Willem de Zwijger, Prins van Oranje
Chapter 12
Ook zijn huiselijke omstandigheden veroorzaakten den Prins zorgen en verdriet. Reeds in 1564 bleek Anna van Saksen een vreemde, zonderlinge vrouw te zijn. Zoo wordt verteld, dat de Prins zich aan tafel van de landvoogdes eens had uitgelaten over het vreemde leven, dat zijn vrouw leidde. "Zij at heel weinig en het gebeurde nu en dan, dat zij 14 dagen in haar kamer bleef zonder uit te gaan en zonder eenig gezelschap te willen hebben." Zoo melankoliek was haar gemoedstoestand, dat dezelfde zegsman eens aan Granvelle schreef, dat de Prinses niet lang geleden in Brugge had vertoefd, maar dat zij ook daar niet uit haar kamer was geweest en dat zelfs, terwijl dagelijks de vensters gesloten bleven, zij geen ander licht wenschte dan een kandelaar. Die melankolieke gemoedstoestand scheen zelfs van jaar tot jaar erger te worden, tenminste in 1565 schreef de Prins aan zijn broer Lodewijk over haar op een toon, die veel kwaads doet veronderstellen. De Prins draagt daar namelijk aan zijn broer op, eens bij den keurvorst van Saksen een boekje over zijn nicht open te doen. Hij mag gerust onderzoeken, zelfs bij haar kamenier, de kleine Duitsche, hoe en op welke manier zij zich gedraagt; haar eigenzinnigheid had haar reeds tot tamelijke ongehoorzaamheid gebracht en de Prins vreesde, al had zij ook beterschap beloofd, dat het toch weer zou terugkeeren. Lodewijk wordt daarin door Oranje verzocht maar eens aan den keurvorst te vragen, of hij eenig geneesmiddel wil bedenken voor de zielekwaal van zijn echtgenoote.
Toch schonk Anna in December 1564 het leven aan een zoon, die Maurits werd gedoopt, doch die zoo ziekelijk was, dat hij reeds in Maart d. a. v. overleed. Het ontbreekt wel aan de noodige gegevens om al te groote gevolgtrekkingen te maken voor het karakter van den Prins uit zijn tweeden ongelukkigen echt, doch het kan niet anders, of die huiselijke tweedracht moet den vroeger maar al te lichtzinnigen Oranje tot meerder levensernst gebracht hebben. Het samenvallen van de ernstige gebeurtenissen van het land met zijn huiselijk onheil heeft ongetwijfeld meegewerkt tot de vorming van zijn karakter. En niet alleen zijn vrouw, ook zijn bloedverwanten kostten hem in die jaren hoofdbreken genoeg. De opvoeding en de positie van zijn jongsten broer Hendrik brachten veel zorgen en bemoeiingen mede, zooals we later zullen zien.
Welke houding nam de Prins nu aan in de Nederlanden?
In Augustus 1564 kwamen er orders van Filips II, die duidelijk toonden, dat de schijn van kalmte na Granvelle's vertrek bedriegelijk was geweest en dat er een beroering voor de deur stond van vrij wat ernstiger karakter dan die door den kardinaal was veroorzaakt. Het concilie van Trente, dat reeds met tusschenpoozen van 1545 af was vergaderd geweest, eindigde in 1563 met bevestiging van de oude leerstellingen omtrent de absolute autoriteit der kerk.
Voor den fanatieken koning van Spanje waren de eindbesluiten van het concilie natuurlijk van onfeilbare kracht en hij greep ze dan ook direct aan om aan zijn eigen besluiteloosheid ten opzichte van de Nederlanden voor goed een einde te maken. Aan Margareta werd bericht gezonden, dat de besluiten in de Nederlanden moesten worden afgekondigd en dat de inquisiteurs door alle burgerlijke ambtenaren gesteund moesten worden, teneinde tot volstrekte gehoorzaamheid aan die besluiten te dwingen en elk persoonlijk oordeel in zake den godsdienst te beteugelen.
Reeds in 1525, gedurende de regeering van Karel V, waren er inquisiteurs aangesteld, wier plicht het was, met kracht de Hervorming tegen te gaan, terwijl tal van plakkaten waren uitgevaardigd, die hetzelfde doel beoogden. Ook onder Filips had het waarlijk niet ontbroken aan pogingen in diezelfde richting. De bisschoppelijke organisatie van 1561 bedoelde vooral, krachtigen steun te verleenen aan de inquisitie in de verschillende gewesten. Dat er luide protesten tegen die inrichting werden vernomen, behoeft waarlijk geen betoog; was Brabant tot dien tijd er vrij van gebleven, in de andere gewesten bestond een krachtige oppositie tegen dien gruwel en sedert 1559 ontstond er ook bij Oranje verzet tegen de harde maatregelen, welke de inquisitie eischte.
Het was den Prins duidelijk geworden, ook uit de jongste gebeurtenissen der naburige landen, dat de geest der hervorming overal doordrong en tevens, dat bestrijding van dien geest door middel van geweld veel meer uitbreiding dan vernietiging tengevolge had. Al was hij voor zichzelf tot heden trouw gebleven aan het katholieke geloof, of liever, al had hij zich persoonlijk weinig of niets om den godsdienst bekreund--al had hij de geheele wereld tot dien tijd wel Amadissen de Gaule in handen willen geven en gaillardes willen leeren dansen, om de melankolieke quaestie van den godsdienst te vergeten--ook hij begon toch in te zien, dat de godsdienst iets meer was, dan een zwaarmoedige stemming, die moest worden overwonnen; dat hij even groot gewicht in de schaal legde in het leven der individuen als der volken.
Hij moest zich, geprikkeld door de onophoudelijke klachten over de ketterij in zijn vorstendom Oranje, aangevuurd door hetgeen hij onmiddellijk rondom zich in de Nederlanden aanschouwde--wel rekenschap gaan afvragen van de roeping van den staatsman tegenover het geloof.
Is het daarom niet merkwaardig, dat nagenoeg in denzelfden tijd, in den nazomer van 1564, de Prins van Oranje een geheime samenkomst met François Baudouin in het bosch van Soignies had. Baudouin behoorde tot die eigenaardige geesten uit de 16e eeuw, die gelijk Cassander e. a., hoewel de dwalingen der kerk inziende, nochtans zoo afkeerig waren van den strijdlust der protestanten, dat ze naar verzoening streefden. Hij was Nederlander van geboorte, stond bekend als een groot jurist en daar hij reeds een verzoenende rol in Frankrijk en Duitschland had willen spelen, riepen de Nederlandsche grooten hem in 1563 naar zijn vaderland terug en benoemden hem tot hoogleeraar in Douai. De bedoeling was, dat Baudouin, eenmaal lid van den geheimen raad geworden, in vereeniging en overleg met Willem van Oranje mede zou werken tot eene nieuwe wetgeving op het punt der religie, waarbij eendracht in kerk en staat op den voorgrond zou staan.
Hoewel de zaak geen gevolgen heeft gehad en Baudouin ten slotte niet de rechte bemiddelaar bleek te zijn, toch is deze poging van belang, omdat er duidelijk door wordt, hoe de Prins in 1564 zoowel door den toestand in Oranje, als door zijn positie in de Nederlanden, met alle macht zocht naar een ander middel dan de bloedige plakkaten, ten einde de rust in staat en kerk te herstellen. Aan eerbied voor de kerkleer, zooals die in Trente was vastgesteld, ontbrak het hem niet, maar afkeer van de bloedige vervolging, zucht tot vrede, deden hem en de zijnen opkomen tegen de noodlottige inquisitie en tegen alle gewelddadige maatregelen.
Nemen we dit een en ander in aanmerking, dan is ons de houding van Oranje in den Raad van State geen raadsel meer, nadat Margareta in December 1564 met de grooten den toestand van het land had besproken en Viglius een veel te zwakke instructie had opgesteld voor Egmond, die persoonlijk naar Spanje zou gaan.
Van de gedenkwaardige rede, welke toen door den Prins in den Raad van State werd gehouden en die Viglius zoo deed ontstellen, dat hij door een beroerte werd getroffen, is slechts een uittreksel van weinige regels bekend, maar deze zijn voldoende om ons te overtuigen, dat we Oranje op een van de hoogtepunten van zijn leven leeren kennen.
Nadat door niemand bedenkingen waren ingebracht tegen het door Viglius opgestelde stuk, kwam aan Oranje de beurt, zijn stem erover uit te brengen.
"Het is thans tijd," zoo sprak de Prins, "ronduit te spreken en niet langer te verbloemen, want de toestand, waarin het land gebracht is, kan niet voortduren. De koning dwaalt, als hij meent dat Nederland te midden van landen, waar godsdienstvrijheid bestaat, voortdurend de bloedige plakkaten verdragen kan; evenals elders zal men ook hier oogluikend veel moeten toestaan. En hoezeer ik aan het katholiek geloof gehecht ben, ik kan niet goedkeuren, dat de vorsten over het geweten hunner onderdanen willen heerschen en hun de vrijheid van geloof en godsdienst ontnemen."
Zulke woorden waren nog nooit in den Raad van State gehoord en inderdaad openden ze een nieuw tijdvak in de verhouding van de Nederlanden tot Filips. De groote kampioen van de verdraagzaamheid en de gewetensvrijheid was met die woorden in den Prins geboren. Tot dien tijd had Oranje wel krachtiger aandeel aan het bestuur en uitbreiding van de bevoegdheid van den Raad van State gevraagd, maar toch altijd aan den koning beloofd, de ketterij mede te willen bestrijden, al was het niet langs den weg der bloedige plakkaten. Ook in zijne antwoorden aan den paus zette hij steeds nog zijn ijver voor de katholieke kerk en leer op den voorgrond.
Nu echter komt hij openlijk voor den godsdienstvrijheid uit, in navolging van Duitschland, ook al bleef hij erkennen, voor zich zelf aan het katholiek geloof gehecht te zijn. Alles had, gelijk we zagen medegewerkt, om hem tot dat hooger standpunt op te voeren. Zonder nog zelf behoefte te hebben aan een reiner geloof, was er toch door zijn levenservaringen meer ernst in zijn gemoed gekomen; de landen, waartoe hij in betrekking stond, leerden hem dagelijks al meer en meer, dat de godsdienst als gewetenszaak der individuen niet aan banden te leggen was en zijn omgang met zijn Duitsche betrekkingen, die in gewetensvrijheid zooveel ruimer ademhaalden, dwong hem tot de erkenning, dat diezelfde vrijheid, trots den wil des konings, in de Nederlanden moest veroverd worden.
Of Oranje, die zoo beslist had gesproken, veel vertrouwen had in de zending van Egmond naar Spanje, kan worden betwijfeld. En inderdaad, die twijfel zou gewettigd geweest zijn. Want het is bekend, dat Egmonds zending, hoe hij ook zich zelf eerst gevleid en gestreeld achtte met 's konings beloften, geheel als mislukt was te beschouwen. In Brussel teruggekeerd, kon de graaf de vragen zijner achterdochtige vrienden niet beantwoorden en moest hij van Oranje de harde waarheid hooren, dat hij de algemeene belangen om zijn bijzondere verzuimd had.
De Prins deed dat laatste in die dagen zeker niet, want dan had hij ook geen recht gehad, Egmond hard te vallen. Maar of we hem daarom als een held des geloofs hebben te begroeten op grond van die verdediging der godsdienstvrijheid in den Raad van State, deze vraag zou alleen bevestigend kunnen beantwoord worden door hen, die andere trekken uit zijn leven van die dagen voorbijzien, of daaraan ter wille van een vooraf opgevatte meening niet die beteekenis geven, die ze inderdaad hebben. Wij vinden namelijk in de briefwisseling van den Prins uit denzelfden tijd bewijzen te over, dat ook bij hem het tijdelijk belang groot gewicht in de schaal legde en die ons overtuigen, dat destijds ook bij Oranje "de zaak van den godsdienst geen bezielend idee, maar een schakel in zijn politiek plan was, waarin een zekere engbegrensde hervorming, een zekere godsdienstige verdraagzaamheid was opgenomen, als onontbeerlijk voor het eigen belang en voor het belang van het volk."
Vreemd klinkt het zeker, dat de Prins terzelfder tijd, dat hij in den Raad van State die lans voor de godsdienstvrijheid brak, briefjes vol toewijding aan den koning schreef met beloften van trouw aan zijn dienst en aan de zaak der religie. Ook van Filips ontving hij in die dagen meer dan één schrijven, om hem dank te zeggen voor de trouw, die hij in zijn dienst bewees. De Prins zegt zelf in een van die brieven o. a.: "Het was niet noodig, Sire, dat Uwe Majesteit mij aanbeval te willen voortgaan met de bevordering van den godsdienst, want zij kan zich verzekerd houden enz."
Nog vreemder echter schijnt het volgende: Juliana van Stolberg volgde met groote bezorgdheid de schreden van haar jongsten zoon Hendrik van Nassau. Zij vreesde telkens dat hij besmet zou worden met de paapsche afgoderij en vertrouwde hem nauwelijks te Leuven, waar hij nog zijn studiën in 1565 voortzette. Strookte het dan met de inzichten van die moeder, dat Willem van Oranje zijn jongsten broeder Hendrik bestemde voor kerkelijke ambten in het door en door streng katholieke Nederland? En toch, de Prins koesterde dit plan. De bisschop van Luik was gestorven en daardoor viel de zeer winstgevende betrekking van de proostdij van St. Salvator te Utrecht open. Naar dat ambt stond Oranje voor Hendrik en inderdaad gelukte die candidatuur in zoover, dat de jonge graaf van Nassau, met goedkeuring van den koning en met voorbijzien van meer dan één geestelijke, die er alle recht op kon doen gelden wegens geleerdheid en onberispelijkheid van zeden, het jaargeld ontving aan dat ambt verbonden; het ambt zelf kreeg een tegen-candidaat, de graaf van Rennenberg. Dit geschiedde in den aanvang van 1566, maar ook in 1565 waren Oranje's zorgen voor Hendrik in strijd met de inzichten zijner moeder. Hij toch schrijft in Aug. 1565 aan zijn broeder Lodewijk o. a.:
"Ik ben zeer verdrietig over mijn broeder Hendrik en volstrekt niet tevreden over het besluit, dat Mevrouw onze moeder en onze broeder (Jan) genomen hebben. Hem naar Frankrijk te zenden, komt geheel niet te pas, niet om Hugenoterij, maar om andere redenen, die ik u vroeger genoemd heb; even verkeerd acht ik het, dat hij rechtstreeks uit Duitschland naar Italië gaat, zonder hier drie of vier maanden te vertoeven en dat nog wel met een Duitsch edelman, die bij den Paltzgraaf en zijn zoon is geweest. Gij kunt er zeker van zijn, dat wij zoodoende alle middelen geheel verliezen om hem te doen slagen in het verkrijgen van eenige waardigheden, die groote voordeden en geene lasten noch verplichtingen met zich brengen; want ik kan u verzekeren, dat men er reeds van spreekt en dat zij, die goedgezind zijn om hem te helpen, terugdeinzen, vermoedende, dat wij hem in een anderen godsdienst willen opleiden; enkelen hebben mij zelfs reeds gevraagd, waar hij zoo lang blijft. Ik zend u hierbij een uittreksel uit een brief van den bisschop van Utrecht, waaruit blijkt, hoe gegrond dat vermoeden is, dat van dag tot dag sterker worden zal. Al onze gunstige verwachtingen zullen op die wijze in rook vervliegen. Ik blijf bij de meening, dat het beter is, dat mijn broeder eerst 4 à 5 maanden hier vertoeft, om dan naar Italië te gaan onder begeleiding van een edelman de par deça, dien men daarvoor geschikt acht, zooals Mevrouw mijn moeder en mijn broeder dat wenschen. Door dat middel zal men alle vermoedens kunnen onderdrukken en in die 4 à 5 maanden alle zaken kunnen afdoen. Daarna kan mijne moeder haar wil ten uitvoer brengen. Zoo moet het gebeuren en anders zal alles tot groot schandaal en onze schande afloopen."
Daarop geeft hij zelfs in dien brief te kennen, dat er zich nog een andere gelegenheid heeft voorgedaan, om Hendrik te bevoordeelen. De graaf van Schauenburg was namelijk bij hem geweest met graaf van den Berg en die had hem beloofd, dat hij graaf Hendrik tot coadjutor van zijn proostdij Hildesheim wilde bevorderen. Oranje voegt daaraan toe, dat die betrekking een graaf zeer goed past en vooral deze woorden zijn merkwaardig, dat die betrekking geenerlei verplichting oplegt, dat ieder betreffende den godsdienst kan leven gelijk hem goeddunkt, mits men een weinig bescheiden is en de onderhoorigen niet worden gedwongen. Ook hoopte de graaf van Schauenburg, dat de broeder van den graaf van Königstein, graaf Christoffel, die de proostdij van Halberstadt bezat, Hendrik ook tot zijn coadjutor zou maken, welke proostdij zooveel rente gaf, dat de bezitter daarvan gemakkelijk 20 paarden met hun ruiters en equipage kon onderhouden. Buitendien lagen die beide proostdijen slechts 5 mijlen van elkander.
"Waar ons zulke aanbiedingen gedaan worden, moeten we niet slapen, maar het met inspanning van al onze krachten trachten te bereiken en omdat het noodzakelijk is, daarvoor de goedkeuring van den paus te hebben, is het goed, dat mijn broeder hier is, anders is alle moeite vergeefsch."
Deze geheele zaak bewijst ten duidelijkste, hoe Oranje op dat tijdstip alle godsdienstige belangen ondergeschikt maakt aan de tijdelijke en het verwondert ons dan ook niet, dat Juliana van Stolberg en graaf Jan, hoe zij ook den oudsten zoon en broeder vertrouwden, in dit opzicht zijn raad, niettegenstaande den krachtigen aandrang van den Prins, niet hebben willen opvolgen. Wel weigerden zij niet absoluut, maar ze hielden de zaak slepend, zoodat Jan in den volgenden zomer aan Lodewijk schreef, dat hij nog steeds onwillig was, om Hendrik naar Brussel te doen terugkeeren. Hij vreesde den aankomenden jongeling onder katholieke invloeden te brengen. De daarop gevolgde toestand in de Nederlanden vernietigde van zelf dit plan omtrent Hendrik.
Dit is het echter niet, dat ons het meest belang inboezemde, wel de kennis, die wij uit dien langen brief van den Prins aan Lodewijk putten omtrent Oranje's eigenlijke gezindheid. En dan kan niet ontkend worden, dat, hoe Oranje ook in den Raad van State voor godsdienstvrijheid pleitte, toch de godsdienst zelf voor hem in dat jaar nog geheel ondergeschikt gemaakt werd aan stoffelijke belangen. Van wezenlijken ijver voor de heiligste zaak is bij hem volgens dien brief geen sprake. De godsdienst vindt in de rij van andere stoffelijke belangen een gedrongen plaats. Wel moet erkend worden, dat Oranje zoowel als alle edelen in groote moeilijkheid geraakte door deze omstandigheden. Zij stonden tusschen twee uitersten in, die beiden als radicaal konden beschouwd worden en zij wilden een middenweg. Maar die middenweg werd de ondergang van den adel en de tijdelijke verduistering van Oranje's ster. "De Nederlandsche adel had zijn belangen liever dan de zaak van den godsdienst." De krachtige uitlatingen van den Prins in den bewusten brief over de belangen van graaf Hendrik laten omtrent hem zelf geen ander oordeel in dit tijdperk van zijn leven toe.
In den daarop volgenden brief drukte de Prins, terwijl hij nog blijft aandringen op Hendriks komst, het grootste verlangen uit naar het gezelschap van Lodewijk, daar hij zich zoo bitter alleen en verlaten voelt. "Kom als het kan, al is het slechts voor 14 dagen." Hij heeft behoefte aan zijn broeder zoowel voor zaken van belang als om zich met hem te ontspannen. Al moest hij tegen wil en dank erkennen, dat het noodzakelijk was, dat Lodewijk naar Dillenburg ging, zoo hoopte hij toch, dat hij intijds terug zou zijn voor de bruiloft van Montigny en dat hij deel zou kunnen nemen aan het tournooi.
Lodewijks bezigheid in Duitschland was op dat oogenblik, in overleg te treden met de Duitsche vorsten en hij werd daar langer opgehouden, dan men verwacht had. Als trouwe hulp stond hij den Zwijger in die dagen niet minder dan later bij; thans vooral om mede te werken tot meerder eensgezindheid tusschen de verschillende protestantsche sekten. Hij was het geweest, die in 1564 den Prins tot Baudouin bracht, ten einde door dezen een middel te vinden om katholieken en protestanten te hereenigen. Nu was vooral Lodewijk bezig, een poging aan te wenden om een vergelijk tot stand te brengen tusschen de Lutheranen en de Calvinisten, terwijl hij hoopte de Duitsche vorsten zooveel mogelijk te verzoenen met zijn broeder, den katholieken Prins van Oranje, wien hij tevens raad en steun vroeg.
Dit toch werd met den dag een dringender eisch. De toestand in de Nederlanden werd hoe langer hoe meer gespannen. Weer duurde het geruimen tijd, eer na Egmonds terugkeer uit Spanje de koning aan zijn belofte voldeed, om nader te schrijven. Hij was er eerst niet tegen, een vergadering van geestelijken en rechtsgeleerden te beleggen, die zouden beraadslagen over andere middelen tot wering der ketterij, maar het advies dier vergadering, om verzachting der straf in enkele gevallen toe te staan, droeg allerminst de goedkeuring des konings weg.
Daarom schreef Filips weder na maanden op den 17en October 1565, "dat de straffen niet verminderd mochten worden; de inquisitie moest blijven, gelijk ze was en dat de magistraten en de regenten die moesten steunen."
Deze heillooze brieven uit Segovia werden in de eerste dagen van November te Brussel ontvangen. Filips' orders waren ondubbelzinnig, maar het was hoogst twijfelachtig, of het in de macht van zijn zuster zou liggen, die orders uit te voeren. Op het verzet van het volk werd in geen enkel opzicht acht geslagen. De plakkaten moesten zonder eenig voorbehoud worden toegepast. Margareta sprak verscheiden dagen niet over den inhoud van die brieven, maar haar sombere stemming kon ze niet verhelen; niet moeilijk was het naar de oorzaak daarvan te gissen.
Tegen December werd er een vergadering van den Raad van State bijeengeroepen. De brieven van Spanje werden voorgelezen en de ontroering daarover was algemeen. Egmond, "de gelukkigste man der wereld", zooals hij zich bij terugkeer in een brief aan Filips noemde, erkende nu voor het eerst, dat alle beloften, die de koning hem mondeling had gedaan, volkomen waardeloos waren. Viglius zelfs, blijkbaar bevreesd over de heillooze uitwerking op de gespannen gemoederen, gaf den raad, nog eenmaal de zaak bij Filips terug te brengen, althans slechts gedeeltelijk den wil des konings te volvoeren en in de aanschrijving geen gewag te maken van de inquisitie. Maar Oranje verklaarde zich, nu het na zoovele ervaringen gebleken was, dat de koning geen acht wilde slaan op de stem des volks, tegen alle halfheid en voor de onmiddellijke uitvoering van de bevelen. Het was nog beter, dat het volk wist, waaraan men zich voortaan te houden had, dan het langer in onzekerheid te laten.
De koning van Spanje zou toch niet--dat was duidelijk genoeg gebleken--van gedachten veranderen; een middenweg was niet meer te vinden. In dien zin werd dan ook besloten. Aan de stadhouders en aan de gerechtshoven zouden lastbrieven gezonden worden, om 's konings bevelen onverwijld op te volgen. Toen dat besluit was genomen, moet Oranje iemand naast hem in de ooren gefluisterd hebben: "Nu zullen we het begin van een fraai treurspel zien." Viglius, die die woorden heeft medegedeeld, voegde er bij, dat de Prins ze uitsprak, "als ware hij verblijd en bij voorbaat zeker van de overwinning."
Er is geen ander bladzijde uit 's Prinsen leven, waaruit door zijn vijanden tot heden toe meer venijn getrokken is, dan uit die houding en die woorden van Oranje. Hier wordt hij niet langer alleen de huichelaar en de eerzuchtige gescholden, hier wordt hij voorgesteld als de satanische geest, als de Lucifer, die er behagen in had de lont in het kruit te werpen, die, hoewel beseffende dat zijne daad de droeve tragedie van den oorlog zou openen, met een vroolijk gelaat en als zeker van zijne overwinning, al de ellenden en gruwelen van den afval van Spanje en den koning op zijn geweten had.
Zeker uit het oogpunt van zijn feilen bestrijder, daarbij nog voorgelicht door den subjectieven indruk, dien Viglius ontving, is er inderdaad iets satanisch in Oranje's houding op dat oogenblik. Wat kan vreeselijker gedacht worden, dan met volle bewustzijn, louter gedreven door persoonlijke eerzucht en al de jammerlijke gevolgen aan zijn daad verbonden kennende, van zulk een tragedie met lachend gelaat, niet de aanleiding, maar de onmiddellijke oorzaak te zijn. Wij zullen dan ook die opvatting niet veroordeelen, want op een bevooroordeeld standpunt is geene andere opvatting mogelijk. Op dat standpunt is Willem van Oranje hier terecht de incarnatie van dien Lucifer, wien Vondel deze woorden in den mond legt, als Belzebub hem voor goed heeft gewonnen voor den opstand tegen God: