmiddellijke opvolging van Filips' bevelen mede doorgevoerd; als stadhouder moet hij ook toen reeds het onmogelijke van die uitvoering begrepen hebben. Althans hij schrijft op den 24en Januari 1566 aan Margareta o.a. het volgende:
"Ik heb de brieven van Uwe Hoogheid ontvangen, waarin Zij mij den wil van Z. M. op drie punten te kennen geeft, mij uitdrukkelijk bevelende in alle plaatsen van mijn stadhouderschap elk dezer stiptelijk te doen uitvoeren. Hoewel ik nu Mevrouw, in die zaak van zulk een groot gewicht en gevolg om advies gevraagd ben (natuurlijk in zijn qualiteit van stadhouder), zoo gevoel ik mij toch, als loyaal dienaar en vazal van Z. M., die begeerig ben om te verrichten al wat ik aan mijn staat en eed verschuldigd ben, verplicht, mijn meening rond en open te zeggen, daar ik liever de kans loop voor 't tegenwoordige ondank in te oogsten wegens mijn waarschuwingen en betoogen, dan door oogluiking en stilzwijgen, na de verwoesting van het land, geblameerd te worden van ontrouw en verwaarloozing als stadhouder."
Achtereenvolgens bespreekt hij dan de drie punten. Wat de uitvoering van de besluiten van het concilie aangaat, de reformatiën der priesters en andere kerkelijke verordeningen, dat zijn zaken, die niet tot zijn roeping behooren; die zal hij overgeven aan hen, die er mee belast zijn en zorgen, waar het noodig is, dat aan het bevel des konings wordt voldaan.
Wat echter het tweede punt betreft, dat de stadhouders en andere ambtenaars de inquisiteurs moeten helpen, dienaangaande schrijft hij aan Margareta:
"Uwe Hoogheid moet zich herinneren, dat de klachten en moeilijkheden, door de bisschoppelijke organisatie verwekt, geen anderen grond hadden, dan de vrees, dat men onder dit voorwendsel eenigen vorm van inquisitie zou invoeren. Want niet alleen de uitvoering, maar reeds de naam er van klinkt hatelijk en onaangenaam.
"Buitendien kan Uwe Hoogheid weten, dat Zijne Keizerlijke Majesteit en Koningin Maria herhaaldelijk aan de inwoners van de Nederlanden verzekerd hebben, dat de inquisitie in deze landen niet zou worden ingevoerd, maar het geheele land zou bestuurd en geregeld worden als van ouds.
"Die verzekeringen en beloften hebben den handel dezer landen steeds doen bloeien.
"Wat aangaat het derde punt, om al de plakkaten door den keizer en den koning uitgevaardigd, in al hun gestrengheid toe te passen, Mevrouw! dit schijnt mij zeer moeilijk toe, daar de plakkaten zoo talrijk en verschillend zijn geweest en nooit ten strengste zijn opgevolgd, zelfs niet in den tijd, toen de algemeene ellende niet zoo groot was als tegenwoordig. Hunne uitvoering zou ondragelijk zijn en is derhalve niet raadzaam."
De Prins gaat zoo ver, dat hij zegt, dat de godsdienstige vrijheid in naburige landen de onderdrukking zeer onrechtvaardig zou maken en, volgens hem zou het het toppunt van dwaasheid zijn, de hartstochten op te wekken, juist nu het volk in zulk een groote bezorgdheid verkeert wegens de duurte der tarwe. Hij hoopt, dat alle gestrenge maatregelen zullen uitgesteld worden tot Filips zelf hier zal komen, om door zijn tegenwoordigheid al het kromme weer recht te maken. Hij eindigt met te zeggen dat, als de koning, in spijt van zijne waarschuwingen, blijft aandringen op de uitvoering van zijne bevelen, hij liever zijn ambt wil nederleggen, dan de "blaam mij op den hals te halen, die me zou bevlekken, als aan het land, waarover ik als stadhouder ben aangesteld, een ongeluk overkwam." Met vernieuwde uiting van trouw aan den koning eindigt dit schrijven. Zoolang hij leeft, zal hij al wat hij in de wereld heeft, in den dienst van Z. M. en het land stellen, zijn persoon, ja vrouw en kinderen zelfs.
Deze uitdrukking van loyaliteit ware ongetwijfeld in verband met hetgeen reeds was voorafgegaan onverklaarbaar, als niet deze uitzondering daarop gemaakt werd: "Behalve indien de zaken van het land anders gaan, dan voor de welvaart noodig is."
En geen wonder, dat hij die uitzondering als mogelijk stelde. Want al keurde hij in den aanvang het Verbond der Edelen af, hij verdacht Filips in diezelfde dagen reeds maatregelen te beramen, om zijn plannen met geweld in de Nederlanden door te voeren. Er kwamen toch berichten tot hem, dat de koning aan hertog Eric van Brunswijk, een der weinige Duitsche vorsten, die voor geld beide partijen wilde dienen, bevolen had troepen te verzamelen, teneinde de rebellen te straffen. Op die mogelijkheid was de Prins dan ook terzelfder stond bedacht en hij schreef aan Lodewijk om toch George von Holl en andere Duitschers te overreden, naar de Nederlanden te komen, "hetgeen zij zeker zouden doen, als zij alles wisten." Hij schreef zelfs: "Hoe rustiger de zaken kunnen gehouden worden, des te beter; wees alleen gereed met het oog op mogelijke gebeurtenissen." Ja wat nog meer zegt, in die dagen ging de gedachte reeds in hem om, het land te verlaten, onder voorwendsel, deel te nemen aan de beraadslagingen van den Duitschen Rijksdag. Twee motieven drongen hem daartoe. Allereerst de sympathie van Maximiliaan II voor de Lutherschen en tevens het beroep, dat hij bij den Rijksdag zou kunnen doen op het verdrag van Augsburg van 1548, waarbij de Nederlanden wel als een afzonderlijke kreits waren erkend, doch niet alle banden met Duitschland waren opgelost. Zelfs dacht hij na over pogingen om geld op te nemen, indien het noodig was.
Uit een en ander blijkt, dat Oranje zelf ook wel degelijk op toekomstige mogelijke gebeurtenissen bedacht, gereed wilde zijn, als die gebeurtenissen hem dwongen een andere houding aan te nemen, dan die van loyaal dienaar des konings. Maar toch was het verschil tusschen hem en de stormachtige edelen, die hun verbond hadden gesloten, zeer groot.
Gedurende den winter was Oranje in Breda, van waar hij vele brieven schreef aan de hertogen van Saksen en Wurtemberg, om hun den staat van zaken in de Nederlanden duidelijk te maken en hun raad in te winnen. Elke stap voorwaarts moest met groote zorg gedaan worden. In het eind van Februari was er een groot aantal edelen in Breda. Die hadden in dien tusschentijd niet stil gezeten. Zoowel met het beramen van plannen als met het winnen van nieuwe leden hadden de verbondenen de laatste maanden doorgebracht. Vooral onder den lageren adel breidde zich van dag tot dag het verbond uit. Van het verbondschrift, waarschijnlijk het werk van St. Aldegonde, waren afschriften gemaakt en in een paar maanden stonden twee à driehonderd namen op de lijsten. Wat hunne plannen aangaat, met zekerheid is dit niet te zeggen. Doch volgens Junius, denzelfden predikant, die bij de oprichting aanwezig was, waren de verbondenen voornemens zich van Antwerpen meester te maken en vandaar uit het land in beweging te brengen. Van die plannen hoorde de Prins nu in Breda in 't eind van Februari en hij keurde ze ten stelligste af. Ook Nicolaas de Hames was daarbij tegenwoordig.
Teneinde het verschil naar waarde te schatten, dat er bestond tusschen de revolutionaire partij onder de edelen, die voor geen geweld terugdeinsden en den voorzichtigen Prins, is het merkwaardig in dit verband een brief van dien Nicolaas de Hames te lezen, die voor geen heftigen maatregel terugdeinsde en die onder den indruk van de voorzichtige, afwachtende houding van Oranje, al zijn spijt en wrevel in een brief aan Lodewijk uitdrukt:
"Monseigneur! Sedert uw vertrek uit deze landen hebt gij, naar ik meen, van niet een der verbondenen eenig bericht gehad betreffende onze zaak; al hebben wij verscheiden malen zeer begeerd een middel te vinden om u op de hoogte te houden van de dingen, die wij in grooten getale hebben behandeld, zonder tot eenig besluit te komen. Zoo stonden de zaken, toen op de laatste vergadering, waar Mr. de Warou, luitenant van den admiraal, Mr. Dolhain, Mr. de Louverval, Mr. de Toulouse, Mr. de Leefdael en ik tegenwoordig waren, een besluit werd genomen, dat volgens het oordeel van allen voordeeliger en gemakkelijker was, dan een der andere plannen, die vroeger geopperd waren. Wij namen het onder correctie en advies van den Heer van Brederode, wien wij alle bijzonderheden der onderneming mededeelden, terwijl we den Prins alleen het algemeen plan vertelden. Brederode vond de zaak uitstekend, de Prins verwierp het algemeene denkbeeld; hij hield zich verzekerd van den onmogelijken uitslag. Hij is van meening, dat we de toevlucht tot de wapenen nog niet mogen nemen en zonder deze is het ons onmogelijk, ons plan uit te voeren. Met een ongelooflijk verlangen zien wij uw terugkeer tegemoet hopende, dat gij zult helpen, om het vuur in de harten van die heeren te doen ontvlammen, die te langzaam vooruit willen en daardoor krachteloos zijn.
Zij willen dat wij tegenover de koppigheid en de verstoktheid van die begeerige wolven slechts remonstranties en requesten, kortom alleen woorden zullen stellen, daar waar zij van hun kant niet ophouden te verbranden, te onthoofden, te verbannen en op allerlei wijze hun woede te uiten. Wij hebben het middel in de hand, om zonder oproer, zonder moeilijkheid, zonder bloedstorting, zonder oorlog hen te beteugelen en men wil het niet. Welnu, laten wij dan de pen en zij het zwaard ter hand nemen, wij de woorden, zij de daden. Wij zullen huilen en zij zullen lachen. De Heer zij over alles geprezen, maar zonder tranen kan ik u dit niet schrijven. Alle arme geloovigen zijn radeloos, ziende dat het geneesmiddel zoo wordt uitgesteld. Een tijdlang hebben we ze getroost met de belofte van spoedige hulp, maar door de lauwheid van hen, die er het meest voor moesten bezield zijn, zie ik die hulp nog op een verren afstand. De vier steden van Brabant (Brussel, Antwerpen, Leuven en 's Hertogenbosch) hebben aan den kanselier en de raden van hun gewest een geschrift aangeboden, betreffende het laatste bevel, maar het schijnt, dat zij de vroegere edicten erkennen, alleen de inquisitie verwerpen en met den naam spelen, terwijl ze de zaken laten, gelijk ze zijn.
Men zegt, dat Vlaanderen een dergelijk geschrift gereed maakt. Ook Holland. Maar ik zie niet in, dat er eenige vrucht van al dat schrijven kan komen; altijd zal men weer van voren af beginnen. De ziekte en het verderf van onzen staat zijn te groot, om die te genezen met zachte dranken en siropen. Er moet een veel sterker purgatief of fistel worden aangewend. De Staten-Generaal hebben volle macht, zij zijn het eenig geneesmiddel voor onze kwalen; wij hebben zonder twijfel het middel in onze macht om die vergadering samen te brengen, maar men wil niet genezen zijn. Hoe meer men de venusziekte vleit en liefkoost, des te kwaadaardiger wordt zij en verbreidt zich totdat de aangetaste op het kerkhof ligt. Onze venusziekte is de corruptie van het geloof, van het recht, van de munt; eindelooze schulden, achteruitgang, ja bijna vernietiging van den adel; ambten en bedieningen in de handen van enkel onwaardige personen. Ja komaan, genees dat alles eens met woorden!"
Nicolaas de Hames eindigt dien merkwaardigen brief met een oproep tot Lodewijk van Nassau, om toch spoedig te komen en van raad te dienen en zeker tractaat mee te brengen, dat hij beloofd had, de redenen behelzende, waarom de ondergeschikte magistraat de wapens kan opnemen, als de opperste magistraat slaapt of tyranniseert. Wij noemen dien brief hoogst merkwaardig, omdat een man, zeker van heftig karakter, maar van een edele gezindheid, hierin krachtig het verschil uitspreekt, dat er bestond tusschen de edelen, die wilden doortasten en de grooten, die tot voorzichtigheid aanspoorden. Het zal wel altijd moeilijk blijven juist te beoordeelen wie te dezen opzichte gelijk had. Merkwaardig is het zeker, dat de stichters van het Verbond der Edelen reeds in 1566 hetzelfde plan koesterden, als tien jaren later tot uitvoering kwam. Terecht begrepen zij, dat Filips zich door geen woorden tot het verleenen van godsdienstvrijheid zou laten bewegen; dat alleen geweld van wapenen zou kunnen beslissen.
Maar of Oranje en de zijnen daarom niet nog hooger stonden, die op dat oogenblik nog van dat geweld afkeerig waren, die vraag zou ik niet gaarne ontkennend beantwoorden. Althans bewees hij daardoor te begrijpen, dat de poging die de edelen zich voorstelden te doen, hoogstwaarschijnlijk geen kans van slagen hebben zou en wel zou afstuiten op dezelfde tweedracht en naijver, waardoor zelfs tien jaar later de pacificatie van Gent werd verijdeld.