Part 7
»Die zich aan een ander spiegelt, spiegelt zich zacht,» zegt het spreekwoord,» zei ik leuk. »Als ik mij niet bedrieg, hebben Karel en Bob een even naar gevoel in hunne maag als neef Pieter, en daar ik mij nog heel lekker bevind, zal ik zoo vrij zijn, mijne beurt te laten voorbijgaan. Ha-ha-ha-, nu wordt de zaak bepaald grappig.»
»Ook ziek?» vroeg Pieter met een zuur-zoeten glimlach. »Dat doet me pleizier. Wil jij nu mijne handschoenen te leen, Bob, dan kan Karel mijn rotting krijgen.»
»Dank je!» zei Bob. »Bah, wat word ik draaierig.».
»Ik ook!» zuchtte Karel. »Ik ben -- ik voel me erg onpasselijk. Ik ga naar buiten.»
»Dan ga ik meê,» zuchtte Bob. »O foei, wat is het hier benauwd.»
»Naar buiten? Ik ga ook,» zei Pieter. »Hier weet ik me geen raad.»
»Dan zal ik jelui gezelschap houden,» zei ik lachend, want daar ik minder gerookt had dan de anderen, was ik vrij wel in orde. En och, wat had ik een pret over Bob, die zoo mooi een kuil gegraven had voor neef Pieter, en geëindigd was, met er zelf in te vallen.
't Regende nog, dat het goot, dus moesten wij onze toevlucht nemen tot het priëel, wat wij ook deden. Maar nauwelijks hadden mijn drie vrienden zich van benauwdheid op de banken uitgestrekt, waar zij lagen te zuchten en te stenen, om zelfs een bevroren hart te doen smelten, -- o heden, daar kwam mevrouw van Koorde aan, die eens kwam zien, wat haar zoontje uitvoerde.
»Wel Pieter,» klonk het streng uit haar mond, »wat lig je daar onbehoorlijk op die bank. Ga recht-op zitten, dadelijk!»
Pieter gehoorzaamde.
»Maar kind, wat zie je doodsbleek! Scheelt er iets aan?»
»Ja Mama! -- ik ben ziek, och, toch zoo ziek!»
»En jij ook, Karel, en jij Robert, je ziet allen doodsbleek! Je hebt toch niets gegeten, dat verkeerd was?»
»Neen tante, heusch niet! Pfff, wat ben ik benauwd!»
»Goede hemel! Hier moet iets gebeurd zijn, iets vreeselijks. De dokter moet komen, dadelijk, vóór het te laat is. Pieter, mijn lieveling, wordt het iets beter?»
»Neen Mama, nog niets. 't Wordt nog veel erger!»
Mevrouw ijlde naar binnen, maar weldra kwam zij terug, gevolgd door mevrouw en mijnheer de Wild.
»Wat is hier aan de hand, Bob?» vroeg de laatste. »De volle waarheid, hoor jongen, zooals ik dat van je gewoon ben.»
»Ja, Bob, spoedig, spreek, eer het te laat is!» zei zijne Moe, wie ook de angst op het gelaat te lezen stond.
»Pa, -- wij hebben -- de vredespijp gerookt,» zei Bob. »Pfff, wat ben ik ziek.»
Mijnheer de Wild begon onbedaarlijk te lachen.
»Gerookt? De vredespijp gerookt? Ha-ha-ha! Dat is vermakelijk! Je wist toch, dat je niet rooken mocht? Mooi zoo, 't kon niet beter. Die pijp, die vredespijp heeft je mooi te pakken. Dat ding past zelf de straf toe, die bij het misdrijf behoort. 't Is niets, vrouw, en beste zuster, maak je ook maar niet ongerust, 't zal van zelf wel beter worden! Ha-ha-ha! 't Is meer dan grappig!»
»Foei, Pieter, foei» zei zijne Mama, »hoe kon je je zelven zoozeer verlagen, om te gaan rooken? Je moest je schamen!»
»Ja Mama!» zei Pieter met een diepen zucht.
»Kom, kom!» sprak mijnheer de Wild. »Zij hebben straf genoeg. Heusch, vooreerst zullen zij die vredespijp wel met vrede laten. Kom, laten we naar binnen gaan.»
Karel Holm stond ook op.
»Ik ga naar huis,» zei hij, toen de familie weg was.
»Adieu! Tot morgen!»
»En ik -- ik ga naar bed!» zei Pieter. »Ik ben doodziek.»
»En wat doet de Woeste Gier?» vroeg ik plagend aan Bob.
»Loop naar de Mookerheide!» duwde Bob mij toe.
»Dank je, dan ga ik liever naar huis,» was mijn antwoord.
Zoo gingen wij ieder onzes weegs.
Maar pret had ik, dat moet ik zeggen.
ZEVENDE HOOFDSTUK.
Hoe ons viertal uit zwemmen ging en doornat thuiskwam. Een vechtpartijtje en eene vreeselijke spookgeschiedenis.
Een paar dagen later liep ik na schooltijd op mijne stelten door het dorp, toen ik Karel Holm ontmoette, die ook zijne houten onderdanen bij zich had. Samen gingen wij Bob afhalen, die, zooals hij dat noemde, nog altoos met neef Pieter opgescheept zat.
»Kom je niet spelen?» vroegen we.
»Spelen, -- dat mag Pieter niet; zijne Mama wil het niet hebben. Maar hij mag wel wandelen.»
»Nu, laten we dan gaan wandelen,» zei ik.
»Ja, dat is goed,» merkte Karel op, »maar zeg, Pieter, dan moet je je rotting thuislaten, hoor. Anders ga ik niet meê!»
Dat vond Pieter goed, en daar hij geen stelten had, besloten wij, de onze ook maar bij Bob te laten en te voet onze reis door het leven te vervolgen.
Maar dat wandelen begon ons al spoedig te vervelen, en Karel zeide:
»Zeg jongens, -- ik weet wat. Laten we gaan zwemmen. 't Is mooi weer, warm zelfs, al is het nog vroeg in het jaar (we schreven, zooals ik zeide, begin Juni), en een bad zal ons goed doen.»
»Best,» zei ik. »Waar gaan we het doen?»
»Bij de hut, achter in het land,» zei Bob. »Daar gaan we immers altijd!»
»Afgesproken!» zei Karel. »Dezen kant op, jongens.»
»Dat is te zeggen,» zei Pieter, »zwemmen kan ik niet, en ik weet niet, of Mama het wel hebben wil.»
»Ga het dan eerst vragen,» raadde Karel aan.
»Neen, Pieter, niet vragen!» zei Bob. »Ik zou in jou geval maar niet gaan zwemmen en toeschouwer blijven.»
»Ja, dat is ook goed,» zei Pieter, die al niet zoo vervelend meer was als eerst. Hij was bij Bob onder goede leiding.
Wij gingen dus naar de ons bekende plaats achter in het land. Een smal pad voerde daarheen. 't Was er zeer eenzaam, want er stond slechts eene enkele hut, die bewoond werd door een arbeidersgezin, bestaande uit man, vrouw en drie jongens. 't Was eene zeer onzindelijke familie, en de jongens zagen er altoos zóó vuil uit, dat niemand met hen spelen wilde. Zij kwamen zeer ongeregeld ter school, soms kwamen zij zelfs wel in geen maand. Tengevolge daarvan waren zij natuurlijk zeer achterlijk, wat hunne vorderingen betrof. Op het schoolplein beleefden zij ook niet veel genoegen, want zij werden door ons allen voor den gek gehouden en geplaagd, zoodat er dikwijls vechtpartijen tusschen de andere jongens en hen ontstonden. Wij leefden altoos met hen op den voet van oorlog.
Toen wij nu de hut voorbijliepen zagen wij de jongens van Visbeen, zoo heetten zij, achter in hun tuin spelen, en zij zagen ons ook, maar zij lieten ons ongemoeid voorbijgaan. Trouwens, dat was hun ook geraden, want wij waren met ons vieren tegen hen met hun drieën. Zij liepen dus veel kans, het onderspit te moeten delven.
Een paar minuten verder lag de beek, waar wij in den zomer gewoon waren ons bad te nemen.
Karel, Bob en ik begonnen ons te ontkleeden, wat ons maar een minimum van tijd kostte, en sprongen toen vlug te water. Diep was het er niet, want het water kwam ons niet hooger dan de borst, zelfs op de diepste plaats.
Neef Pieter zat aan den oever naast onze kleêren, en volgde met belangstelling onze evolutiën in het natte element. Die waren inderdaad ook wel bezienswaardig. Wij hoosden elkander met water, dat er geen haartje van ons droog bleef, of wij sloegen met onze vlakke handen zoo geweldig op watervlak, dat de droppels hoog boven onze hoofden spatten. Dan weer deden we krijgertje, en hadden nooit grooter pret, dan als wij een ander bij de beenen konden pakken, waarvan het steêvaste gevolg was, dat hij voor-over kopje-onder gedompeld werd. Soms sprong Bob op mijn rug en klauterde Karel op dien van Bob, wat een heel vrachtje was, dat kan ik verzekeren. Ik was dan »het fundament, waarop het geheele gebouw rustte,» zei Karel dan, wiens vader architect was. Maar o jé, als dan het fundament instortte! Dan zonk het geheele gebouw onder water en kwamen wij alle drie even later weer hoestende en proestende boven.
»Wat gaat dat heerlijk!» riep Pieter ons toe, terwijl hij opstond en zich van zijne kleêren begon te ontdoen. »Ik kom er ook in; hier verveel ik me, en 't schijnt me zóó prettig toe. Jelui komt er toch nog niet uit?»
»O neen,» zei Bob, terwijl hij met eene behendige beweging Karels voet greep en hem eene duikeling liet maken, »nog lang niet, Pieter, kom er maar bij! Er is nog ruimte genoeg hier, en water ook.»
Het duurde dan ook maar kort, of Pieter stapte met zijn rechterbeen in het water, en hij deed het angstvallig genoeg, om ons te doen zien, dat het voor hem een zeer ongewoon werk was.
»Hê,» zei hij, zijn voet weer schielijk terugtrekkende, »wat is dat koud!»
»O jô, stap er maar flink in, des te spoediger is dat voorbij. Wij voelen geene koude meer, nietwaar, jongens?»
»Geen sprake van!» klonk ons antwoord. »Stap er maar in, Pietje. Heusch, het zal je meêvallen.»
»Maar 't is zoo koud,» zei Piet weifelend.
»Niet zoo koud, als ongekleed aan den oever te staan,» zei Bob. »Maar je moet het zelf weten, hoor.»
Pieter stak opnieuw zijn voet in het water, en toen eenmaal zijn eene been tot aan de knie verdwenen was, volgde schoorvoetend zijn andere.
»Brrr,» zei hij. »Wat is het koud.»
Hij beefde inderdaad over zijn geheele lichaam.
Karel en Bob besloten aan zijn weifelen een kort einde te maken. Snel liepen zij op hem toe en grepen hem, vóór hij de vlucht had kunnen nemen, ieder bij een arm. Toen werd hij met geweld meêgetrokken.
»Brrr -- hè -- hè -- hè -- brrr!» rilde hij. »Lh-ha-ha-haat me lho-hos!» zei hij smeekend. »Ik verdrink!»
»Geen nood, Pieter, we zullen je wel vasthouden,» zei Bob. En toen zij midden in de beek waren, vervolgde hij tot Karel, met een geheimzinnig knipoogje:
»Nu moet hij gedoopt worden, Karel. Eén, twee -- drie, daar gaat Pieter!»
»O nh -- he -- heen! Niet onder-dompelen!» smeekte Piet. Maar dat baatte hem niet. Door vier sterke armen aangegrepen, dook hij plotseling kopje-onder. En nauwelijks kwam zijn hoofd als een natte poedel weer boven water, of daar ging hij voor de tweede maal, nog vóór hij gelegenheid had gehad, een enkel woord te uiten.
»Driemaal is scheepsrecht!» riep Bob.
En daar ging Pietje voor de derde maal.
»Zie zoo, dat zal hem goed doen,» zei Bob. »Nu ben-je hier burger geworden, Pietje!»
»Brrr -- pfff -- o -- wat -- nat! Brrr! Pfff!» kermde Piet, die nu zijne vrijheid terug kreeg en hulpeloos midden in de beek bleef staan. Hij durfde zich blijkbaar niet bewegen en gevoelde zich te midden van zooveel vloeistof in het geheel niet op zijn gemak.
Dat duurde echter maar kort, want wij ontzagen hem niet. Pof, daar werden hem door Karel, die ongemerkt onder water naar hem toegeloopen was, plotseling de beide beenen onder het lichaam weggetrokken, en verdween Piet, zonder een kik te geven en volgens mijne vaste overtuiging zonder het zelf te weten, totaal onder water.
»Wat was dat? Brrr, pfff! Wat was dat?» vroeg hij ontsteld. »Er trok me iets aan de beenen!»
»'k Weet het niet!» zei Karel, die zich al weer een heel eind verder bevond.
»Wat kan dat toch geweest.....»
O hé, daar verdween Piet alweer! Nu had Bob hem denzelfden dienst bewezen. Och, och, wat moesten wij toch lachen. Maar nu begon Pietje toch te begrijpen, dat wij een loopje met hem namen. Hij vroeg niets meer, maar begon zich langzaam te bewegen. En nu hij bemerkte, dat hij dit zeer gemakkelijk kon doen, kreeg hij er zelfs schik in. Nu duurde het nog maar kort, of hij danste in het water van pleizier.
»Wat is men licht in het water, zoo licht als een veêrtje,» zei hij. »'k Vind het hier heerlijk.»
»Krijgertje doen?» vroeg ik.
»Ja wel, ik ben hem!» zei Bob.
Nu werd het een loopen, draven en zwemmen, van wat ben je me! De golven liepen hoog tegen den wal op, zooveel drukte maakten we. En in het vuur van ons spel verwijderden we ons veel verder van onze kleeren, dan voorzichtig genoemd mocht worden. Trouwens, we dachten aan geen gevaar en allerminst aan de Visbeentjes, met wie wij toch steeds op een vijandigen voet stonden.
Wij dachten pas aan hen, toen wij hen aan den oever zagen verschijnen, -- maar toen was het laat.
»Gooi in het water -- die kleeren!» hoorden wij een van hen zeggen.
»Durf je niet?» vroeg een ander. »Ik wèl!»
»En dan graszoden er bovenop, dan zinken ze!» zei de derde met een grijnslach. »Maar vlug dan, want ze komen al terug!»
Ja, dat deden we juist, en wel zoo snel als we konden, want we begrepen zeer goed, welk gevaar ons dreigde. Die jongens waren tot alles in staat.
Bob meende ze nog angst aan te jagen, door hen te bedreigen met alles, wat onpleizierig is, of althans ze daardoor een oogenblik op te houden, ten einde tijd te winnen.
»Als je 't hart hebt, om onze kleêren aan te raken!» riep hij hun toe. »Wacht je dan voor de gevolgen!»
Maar zij waren onvermurwbaar.
Met eene vlugge beweging werden al onze kleeren in het water geworpen en groote graszoden daarop gegooid, om ze te doen zinken.
In een oogenblik waren Bob, Karel en ik op den wal, om ons zoo mogelijk te wreken, maar helaas, tot onze groote spijt zetten de plaaggeesten het op een loopen en brachten zich in hun huis in veiligheid. Wat waren wij kwaad!
»Als ik ze in handen krijg, wrijf ik ze tot mosterd!»
»Dan gooi ik ze te water met kleêren en al aan!» voorspelde Karel. »Die apen!»
»Waren het maar apen!» zei ik. »Dan konden wij ze naar Artis sturen en dan hadden wij er geen last aan. 't Is eene mooie geschiedenis: al ons goed is door- en doornat. Wat moeten we nu doen?»
»En wat zal Mama wel zeggen,» kreunde Pieter, die niet zwemmen mocht. Wij hadden daar geen zorg over, want wij hadden permissie. »Al mijne kleeren zijn gezonken! Wat moet ik nu beginnen?»
»Ze opvisschen, jô,» zei Bob. »Dat is het eenige, wat ons overschiet.»
»En dan?»
»Ze aantrekken!»
»Maar ze zijn slijknat!» steende Pieter, wien het huilen nader stond dan het lachen.
Wij stapten in het water en begonnen onze eigendommen op te duiken.
»Hier heb ik mijn hemd al vast!» zei ik, met iets wits boven de oppervlakte verschijnende.
»Dat zou je wel willen,» zei Bob grinnekend. »'t Is het mijne, Kareltje. Hier heb ik een borstrok! Van wien is die? Van mij is hij niet, dat zie ik wel.»
»O, 't is de mijne,» snikte Pieter, die hoe langer hoe bedroefder werd.
»Leg hem maar op den kant,» zei Bob.
»Ik heb twee schoenen!» riep Karel.
»En ik eene kous!» juichte ik.
»Gooi alles maar op een hoop,» zei Bob, »dan kunnen we het straks wel sorteeren.»
»Eene broek!»
»Nog eene!»
»En eene blouse! Weer twee schoenen!»
»Hier is een hemd!»
Al dergelijke kreten wisselden elkander af. Over het geheel bekeken wij de zaak nog al van den vroolijken kant. Trouwens, het was ook onze schuld niet, en wij zouden er stellig geen straf voor oploopen. Alleen Pieter kon er het vroolijke niet van inzien. De tranen liepen hem eindelijk langs de wangen, en hij stond aan den oever te midden van onze natte kleeren, als het beeld der wanhoop.
»Och, och, wat moet ik toch beginnen?» jammerde hij. »Was ik maar niet met jelui meêgegaan en had ik maar niet gezwommen!»
»Kom Pietje, zeur nu niet, asjeblieft, want daar komen we niet verder meê. Help liever de kleêren uitzoeken, want alles ligt door elkaar.»
»En moeten we dat nu zoo nat en wel aantrekken?» vroeg Piet op schreiënden toon, terwijl hij zijn flanellen hemd tusschen vinger en duim omhoog hield, om ons te doen zien, hoe het water er uitdroop.
»We zullen je wel helpen, wacht maar even. Kijk, neem jij nu het ondereinde, dan zal ik den anderen kant nemen,» zei Bob, die medelijden met hem begon te krijgen. »Mooi zoo, nu draai jij van links naar rechts en ik in de tegenovergestelde richting. Ferm zoo, -- toe maar, zoo stijf als je kunt. Zie je, zoo wringen wij er al het water uit, tot er bijna geen droppeltje inblijft.»
»Dat is een goed voorbeeld, Karel!» zei ik. »Laten wij het ook doen. Droog worden onze kleeren er wel niet door, maar het meeste water raken wij er toch door kwijt.»
»Accoord, Dorus!» zei Karel. »Ik ben tot je dienst. Hier heb ik eene pantalon. Pak aan, jij de pijpen en ik het boveneinde. En nu -- draaien maar. Ha, wat loopt dat water er uit! Toe maar, Dorus, draaien, draaien, zoo hard je kunt. Zoo gaat het goed!»
»Jammer, dat we geen mangel hebben!» riep Bob.
»Of een strijkijzer!» zei ik.
»Dat hindert niet!» zei Karel. »Als het maar droog wordt!»
»Ja, -- zoo droog, dat Mama er niets van merkt!»
»Neen Piet, daar behoef je niet op te rekenen, hoor. Of je moet je een paar uren te bleeken leggen!»
»Nu de kousen!» zei ik, toen we de pantalon weer in haar fatsoen gebracht hadden, althans voor zoover ons mogelijk was.
Zoo kreeg elk kleedingstuk eene beurt, en ten laatste waren we zoover gevorderd, dat we ons weer konden aankleeden. Brrr, wat was dat natte goed koud! Piet had het er 't kwaadst mede. Hij rilde, dat de Visbeenen hem bij de hut wel hooren konden, en die akelige jongens stonden ons in den tuin nog uit te lachen op den koop toe.
»Hoe wou ik, dat ik ze eens te pakken kon krijgen,» zei Bob met gebalde vuisten. »Wat zou ik ze trakteeren!»
»En ik!» riepen Karel en ik. »Niets liever dan dat!»
»Kom jongens, zijn we klaar? Laten we dan gaan!» zei Bob.
»Ja,» zei Karel, -- »en we moeten hard loopen, om warm te worden. Ik ben door en door koud!»
»Uitstekend! Vooruit, -- daar gaan we!»
Ja, daar gingen we, zoo hard we konden. Eerst was het wel een zeer onaangenaam gevoel, al die natte kleêren, maar daar was nu eenmaal niets aan te veranderen.
In gestrekten draf, en zonder de hut en hare bewoners met een enkelen blik te verwaardigen, keerden we huiswaarts, door en door boos op de laffe jongens, die ons deze poets gespeeld hadden. Wij vonden het eene verbazend flauwe aardigheid, waartoe wij ons nooit zouden geleend hebben.
Plotseling hoorden wij een luid gejuich achter ons, dat aangeheven werd door de Visbeentjes, en weldra bemerkten wij, dat we door hen achtervolgd werden. Ook scholden zij ons uit, voor alles wat leelijk was, wat wij ook nooit deden. Schelden vonden wij een kinderachtig vermaak, waarboven wij ons verheven achtten.
Uit een en ander maakten wij op, dat de Visbeenen aan onzen snellen aftocht eene geheel verkeerde uitlegging gaven. Blijkbaar verkeerden zij in den waan, dat wij bang voor hen waren en daarom overijld het hazenpad kozen.
»Ik geloof, dat zij ons achtervolgen!» zei ik.
»Hoor ze eens schelden, die dappere Visbeenen!» smaalde Karel, die erg boos op hen was.
»Au!» zei Piet, zich haastig bukkende, »daar krijg ik een steen op mijn hoofd! Ze gooien!»
»Laat ze hun gang maar gaan!» raadde Bob aan. »Ze schijnen te meenen, dat wij bang voor hen zijn. Niet te hard loopen, jongens, opdat ze wat naderbij komen. Als ze dan dicht genoeg bij ons zijn, draaiën we ons eenklaps om, en geven hun de straf, die hun eerlijk toekomt.»
Die raad was goud waard. Wij namen den schijn aan, alsof we bang waren en aan onze vervolgers trachtten te ontkomen, die daardoor hun moed voelden wassen en niet ophielden met schelden en gooien.
»Nog eventjes!» zei Bob. »Ik zal tot drie tellen, hoor. Bij den derden tel keeren we ons eensklaps om en overvallen hen. Wat zullen ze vreemd opkijken. Nu, -- daar gaat hij!»
»Een!»
Bob wachtte een oogenblik.
»Twee!»
Wij hielden onze vaart wat in, en waren gereed om te zwenken.
»Drie! Valt aan!»
Eensklaps maakten wij rechtsomkeert en ijlden onze vervolgers tegemoet, die iets dergelijks in het geheel niet verwacht hadden en ons bijna in de armen vlogen. Wat was dat een leuk gezicht.
O, wat hadden zij nu graag den dans willen ontspringen, en wat deden zij daartoe hun best, -- maar 't was te laat.
In minder dan geen tijd hadden Bob, Karel en ik ieder een van de vijanden te pakken, terwijl Pieter toeschouwer bleef en niet ophield, ons aan te moedigen. Dat laatste was echter niet noodig, want wij waren boos genoeg, om hen niet te ontzien. Och, och, wat hebben we die jongens toen een zeldzaam pak slaag gegeven. Nu, ze hadden het dubbel en dwars verdiend. Telkens probeerden zij om te ontvluchten, maar dat ging niet. Wij sloegen hen links en rechts om de ooren, zoodat zij het uitschreeuwden van pijn en angst.
»Dáár! Dáár!» riep Bob bij elke versnapering, die hij zijn vijand toediende. »Als je nog meer wilt hebben, moet je het maar zeggen. Ik heb eene gulle bui vandaag!»
Eindelijk gelukte het aan twee van de drie aan onze handen te ontsnappen en hun heil in de vlucht te zoeken. Maar de derde kwam er het allerslechtst af. Eerst had Karel hem een geducht pak slaag gegeven, zoo erg, dat de jeugdige Visbeen er de sterretjes van voor de oogen kreeg, en toen pakte Karel hem met zijne krachtige armen beet en wierp hem pardoes in eene sloot, die langs het landpad liep. Het gaf een plomp van belang en het water spatte ons om de ooren. Karel had gedurende de geheele afstraffing geen woord gesproken, maar toen zijn vijand weer met zijn hoofd boven den kant van den sloot uitkwam, knikte hij hem vriendelijk toe, en zeide tot hem:
»Dat had ik je in mijne gedachten beloofd, weet je?»
»Hê, 't spijt me, dat ik het ook niet gedaan heb!» zei Bob.
Schreeuwende ging de jongen naar zijn huis, en wij vervolgden onzen tocht. Wij waren van dat vechtpartijtje heerlijk warm geworden en waren zeer tevreden over onszelven.
»Daar hebben we ze lekker te pakken gehad!» lachte Bob.
»Ze hadden het dubbel verdiend!» sprak Karel. »Ik denk, dat ze ons voortaan wel met rust zullen laten, als we weer gaan zwemmen.»
»Dat zullen ze ongetwijfeld!» meende ik.
Wij waren nu het dorp genaderd en sloegen na een korten groet ieder den weg in naar onze woning. Daar Bob, Karel en ik van onze ouders toestemming hadden om in de beek te gaan zwemmen, behoefden wij niet te vreezen, dat wij straf zouden krijgen. Eerst had het wel eenige moeite gekost, om die toestemming te verwerven, maar nadat Pa de bewuste plaats zelf onderzocht had en tot de slotsom gekomen was, dat daar geen gevaar te vreezen was, hadden wij het gevraagde verlof verkregen. Voor Pieter evenwel was de zaak veel erger, want zijne Mama was vreeselijk bang voor dergelijke vermaken en bovendien -- hij had het gedaan, zonder verlof te vragen, iets, wat wij nooit deden.
't Was dus geen wonder, dat zijne Mama zeer boos was, en hem tot straf dadelijk naar bed zond. Bovendien mocht hij den volgenden avond niet naar buiten, tot groote ergernis van Bob, die nu ook verplicht was, thuis te blijven. Nu hadden Karel en ik wel naar hen kunnen gaan, maar -- wij werden niet toegelaten. Bob en Pieter moesten dus elkander maar zien te troosten. Dat deed Bob dan ook op eene heel vreemde manier. Daar hij gemerkt had, dat Pieter 's avonds in het donker nog al bang was, maakte Bob zich meester van een zwavelstok en ging daarmede naar de slaapkamer van Pieter. Daar teekende hij met het gezwavelde einde, juist op eene plaats, waar Pieter het wel moest zien, een groot doodshoofd op het behangsel. Zoolang het licht was, bleef dat vriendelijke beeld onzichtbaar, maar in het donker grijnsde het den toeschouwer allerakeligst aan.
Bob stelde zich daar heel wat genoegen van voor, en vond het alleen maar jammer, dat Karel en ik niets van die grap zouden genieten.
Den geheelen avond vermaakten hij en Pieter zich samen in den tuin. Nu eens tolden zij, of waren zij aan het knikkeren, dan weer vingen zij vlinders, of trachtten zich meester te maken van de weinige meikevers, die al te voorschijn waren gekomen.
Pieter had die diertjes nog nooit gezien en stelde zich voor, er in Amsterdam veel genoegen van te kunnen beleven, als hij ze daar had. Wie weet, hoe 'n voordeeligen handel hij misschien nog wel in dat artikel zou kunnen drijven, want hij twijfelde niet, of al zijne schoolkennissen zouden er graag een willen hebben.
»Zeg Bob, zou je er mij eenige willen zenden, als ik weer thuis ben? Je zoudt me daar een bijzonder groot genoegen mede doen.»
»Meikevers zenden?» vroeg Bob, met eene ondeugende flikkering in zijne oogen, want hij dacht er aan, welk een vreeselijken afkeer zijne deftige Tante van die onschuldige diertjes had. »Aan jou?»
»Ja, aan mij. Ik zou er graag eenige van je hebben, als 't mogelijk is.»
»'k Beloof het je, hoor! Je kunt er op rekenen. Ik zal ze je sturen met den looper. Die gaat toch elken Zaterdag naar Amsterdam, dan komt het niet zoo duur. Voor een dubbeltje of drie stuivers heb-je ze thuis.»
»Dat is dan afgesproken,» zei Pieter.