Willem de Zwijger, Prins van Oranje
Chapter 10
Bij het vertrek van Filips aangesteld tot lid van den Raad van State, had hij, wel wetende, hoe weinig die post in werkelijkheid beduidde, reeds bezwaar gemaakt dien te aanvaarden. Het bleek hem en Egmond op den duur al meer en meer, hoe dat geheele lidmaatschap niets anders was dan een wassen neus. Wel werd die Raad nu en dan opgeroepen, maar alles was reeds te voren door de consulta bepaald, die evenveel zaken in den Raad van State bracht, als zij zelf verkoos en die hare besluiten toch deed zegevieren. Viglius, Barlaimont en vooral de nieuwe kardinaal, beslisten met Margareta over alles wat aanhangig was en deelden de openstaande posten geheel naar hun willekeur uit. [2]
De nieuw benoemde Prins der kerk vergat geheel en al de eenvoudige geboorte van Antonius Perrenot en eischte krachtens zijn kerkelijke stelling elken voorrang boven de Nederlandsche edelen.
Terwijl dus het tweede huwelijk van Oranje met al zijn beslommeringen werd voorbereid en voltrokken, begon in dienzelfden tijd (1561) de minder goede verstandhouding tusschen Granvelle en den Prins, die van zoo groote gevolgen voor de Nederlanden is geweest. Duidelijk bleek daarbij, dat deze gebeurtenissen niets met den godsdienst hadden uit te staan.
Ofschoon de invloed van Anna van het begin af zeer onbeduidend op Oranje is geweest, lijkt het toch niet onmogelijk dat zij indirect eenigen invloed op hem heeft gehad. Anna was erbarmelijk jaloersch, voelde zich altijd de dochter van den grooten keurvorst Maurits en zal haar man zeker nog meer hebben doen voelen, dat hij niet behandeld werd overeenkomstig zijn positie. Toch overdreef zij die gevoeligheid zoo erg, dat haar houding den weerzin van Oranje moest opwekken.
De trotsche Saksische gaf daarvan een bewijs bij haar voorstelling aan het hof te Brussel. Margareta van Parma, vooringenomen jegens haar om den godsdienst en juist verdiept in een schaakpartij met Granvelle, liet haar een oogenblik wachten. Die behandeling krenkte Anna zoo erg dat zij driftig vertrok en vroeg: "Zijn we hier gekomen om ons als honden van aardewerk te laten bekijken?" Eenigen tijd later maakte een quaestie van plaatsnemen haar tot kwade vrienden met de vrouw van Egmond, de zachtzinnige Sabina van Beieren, die zij tenminste ter wille van haar gemaal had moeten ontzien.
Toch was voor Oranje waarlijk het gemor van zijn ontevreden jonge vrouw niet noodig, om te bemerken, dat hij en zijne Nederlandsche standgenooten niet passend behandeld werden. Meermalen beklaagde Oranje zich met de andere leden van den Raad van State bij Margareta over hunne achteruitzetting, doch zij vonden geen gehoor en daarop besloten de Prins en Egmond een brief aan den koning te richten, waarin zij zich over den gang van zaken, sedert zijn vertrek ondervonden, uitdrukten.
Die brief opent een nieuw tijdvak in de geschiedenis van den opstand tegen Spanje.
Oranje en Egmond herinnerden daarin den koning, dat zij bij zijn vertrek geaarzeld hadden, zitting te nemen in den Raad van State, wetende hoe dat lichaam èn onder Maria èn onder den hertog van Savoye slechts voor den schijn bestaan had. Hun was toen verzekerd, dat alle gewichtige zaken in den Raad van State zouden overwogen worden, doch de ervaring had hun geleerd, dat ze slechts in onbelangrijke aangelegenheden gekend werden en dat de gewichtigste zaken eenvoudig buiten hen om werden bestuurd. Toch hadden ze gezwegen. Nu had Granvelle echter in den Raad van State verklaard, dat alle leden verantwoordelijk waren voor de maatregelen, die de regeering goed vond te nemen. Dit ging te ver. Tot zulk een ijdel spel lieten zij zich niet gebruiken. De koning moest hen òf ontslaan, òf gelasten, dat de Raad van State niet langer een schijnlichaam was, maar werkelijk mee regeerde. Oranje en Egmond deden daarbij goed uitkomen, hoe hunne grieven niet de landvoogdes, maar Granvelle betroffen.
De brief trof natuurlijk den laatste in het hart. Waar de grootsten der edelen zoo voorgingen, buiten de landvoogdes en Granvelle om zich tot den koning te richten, daar lag het voor de hand, dat dit eerstdaags van alle zijden zou herhaald worden. Daar hier afbreuk aan de regeering te Brussel werd gedaan, bond Granvelle, die dit goed inzag, den koning op het hart, de edelen te verbieden aldus voort te gaan.
Filips antwoordde, dat Hoorne, die binnenkort naar de Nederlanden terugkeerde, zijn besluit zou medebrengen. Wat dit behelsde is niet bekend, maar Oranje en Egmond bleven in den Raad van State zitting nemen, zoodat waarschijnlijk is, dat hun eenige belofte van verandering is gegeven. Toch kan dit niet veel zijn geweest, want de koning gaf nadrukkelijk te kennen, dat de belangrijkste zaken van buitenlandschen aard, voor den Raad van State moesten geheim gehouden worden. Uit dit lichaam zou spoedig groote oppositie komen tegen Filips' geheime Fransche politiek, waarbij de Prins steeds tot meerder verzet geprikkeld, de hoofdrol vervullen zou.
Voor we echter hiertoe overgaan, moeten we nog eenmaal een blik slaan op 's Prinsen huiselijke aangelegenheden en zijn familiebetrekkingen.
Juliana van Stolberg, de sedert 1558 achtergebleven weduwe, had met groote ingenomenheid van het tweede huwelijk van haar oudsten zoon gehoord. Noch hem, noch Anna van Saksen kennende, had ze alle hoop gevestigd op deze echtverbintenis als een middel tot terugkeer van haar zoon tot den Lutherschen godsdienst, dien hij in zijn jeugd vaarwel had moeten zeggen. Daarom kwamen er van haar kant opgewekte brieven in die dagen, dat het huwelijk werd voorbereid, o. a. "Ik ben zeer verlangend te hooren, tot welk vergelijk de keurvorst en de landgraaf van Hessen in de zaak gekomen zijn. De Almachtige moge die spoedig tot een goed eind brengen, opdat gij Fräulein Anna ras met vreugde in uwe armen kunt drukken. Hij geve u beiden geluk en welvaart."
Juliana was bij het huwelijk niet tegenwoordig, maar aanstonds na de voltrekking ervan, ontving de moeder de jonggehuwden bij zich te Dillenburg. Misschien vergezelde zij het jeugdig echtpaar wel naar Breda, althans in September 1561 was zij daar. Zij moet reeds vrij spoedig de slechte karaktertrekken van haar nieuwe schoondochter hebben leeren kennen; meermalen was zij getuige van haar eigenzinnigheid en hartstochtelijkheid. In het bestuur van haar huishouden in Breda was Anna het tegenbeeld van haar voorgangster, die Oranje ter zijde stond als een ordelievende huisvrouw. Anna van Saksen daarentegen was zeer spilziek en de oude Juliana moest zelfs tweemalen tusschenbeiden komen, om het evenwicht in het huishouden te herstellen. Niet alleen bezocht de moeder den Prins dikwijls; de gemeenschap tusschen hem en het ouderlijk huis werd van jaar tot jaar levendiger, zoodat we telkens ook broeders en zusters van Oranje bij hem ontmoeten. Granvelle drukte zich zelfs in een brief aan Filips van den 13en Mei 1562 daarover min of meer spottend uit, toen hij zijn angst te kennen gaf over den omgang van den Prins met zijn Duitsche stamverwanten: "Zijn broeders en zusters en een broeder van den graaf van Schwartzburg zijn er altijd over den vloer."
Het is volkomen onnoodig, die tegenwoordigheid van 's Prinsen familie te Breda aan bijoogmerken toe te schrijven, die Granvelle blijkbaar met zijn spottend en bijtend gezegde daaraan toekende. De Prins gevoelde zich, gelijk wij uit zijn brief bij het overlijden van zijn vader vernamen, als de tweede vader zijner jongere broeders en zusters. Zorg voor hen en hunne toekomst is dus ongetwijfeld in het spel geweest bij die herhaalde bezoeken.
Een belangrijke vraag is, hoe het stond met de uitoefening van den Lutherschen godsdienst aan het hof van den Prins te Breda. Hij hield er destijds twee hoven op na, een te Brussel en een te Breda. Het laatste was natuurlijk veel minder koninklijk ingericht dan het eerste. Over de hofhouding te Breda, waar het paleis van den Prins de tegenwoordige Koninklijke Militaire Academie was, is over het algemeen weinig bekend. Dat de bruiloft daar nog eens op vorstelijke wijze werd overgevierd kan men eenigszins uit de stadsrekening opmaken, maar het ligt in den aard der zaak, dat er alles veel eenvoudiger was ingericht dan in Brussel, waar de Prins zijn waardigheid moest ophouden.
Wat de uitoefening van den Lutherschen godsdienst betreft, daarvan kon in Brussel geen sprake zijn, maar in Breda was het een ander geval, ofschoon men ook wel zegt, dat het ook daar niet geschiedde. Er is echter geen reden voor, den Prins te verdenken, dat hij ontrouw zou geweest zijn aan zijn mondeling gegeven belofte, die de Prinses in hare kamer eene Evangelische godsdienstoefening toestond. Ook is het niet denkbaar, dat Juliana van Stolberg met zooveel vertrouwen hare kinderen telkens naar Breda liet gaan, als zij geen zekerheid had, dat het aan godsdienstige leiding niet zou ontbreken.
Anna van Saksen, die hoe langer hoe darteler werd, zou misschien wel geneigd zijn geweest, haar vaderlijk geloof te verloochenen, van Juliana is dit niet te denken en evenmin van Willem van Oranje, dat hij zulk een zielswensch van zijn moeder zou hebben weerstaan. Juliana zorgde zoo nauwgezet voor de opvoeding van de haren, dat de kinderen steeds de onderwijzers en godsdienstleeraars mede kregen. Zij vertrouwde ten volle op haar oudsten zoon Willem, dat die hun de vrijheid van geweten niet zou ontnemen, ook al moest hij zelf den godsdienst van het land volgen en met het oog op zijn positie in het katholieke Nederland uiterst voorzichtig en behoedzaam daarmee zijn. Zelfs de tienjarige Hendrik werd in 1561 aan de opvoedende zorg van Willem toevertrouwd. Zou de moeder dit ooit met haar jongsten gedaan hebben, indien ze niet ten volle overtuigd was geweest, dat ook bij den schijn, dien Oranje moest handhaven, de kiemen van het Protestantisme niet in hem werden verwoest? Uit een en ander zien we ten duidelijkste, dat de vroeger min of meer verbroken betrekking tusschen den Prins en zijne bloedverwanten weder geheel werd hersteld.
Dat Juliana bereidwillig was haar kinderen steeds naar Breda te zenden, kwam ook voort uit den natuurlijken zucht om in de Nederlanden door de hulp van den machtigen zoon vooruit te komen. Zij wil ze allen tot den dienst van haar oudsten zoon opleiden, weinig vermoedend, dat zij zelf voor drie harer zoons, Adolf, Lodewijk en Hendrik, een graf in de Nederlanden zou delven. Moge er al verschil wezen over de vraag, of Willem van Oranje de uitoefening van den Lutherschen godsdienst in Breda toeliet, geen verschil bestaat er over het feit, dat de kinderen van Anna van Saksen op Roomsch-Katholieke wijze gedoopt zijn. Het eerste kind uit dit tweede huwelijk werd geboren tijdens de afwezigheid van den Prins en stierf kort daarna. Granvelle, die er bericht van zond naar Spanje, deelde mee, dat het stervende kind onmiddellijk door een huisgeestelijke was gedoopt en dat de pastoor van St. Goele de bezwering en de andere gebruikelijke plechtigheden in de kapel had verricht.
Uit dit laatste bericht blijkt ten duidelijkste, dat Anna van Saksen althans niet zeer aan haar geloof gehecht was en het is daarom niet onmogelijk, dat een vrouw zoo weinig betrouwbaar als zij en die duizendmaal meer belang in de aardsche dan in de geestelijke zaken stelde, zelfs in het geheim katholiek is geworden, in plaats van, zooals de fabel zegt, de aanleiding tot 's Prinsen overgang tot de Hervorming geweest te zijn. Granvelle kon althans ook aan den koning schrijven: "Men verzekert mij, dat de Prinses heeft gebiecht en als een katholieke heeft deelgenomen aan de communie."
De Prins deed ongetwijfeld zijn lichtzinnig woord gestand. Hij vermoeide haar niet met de melankolieke quaestie van den godsdienst. Zijn hof te Brussel had zich wel met andere dingen onledig te houden. Brussel was het officieel verblijf van Oranje. Als een der eerste staatsdienaars van den koning, als lid van den Raad van State, als Ridder van het Gulden Vlies, als Prins van Oranje, moest daar de nakomeling van de Nassau's, die sinds een eeuw reeds in de Nederlanden een voorname rol vervuld hadden, een staat ophouden, overeenkomstig zijn stand en zijn standgenooten: de Bergen's, de Aremberg's, de Aerschot's e. a.
Die staat was uiterst kostbaar. In het huishouden van den Prins deden 24 edelen dienst, terwijl niet minder dan 18 pages op zijn wenken vlogen. Dat zijn keuken goed was ingericht, blijkt wel uit het feit, dat er op zekeren dag als maatregel van bezuiniging niet minder dan 28 koks werden ontslagen. Bijna geen vorst was er in Duitschland, die niet zijn koks naar het hof te Brussel zond om zich in de kook- en bakkunst te volmaken. In alle hoeken van het paleis stonden van den vroegen morgen tot op den middag de ontbijttafels met keur van wijn en spijzen gereed, terwijl voor het middag- en avondmaal de schotels niet minder talrijk en kwistig waren. De gulheid van den gastheer was spreekwoordelijk; steeds hield hij open hof en open tafel en niet alleen was er toegang voor de voorname edelen, maar ook lieden van minderen rang genoten hetzelfde vriendelijke onthaal.
In hoeverre er verband bestond tusschen de tafels van den Prins en het later omvergeworpen gezag van den koning, gelijk sommigen beweren, zal wel moeilijk juist zijn uit te maken. Zeker heeft de gastvrijheid van Oranje hem ook tal van aanhangers doen verwerven en zijn naam mede groot gemaakt. Dat hij met zulk een luisterrijk hofleven zijn financieele krachten te boven ging is zeker, maar in de dagen, dat het hof van Nassau het rijkst was ingericht, heeft het ongetwijfeld medegewerkt, om hem de eerste plaats, die hem onder de edelen toekwam, te verzekeren.
Wij zagen reeds, dat er een minder goede verstandhouding was ontstaan tusschen de edelen met Oranje aan het hoofd en Granvelle. Zijn eerstvolgende daad van verzet tegen den kardinaal hield verband met den staatkundigen toestand in Frankrijk. Willen we den opstand van de Nederlanden en het aandeel van den Prins daarin goed begrijpen, dan is het steeds noodzakelijk ook buiten onze grenzen te gaan, in het bijzonder nu naar Frankrijk. Ook daar had men een voorspel van de godsdienstoorlogen, die met het bloedbad van Vassy in 1562 een aanvang namen. Vóór dien tijd was er reeds veel gebeurd, dat er aanleiding toe gaf.
Frans II was gehuwd met Maria Stuart, de nicht van de aanzienlijke familie der Guises, die dus onder zijn korte regeering den grootsten invloed hadden. In 't bijzonder was Karel van Guise, kardinaal van Lotharingen een der hoofdpersonen. Was deze voor de Fransche Hugenoten een gevaarlijke vijand, niet minder was Granvelle het voor de aanhangers van de nieuwe leer. Samen hadden ze reeds overleg gepleegd om in het geheim de ketterij in Frankrijk en Spanje te bestrijden. Toen was Granvelle nog bisschop van Atrecht, nu had hij nog grooter invloed door zijn kardinaalshoed. In Frankrijk had het tijdens Frans II en Maria Stuart aan kettervervolgingen en kettergerichten niet ontbroken, maar met den dood van Frans II in 1560, hield de groote macht van Maria en de Guises op. Catharina de Medicis, die als regentes Karel IX (1569-1574) geheel beheerschte, koos partij voor de Bourbons met Anton van Navarre en Lodewijk van Condé aan hun hoofd. Zelfs werd de eerste algemeen stedehouder en de Guises, dus ook de kardinaal van Lotharingen, hadden tijdelijk niets meer te zeggen.
Deze omkeer werkte op Nederland terug en gaf aan Egmond en Oranje moed om openlijk tegen Granvelle op te treden, die zoo dikwijls met den Franschen kardinaal was vergeleken. Wat aan Bourbon, Condé en Coligny gelukte, was ook mogelijk in ons land, zoo dacht men en toen de gematigde Fransche politiek het edict van verdraagzaamheid (1562) ten gevolge had, was men hier te lande zeer geneigd, dat voorbeeld na te volgen.
Toch kan men in dat jaar nog niet van Willem van Oranje zeggen, dat hij geheel beheerscht werd door de Fransche politiek en evenmin, dat hij toen reeds medeplichtig was aan verzet tegen den koning van Spanje, hetgeen in die dagen nog in 't geheel niet op zijn programma voorkwam. Hierop stond wel: strijd tegen Granvelle, sedert de ondervonden krenking in zake de regentenkeuze in Antwerpen en zijn herhaalde beleediging als lid van den Raad van State.
Het bloedbad van Vassy, een gevolg van het tolerantie-edict van Januari 1562 opende de reeks van oorlogen en gruwelen, waarin de onverdraagzaamheid der beide partijen, Hugenoten zoowel als Katholieken, haar droevige rol speelde.
Koning Filips zond uit Spanje en Italië hulp aan de katholieken en daar ook de Nederlanden aan de zuidelijke grens door de Hugenootsche ketterij werden bedreigd, beval hij, dat er ook uit het land 2000 ruiters van de benden van ordonnantie in Frankrijk zouden vallen, teneinde ook daar mede te werken tot de bestrijding der Hugenoten.
Dit bevel was gemakkelijker te geven dan uit te voeren en Granvelle, die dit ook wel inzag, schreef er den koning over. Oranje en Egmond, wel begrijpende, dat hun stem alleen in den Raad van State niet voldoende zou zijn om dit heilloos ontwerp te keeren, dwongen de regeering ertoe voor deze hoogst belangrijke aangelegenheid alle stadhouders en Vliesridders in Brussel op te roepen, teneinde daarin gezamenlijk met den Raad van State een besluit te nemen. Die bijeenroeping, op zich zelf reeds eene overwinning voor Oranje en de nationale partij, had ten gevolge, dat de uitzending van troepen naar Frankrijk niet plaats had. Niettegenstaande de redevoering van Viglius, welke de bewondering van Margareta opwekte, bereikte de Spaansche regeering hare bedoeling niet en werd alleen tot het zenden van geld besloten.
Het samenzijn van de aanzienlijksten te Brussel werd bovendien door den Prins aan een ander doel nuttig gemaakt. Men zegt, dat er in het geheim samenkomsten bij Oranje werden gehouden om de macht van den kardinaal te breken, zelfs wordt het een "conspiratie" genoemd onder leiding van Oranje, Egmond en Bergen.
Aan klachten over de heerschzucht en hoogmoed van Granvelle ontbrak het in die vergadering niet en men besloot op voorstel van Oranje, trots het verzet van Barlaimont, die ook ter vergadering als stadhouder was, zich gezamenlijk tot den koning te richten, hem hunne grieven te melden en verbetering van de regeering te verzoeken. Weinige dagen later werd een bepaalde ligue tegen den kardinaal gevormd. De meesten der voornaamste grooten sloten zich daarbij aan. Hoorne en Montigny, Bergen en Mansfelt, Aremberg en Meghen schaarden zich om Oranje en Egmond in dezen strijd tegen Granvelle. Barlaimont en Aerschot maakten van die ligue geen deel uit.
Montigny werd gekozen om bij Filips allen, die aan het verzet deelnamen, te vertegenwoordigen; hem werd een instructie en een door allen geteekenden geloofsbrief meegegeven. En terwijl deze afgezant in Madrid vertoefde, om Filips' antwoord af te wachten, werd op allerlei wijze de ligue tegen den kardinaal uitgebreid. Onder den hoogeren en lageren adel, onder de krijgstroepen en de groote volksmenigte werd de oppositie tegen Granvelle de leus voor vrijheid en nationaliteit, voor strijd tegen het Spaansche regeeringsstelsel. Daaraan werkte Egmond meer dan Oranje.
Deze was omstreeks denzelfden tijd op andere middelen bedacht, om de macht der regeering, gelijk ze werd uitgeoefend, te bestrijden. Om dit billijk te beoordeelen, mag het niet vergeten worden, dat Oranje nog zeer langen tijd zijn getrouwheid aan den koning niet heeft geschonden. Altijd bleef hij hopen, dat verbetering zou komen, indien de koning maar juister werd ingelicht. Wie dat niet onderscheidt moet hem reeds in 1562 als een opstandeling tegen de wettige regeering van Filips II beschouwen. Velen hebben dat ook gedaan en daardoor tevens alles wat uit Oranje's koker kwam, ten zijnen nadeele uitgelegd. Daartoe behoort o. a. de poging van den Prins in 1562 om een superintendent over Brabant aan te stellen en zijn tocht naar Frankfort in het najaar.
Zooals we vroeger reeds zagen, was er in Brabant geen stadhouder; de regeering had er veel invloed op de stedelijke besturen en dus over het derde lid der Staten. Nu beweerde Oranje, dat de onhandelbaarheid der Staten vooral het gevolg was van de te groote centrale macht der regeering in dat gewest en daarom streefde hij ernaar, dat ook in Brabant, als in de andere gewesten, zulk een tusschenpersoon zou worden aangesteld.
Granvelle zag duidelijk in, dat de Prins voor zich naar dat nieuwe ambt streefde. Volkomen waar was het, dat Oranje op dat oogenblik niets liever zou gehad hebben, dan toen reeds het ambt van Ruwaart over Brabant te bekleeden, dat hem later door de bewoners van dat gewest werd geschonken, gedragen door de sympathie van geheel het Brabantsche volk. Hoe zou hij zijn invloed, die toen al zeer groot was, nog hebben vermeerderd, wanneer hij onder den schijnbaar zoo nederigen titel van superintendent, de grootste macht kon uitoefenen. Hoe zou ook daardoor bovenal de macht van Granvelle zijn vernietigd! Geen wonder dan ook, dat deze er zich van het eerste oogenblik af heftig tegen verzette en op de listigste manier van Oranje's verlangen gebruik maakte, hem bij den koning te bekladden. Geen wonder ook, dat men er van gebruik heeft gemaakt om Oranje's werkelijk verlangen, dien post in Brabant te verkrijgen, in verband te brengen met andere gebeurtenissen, ten einde hem van misdadigen opstand tegen den koning te kunnen beschuldigen.
Welke waren die andere gebeurtenissen? In Maart en April 1563 schreef Oranje's zwager, de graaf van Schwartzburg, aan hem een tweetal brieven, waarin hij melding maakte, eerst van het plan, daarna over de mislukking van een aanval van eenige Protestantsche vorsten op Brabant. De voornaamste bewerker was Wolfgang Paltzgraaf van Zweibrücken en Neuburg, schoonzoon van den landgraaf Filips van Hessen, die in vereeniging met eenige andere Duitsche vorsten een avontuurlijken tocht beraamde om de Hugenoten in Frankrijk te hulp te komen, Condé (in een veldslag bij Dreux gevangen genomen) uit zijn gevangenschap te verlossen, in Brabant te vallen en dit gewest bij het Duitsche rijk te voegen.
Van deze geheele tocht is niets gekomen, daar de koningin van Frankrijk achter het geheim kwam en daardoor den beraamden aanval op Metz deed mislukken.
Zeer ten onrechte heeft men Oranje als medeplichtige aan dien tocht beschouwd en in verband met andere gegevens hem van zulke verraderlijke plannen beticht. Het is bekend, hoe Oranje in dien tijd den band tusschen hem en zijn Duitsche stamgenooten nauwer aanhaalde; met den landgraaf van Schwartzburg stond hij in levendige briefwisseling en als hij kon, greep hij elke gelegenheid aan dit door persoonlijk bezoek te bevorderen.
Zoo bezocht hij in het najaar van 1562 ook Frankfort om tegenwoordig te zijn bij de verkiezing van den nieuwen Roomsch-Koning, niettegenstaande hij van hooger hand daartoe geen verlof had ontvangen en de regeering Aerschot afvaardigde.
Alleen afgaande op geruchten, op den argwaan van Granvelle en de kwaaddenkendheid van den koning in Madrid vragen de tegenstanders van Oranje, wat er wel niet in Frankfort is geschied en of Willem niet de bevelhebbers der Duitsche ruiters heeft ontmoet, die gereed stonden om Frankrijk binnen te trekken. Ja, men heeft het vermoeden geuit of daar in Frankfort geen geheime plannen werden gesmeed om de beweging, als zij in Frankrijk mocht slagen, tot de Nederlanden uit te strekken.
Aan de samenkomsten van Oranje, Hoorne en Egmond te Maastricht (Maart 1562) en in de abdij van Forêt (Maart 1563) worden vragenderwijs allerlei verdenkingen vastgeknoopt, terwijl alleen op grond van een bericht aan Granvelle wordt beweerd, dat de Prins voornemens was van Maastricht een tweede Orleans te maken. Natuurlijk was deze veronderstelling geheel en al uit de lucht gegrepen en zou het wel zeer onwaarschijnlijk zijn geweest, dat de Prins tot zulk een daad van verzet gekomen was in een tijd, toen de kans reeds schoon stond, dat het land van Granvelle zou worden bevrijd!