Part 9
Elken dag deed de poppenkast de ronde door het dorp of bezocht zij een van de omliggende plaatsen, en trok ook de berenleider er op uit met zijn viervoetigen makker, om een stuivertje te verdienen, maar den wagen lieten zij staan, en 's avonds keerden allen weer naar het marktplein terug, waar het voertuig stond. Dan werd de beer aan een van de palen op het marktplein met een vrij lang, naar het scheen zeer sterk touw vastgebonden, zoodat hij zich eenige beweging kon veroorloven. Wij vroegen ons menigmaal af, waar toch de berenleider 's nachts wel mocht slapen, daar hij bij niemand op het dorp om een onderkomen had verzocht, doch eindelijk hoorden wij vertellen, dat eene groote mand, die wel bijna eene manslengte had en overdag onder den wagen was vastgebonden, hem tot ledikant diende. 's Avonds maakte hij die mand los, legde zijn beddegoed (wat niet van de fijnste qualiteit was) wat terecht, en -- begaf zich dan ter ruste. Voor dieven behoefde hij om twee redenen niet te vreezen, want ten eerste had hij zoo weinig eigendommen, dat het wel niemand in de gedachten zou komen, hem te gaan bestelen, en in de tweede plaats had hij een schildwacht voor zijn bed, die niet licht door een anderen zou worden overtroffen. De beer namelijk ging elken avond vlak voor de mand liggen en liet, zoodra hij maar iets hoorde, een vervaarlijk gebrom hooren.
Dat brommen, -- o, wat waren wij er eerst bang voor. Want het spreekt van zelf, dat alle jongens van het dorp 's avonds bij bruintje te vinden waren. Onze stelten zelfs lieten wij er voor liggen. Ge begrijpt, dat we eerst op een eerbiedigen afstand bleven, uit vrees dat hij ons aangrijpen, verscheuren en verslinden zou. Maar toen wij zagen, hoe vertrouwelijk zijn meester met hem omging, en hoe bedaard en goedig het dier er uitzag, begon onze vrees van lieverlede te bedaren en onze moed te klimmen.
Bob was de eerste, die hem wat naderbij durfde komen, hoewel hij natuurlijk zorg droeg, dat de beer hem niet grijpen kon. Hij wierp hem een stuk brood toe, dat door het dier gretig werd verslonden.
Toen wij dat eenmaal gezien hadden, overstelpten wij bruintje bijna met onze weldaden, en werden wij meer en meer vertrouwd met het dier, hoewel wij toch zorgden, niet te dicht in zijne nabijheid te komen.
Maar langzamerhand ontaardde onze moed in overmoed en begonnen wij hem te plagen. Wij sarden hem, als zijn meester er niet bij was, met lange stokken, waarmede wij hem op den kop of op de ruige vacht tikten, wat hij eerst eenige oogenblikken goedig toeliet, doch daarna plotseling met een woest gebrom beantwoordde. Och, och, wat wisten wij van beenen maken. Pieter-neef, die ook in ons gezelschap was, zag doodsbleek van den schrik en liep, of de dood hem op de hielen zat. Nu, zoo erg was het met ons niet, maar -- wij kozen toch ook het hazenpad.
»Hè, wat bromde hij daar!» zei Bob, die het eerst stilstond. »Gelukkig, dat hij aan een touw lag, want anders had hij stellig een van ons allen verscheurd!»
De boosheid van den beer duurde echter niet lang; hij keerde weer in zijn vorigen toestand van vadsige rust terug, en wij gingen voort met plagen.
»Wil jelui dat wel eens laten, jongens!» gebood ons de vrouw, die in den wagen woonde, -- doch daar wij wisten, dat haar man zoowel als de berenleider niet thuis waren, toonden wij ons vrij ongezeggelijk, wat ons heel leelijk stond, dat moet ik zelf bekennen.
Toch hielden wij na een poosje met ons plagen op, niet omdat wij medelijden met bruintje hadden, o neen, maar omdat de burgemeester het marktplein opkwam, om te zien, of de beer ook gevaar kon opleveren voor de eerzame burgers en burgeressen, die hij onder zijne hoede had.
Natuurlijk bleef ook hij op een eerbiedigen afstand van het lieve dier staan.
»Zeg eens, vrouwtje!» riep hij de vrouw uit den kermiswagen toe. »Waar is de berenleider?»
»Hij is met mijn man naar Haarlem, mijnheer de burgemeester,» klonk het antwoord.
»En moet dat ongure beest dan al den tijd, dien zijn meester afwezig is, zonder toezicht blijven?» zei de burgemeester op gestrengen toon.
»Dat weet ik niet, mijnheer de burgemeester. Flip is niet thuis.»
»Flip -- wie is dat?»
»Dat is de man van den beer, mijnheer de burgemeester. Maar hij is niet thuis.»
»Zoo, -- ja, dat heb je zooeven al gezegd. Maar kan dat dier zoo geen kwaad?»
»Dat weet ik niet, mijnheer de burgemeester,» zei de vrouw, die het buskruit niet scheen uitgevonden te hebben, »Flip is niet thuis.»
»Zoo, hm! hm!» kuchte de burgemeester. »Ik bedoel, vrouw, of dat touw sterk genoeg is, om den beer te houden, als hij soms boos mocht worden.»
»Ik zou het u niet kunnen zeggen, mijnheer de burgemeester, maar straks komt Flip wel thuis, dan kan u het hemzelven vragen. Hij is nu met mijn man naar Haarlem.»
»Zoo, ja -- dat weet ik al. Dus je denkt, dat het touw sterk genoeg is?»
»Dat weet ik niet, mijnheer de burgemeester. Als Flip straks thuiskomt, zal ik het hem vragen. Of u zou het zelf kunnen probeeren.»
»Dank je,» zei de burgemeester, die blijkbaar niet veel lust had, bruintje zoo nabij te komen.
»Nu, het ziet er nog al sterk uit, maar als Flip, of hoe die man heeten mag, aanstonds terug komt, moet je hem zeggen, dat hij dadelijk bij me moet komen.»
»Ik zal het hem zeggen, mijnheer de burgemeester!»
Zoodra het hoofd onzer gemeente vertrokken was, begonnen wij den beer weer te plagen, ja zelfs te sarren, en 't was verbazend hoe hevig hij dan soms kon gaan brullen. Als wij het al te erg maakten, rukte hij aan zijn touw, om los te komen, en dan wisten wij van beenen maken.
Het touw bleek echter heel sterk te zijn, zoodat wij eindelijk al niet eens meer op de vlucht gingen, al was hij ook nog zoo woedend. Wij bleven doodkalm staan, natuurlijk buiten het bereik van zijne klauwen, maar toch dicht genoeg bij, om met sarren voort te kunnen gaan. Zelfs Pieter-neef begon, nu hij zag, dat het beest toch niet los kon komen, dapper te worden en plaagde den beer het meest van allen.
Hij sloeg hem met een langen stok op zijn kop, en als het beest dan tegen hem bromde en met geopenden muil aan zijn touw rukte, stak hij hem den stok tusschen de geweldige tanden. Dan had hij geen grooter pret, dan als de beer op den stok beet, en hem al brommende heen en weder schudde. Wat trok en rukte Pieter dan aan den stok, om hem weer los te krijgen, maar de beer hield vast.
Bob haalde eene leuke grap met hem uit. Hij haalde uit de schuur een vaatje, waarin de bodem niet al te stevig meer bevestigd zat, en schoof dat bruintje toe. Toen nam hij eene kleine occarino uit den zak, en begon daar eenige deuntjes op te spelen. O, wat moesten wij lachen, toen de beer zich plotseling op zijne achterpooten verhief en op zijne gewone bevallige manier begon te huppelen, precies, zooals hij dat bij zijn meester gewoon was. En toen Bob hem een paar stukjes brood toewierp, konden wij duidelijk opmerken, dat hij Bob als een goed vriend begon te beschouwen, want hij volgde hem overal, waar hij liep, althans voor zoover zijn touw hem dat toeliet.
Maar het was er Bob om te doen, dat hij op het vaatje zou gaan staan, wat hij voor zijn meester somtijds ook moest doen.
»Allo! Ho -- hop! Op! Op!» riep hij den beer toe, en weer begon hij op de occarino te spelen. Eerst huppelde de beer nog eenigen tijd rond, en toen, waarlijk, daar naderde hij het vaatje en zette er een poot op. Toen den tweeden poot, daarna voorzichtig den derden en eindelijk stond hij er geheel op.
Een uitbundig gejuich uit wel vijftig jongensmonden was zijn loon, en de beer, die zich daardoor naar het scheen, gestreeld gevoelde, begon op de maat van Bobs muziek, zoo goed en zoo kwaad dat ging, op het vaatje te dansen. Dat had hij niet moeten doen, want daarvoor was de bodem te zwak. Plotseling hoorden wij een gekraak, de vier pooten zakten naar beneden, en daar rolde de beer onderste-boven. Och, och, wat maakte hij eene vreemde buiteling, en wat deed hij wanhopige pogingen, om zijne pooten uit hun kluister te bevrijden. Doch dat gelukte hem niet, want zij zaten in de kleine ruimte stijf tegen elkander gedrukt. Hij kon er geen beweging in krijgen.
Wat hadden wij verbazend veel pret. Ons joelen klonk over het geheele dorp!
De beer werd hoe langer hoe wilder, en toen het arme dier daar zoo hulpeloos lag, werd Pieter-neef hoe langer, hoe moediger. Hij ging vlak bij den beer staan en sloeg hem met zijn stok.
Maar o hemel, daar vlogen de duigen van het tonnetje opeens krakend uit elkander, en sprong de beer onder luid gebrom overeind, vlak voor Pieter-neef, die van angst en schrik zijne bezinning geheel kwijt raakte en stokstijf bleef staan.
»Ga achteruit! Ga achteruit!» schreeuwden wij hem toe, want wij dachten niet anders of hij zou verscheurd worden.
Hij gehoorzaamde werktuiglijk. Zonder zijn starenden blik van het dier af te wenden, liep hij voetje voor voetje achteruit, gevolgd door het beest, dat met wijd geopenden muil een vervaarlijk gebrom uitstiet. De haren rezen ons ten berge van schrik.
Opeens kon Pieter-neef niet verder, want hij werd gestuit door een lantaarnpaal, waar hij met den rug tegen terecht kwam. De beer kon niet verder van het touw. Toen sprong hij met reuzenkracht op en krak -- het touw brak en de beer was los. Dat gaf een ontzettenden schrik onder den jongenstroep. Onder den kreet »De beer is los! De beer is los! De beer is los!» sloegen allen op de vlucht.
Neen, allen niet, want Pieter-neef kon niet. Hij stond met den rug tegen den lantaarnpaal en durfde geen voet verzetten. De beer liep brommend om hem heen. En Bob ook niet. Die meende eens heel slim te handelen, door met zijne gewone behendigheid in den grooten eikeboom te klimmen, die midden op het marktplein stond.
Och, och, wat zag die Pieter doodsbleek. Wij zagen, hoe hij beefde van schrik en ontsteltenis. En de beer liep voortdurend met kleine pasjes om hem heen, terwijl hij hem aan alle kanten besnuffelde.
Ik geloof, dat Pieter op dat oogenblik wel voor hem op de knieën had willen vallen, als dat had kunnen baten.
»Help! Help!» klonk de kreet van de verschrikte jongens, die op een eerbiedigen afstand stonden af te wachten, wat er verder gebeuren zou. Niemand van hen twijfelde er aan, of Pieter zou straks door het geplaagde dier worden aangegrepen en -- opgepeuzeld.
Alleen Bob gevoelde zich boven in den top van den eikeboom volkomen veilig en zeer goed op zijn gemak.
»Ga op de vlucht!» riep hij Pieter toe, die nog altijd tegen den lantaarnpaal stond.
»'k Durf -- niet -- o -- help!» kreunde Piet.
»Stel hem voor, de vredespijp met je te rooken,» plaagde Bob, die schik in het geval begon te krijgen.
»O -- Bob!» was alles, wat Piet antwoordde.
»Of sla hem met je stok op zijn kop, als zoo even!» ging zijn plaaggeest voort.
Nu hield de beer stand, vlak voor Pieter. Wij zagen, hoe hij hem vlak in het bleeke gezicht keek. Pieter staarde wederkeerig bruintje wezenloos in het gelaat. De beer zag er op dat oogenblik inderdaad veel verstandiger uit dan zijn slachtoffer.
Och, wat beefde Pieter. De ruitjes van de lantaarn hoorden wij er van rinkelen.
O hemel!
Daar verhief de beer zich, vlak voor Pieter, plotseling op de achterpooten en wilde zijne klauwen op Pieters schouders leggen.
Van den schrik maakte Piet eene driftige beweging met zijn hoofd in achterwaartsche richting, maar daar stond de lantaarnpaal, en nu stootte hij zijn hoofd zoo hevig, dat hij van den weeromstuit voorover buitelde en terecht kwam -- in de harige armen van den beer. Daar stonden zij om zoo te zeggen snoet tegen snoet! 't Was zulk een bespottelijk gezicht, die twee elkander daar zoo innig te zien omarmen, dat Bob van het lachen bijna uit den boom buitelde.
Pieter-neef gaf een schreeuw, die ons door merg en been drong, en wij twijfdelden niet, of nu zou de beer hem verslinden. O, welk een vreeselijk drama stelden wij ons daar reeds van voor. Griezelig in hooge mate, -- maar toch uiterst belangwekkend.
Maar neen, wij hadden het mis. Pieters kreet wekte in het teedere gemoed van den beer zeker zachtere aandoeningen, dan waarvoor wij hem vatbaar achtten, want hij keek hem even aan, liet hem daarna los, ging weer op vier pooten staan en begon zich langzaam te verwijderen. Pieter verwaardigde hij met geen enkelen blik meer.
Meer dood dan levend bracht deze zich, struikelend en strompelend, bijna zonder te weten wat hij deed, in veiligheid, en toen hij ver genoeg van den beer verwijderd was, om hem niet meer te vreezen, zette hij het op een loopen, zoo snel zijne voeten hem konden dragen. Loopen -- loopen, dat hij deed, o, 't was potsierlijk. Wij schaterden van het lachen, maar hij keek niet op of om. Hij holde voort, de brug over, -- naar huis. Wij hebben hem den geheelen avond niet terug gezien.
Intusschen ontstond er een verbazende oploop op het marktplein, want het gerucht, dat de beer losgebroken en de berenleider niet thuis was (voor zoover wij bij een man als Flip van »thuis zijn» kunnen spreken) ging als een loopend vuurtje door het dorp rond. Zelfs Jan van der Vliet, dien wij na de treurige gebeurtenis van den laatsten Zondagmorgen nog niet buiten hadden gezien, kwam ook toeloopen. Maar tot mijne ergernis moest ik opmerken, dat de meeste jongens niets met hem te maken wilden hebben en hem alleen lieten staan. Ik zag, dat hij de tranen in de oogen kreeg, en had veel medelijden met hem. Ik ging daarom naast hem staan en zeide:
»Kijk eens, Jan, de beer is los, en Bob zit in den eikeboom.»
»Waar is zijn baas, Dorus?» vroeg Jan met een blijden lach, omdat ik even vriendelijk jegens hem was als altoos, en hij pinkte tersluiks de tranen weg, die zijn beide oogen verduisterden.
»Die is naar Haarlem,» zei ik. »Zie eens, wat komt er een oploop.»
»Ja, -- geen wonder; maar waarom komt Bob den boom niet uit? Een beer kan immers klimmen?»
Hemel, ja, daar had ik niet aan gedacht. Als Bob nu maar in vredesnaam stil bleef zitten, zoodat de beer geen erg in hem kreeg, want anders kon het wel eens bitter slecht met hem afloopen.
»Je hebt gelijk, Jan,» zei ik angstig. »Maar hoe zou Bob er uit moeten komen? Je ziet toch wel, dat de beer voortdurend onder den boom heen en weer loopt?»
»Ja, dat is waar. 't Is een benauwd half elfje voor hem, en ik zou niet graag in zijne plaats willen zijn.»
»Ik ook niet, Jan.»
»Kijk, daar komt Tip ook, de veldwachter. Hij heeft waarlijk eene revolver in de hand. Zou hij hem dood gaan schieten?»
»Ik weet het niet. Dat zou jammer wezen van het arme dier, want hij doet tot nog toe niemand kwaad.»
»Ja, -- en ook voor zijn meester, want die zou met hem meteen zijne broodwinning verliezen,» merkte Jan op.
Intusschen werd de oploop met de minuut grooter.
Wel honderden menschen vormden een grooten cirkel om het beweegbare middelpunt, dat gevormd werd door den beer, die doodkalm onder den boom heen en weer bleef loopen. 't Was aardig te zien, welk eene golving er onder al die menschen kwam, als de beer zich eens wat verder van den boom verwijderde.
Dan ontstond er eene geweldige opschudding en onder den kreet: »De beer komt! De beer komt!» sloegen zij op de vlucht.
Eindelijk verscheen ook de burgemeester op het marktplein. Hij ging regelrecht naar Tip, dien hij met gefronste wenkbrauwen en een toornigen blik aanzag, en zeide op boozen toon:
»Daar hebben wij het leven nu al gaande, Tip. 't Is me wat moois, -- dat afschuwelijke beest hier midden op het dorp.»
»Ja burgemeester!» zei Tip, die er met zijne revolver in de hand verbazend krijgshaftig en moorddadig uitzag.
»Is die man nog niet thuis?»
»'k Weet het niet, burgemeester. Wil ik het even vragen? De beer is er nu niet dichtbij.»
»Ja, -- ga het vragen!» gebood de burgemeester, doch opeens van gedachten veranderende, vervolgde hij:
»Of neen, wacht even, ik zal het zelf doen. Houd jij intusschen dat beest goed in het oog, terwijl ik bij den wagen sta. Begrepen?»
Tip sloeg aan en zeide dapper:
»Verlaat u op mij, burgemeester. Ik zal over u waken. Ga gerust.»
De burgemeester, die aan de menschen eens wilde toonen, dat hij volstrekt niet bang was, baande zich een weg door den kring en ging met groote schreden op den wagen af. Maar zie, daar kreeg plotseling bruintje het in zijn hoofd, om ook naar den wagen te gaan, wat voor den burgemeester een allesbehalve aangenaam voornemen was. Inderdaad was hij niet bang van aard, maar om ongewapend een beer tegemoet te gaan als dat strikt genomen niet noodig is, achtte hij te veel gevergd, en hij keerde daarom, tot groot vermaak van de omstanders, naar Tip terug.
Nu klonk dat lachen den burgemeester in het geheel niet aangenaam in de ooren, want het scheen wel, of de menschen hem uitlachten, en die gedachte maakte hem erg boos.
»Tip!» gebood hij kortaf, »ga dat beest grijpen en vastbinden!»
»Jawel, burgemeester,» zei Tip, op militaire wijze de hand aan de pet brengende.
Maar Tip was vlugger met beloven dan met doen; hij talmde zoo lang, dat de burgemeester kortaf tot hem zeide:
»Je hebt mijn bevel toch verstaan, Tip?»
Tip krabde zich verlegen achter het oor en hield den blik met eene eigenaardige uitdrukking, die veel op angst geleek, op den beer gericht. Nu durfde hij in het geheel niet bekennen, dat hij bang was, maar tevens was hij vast besloten, het bevel van zijn meester in geen geval op te volgen. Om tijd te winnen, zeide hij, bij wijze van waarschuwing:
»Ik ga, burgemeester, -- maar als hij nu eens voor mij op de vlucht gaat en zich op de menschen werpt? Wat dan, burgemeester? Ik zou in een dergelijk geval niet voor de gevolgen durven instaan. Niet dat ik bang ben, in het geheel niet, burgemeester, maar ziet u, we moeten toch altoos zorgen, dat de openbare veiligheid geen gevaar loopt.»
»Je hebt gelijk, Tip. Dat die akelige Flip nu ook juist niet thuis is. Tip! Ik wil dat beest niet langer hier midden in het dorp hebben, -- begrepen, Tip!»
»Ik zal er voor zorgen, burgemeester,» zei Tip, die verbazend in zijne nopjes was, dat hij van de opdracht, om den beer te vangen, ontslagen was.
»Zie Tip, daar gaat hij weer naar den boom. Ga jij nu naar den wagen, en vraag aan die vrouw, of Flip nog niet haast thuis komt.»
»Ja wel, burgemeester.»
Tip stapte uit den kring en ging, met zijne revolver gewapend, op den wagen af. O, wat nam hij groote stappen, en wat keek hij schuin naar bruintje. De menschen schoten allen in een lach, tot groote ergernis van Tip.
Om eens duidelijk te toonen, dat hij volstrekt niet bang was, zette hij een verbazend hooge borst, en bleef een oogenblik doodkalm, naar het scheen, in den kring staan, spelende met het wapentuig, dat hij in de hand hield. Bijna was het hem gelukt, den menschen in den waan te brengen, dat hij een buitengewone held was, die zich door eene kleinigheid als een losgebroken beer volstrekt geen angst liet aanjagen, toen plotseling het beest hem in het oog kreeg en met hooge sprongen spelende op hem af kwam.
O hé, daar zakte de hooge borst in en verdween de moedige trek op Tips gelaat. Op het volgende oogenblik zette Tip, met revolver en al, het op een loopen, zoo hard hij kon. De beer keerde bedaard naar den boom terug. Wat werd die arme Tip uitgelachen! En toch was hij niets banger dan iemand van de omstanders, want allen hielden zich op een eerbiedigen afstand.
Bob, die zich in den top van den hoogen boom volkomen veilig achtte, had er ook niet weinig pret in, en begon te zingen:
"O moeder, de beer is los; Hoor dat beest eens brullen! Snijd hem neus en ooren af, Dan hebben wij wat te smullen!"
Wij hoorden hem nauwelijks, of wij begonnen dapper meê te zingen, tot groote pret van Bob. Maar de beer had ons Bobje nu ook opgemerkt en -- vlug als eene kat klauterde hij den boom in.
Dat vond Bob allesbehalve prettig, en wij zagen het allen ook met angst aan.
»Hij klimt in den boom! Hij klimt in den boom! Hij zal Bob verscheuren!» klonk het van alle kanten, en de burgemeester vond het meer dan tijd, om een einde aan de zaak te maken.
»Tip, schiet dat beest dood!» gebood hij. »Spoedig, of het kost een menschenleven.»
»Jawel, burgemeester,» zei Tip.
Beiden begaven zich nu onder den boom. De beer klauterde rustig steeds hooger, tot grooten schrik van Bob, die het hoogste punt al had bereikt.
»Schiet hem dood!» herhaalde de burgemeester.
Maar Tip had niet veel lust om te schieten, want hij wist, dat hij op de revolver volstrekt geen meester was.
»Als ik misschiet, komt het beest stellig op mij af,» dacht hij bij zichzelven, maar hij zeide het niet en zag er weer zeer dapper uit.
»Schiet dan!» gebood de burgemeester. »Straks heeft hij dien jongen bereikt, en dan is het te laat! Schiet!»
Tip legde aan, maar het wapen beefde hem in de hand en hij durfde niet schieten.
»Je beeft, Tip! Je bent een lafaard!» zei de burgemeester.
»Maar -- als ik misschiet, mijnheer de burgemeester, en in plaats van den beer den jongen tref -- wat dan?»
»Je bent een lafaard, Tip!» herhaalde de burgemeester.
»Klim in den boom en snel den jongen te hulp! Dadelijk! Ik gebied het je, Tip!»
Tip begon te klimmen, maar of de stam te dik voor hem was, of dat hij al wat stijf begon te worden, weet ik niet; zeker is het, dat Tip bleef waar hij was, aan den voet van den boom.
Intusschen volgden honderden oogen in den grootsten angst den beer op zijn tocht naar boven. Bob kon zich onmogelijk redden. Hij kon niet hooger -- en niet lager ook. Zooals hij ons later vertelde, verkeerde hij op dat oogenblik in doodsangst, tot hem plotseling een eenvoudig middel tot redding in de gedachten kwam.
De beer had thans den tak bereikt, waarop Bob zich bevond. Bob meende dat zijn laatste oogenblik gekomen was, toen hij opeens bemerkte, dat de beer hem in het geheel niet onvriendelijk aankeek. Daar herinnerde Bob zich dat hij nog een stuk brood voor den beer in den zak had; en nauwelijks had hij dat bedacht, of hij haalde het te voorschijn en stak het hem toe. Bruintje at het met graagte op en liet een zacht gesnor hooren, als om hem te bedanken.
Bob begreep, dat hij van dit oogenblik gebruik moest maken, om zich in veiligheid te brengen. »Die waagt, die wint!» mompelde hij. Hij greep den beer bij het afgebroken touw, blies een kort deuntje op zijne occarino, en zei toen met gebiedende stem:
»Hallo! Hop! Terug! Hallo! Terug! Hallo!» Meteen rukte hij aan het touw, zooals hij den berenleider had zien doen, als hij den beer iets gebood.
Inderdaad -- het beest gehoorzaamde, zooals hij dat bij zijn meester gewoon was. En nauwelijks bemerkte Bob, dat de beer ontzag voor hem had, of hij klom naar omlaag, den beer steeds bij het touw vasthoudende.
»Hallo! Hallo! Hop! Hop!» klonk het uit den boom, en alle menschen hielden zich doodstil, om te zien, hoe dit af zou loopen.
Daar kwam bruintje naar beneden klauteren, gevolgd door Bob, die niet weinig trotsch op zijne heldendaad was. Nu hadden zij den grond weer bereikt.
Bob blies op zijne occarino.
»Hallo! Op! -- Op!» gebood hij.
En zie, onder een daverend gejuich van de toeschouwers ging bruintje op zijne achterpooten staan en begon te dansen. Bob voerde den dansenden kolos langzaam naar den wagen, bond vlug de einden van het touw stevig aan elkander, wierp den beer het laatste stukje van zijn brood toe, -- en ging bedaard heen.
»Hoera voor Bob,» riep ik vol bewondering uit.
En plotseling klonk het over het geheele marktplein, en ik moet zeggen, dat oud en jong meêdeden, uit volle borst:
»Hoera! Hoera voor Wilden Bob! Hoera voor Bob!»
Juist op dat oogenblik kwam de berenleider uit de stad terug. De burgemeester trad dadelijk op hem toe.
»Kunt ge dat beest niet beter vastleggen? Hij brengt het geheele dorp in beroering en maakt het hier in hooge mate onveilig.»
Flip nam eerbiedig de pet van het hoofd, en zeide:
»'t Beest is niet gevaarlijk, mijnheer de burgemeester.»
»Niet gevaarlijk! Wilt ge nu praatjes gaan verkoopen? 't Is toch een verscheurend dier?»
»In naam, ja burgemeester, maar inderdaad heeft hij nog nooit vleesch geproefd. Ik heb hem zelf opgefokt, mijnheer de burgemeester, maar hij heeft nooit anders dan brood van me gehad. Dat is de waarheid!»