Willem de Zwijger, Prins van Oranje

Chapter 11

Chapter 113,910 wordsPublic domain

Wat de Frankfortsche reis betreft, heeft de Prins zelf verklaard, dat er zaken te regelen waren, die uit de nalatenschap van zijn vader voortvloeiden en dat hij als geboren Duitscher niet kon verzuimen te doen, wat hij schuldig was aan zijn vaderland en huis. Maar ook andere berichten bevestigen, dat deze tocht naar Frankfort in het najaar van 1562 voor familiezaken inderdaad dringend noodig was, zooals ook Oranje aan Filips schrijft, als hij hem bedankt voor de nog later toegezonden goedkeuring der reis.

Deze dringende zaken waren o.a. de pogingen, welke aangewend werden om Lodewijk van Nassau te doen huwen met de rijke erfdochter van Rietberg. Dit blijkt o.a. uit den brief van 20 Januari 1563 van Lodewijk aan den Prins, wien het niet weinig speet, dat het huwelijk niet tot stand kwam, want dat zou uit financieel oogpunt van groot belang zijn geweest voor zijn broeder en het geslacht.

Met de financiën van het huis was het in die dagen treurig gesteld en de broers hadden ten einde raad de zaken zelf ter hand genomen om de groote schuld van 300.000 florijnen te regelen en voor een gedeelte af te doen. Duidelijk bleek uit de correspondentie van die dagen, dat de rijkdom van Willem den Oude, die ook den bijnaam van den "Rijke" had, nog al fabelachtig was en dat inderdaad bij zijn dood de geldelijke toestand van Nassau veel te wenschen moet hebben overgelaten.

Het was het geheele jaar nog getob om de zaken te regelen en in een brief van den Prins aan Lodewijk zegt Oranje, dat hij spoedig over een groote som geld hoopt te beschikken om daarmee obligaties af te lossen, waarvan een veel te hooge rente wordt geëischt.

In dienzelfden brief deelt hij deze bijzonderheid mede: "We hebben St. Maarten erg vroolijk gevierd; er was een prettig gezelschap bijeen. Brederode was op een der feestdagen in zulk een toestand, dat ik vreesde, dat hij het met den dood zou bekoopen. Nu bevindt hij zich beter."

Die bijzonderheid brengt ons vanzelf terug tot de zaken van algemeen belang. Brederode toch en Culemborg waren de voornaamsten van den lageren adel, die zich in het einde van 1563 bij de ligue tegen Granvelle voegden. Tot dien tijd was Brederode volstrekt geen aanhanger van de vijanden van den kardinaal; waarschijnlijk heeft de vrouw van Brederode, aan het huis Mansfelt verwant, invloed op hem uitgeoefend. Welken naam hij zich ook later bij het bekende smeekschrift moge verworven hebben, hij was, gelijk ook dit bericht omtrent zijn gedrag op St. Maarten bewijst, een man, die zich vooral onder den wijn niet best kon beheerschen.

De vijandschap tegen Granvelle was sedert 1562 steeds gestegen. We zagen hoe Montigny naar Spanje gezonden werd, om in naam van allen, die aan het verzet tegen den kardinaal deelnamen, Filips de heerschende ontevredenheid in de Nederlanden te beschrijven en hem op te wekken, zelf naar het Noorden te komen, om te zien wat er gedaan moest worden. Voor het eind van het jaar was de gezant terug, doch zijn zending had tot niets geleid. De klachten over Granvelle, over het invoeren der nieuwe kerkorde, over de Spaansche inquisitie, die men verwachtte, dat in Nederland zou worden overgeplant, waren door den koning wel met vriendelijke, maar weinig bemoedigende woorden beantwoord.

De verbondenen deden thans een nieuwen, stoutmoedigen stap. Bij gelegenheid van een bruiloft in het huis van Egmond te Brussel gevierd, was de geheele ligue bijeen en besloot zij nog eens bij den koning over den kardinaal te klagen. Een gezamenlijke brief werd opgesteld, alleen door Oranje, Egmond en Hoorne onderteekend. In dien brief wordt er vooral de nadruk op gelegd, dat het volk hoe langer hoe luider zijn afkeer van Granvelle aan den dag legt. De kardinaal maakte zich zoo gehaat, dat de zaken, zoolang hij aan het bestuur bleef, nooit goed zouden worden. De drie onderteekenaars boden dan ook hun ontslag als leden van den Raad van State aan, waarin ze naast Granvelle niet langer konden noch wilden zitten. Zij zouden het niet overeenkomstig hun trouw aan hunnen heer achten, indien ze hem niet mededeelden, hoe schadelijk de kardinaal voor de gewesten was.

Behalve de tallooze grieven tegen Granvelle was er nog een zeer gewichtige, die met de welvaart van het land ten nauwste samenhing. Handel en handelsverkeer met Engeland begonnen stil te staan en de kardinaal had niet 't minste begrip van de beteekenis daarvan. Wat den godsdienst aangaat, ook uit dezen brief, door Oranje, Egmond en Hoorne geteekend, blijkt ten duidelijkste, dat zij, hoezeer krachtige tegenstanders van geweldige maatregelen, op dat oogenblik toch geen voorstanders van gewetensvrijheid waren. In de zaak van den godsdienst zullen de grooten en edelen alles doen, waartoe goede katholieke onderdanen verplicht zijn. Het volk, door de ketterij aangetast, zal alleen door de houding der edelen kunnen worden beteugeld. Zij beloven den koning dus hun bijstand in het beschermen van het katholiek geloof, indien Granvelle verwijderd wordt.

In dezelfde maand Maart richtte Granvelle een schrijven tot Filips, waarin ook hij zijn ontevredenheid over den loop der zaken uitsprak. In scherpe bewoordingen bespreekt hij daarin de ligue der edelen en doet voorkomen, alsof dit een geheim verbond tegen den koning is. "Zou het geen goed plan zijn," zoo vraagt hij, "om voor die Nederlandsche edelen posities in Italië of Spanje te scheppen? Sicilië b.v. zou een veilig en uitmuntend veld voor hun werkzaamheid zijn." Geen brieven waren zoo geschikt, als die van Granvelle, om een diep wantrouwen in Filips' hart te zaaien, dat bewijsvoering noch redeneering er ooit weer zouden kunnen uitroeien.

De reis der koeriers naar Spanje duurde in dien tijd omstreeks tien dagen. In den aanvang van April had er dus antwoord kunnen zijn op den brief der edelen van den 11en Maart. Filips zocht weder in uitstel zijn heil. Eerst op den 6en Juni was zijn antwoord gereed. Hij deelde daarin mede, voornemens te zijn, spoedig zelf over te komen. Zijn persoonlijke tegenwoordigheid zou wel alles herstellen. Intusschen zou het hem aangenaam zijn, indien een der drie onderteekenaars zelf naar Spanje kwam, om hem van alles nader toelichting te geven. Daar de koning in Egmond het meeste vertrouwen stelde, noodigde hij dezen in een afzonderlijken brief uit, naar Spanje te komen. Doch evenmin als Egmond, waren Oranje en Hoorne bereid, op dat oogenblik aan Filips' wensch te voldoen. Zij schreven gezamenlijk een antwoord aan den koning, waarin ze te kennen gaven, dat ze in de crisis, die het land doorleefde, hunne stadhouderschappen en andere ambten niet mochten verlaten. Zij bleven aandringen op verwijdering van Granvelle, gaven met vreugde te kennen, dat ze uit 's konings antwoord bemerkt hadden, dat hij nog geloofde in hun ijver en genegenheid voor zijn dienst, maar deelden ook onomwonden mede, dat zij niet langer leden van den Raad van State wilden zijn, zoolang ze niet inzagen, dat dit tot heil van het land zou zijn. Zij voegden bij dit vernieuwd schrijven een copie van eene remonstrantie aan de hertogin van Parma.

Van dag tot dag vermeerderde de spanning tegen Granvelle. Weinige dagen later, na het verzenden van dien brief aan den koning, schreef Willem van Oranje aan zijn grootvader, Filips van Hessen een brief, waarin hij hem, Willem van Hessen en den keurvorst van Saksen mededeeling deed omtrent de redenen van ontevredenheid over Granvelle. Ook vertelde hij over den brief, dien hij met Egmond en Hoorne aan den koning had geschreven en over hun besluit om, zoolang Granvelle bleef, niet meer in den Raad van State te verschijnen.

Wellicht hoopte Oranje, dat door dit schrijven de zaak ter oore van den keizer zou komen, vóór deze door zijn Spaanschen neef in den geest van den kardinaal werd ingelicht. Vooral de volgende mededeeling is merkwaardig: "Wij hebben besloten niet meer in den Raad te verschijnen, omdat er achter ons om, zonder ons medeweten, allerlei belangrijke en groote zaken gedaan worden en er zelfs tegen onzen wil wordt gehandeld. Wij moeten derhalve bij iedereen den naam krijgen, dat we, als deelhebbende aan dien raad, hetzelfde in de hand werken en daarom moeten wij er wel op bedacht zijn, dit er niet bij te laten rusten, daar het anders tot onze schade en schande zou moeten uitloopen."

In antwoord op dien brief schreef Willem van Hessen aan Oranje, dat hij Granvelle door en door kende en dat de koning van Spanje zich wel mocht in acht nemen tegen den kardinaal, die in de dagen van keizer Karel V (1552) mede aandeel had in de maatregelen, die de coalitie tegen den keizer ten gevolge hadden.

Doch Filips was er de man niet naar, om zich door dergelijke feiten uit de geschiedenis van zijn vader, zelfs indien hij ze gekend had, te laten leeren. Al zou hij, spoediger dan men had kunnen vermoeden, Granvelle moeten opgeven, voor het oogenblik leefde hij nog geheel alleen onder de Spaansche invloeden, die hem hoe langer hoe meer tegen de Nederlandsche edelen verbitterde. Zoo schreef o.a. de hertog van Alva in October 1563 een brief aan den koning, om hem raad te geven voor zijn antwoord aan de Nederlandsche heeren: "Als ik de brieven der drie mannen lees," zoo schreef hij ongeveer, "kan ik mijn woede nauwelijks bedwingen. Zij verdienen te worden gestraft en niet hun zin te krijgen. De ergsten van die muiters hebben hun hoofd verbeurd. Het zou nog ontijdig zijn zoo streng te werk te gaan. Vooralsnog kan men niet meer doen dan naijver wekken en verdeeldheid strooien. Granvelle op te offeren zou niets baten. Daaraan moet niet gedacht worden."

Verdeeldheid zaaien, dat was tijdelijk het parool. Reeds in Juli 1562 had de koning de hertogin van Parma aanbevolen, den Prins van Oranje en den graaf van Egmond, twee in natuur en zeden zeer verschillende karakters, met elkaar in oneenigheid te brengen en volgens den schrijver van de Mémoires de Granvelle, had deze omstreeks denzelfden tijd aan den koning geschreven: "Er zijn onder de hoogere edelen twee leiders, de Prins van Oranje en de graaf van Egmond; de laatste is een goed dienaar van Uwe Majesteit, oprecht, eerlijk en standvastig van godsdienst. Maar de Prins van Oranje is een gevaarlijk man, listig en geslepen, voorgevende het volk te steunen en zijn belangen te behartigen zelfs tegen uwe edicten in; slechts de gunst der menigte zoekende, nu eens Katholiek, dan weer Calvinist of Lutheraansch zich toonende. Hij is in staat, alles heimelijk te ondernemen, wat zijn groote eerzucht en zijn afgunst hem inblazen. Het zou goed zijn, hem niet in Vlaanderen te laten. Men zou er hem met eere vandaan kunnen roepen, onder voorwendsel van een of ander gezantschap, dat hem deed schitteren of van een of ander onder-koningschap. Zelfs zoudt ge hem naar Uw hof kunnen roepen. Wat den graaf aangaat, hij heeft zich door den eerstgenoemde laten verleiden, maar het ware gemakkelijk hem daarvan terug te laten komen, door hem te doen gevoelen, dat men hem de voorkeur boven den Prins gaf."

Het mag betwijfeld worden, of deze brief inderdaad door Granvelle is geschreven. Zijne voorstelling van het godsdienstig karakter van Oranje was meer op den lateren tijd van diens leven toepasselijk. Granvelle wist zeer goed in 1562, dat de Prins toen noch Calvinistische noch Lutheraansche sympathieën had. In zoover echter is de brief merkwaardig, dat men er uit zien kan, hoe oud reeds de voorstelling is van het listig en geslepen karakter van den Prins, die tot alles, waartoe zijn eerzucht hem zou drijven, in staat werd geacht. Nauwkeuriger is in den brief het beeld van Egmond geteekend, wiens dapperheid zeker niet kan geloochend worden, maar wiens mannelijk karakter ook van elders twijfelachtig is.

Gedurende den herfst van 1563 kwam het volksverzet tegen de inquisitoriale maatregelen in Valenciennes tot eene uitbarsting. Graaf Bergen, onder wiens jurisdictie de stad stond, was zoo onwillig om de vereischte maatregelen door te zetten, dat hij zich zoo spoedig mogelijk uit zijn gouvernement verwijderde. Granvelle schreef aan Filips, dat het onmogelijk was de orde te verwachten, als de stadhouders zoo onverschillig waren. Toch waren de dagen van Granvelle in de Nederlanden geteld. Oranje schreef in October 1563 aan Lodewijk, dat hij hoopte, dat eerstdaags de zaken beter zouden worden, "als die welke den kardinaal en ons betreffen, zullen geëindigd zijn." En inderdaad, Oranje had goed gezien.

Filips besloot slechts gedeeltelijk Alva's raad op te volgen. Hij wilde den persoon van Granvelle opofferen, maar zijn stelsel volhouden. Terwijl de brieven van den koning reeds onderweg waren, waarbij deze bezweek voor den aandrang, om Granvelle op te offeren, werd er door de ligue besloten, door één gemeenschappelijke livrei haar kleuren en wapens te vertoonen. Naar alle waarschijnlijkheid werd tot dit plan besloten op een der feesten, die in de maand December 1563 bij gelegenheid van de Statenvergaderingen gegeven werden, en wel op dat bij Gaspar Schetz, Heer van Grobbendonck, die tegelijk bankier van Filips en een groot vriend der edelen was.

Al de voornaamsten van dezen waren op het feest bij Schetz tegenwoordig. De wijn werd niet gespaard; er heerschte een sympathieke geest; de jongste gebeurtenissen hadden tot verbittering gestemd en vrijelijk uitten de feestgenooten hunne meeningen omtrent den kardinaal. Hoe meer de bekers rond gingen, des te levendiger gekleurd werden de bijnamen, die den ongelukkigen prelaat werden gegeven. Geen enkel van deze edellieden was spaarzaam in zijn uitgaven, maar de verkwisting en weelde, waaraan Granvelle zich overgaf, hinderde hun toch ten zeerste. Daarom werd besloten, dat zij gezamenlijk hun verachting voor de kostbare kleedij van zijn gevolg zouden toonen, door een zeer strenge, eenvoudige livrei voor hun volk aan te nemen.

De dobbelsteenen werden geworpen om te beslissen, wie het ontwerp van die voorgestelde kleeding zou maken en het lot viel op Egmond. In enkele dagen was zijn schets gereed en zijn gevolg verscheen het eerst in het nieuwe kostuum gekleed, dat uit een eenvoudig wambuis, een broek van ruw grijs fries en lange nederhangende mouwen bestond. Op de mouwen was een versiering geborduurd, die beschreven wordt als een zotskap met bellen of als een monnikskap. Het is niet heel duidelijk of dit beteekent, dat sommige livreien de eerste, andere de tweede hadden, of dat tengevolge van de kleine afmeting van het devies de omtrekken niet helder waren. Er was echter geen twijfel aan, op wien dat kostuum doelde. De livrei met de zotskappen is echter nooit gedragen; wel hingen ze in de winkels ten toon en zag het volk daarin een bespotting van den kardinaal en in de koppen de portretten zijner gunstelingen. Op verzoek echter van de landvoogdes koos Egmond een ander devies en wel een pijlbundel als het beeld der eendracht. Toen Egmond de zotskappen terugnam, lagen er reeds 2000 geteekende livrei-rokken bij de winkeliers gereed. Het is echter een onjuiste opvatting, de beweging, die daaruit onder het volk ontstond, aan te merken als het middel, waarvoor Filips zou zijn bezweken. Reeds voor dien tijd waren de brieven van terugroeping van den kardinaal onderweg.

De pil werd echter verguld. Het moest heeten, dat Granvelle uit eigen beweging en slechts voor een tijd zijn ambt verliet, ten einde zijn moeder een bezoek te brengen. Margareta had het bevel ontvangen Granvelle's verzoek toe te staan. De edelen moesten in het minst niet denken, dat hun invloed gewicht in de schaal had gelegd. Geheimhouding was ook in dien tijd een moeilijke taak. Verscheidene dagen voor men zeker wist, dat de kardinaal vertrok, waren er in Brussel reeds geruchten daarvan in omloop. Op den 13en Maart 1564 ging hij heen, maar reeds op den 8en Maart schreef Oranje aan Lodewijk: "Het is een zekere zaak, dat onze man weggaat. Ik hoop, dat hij zoover zal gaan, dat hij nooit kan terugkeeren."

De bespotting, die hij in de allerlaatste dagen moest ondervinden, was vernietigend. Onmiddellijk na Granvelle's vertrek vond men op de deur van zijn woning de woorden: "Te Huur."

Zoo iemand ooit, dan is Granvelle voor een algemeenen aandrang geweken. Anders zou zijn meester nooit besloten zijn tot die terugroeping. Een der voornaamste leiders der beweging tegen hem was de Prins geweest, die aldus negatief zijn macht had getoond. Het zou thans de vraag voor hem worden, of hij ook positief een dergelijke macht zou bezitten.

HOOFDSTUK VII.

GRANVELLE VERTROKKEN. VERBOND DER EDELEN. ORANJE'S HOUDING. 1565-1566.

Er is misschien geen tijdvak uit de levensgeschiedenis van den Prins van Oranje, dat zóó door zijn vijanden gebruikt wordt om hem af te schilderen als het meest dubbelzinnig, huichelachtig en satanisch karakter, als het tijdvak, dat volgde op zijn zegepraal over Granvelle. En inderdaad, indien men slechts oppervlakkig de verschillende episodes daarvan beschouwt en zonder op het verband te letten het doen en laten van den Prins in die jaren gadeslaat, dan zou er veel te zeggen zijn voor de meening, dat Oranje in die jaren geen karakter openbaarde, dat eerbied en bewondering afdwong.

Wanneer men vergeet, dat zijn karakter nog geheel in wording was, vergeet hoe zijn persoonlijkheid gevormd is door de omstandigheden en wanneer men hem in die jaren toetst aan hetgeen men noemt, een man uit één stuk, dan blijft er van eerbied en bewondering niet veel over. Wie hem echter ook in die jaren neemt gelijk hij was, wie gelooft, dat hij als mensch en als staatsman nog aan den aanvang van zijn ontwikkeling stond, die zal met deze fase van een leven, dat zich later zoo krachtig ontplooide, vrede kunnen hebben, ook al komt het niet in hem op, zijn zwakheden te verschoonen.

In de eerste maanden na Granvelle's vertrek scheen het, alsof de edelen de regeering in handen hadden en of home rule een voldongen feit was. De regentes scheen haar Nederlandschen raadgever geheel te vertrouwen en de Prins hoopte door wettige middelen de misbruiken weg te nemen. Margareta was zelfs zeer vriendelijk tegen hem; trouwens hoe gelukkig was zij, van den meesterachtigen kardinaal verlost te zijn. Dat de Prins bijzonder in haar gunst deelde, bleek wel hieruit, dat hij haar op de jacht moest begeleiden, menigmaal haar gast aan tafel was en dikwijls met de landvoogdes tot laat in den nacht werkte aan regeeringszaken.

De Raad van State werd nu ook weer door Egmond en Oranje bezocht, maar al spoedig bemerkten zij daar, dat al hun arbeid met onmacht zou geslagen zijn, zoolang die Raad niet een andere bestemming had gekregen, want een eigenlijk regeeringswerktuig was dat lichaam niet, zijn taak was alleen raad te geven. Vandaar het voorstel van Oranje en Egmond om den Raad van State tot regeerend lichaam te maken en zijn macht zelfs zoo uit te breiden, dat de andere Raden tot bureaux zouden verlaagd worden. Margareta keurde dit plan goed, maar het stuitte af op den onwil van den koning, die wel Granvelle wilde opofferen, maar zijn regeeringsstelsel nooit.

Viglius en Barlaimont bleven zich eveneens vijandig tegenover Oranje en zijn voorstellen tot verbetering van den toestand plaatsen, terwijl in het bijzonder Viglius met Granvelle in briefwisseling bleef, waardoor deze geheel op de hoogte werd gehouden van de gebeurtenissen in Brussel. Spoedig zou het blijken, dat men eigenlijk met Granvelle's vertrek niets gewonnen had en dat deze eerste rooskleurige dagen weder het begin zouden zijn van nieuwe naderende onheilen.

Met 's Prinsen bijzondere zaken ging het ook niet naar wensch. Zoowel zijn geldmiddelen, als zijne echtgenoote, zoowel het prinsdom Oranje, als zijn Duitsche nabestaanden, kostten hem moeite en hoofdbreken. Hoe moeilijk het was zijn vermogen van schulden te zuiveren, bewijst o. a. de volgende brief aan Lodewijk:

"Met onze zaken is het nagenoeg hetzelfde als toen gij vertrok. Ik kan werkelijk niet leven zooals mijne positie van mij vordert en wel kan ik zeggen: "Sic ut erat in principio et nunc et semper et in saecula saeculorum" (zooals het in het begin was, is het nu en zal het wel altijd blijven tot in der eeuwigheid). Het schijnt een familietrek van ons te zijn, dat wij in onze jeugd slechte huishouders zijn, maar als wij ouder worden, dan komen we op den beteren weg, gelijk onze overleden vader. De grootste moeite heb ik met mijn valkeniers; al heb ik hunne uitgaven verminderd, ze kosten me nog 1200 florijnen. Het komt mij voor, dat ik geheel uit de schulden zou kunnen komen, indien dit punt in het reine was. Toch hoop ik, omdat er maar 1500 florijnen per jaar overblijven, spoedig van de schulden bevrijd te zijn.

Wat Oranje aangaat, steeds komen er nieuwe gezantschappen tot mij en ik ben niet in staat, de zaken te herstellen; daar is zooveel inwendig verschil en het is moeilijk, de middelen te vinden ten einde de partijen te verzoenen. Daarbij komen er klachten van den koning van Frankrijk en van den Paus over het volk. Ik geef u te gissen hoe ik gestemd ben ... Ik zou wel wenschen, dat gij hier waart, om mij een beetje te troosten, want het beste is nog, dat ik mij altijd in goed gezelschap bevind; dat geeft mij wat verlichting, zooals bij het balspel of bij de valkenjacht, waarmee ik mij zelfs op dit oogenblik met het mooiste weer van de wereld ga amuseeren enz.

Uw goede broeder, die steeds tot uw dienst is, Willem van Nassau. Uit Breda, 25 Jan. 1564."

De gezantschappen, in dien brief bedoeld, kwamen van de arme protestanten uit Oranje, die ter wille van hun godsdienst niet met rust werden gelaten. Evenals de Nederlanders waren zij ook verlangend naar hun afwezigen souverein, opdat die eenig belang zou stellen in hunne zaken.

Meenden zij, dat de nieuwe godsdienst geen groote kans had, zich uit te breiden, de paus dacht daar anders over en zond in December 1563 een brief aan den Prins vol klachten over den treurigen toestand van den godsdienst in het kleine rijkje, een brief waarvan de inhoud neerkwam op de klacht: "Ketters, ketters overal!"

De paus achtte den toestand noodlottig voor den staat, grievend voor alle katholieken en gaf niet onduidelijk te verstaan, dat als zijn vaderlijke waarschuwingen niet hielpen en de Prins voortging zijn duidelijken plicht te verwaarloozen, er dan gestrenger maatregelen genomen zouden worden. "Indien onze krachten en die van de heilige Roomsche kerk niet voldoende zijn, dan zullen wij tot menschelijke hulp onze toevlucht moeten nemen."

Ook de protestanten van Oranje deden daarop een beroep; zij schreven aan Calvijn en verzochten hem met hun vorst, ten behoeve van hun godsdienst tusschenbeide te komen.

Nu de hulp van den Prins werd ingeroepen, zoowel door den paus als door de protestantsche bevolking, was het begrijpelijk, dat zijn houding tegenover den godsdienst en de godsdienstige verdeeldheid wel een noodzakelijk deel moest gaan vormen van zijn staatkundig program. Van persoonlijke sympathie voor de protestanten, van persoonlijken ijver voor den godsdienst was tot dat oogenblik bij Oranje geenerlei sprake.

Terwijl hij echter de hervorming in de Nederlanden steeds meer vorderingen zag maken en hem dit als raadgever van Margareta vanzelf moest aanzetten tot eene besliste houding in de godsdienstquaestie, kwam daarbij nu nog uit zijn eigen vorstendom een roepstem van de aanhangers van het nieuwe geloof tot hem om bescherming. Begrijpelijk is het, dat het jaar 1564 daarom kan gelden als het merkwaardigste jaar, niet van zijn eigen godsdienstige bekeering, maar als dat waarin hij belangstelling in het godsdienstig vraagstuk aan den dag begon te leggen, al was het alleen maar, omdat de staatkunde er hem toe verplichtte. Oranje bevredigde de hervormden in zijn prinsdom voorloopig door aan den paus te schrijven, dat hij overeenkomstig de ligging van zijn vorstendom verplicht was zich te houden aan de Fransche edicten, die in die dagen, uitgenomen in Parijs, voor de protestanten zeer mild waren.