Wilde Bob

Part 8

Chapter 84,050 wordsPublic domain

Eindelijk begon de avond te vallen en werd het tijd om naar binnen te gaan. En na nog een poosje in de huiskamer te hebben vertoefd, gingen zij naar bed. Hunne slaapkamers lagen naast elkander, en de ledikanten waren slechts door een houten beschot gescheiden.

Eerst maakten zij nog wat grappen op Pieters slaapkamer, omdat daar licht aangestoken was. Bob ging zomers altijd in donker naar bed.

»Zeg Pietje, willen wij nog eens eene pijp rooken?» vroeg Bob lachend. »Ik heb nog wel tabak.»

»Dank je hartelijk,» zei Piet met alle teekenen van den grootsten afkeer. »Die eerste pijp zal ik niet licht vergeten. Och, och, als ik er aan denk, word ik nu nog ziek.»

»Wel te rusten dan!» zei Bob.

»Slaap lekker!» was Pieters wensch.

Bob lag spoedig in bed, afwachtende de dingen, die komen zouden. Eindelijk hoorde hij in de andere kamer beweging aan de lamp, want het was erg gehoorig, en daarna het kraken van Pieters ledikant.

Het bleef geruimen tijd stil. Zou Piet het doodshoofd misschien niet zien? Maar neen, dat kon niet; als hij zijne oogen open had, mòèst hij het zien. Doch wellicht had hij zijne oogen gesloten, en dan kwam er van de grap niets. Opeens hoorde hij het ledikant van Pieter weer zacht kraken. Hij hoorde ook, hoe zijn neef zich langzaam, uiterst langzaam oprichtte in bed. In zijne gedachten zag Bob al, hoe neef Pieter de oogen stijf gericht hield op het schrikwekkende beeld, en hij lag te schudden in zijn bed van 't lachen.

Hoor, daar werd zacht, bijna onhoorbaar tegen het schot getikt. Hij tikte zacht terug.

»Bob!» werd er gefluisterd. »Bob!»

»Wat is er?» riep Bob tamelijk luid terug.

»Ssss! -- Ssss! -- 't Is hier niet -- in orde, Bob!» hoorde hij Piet fluisteren.

»Dieven?» vroeg Bob terug.

»Neen -- erger, Bob. Een -- spook.»

»Kom dan hier!» zei Bob zacht. »Wat zie je?»

»Een gloeiend doodshoofd! Hu -- zoo akelig. Ik durf niet, Bob. Kom jij hier!»

»Dank je!» zei Bob. »Ik blijf liever hier!»

't Werd weer stil in Pieters kamer.

Maar die stilte duurde niet lang. Bob, die moeite had, om niet in een schaterlach uit te barsten, hoorde opnieuw een heel zacht kraken van het ledikant, daarna een schuifelen over den vloer, en toen werd zijne deur geopend en kwam Piet binnensluipen.

»O Bob,» zei hij, en zijn plaaggeest hoorde, hoe hij beefde van angst, »wat afschuwelijk. Een doodshoofd is er, een gloeiend doodshoofd, dat mij voortdurend aangrijnst. O, Bob, wat moet ik nu beginnen? Ik beef van angst.»

»Kruip diep onder de dekens, Piet, en laat hem grijnzen,» was Bobs hardvochtige raad. »Wat doe je ook je oogen open te houden, als je op bed ligt; dan behooren zij gesloten te zijn.»

»O neen, dáár durf ik niet weer heen!» zuchtte Pieter; »voor geen geld ga ik dáár slapen! 't Is afschuwelijk, Bob.»

»Wat wil je dan?»

»Kan ik niet bij jou slapen, Bob? Toe maar, asjeblieft.»

»Onmogelijk, Piet. Dit is maar een één-persoons ledikant. We kunnen er onmogelijk met ons beiden in.»

»Toe maar, Bob, ik zal me zoo klein maken als ik maar kan; toe Bob, asjeblieft?»

»Onmogelijk. Maar ga naar Pa; die is stellig nog op, en zal ongetwijfeld een onderzoek instellen.»

»O, -- maar dan moet ik alleen de trap af!» zuchtte Piet, bevende van ontsteltenis bij de gedachte, dat hij zich alleen en in donker naar beneden moest begeven.

»Jij bent ook overal bang voor,» zei Bob. »Ik wed, dat er niet eens iets op je kamer is, om bang voor te wezen.»

»O ja, Bob, echt waar, ga dan zelf maar kijken, dan zul-je het zien. Een afschuwelijk doodshoofd! Hu, 't is om te rillen.»

Bob vond, dat de grap nu lang genoeg geduurd had.

»Ga dan maar meê, bang Pietje,» zei hij, terwijl hij lachend uit zijn bed sprong.

Hij liep regelrecht naar Pieters slaapkamer, tot groote verbazing van zijn neef, die zich maar niet begrijpen kon, waar hij al dien moed vandaan haalde.

»Waar is nu het spook?» vroeg hij.

»Aan den muur!» klonk het benauwd uit Piets mond.

»'t Is niets, hoor Piet, kom maar hier,» zei Bob lachend. »Je hebt je weer eens leelijk te pakken laten nemen, neefje. Ha-ha-ha-ha!»

Pieter kwam behoedzaam nader.

»Dáár is het, -- dáár, vlak voor je!» zei hij huiverend, toen hij om den hoek van de deur keek.

»Och, bange Piet, dat prentje heb ik er van middag opgeteekend met een zwavelstok. Kijk, hier heb-je nog een tweede spook!»

Bob nam den zwavelstok, dien hij op den grond had neergelegd, en teekende met enkele strepen een tweede doodshoofd, niet weinig lachende om de vrees van Pieter-neef. Deze kwam nu ook naderbij en zeide, niet zonder schaamte:

»Hé Bob, doe je dat met een zwavelstok? Dat is een aardig kunstje, waarvan ik nog nooit gehoord had. Dat moet ik ook eens leeren.»

»Ben je nu nog bang, Pietje?» vroeg Bob. »Of wil ik Pa roepen?»

»O neen, dank je! Maar waarom plaag jij me toch altoos zoo, Bob?»

»Omdat ik het bij Karel of Dorus niet behoef te probeeren, Piet; zij zijn er niet vatbaar voor, zie je, en jij wel. Dat is de reden. Slaap lekker, Piet!»

»Goeden nacht!»

ACHTSTE HOOFDSTUK.

Hoe Bob uit hengelen ging en door de verschijning van twee vreemdelingen zijn tijd bijna vergat. Hoe hij in figuurlijken zin steentjes moest gaan tellen en het in eigenlijken zin deed. De berenleider en zijn metgezel.

Een paar dagen later had Bob zijn tijd bijna verhengeld. Hij was bijzonder vroeg opgestaan, had inderhaast ontbeten, en was met zijn hengel over den schouder even buiten het dorp gewandeld, om eens prettig vóór schooltijd nog een paar uurtjes te visschen. Pieter lag nog te bed. Die stond nooit voor half acht op. Eerst had Bob nog wel eens moeite gedaan, om hem ook tot opstaan te bewegen, maar toen hij bemerkte, dat Piet 's morgens veel liever op bed bleef, had hij die moeite gestaakt.

Bob hengelde dus geheel alleen, en vermaakte zich kostelijk, want de baars wilde dien morgen buitengewoon goed bijten, en het gelukte hem, menig vischje te verschalken. Hij vermaakte zich zóó goed, dat hij zijn tijd geheel vergat en niet aan de school dacht, vóór het bijna te laat was. Om negen uur ging de school aan, en de torenklok wees al tien minuten voor negenen, eer hij er aan dacht.

»O heden!» mompelde hij. »'t Is al bijna te laat, maar als ik hard loop, kan ik er nog juist op tijd zijn. 't Is echt jammer, dat ik nu moet ophouden, want de baars bijt van morgen bijzonder goed.»

Hij slingerde zijn snoer om den stok en wilde zich juist naar school begeven, toen zijne aandacht getrokken werd door een kermiswagen, die langzaam het dorp naderde.

Bob bleef staan.

Een kermiswagen was een voorwerp, dat hem altoos buitengemeen boeide. Hij vond dat een zeer belangwekkend vervoermiddel. Toch zou hij er de school niet om vergeten hebben, -- want de meester was erg streng, dat wist hij bij ondervinding, -- indien hij niet had opgemerkt, dat naast dien wagen een groot, log dier liep, een dier, dat nog veel belangwekkender was dan de wagen, want het was niets meer of minder dan een groote, bruine beer. Bij de verschijning van dat beest vergat Bob de geheele school.

Zoodra de berenleider het eerste huis van dorp bereikt had, begon hij op eene dwarsfluit te spelen en verhief bruintje zich op hetzelfde oogenblik op zijne achterpooten. Het logge beest scheen zoo waar te dansen, tot groot vermaak van Bob. De kermiswagen was doorgereden. Dat onzen Bob het scheiden moeilijk viel, behoef ik niet te zeggen. Wij zaten allen al op de schoolbanken, en waren al begonnen te lezen, toen zijne plaats nog ledig bleef.

»Waar blijft Bob de Wild van morgen?» vroeg de meester. Doch wij wisten het niet.

»Hij is toch niet ziek?» klonk weer 's meesters vraag. Weer moesten wij het antwoord schuldig blijven.

»Lees maar door, Anna!»

Juist begon Anna het bevel op te volgen, toen de deur geopend werd en Bob, rood van het harde loopen, binnen kwam.

»Dag meester,» klonk het zacht van zijne lippen.

»Dag Bob. Waar kom jij zoo laat vandaan?»

»Van buiten, meester.»

»Ja, dat spreekt vanzelf. Maar waarom kom je zoo laat?»

Bob keek zwijgend voor zich op den grond.

»Ik hoor niets, Bob. Kun-je niet spreken?»

»Ik was aan het hengelen, meester, en.....»

»Ha zoo, heb jij je tijd verhengeld? Dat is ferm van je, niet waar, Bob?»

Bob mompelde zoo iets van: »Kon 't niet helpen,» maar veel verstonden wij er niet van.

»Niet helpen?» vroeg de meester gestreng. »Dat is eene kinderachtige uitvlucht, Bob, waar zich alleen flauwe zielen achter verschuilen. Je kunt gaan zitten, maar moet om twaalf uur nablijven. 't Spijt me wel, maar ik kan er niets aan doen.»

Bob nam plaats. Hij en ik zaten dicht bij elkander. Eerst deed hij, of hij met aandacht las, maar weldra gaf hij ons door allerlei teekens te kennen, dat er iets bijzonders aan de hand was.

»Daar kwam ik goed af. Ik was bang, dat ik steentjes zou moeten tellen,» fluisterde hij ons toe. Wij deden ook, of wij de les geregeld volgden, maar inderdaad ontging ons geen woord, van hetgeen Bob zeide.

Wij wisten wel, wat hij met »steentjes tellen» bedoelde. In het portaal was geen planken vloer; die bestond daar uit mooie glimmende tegels, welke aan elkander gemetseld waren. Nu had de meester de gewoonte, als hij heel boos op een van de leerlingen was, hem in het portaal te zetten, wat hij den patiënt gewoonlijk beval met de woorden:

»Ik kan je hier vanmorgen niet langer gebruiken, jongen. Ga jij maar steentjes tellen.»

Dat was eene zware straf voor ons, want wie eenmaal in het portaal terecht kwam, moest er den geheelen morgen blijven, en kreeg dan nog zooveel strafwerk na schooltijd, dat er van zijn speeluur niets overschoot.

Bob was er dus van overtuigd, dat de meester hem zeer genadig behandeld had, door hem geen steentjes te laten tellen, alias in het portaal te zetten.

»Die volgt!» zei de meester. »Bob, ik geloof, dat je slecht oplet. Pas op, dat ik je niet nog meer straf moet geven.»

Bob keek strak in zijn boek, en de volgende leerling begon te lezen. Maar Bobs aandacht was in het geheel niet bij zijn werk. Onophoudelijk moest hij aan den beer en diens eigenaar denken, en zijn nieuws brandde hem op de tong. Naar het lezen luisterde hij niet; hij hoorde bijna niet eens, dat er gelezen werd.

»Jongens!» fluisterde hij Karel en mij toe.

Wij waren geheel oor, maar zorgden wèl, niet uit ons boek op te zien.

»'k Heb nieuws!» fluisterde Bob weer.

»Bob de Wild, lees verder!» gebood de meester.

O heden, dat was mis voor Bob. Zijne oogen dwaalden van boven tot beneden op de bladzijde, waar wij aan het lezen waren, maar hij vond den laatsten zin, dien hij gehoord had, niet.

»Je krijgt eene slechte aanteekening, Bob de Wild,» klonk het gestreng uit 's meesters mond. »Je straf om twaalf uur wordt verdubbeld. Lees verder, Jacob de Haas.»

Jacob de Haas, het eenige joodje, dat wij op school hadden, ging met lezen voort, en Bob keek stijf in zijn boek.

»Waarom leest dat Joodje (want zoo noemden wij Jacob de Haas altijd) ook niet wat harder?» mompelde hij. »Dan zou ik het wel geweten hebben. Wacht maar, dat zal ik hem om twaalf uur wel betaald zetten. -- O jé, waar is het nu ook al weer? Wacht, dáár!»

»Die volgt!» klonk het weer.

Nu was een meisje aan de beurt. Anna van Egge heette zij en zij las een weinig binnensmonds. Wij moesten altoos goed toeluisteren, om haar te kunnen volgen. Maar Bob luisterde dien morgen al bijzonder slecht. Zooals hij ons later vertelde, moest hij onophoudelijk aan dien beer denken. Ook brandde hij van verlangen, om het ons te vertellen, want hij wist, dat het voor ons een belangwekkend nieuwtje was.

»Jongens!» fluisterde hij weer.

Wij knikten bijna onmerkbaar, ten teeken, dat wij luisterden, maar wij zagen niet op.

»Er is een berenleider op het dorp,» hoorden wij Bob lispelen.

Dat was nieuws naar ons hart. Ook wij begonnen onoplettend te worden, wat het lezen betrof, maar niet wat het nieuws van Bob aanging.

»Met een beer?» vroeg Karel Holm zacht, terwijl zijne oogen flikkerden van pleizier.

»Ja, -- een grooten, bruinen beer.»

»Waar is hij?» waagde Karel nog eens te fluisteren.

»Bij den ontvanger zag ik hem. Hij kan dansen.»

»Ho!» beval op dat oogenblik de meester, en Anna van Egge hield met lezen op. »Bob! Je let in het geheel niet op, en ik zie mij genoodzaakt je streng te straffen. Vervolg eens, waar Anna gebleven is!»

't Was doodstil in de klasse. Van ganscher harte hoopten wij, dat Bob een gelukkig oogenblik in zijn leven zou hebben en toevallig bij het goede woord zou beginnen, want wij hoorden aan de stem van den meester, dat hij slechts met moeite zijne drift kon bedwingen. Eene geduchte straf zou anders stellig Bobs deel zijn.

Doch Bob had zulk een gelukkig moment in zijn leven niet, en dat kòn ook niet, omdat hij de verkeerde bladzijde voor zich had. Hij had vergeten, om te slaan, omdat hij niet oplette. Eerst zocht hij overal, om het goede woord te vinden, doch toen zijne zoekende blikken het nergens ontmoetten, begon hij maar op goed geluk af. Och, och, wat had hij het ver mis!

»Daar is het niet, ondeugd!» zei de meester boos. »Je bent waarlijk niet eens op de goede bladzijde. Welke geest is er dezen morgen in je gevaren? Eerst kom je te laat op school, en dan gedraag je je zóó, dat je zelfs den zachtmoedigsten mensch driftig zoudt maken!»

Nu, dat was niet waar, want onze meester was ver van zachtmoedig. Integendeel, hij was algemeen bij ons gevreesd om zijne strengheid. Wij hoorden, hoe hij hoe langer hoe driftiger werd, en eindelijk gebeurde, wat wij al sedert lang hadden zien aankomen. Daar verhief 's meesters rechterarm zich in de hoogte en strekte hij zijne hand gebiedend uit naar de deur.

»Ga uit de klasse, jongen, ik kan je hier niet langer gebruiken. Ga steentjes tellen!»

Bob bleef zwijgend zitten.

»Hoor je me niet, Bob? Ga steentjes tellen, zeg ik.»

»Meester, ik zal beter opletten,» zei Bob.

»Te laat, Bob! Ten derden male zeg ik: ga steentjes tellen!»

Die laatste uitdrukking was oorspronkelijk als eene grap bedoeld, maar wij vonden haar in het geheel niet grappig. Bob ook niet, want hij moest allerminst lachen op dit oogenblik. Hij stapte de bank uit en ging met neergeslagen oogen naar het portaal. Hij deed de deur achter zich dicht.

't Werd weer stil, nu zelfs doodstil in de klasse. De meester keek erg boos.

»Ga voort, Anna van Egge!» gebood hij.

En korten tijd daarna was het weer:

»Die volgt!»

Zoo las de geheele klas. Toen werden de boeken opgeborgen en begon de rekenles.

Wij deden onze uiterste best, uit vrees, dat ook wij straf zouden oploopen. En toen nu de meester zag, hoe flink wij opletten, begon zijn gelaat ook wat vriendelijker plooi aan te nemen. Hij was wel streng, maar niet onbillijk, en tot zijne eer moet ik zeggen, dat hij zulke zware straffen altoos met grooten tegenzin oplegde. Wij konden altoos aan hem zelf zien, dat het hem pijn deed.

Intusschen stond Bob diep verslagen in het portaal. Weg was ineens al de pret, die hij zich van het middaguur voorgesteld had, als de beer althans dan nog niet vertrokken zou zijn. Daarvoor behoefde evenwel niet bijzonder veel vrees te bestaan, want ons dorp was te groot, om door een berenleider op een enkelen morgen »afgewerkt» te kunnen worden.

»En dan kan ik hier in die nare school blijven en strafwerk maken, terwijl alle jongens de grootste pret hebben,» morde Bob, die erg boos was op den meester. »Hij is ook altoos zoo streng. Maar ik weet, wat ik doe: ik loop weg, ja, dat doe ik. De meester kan schoolhouden, wien hij wil, maar mij snapt hij niet, want den beer moet ik zien, het koste wat het wil!»

Toen Bob over dit besluit echter een weinig dieper doordacht, waarmede hij eigenlijk had moeten aanvangen, begon hij hoe langer hoe meer te beseffen, dat hij daar toch ook zeer weinig genoegen van zou beleven, want de meester zou hem stellig voorbeeldeloos straffen en bovendien zou zijn Pa hem ook terdege onderhanden nemen.

Neen, dat ging toch niet, zooals hij zelf zeer goed inzag.

»Ik wou, dat de meester mij voor dezen keer maar eens vrijliet,» mompelde Bob, »maar dat zal hij wel niet doen, want dat doet hij bijna nooit. Enfin, 't is eenmaal zoo; er zit niet anders op, dan mijn lot met gelatenheid te dragen. Waar zou de beer nu zijn? Wacht, misschien kan ik hem zien, -- door het raam. Laat ik kijken!»

Bob deed, wat hij zeide, en waarlijk -- na eenig zoeken ontwaarde hij bruintje voor het huis van dokter Doreman. Hij zag, hoe vele menschen naar het verscheurende dier stonden te kijken.

»Ha! Wat wou ik graag daarbij zijn,» zuchtte Bob. »En nu steentjes te moeten tellen! 't Is afschuwelijk! Kijk, nu gaat hij verder. Zou hij den achterweg opgaan? Dan kan ik hem niet meer zien. Ja -- neen, -- ja toch, daar gaat hij den hoek om. Nu is hij weg. Dat is jammer. -- Steentjes tellen! Hoe komt de meester daar toch aan? 't Is toch eigenlijk eene gekke uitdrukking. Meester zeide niet, dat ik in het portaal moest gaan staan; hij gebood alleen maar: ga steentjes tellen. Als ik dat dus deed en hem straks ging zeggen, hoeveel er waren, zou ik precies gedaan hebben, wat meester bevolen had. Dat zou leuk wezen. Weet je wat, ik doe het! Zou ik mijn decimetertje in den zak hebben? Laat eens voelen -- ja, daar is het. Wacht, nu zal ik het eens netjes uitrekenen. Eerst meten, hoe lang de gang is.»

Bob knielde op de tegeltjes neer en mat de lengte van zijn kerker. Weldra wist hij, wat hij weten wilde.

»Dus twintig meter. Laat ik dat goed onthouden.»

»Nu de breedte.»

Bob mat weer.

»Breed twee meter, precies op den kop,» zeide hij. »De gang heeft dus eene oppervlakte van twintig maal twee vierkante meter, of veertig vierkante meters. Mooi, dat schiet al aardig op. Nu elk tegeltje meten. Kijk, precies twintig centimeters lang en breed. Dat geeft dus eene oppervlakte van vierhonderd vierkante centimeters. De gang is groot veertig vierkante meter, of vier maal honderd duizend vierkante centimeters. Dat gedeeld door vierhonderd, -- wel, kijk -- dat is precies duizend tegeltjes. Dat is een mooi getal. Kom, nu ga ik het den meester zeggen; hij heeft mij bevolen de steentjes te tellen en dat heb ik gedaan, dus ik ben zoo gehoorzaam geweest, als maar verlangd kan worden.»

Tot ons aller verbazing ging plotseling de deur open en trad Bob binnen. Ook de meester kon er blijkbaar geen begrip van krijgen, wat er aan de hand was. Hij staarde Bob met groote oogen aan.

»Wat moet jij hier doen?» vroeg hij op gestrengen toon.

Bob stak beleefd den wijsvinger op en zeide doodleuk:

»Meester, ik ben klaar! Er zijn er duizend.»

Eerst begrepen wij geen van allen, wat hij bedoelde, en de meester begreep het ook niet.

»Klaar?» vroeg hij. -- »Er zijn er duizend? Wat -- duizend?»

»Meester,» zei Bob doodleuk, »ik heb de steentjes geteld, zooals u bevolen had. Er zijn er duizend.»

Plotseling schoten wij allen (alleen Bob en de meester uitgezonderd) in een schaterlach om die leuke grap, en toen wij zagen, hoe de meester zich vergeefs inspande, om zijn gelaat in een ernstige plooi te houden, want hij wilde niet lachen, werd het met ons nog erger. Wij konden niet tot bedaren komen.

Opeens gaf de meester het op, en begon ook hij te lachen, bijna even smakelijk als wij. En toen wij eindelijk wat tot stilte kwamen, zei hij gul, zoodat het duidelijk was, dat hij Bob zijne misdaden vergaf:

»Zoo Bob, zijn er duizend? Heb-je ze goed geteld?»

»Uitgerekend, meester,» zei Bob. »De vloer heeft eene oppervlakte van veertig vierkante meters en elk tegeltje is vierhonderd vierkante centimeters groot. Er moeten er dus duizend zijn.»

»Heel goed, Bob,» zei de meester, die telkens weer in den lach schoot, »dat sluit. Dank-je wel voor de moeite. Ga nu maar zitten, doch -- let beter op.»

»Ja meester,» zei Bob, niet weinig in zijne nopjes, dat hij zoo mooi van zijne zwaarste straf ontheven was. Hij lette verder dan ook zeer goed op en gaf den meester in het geheel geen reden tot klagen meer.

Zoo werd het twaalf uur, en wij kregen verlof om naar huis terug te keeren. 't Is te begrijpen, dat wij ons dat geen tweemaal lieten zeggen, want het bericht van den beer had, ondanks 's meesters strengheid, al sedert lang de ronde door de geheele klas gedaan. Nauwelijks waren wij het portaal uit, of onder een luid gejuich trokken wij op den beer af.

Maar Bob bleef zitten, om zijn strafwerk te maken.

»Wat moet ik doen, meester?» vroeg hij met een berouwvol gelaat.

De meester keek hem vriendelijk aan, want hij hield bijzonder veel van den wilden Bob.

»Mij beloven, dat je voortaan beter op je tijd zult passen, Bob,» zei hij, den deugniet op den schouder kloppende.

»Dat beloof ik, meester,» zei Bob, die lont begon te ruiken en wiens hartje klopte van hoop, dat hij ontslagen zou worden.

»Ga dan maar heen, Bob.»

»Asjeblieft meester. Dag meester.»

En weg vloog Bob! Hij had ons al ingehaald, vóór wij den beer bereikt hadden.

»Ik mocht vrij!» juichte hij al in de verte. »Hij is op den achterweg!»

Met die laatste woorden bedoelde hij den beer natuurlijk, en met ons allen begaven wij ons daarheen.

Ha, daar zagen wij hem!

't Is te begrijpen, dat wij op een eerbiedigen afstand bleven! Wat had dat dier geduchte klauwen, en wat zagen wij een sterk gebit, als hij den grooten muil opende. Gelukkig dat hij een stevigen leeren muilband aan had; dat stelde ons eenigszins gerust.

De berenleider viel ons niet meê, want wij hadden gehoopt, dat hij iemand zou zijn, dien wij niet verstaan konden, een Italiaan of een Zigeuner of zoo iemand. Maar hij bleek een echte Hollander te zijn, die onze taal evengoed sprak als wij zelf. Dat konden wij hooren aan hetgeen hij af en toe tot den beer zeide.

»Hallo! Op! Op!» gebood hij telkens, als de beer zijn tocht op vier voeten wilde voortzetten. En dan ging het logge beest weer overeind en huppelde zoo bevallig als een jonge olifant. Dan kreeg hij van zijn meester een stok over den schouder en moest marcheeren als een soldaat. Zijn geleider blies voortdurend op de dwarsfluit verschillende dansdeuntjes en -- maakte goede zaken, naar wij opmerkten. Want bijna nergens werd hij voorbij gestuurd, zonder dat men hem iets gaf. Nu was een beer op ons dorp eene te zeldzame verschijning, om niet de algemeene bewondering op te wekken.

Het spreekt van zelf, dat wij de twee vreemdelingen zoolang volgden, als ons mogelijk was, -- anderhalf uur laat zich niet lang plagen, wanneer men in dien tijd nog middagmalen moet, wat met mij althans het geval was. En om half twee moesten wij weer present zijn, wilden we geen straf oploopen.

Wij waren er dan ook allen op onzen tijd, Bob incluis!

NEGENDE HOOFDSTUK.

Hoe wij den beer plaagden, toen Flip uit was, en hoe de beer wraak nam. De heldendaden van Pieter-neef en van Tip, den veldwachter. Hoe Bob berenleider werd.

Bob had niet zulk eene vrees behoeven te koesteren, dat hij den beer niet weer ontmoeten zou, want het beest en diens meester vertoefden nog wel langer dan eene geheele week op ons dorp. Och, och, wat hebben wij eene pret met dat dier gehad.

In den kermis wagen woonde eene familie, die door het vertoonen van de poppenkast het dagelijksch brood trachtte te verdienen. Eerst meenden wij, dat de berenleider ook tot de familie behoorde, maar daarin hadden wij ons vergist. Wel was hij zooals ons al spoedig bleek zeer met den poppenkastman bevriend, en reisden zij zooveel mogelijk in elkanders gezelschap ons vaderland door.