Wilde Bob

Part 6

Chapter 64,141 wordsPublic domain

Ook Kees werd scherp ondervraagd, doch hij kon niets anders zeggen, dan hetgeen zijne vrouw had verklaard. Zelfs Jan werd onder handen genomen, doch met hetzelfde gevolg. De burgemeester maakte van zijne bevindingen proces-verbaal op, en ging heen, het arme gezin in de grootste verslagenheid achterlatende.

Nu werd eene huiszoeking gedaan ten huize van den koster, den oom van Arie de Zwaan. Doch hoe zorgvuldig het geheele huis ook werd doorzocht, er werd niets verdachts gevonden. Arie leidde den burgemeester zelf overal rond en eigenhandig opende hij alle laden en kasten, om het onderzoek gemakkelijker te maken, waarbij voortdurend een eigenaardig lachje zijn gelaat ontsierde, hetgeen den burgemeester niet ontging en hem onaangenaam stemde.

»Wat een schurkengezicht heeft hij toch!» dacht hij bij zichzelven, maar hij wachtte zich wel, die gedachte onder woorden te brengen.

Onder het naar huis gaan, zeide de veldwachter tot zijn meester:

»Op het uiterlijk afgaande zou ik den dader eerder hier zoeken, dan bij Van der Vliet, burgemeester.»

»Ja, ik ook -- maar Tip, schijn bedriegt, zooals je weet.»

»Juist burgemeester, -- zou dat ook nu niet het geval zijn?»

ZESDE HOOFDSTUK.

Wat er alzoo op een regenachtigen Zondagmiddag gebeurde. Hoe Bob in een Woesten Gier veranderde, voor Pieter een kuil groef en er ten slotte zelf in viel.

Het verhaal van hetgeen ik u in het vorige hoofdstuk verteld heb, ging, zooals ik zeide, als een loopend vuurtje door het dorp rond. Pa vertelde het ons in geuren en kleuren toen hij uit de kerk kwam, en hij wist het uit eene goede bron, want hij was den burgemeester tegengekomen, en deze had het hem verteld.

Wat was er toen op ons dorp veel stof tot spreken, en wat hadden sommige menschen verbazend veel te zeggen van de Van der Vliets, wier naam plotseling op aller tong zweefde. Sommigen beweerden zelfs, dat zij ze nooit hadden vertrouwd, dat zij altoos wel gedacht hadden, dat het slecht met hen zou afloopen en dat zij ze voortaan zelfs voor geen halven cent vertrouwen zouden schenken. 't Was eene echte dievenfamilie, waarin geen greintje goeds stak.

Toen ik dat thuis vertelde, keek pa me vrij boos aan en zeide op gestrengen toon:

»Jij denkt toch zeker zoo niet, Dorus? Wees toch, wat ik je bidden mag, nooit voorbarig in je oordeel. 't Kan nog best uitkomen, dat die menschen even onschuldig zijn als jij of ik. Maar de wereld oordeelt altoos verbazend oppervlakkig en onbarmhartig. 't Is eene schande!»

Nu, dat vond ik ook, maar wààr is het toch, dat maar weinig menschen spraken zooals pa. Iedereen, dien ik er over hoorde, zeide: »'t Is toch maar slecht volk, die Kees en zijne vrouw, en 't is maar goed, als ze achter slot en grendel worden gezet. Zulk volk is gevaarlijk!»

Zij bleven den geheelen dag binnenshuis, zelfs Jan, die anders altoos bij zijne kameraden was, kwam niet buiten. Wat moeten die menschen zich hebben geschaamd, vooral toen 's middags zich veel meer wandelaars op hun achterweg vertoonden dan in gewone omstandigheden. Blijkbaar wilde iedereen eens zien, hoe zij zich wel hielden, maar niemand had er pleizier van, want de gordijntjes waren dichtgeschoven en er was dientengevolge niemand te zien.

Ik had innig veel medelijden met hen, en Karel Holm, met wien ik 's middags wandelde, evenzoo. Het ergerde ons te zien, hoe de menschen allen juist voorbij het huisje van gebrekkigen Kees gingen wandelen, en wij waren er blij om, toen het 's middags vrij erg begon te regenen, zoodat iedereen huiswaarts moest keeren. Na eenig weifelens besloten Karel en ik Bob een bezoek te gaan brengen, dien wij nog niet gezien hadden na zijn onvrijwillig bad in de vischkaar. Als wij daarover spraken, moesten wij telkens nog lachen, dat het schaterde.

Bob schaamde zich zeker, want gewoonlijk was hij in huis niet te houden. En nu was hij in geen velden of wegen te zien. Wij besloten hem eens geducht te plagen.

Nauwelijks hadden wij aangebeld, of Bob deed ons zelf open.

»Dag Dorus! Dag Karel! Kom binnen. Zeg jongens, wat zit ik akelig opgescheept met een neef van me, die gisteravond onverwachts met zijne Moe bij ons is komen logeeren. Bah, 't is zoo'n vervelende jongen. Hij ziet er uit als een zeemlap en hij zit op zijn stoel, of hij een stok heeft doorgeslikt. Ga-je meê, dan zal ik je hem eens laten zien. Maar niet lachen, hoor!»

Nu, die raad had een verkeerd gevolg, want nu moesten wij juist lachen, toen wij binnen kwamen. Maar wij wisten ons te bedwingen. Wij gaven mijnheer en mevrouw de Wild de hand en bogen zoo deftig als wij konden voor Bobs tante, die wij mevrouw Van Koorde hoorden noemen. Daarna gaven wij ook neef eene hand, die door Bob aan ons werd voorgesteld als Piet van Koorde.

»Met uw verlof, lieve neef,» klonk het afgemeten uit den mond der tante, »mijn zoon heet Pieter, en geen Piet. Ik verzoek u wel, zijn naam voluit te noemen. Ik houd niet van dergelijke afkortingen.»

»Juist, tante, dat meende ik ook te zeggen: Pieter van Koorde. Neem me niet kwalijk, als 't u belieft.»

Wij keken Bobs tante eens aan, en zagen dat zij eene buitengewoon statige dame was, die zoo recht als eene kaars op haar stoel zat. Zij scheen ons bijna te deftig toe, om zich te bewegen. En haar zoontje, die evenals zij lang, bleek en mager was, geleek in alle opzichten op zijne deftige moeder.

»Rechtop zitten, Pieter! Hoe dikwijls heb ik u dat al niet gezegd!» zeide mevrouw van Koorde, met een gestrengen blik op haar zoon.

»Ja, Mama!» klonk het antwoord, en Pieter rekte zich nog langer uit, dan hij al deed.

Bob keek ons van ter zijde aan en knipoogde tegen ons met een leuk gezicht, zoodat wij ons lachen bijna niet konden houden.

Mijnheer de Wild merkte dat gelukkig op en kwam ons te hulp.

»Wel jongens,» vroeg hij ons lachend, »heb jelui gisterenavond ook in de vischkaar van den schoenmaker gezeten, evenals Bob?»

Wij lachten nu eens ferm uit, en Karel zeide:

»Neen, mijnheer, -- dank u! Dat laten we aan Bob over.»

Plotseling klonk het uit den mond der tante:

»Maar broeder Marinus, hoe kunt ge nu toch uw zoon bij zulk een vreeselijken naam laten noemen? Hij heet toch immers geen Bob, -- wat ik afschuwelijk vind, maar Robert.»

»Ja Tante,» zei Bob, »ik heet Robert Adrianus de Wild, maar de jongens noemen mij altijd Wilden Bob. Vind u dat zoo'n leelijken naam?»

»Rechtop zitten, Pieter! -- Wilden Bob! O, verschrikkelijk! 'k Wou niet graag, dat mijn jongen zoo genoemd werd. Bob is al erg genoeg, maar Wilde Bob! 't Is afschuwelijk, -- ik zou het niet dulden, broeder Marinus!»

»Wat zal ik er van zeggen?» zei mijnheer de Wild met een licht schouderophalen. »De jongens noemen hem nu eenmaal zoo, en ik kan er weinig aan veranderen.»

»Zeg Bobbertje!» viel Karel Holm in. »Hoe beviel het je gisteren in die vischkaar?»

Mevrouw van Koorde sloeg hare oogen van ontzetting ten hemel.

»Bobbertje!» mompelde zij, »Bobbertje! 't Wordt waarlijk nog erger! Mijne ooren doen er pijn van. Zit toch rechtop, Pieter, en houd den mond gesloten, zooals het behoort.»

»Ja, Mama!» zei Pieter, die onbeweeglijk op zijn stoel zat, met het hoofd in volslagen rust boven zijn staand boortje.

»En wat praat ge toch van eene vischkaar?» vroeg tante aan mevrouw de Wild, die met een glimlachje naar het gesprek zat te luisteren.

»Och, Bob -- Robert wil ik zeggen, -- is gisteren bij het verstoppertje spelen in eene vischkaar gekropen, die aan den kant van het water lag, en toen is de schoenmaker gekomen en heeft hem in het water geworpen.»

»Dat is eene beleediging van dien man, lieve,» hernam Tante met verontwaardiging. »Ik zou dien man aanklagen bij het gerecht. Hoe durft zoo'n schepsel zoo iets doen? Hoewel ik moet zeggen, dat het van Robert ook eene vrij zonderlinge keuze was, om in eene vischkaar te kruipen. Ik zou mijn jongen, als ik hier woonde, zoo maar niet met Jan en alleman op de straat laten spelen. Niet waar, Pieter, jij houdt niet van dergelijke spelletjes?»

»Neen, Mama!»

»En jij gaat liever met mij wandelen, niet waar?»

»Veel liever, Mama!»

Tante keek met een triomfantelijken glimlach om zich heen. O, zij wist het wel, dat haar Pieter een door en door fatsoenlijke jongen was.

»Ja, lieve,» vervolgde zij tot hare schoonzuster, »dat is nu zijn liefste werk. En dan moest u eens zien, hoe lief hem zijn glacé-handschoentjes staan en hoe zwierig hij met zijn wandelstokje zwaait. Toe Pieter, haal je rottinkje eens uit de porte-manteau en laat hem eens zien.»

»Ja, Mama!»

Pieter stond op en kwam weldra met zijn rotting terug, die nu natuurlijk van hand tot hand ging, en door iedereen bewonderd werd, wat van zelf spreekt.

»Hij zwiept lekker!» zei Bob, die hem zoo krom mogelijk maakte en toen plotseling aan den eenen kant losliet, wat het gevolg had, dat het losse eindje met kracht tegen het linkerbeen van Pieter terecht kwam. 't Deed hem zeker nog al pijn, want hij sprong wel een halven meter in de hoogte, en riep:

»Au! Au!»

»Excuseer! Excuseer!» riep Bob, quasi ontsteld uit, want de deugniet had het met voordacht gedaan. »Dat spijt me, neef Pieter. Doet het erg pijn?»

»Au! Au!» zei Pieter nog eens, terwijl hij het pijnlijke deel zonder ophouden wreef.

»Ga zitten, Pieter!» zeide mevrouw van Koorde. »Neef Robert kon het niet helpen, zegt hij immers.»

Bij die woorden keek zij neef Robert echter in het geheel niet vriendelijk aan.

»Het zwiept veel erger, dan ik dacht,» zei Bob.

»Het zweept, moet je zeggen, lieve neef!» zei Tante. »Zwiepen is geen woord; dat zeggen koetsiers.»

Mijnheer de Wild vond het tijd een einde aan het gesprek te maken. Misschien was hij wel bang, dat Bob nog meer dergelijke grappen zou uithalen. Hij zeide daarom:

»'t Blijft maar regenen, jongens. Dat is jammer voor jelui, want nu heb je huisarrest.»

»Wat ik zeer goed acht, lieve broeder,» zei Tante op haar deftigsten toon. »Ik zou niet graag zien, dat mijn Pieter hier ook met Jan en alleman ging spelen en misschien eindelijk ook nog in eene vischkaar kroop. 'k Heb liever, dat hij binnen blijft.»

»Juist, dat bedoel ik ook. Zou jelui niet naar de speelkamer gaan? Daar heb je allerlei speelgoed en een tal van boeken tot je dienst.»

»Ja jongens, ga je meê?» vroeg Bob opstaande.

Karel en ik volgden zijn voorbeeld, maar Pieter bleef zitten. Blijkbaar wist hij niet, of zijne Mama het wel goedvond, of misschien wel ontbrak hem de lust.

»Ga jij niet meê?» vroeg mijnheer de Wild, toen hij zag, dat hij bleef zitten.

»Je moogt medegaan, Pieter,» zeide zijne Mama met een genadig knikje.

»Jawel, Mama!»

Pieter stond op en volgde ons de trap op, naar Bobs kamer, waar Karel, Bob en ik weldra als drie gekken over den vloer lagen te rollen, daarbij schuddende van het lachen.

Pieter stond ons in de grootste verbazing aan te staren.

»Waarom lach-jelui zoo?» vroeg hij min of meer beleedigd.

»Om je mooie boordje!» grinnikte Karel.

»En om je prachtigen wandelstok!» lachte Bob.

»Omdat je er zoo aardig uitziet!» zei ik.

»Jelui bent niet wijzer!» zei Pieter. »In de stad zijn wij natuurlijk anders gekleed, dan hier op dit dorpje, en dat ook onze manieren fijner zijn, dan hier, spreekt van zelf. Je moest eerder huilen dan lachen.»

»Kan jij boksen?» vroeg Bob, die plotseling voor zijn neef kwam staan, en hem met zijne beide vuisten op zijne borst ging stompen.

»Au! Neen, -- boksen -- au -- kan ik niet. Au! -- Au!»

»Dan zal ik het je leeren! Toe jô, stomp terug, of jij krijgt alles alleen. Zóó moet je doen!»

»Au! -- Au!» riep Pieter, die niet wist, waar hij zich bergen zou. »Houd-op, Robert, au! Ik doe -- au! -- jou immers -- au! -- ook niets!»

»Neen, dat doe je juist niet, en dat is dom van je. Je moet terugboksen, neef, of er blijft niets van je heel, zelfs je boordje niet!»

»Houd maar op, Bobbertje,» riep Karel zijn vriend toe. »Zoo is er toch geen aardigheid aan; hij verroert geen vin. Wat zullen we eens gaan doen?»

Bob hield met boksen op.

»Een mooi spelletje?» vroeg hij. »'t Is jammer, dat het zoo regent, anders konden we in den tuin om het hardst gaan loopen op onze stelten. Maar nu weet ik niets. Wat wil jij graag doen, neef Pieter?»

Bob drukte vooral sterk op de laatste lettergreep.

»Je houdt me voor den gek, Robert,» zei hij.

»Zeg jij maar gerust Bob, hoor!» klonk het terug. »Maar weet jij geen mooi spelletje?»

»Ik niet; wij spelen nooit.»

»Zoo, -- zeg jongens, ik weet wat. Wacht maar even, dan zal ik je eens laten zien, wat ik vanmorgen in eene oude kist op den zolder gevonden heb. 't Is wat prachtigs!»

»Wat dan?» vroegen wij.

»Ja, wacht maar, -- dan zal ik het je laten zien. 't Is bepaald nog iets uit den jongen tijd van Pa, want tegenwoordig doet hij er niet meer aan.»

Bob ging naar de kast, waarin hij al zijne schatten bewaarde, en kwam weldra te voorschijn met eene prachtige pijp. Deze bestond uit een mooien kop, die het model had van een Turk, met een langen baard en een breeden tulband, en daarin was een lange steel van bamboes gestoken. 't Was werkelijk eene bijzonder mooie pijp, die indertijd stellig veel geld moest gekost hebben. De steel bestond uit wel vijf deelen, die in elkander geschroefd konden worden. Ik had nog nooit zoo'n lange pijp gezien.

»Vind-je haar niet prachtig?» riep hij ons toe, terwijl hij het mondstuk tusschen de lippen nam en smakte als een oude smoker.

»Bijzonder mooi, Bob. Zou die van je Pa geweest zijn?»

»Ik denk het wèl, want Pa rookte vroeger eene pijp. Tegenwoordig niet meer, omdat hij er niet goed tegen kan. Zeg, jongens, willen we eens rooken?»

»Bah, rooken!» zei neef Pieter met een vies gezicht, waarop de diepste minachting te lezen stond. »Wat zou Mama wel zeggen, als zij het zag?»

»Mama ziet het niet!» zei Bob leuk. »En als jij het niet verklapt, komt niemand het te weten. Je bent toch geen klikspaan, hoop ik?»

»Neen, -- klikken doe ik niet.»

»Dat is de eerste deugd, die ik in je opmerk,» zei Bob, met zijn bekend knipoogje tegen ons. »Willen we het doen, jongens?»

»Heb-je tabak?» vroeg ik.

»Dat zou ik meenen, -- een ons fijne tabak, van de fijnste, die ik krijgen kon. Zie maar eens hier.»

Bob verdween weer in de kast en kwam met een zakje tabak terug, hetwelk hij met een trotsch gebaar omhoog hield.

»Dat is portorico!» zei Karel. »Zwaardere tabak bestaat er niet.»

»Best mogelijk,» zei Bob, »maar ze rookt uitstekend.» Hij begon nu de pijp te stoppen, wat hem nog ver van handig afging. Hij had er al zijne aandacht en zijne beide handen voor noodig, en het duurde wel driemaal zoo lang als noodig was.

»Zie zoo,» zei hij, toen hij eindelijk klaar was, »nu gaan we met ons vieren op den vloer in een kring zitten, en rooken als Turksche pacha's. Hier heb ik een doosje lucifers.»

»Maar ik doe niet meê,» zei Pieter. »Rooken is vergif en staat bovendien in het geheel niet fatsoenlijk.»

»Dan zullen wij het onfatsoenlijk doen, Pietje!» zei Bob. »Weet je, wat jij intusschen wel kunt doen?»

»Nu, wat dan?»

»Wel, trek je glacé-handschoentjes aan, neem je stokje in de hand en wandel dan met een heel trotsch gezicht om ons heen. Dan ben jij de heer en wij stellen de arme duivels voor, op wie jij dan uit de hoogte neerziet. Dat kan prachtig worden. Kom Dorus en Karel, het spel gaat beginnen. Wij nemen een lucifer,» -- Bob voegde de daad bij het woord, -- »schrappen hem aan, -- en pmmm, pmmm, pmmm, wat drommel, die tabak wil niet! Hoe kan dat nu wezen? Vanmorgen ging het zoo best.»

»Laat mij eens probeeren!» zei Karel.

Bob gaf hem de pijp.

Maar Karel, die er veel verstand van had, want als zijn Pa en zijne Moe het niet zagen, rookte hij wel eens een cigaretje, -- Karel kon het ook niet.

»De pijp zit verstopt. Je hebt er de tabak veel te vast ingedrukt,» zei hij.

»Dan moet ze er weer uit,» zei Bob.

Hij nam zijn mesje en maakte den kop weer leeg. Piet, die intusschen wat rondgeloopen en ons met een schuin oog bespied had, kwam langzamerhand wat naderbij en nam eindelijk ook in den kring plaats.

Bob knikte hem goedkeurend toe, stopte de pijp opnieuw, schrapte nogmaals een lucifer aan, en ha -- daar dwarrelden de rookwolken omhoog.

Wij staarden het bedrijf van onzen vriend Bob met bewondering aan, hetgeen hij, geloof ik, zelf ook deed.

»Nu zijn we Indianen, die de vredespijp rooken!» riep hij ons opgetogen toe, want hij was in het gelukkige bezit van eene sterke verbeeldingskracht.

»Ooah!» riep hij uit. »Wat wil mijn bleeke broeder?»

Bij die woorden keek hij neef Piet met groote oogen aan en blies hem dichte rookwolken in het gelaat, zoodat de bleeke broeder begon te hoesten en te proesten van belang. Nu was de gegeven naam op Piet volkomen van toepassing, want hij had eene verbazend bleeke gelaatskleur, iets wat van Karel of mij niet gezegd kon worden. Wij hadden kleuren als boeien!

Piet antwoordde niet op Bobs vraag, wat tengevolge had, dat hem eene tweede groote rookwolk werd toegeblazen en het Indianen-opperhoofd hem nogmaal toevoegde:

»Ooah! Waarom zwijgt mijn bleeke broeder? Wat wenscht hij? Mijn bleeke broeder spreke!»

»Kuche -- kuche -- kuche -- niets -- ik -- kuche ik wensch niemendal! -- Hè, je doet me bijna stikken!» riep Piet, terwijl hij met zijne beide handen den rook van zich afweerde.

Karel en ik gierden het uit van de pret. Doch Bob bleef onverstoorbaar doorrooken.

»Ooah!» zeide hij, »mijn bleeke broeder is verstandig; hij is geen klapachtige vrouw, die zijne geheimen verraadt. Mijn broeder is een groot opperhoofd en een wijs man. Pffff!»

Bij dit pfff blies hij den armen Piet weer zulk eene geduchte rookwolk toe, dat bijna niets meer van hem te zien was. Daarna reikte hij hem de pijp toe en zeide op plechtigen toon:

»Dat mijn broeder de pijp des vredes rooke!»

»Wat? -- Ik rooken?» riep Piet verschrikt uit, maar toch keek hij de pijp met begeerige blikken aan. »O, neen, dat doe ik niet -- dat heb ik nog nooit gedaan!»

»Verlangt mijn broeder den strijd?» riep Bob met woedende blikken uit, terwijl hij de vuisten balde en ze zijn neef vlak onder den neus hield.

»Strijd? O neen, -- geen strijd!» zei Piet, die nog aan de bokskunst van Bob dacht.

»De Woeste Gier is een groot opperhoofd!» zei Bob, op zichzelven wijzende. »Hij heeft vele scalpen en de jonge krijgslieden zingen zijn lof. Hij wenscht met zijn bleeken broeder de vredespijp te rooken.»

Nogmaals hield hij Piet de pijp voor. Deze greep hem aan en -- rookte, tot groot vermaak van ons alle drie, want wij begrepen heel goed, wat Bob in zijn schild voerde. En al hadden wij het niet begrepen, dan zou zijn geheimzinnig knipoogen het ons wel verraden hebben.

Het scheen Piet, nu hij eenmaal aan den gang was, uitstekend te bevallen, want hij dampte, dat het een lust was, om te zien. Hij werd nu zelfs grappig, want hij blies Bob groote rookwolken in het gelaat en zeide:

»Het bleeke opperhoofd groet zijn broeder den Woesten Gier, wiens dapperheid over de geheele wereld bekend is. Het bleeke opperhoofd biedt hem zijn vriendschap aan.»

Nu, dat viel ons mede van Piet. Wij hadden niet gedacht, dat hij zoo goed mede kon doen. Wij knikten hem daarom goedkeurend toe, wat hem blijkbaar niet onwelgevallig was, althans, hij begon nog veel sterker te dampen, zoodat de kamer wel een rookhol geleek, en vervolgde:

»Wanneer keert mijn roode broeder naar zijne wigwam weder?»

En plotseling uit zijn rol vallende, zeide hij:

»Zeg Bob, dat rooken valt me bijzonder meê. 't Gaat heel gemakkelijk, en 't smaakt goed. Volstrekt niet erg bitter, zooals ik altijd dacht.»

»Zoo, is 't waar? En wanneer wordt het onze beurt?» vroeg Karel. »Of ben je van plan, de heele pijp leeg te rooken?»

»Ik heb tabak genoeg, Karel,» zei Bob. »Als de pijp leeg is, stoppen we haar weer, en dan kan-je zooveel rooken als je wilt.»

En plotseling zijne knieën optrekkende en het hoofd daarop doende rusten, vervolgde hij weer als Indianen-opperhoofd:

»Als de zon driemaal in de zee zal zijn neergedaald, zal de Woeste Gier terugkeeren naar zijn wigwam; dan zullen de jonge krijgers hunne oorlogsliederen zingen.»

»Gaat mijn broeder ten strijde?» vroeg Piet, steeds voortdampende.

»De bleeke mannen hebben onze jachtvelden betreden en hebben mijne roode kinderen gedood!» zei Bob somber.

»O, dat zij vreezen voor onze wraak! De roode mannen zijn dapper. Zij vreezen den dood niet.»

»Zeg Bob,» zei Piet opeens, en zijne oogen stonden ver van vroolijk. »Ik geloof nooit, dat dit beste tabak is. Er komt zulk een vreemde smaak aan.»

»Malligheid! De tabak is wel goed, maar de rooker deugt niet. Je kunt er niet tegen, neefje, denk ik.»

»Of ik!» zei Piet, die weer dapper begon te trekken, en nogmaals ons allen de rookwolken in het gelaat blies. Maar spoedig hield hij er mede op.

»Ah bah!» zeide hij, terwijl hij de pijp met alle teekenen van afkeer neerwierp. »Wat smaakt dat leelijk!»

»En eerst vond je het zoo lekker?» zei Karel lachend.

»Eerst, -- o ja, maar 't wordt hoe langer hoe leelijker. Bah, wat word ik akelig.»

Piet stond op en begon onrustig door de kamer te loopen. Hij was nu in den volsten zin van het woord een bleekgezicht, want hij had geen kleur meer op zijn gelaat. En wat stonden zijne oogen flets!

Voortdurend hoorden wij hem diepe zuchten slaken. Blijkbaar werd hij meer en meer onpasselijk. Nu moet ik eerlijk zeggen, dat wij niet veel medelijden met hem hadden, en dat wij hem geducht voor den gek hielden.

»Wat doet mijn bleeke broeder vreemd!» zei Bob plagend. »Zoekt mijn bleeke broeder iets?»

»Hij zoekt eene pijp!» zei Karel. »Hij wenscht de vredespijp te rooken.»

»Loop rond!» zei Piet nijdig, »als jelui voeldet, wat ik voel, hier -- in mijne maag, dan zou je zoo grappig niet zijn. Ah bah, wat word ik misselijk!»

»Pas dan op je schoone boordje, Pieter,» was de vriendelijke raad van Bob, die de pijp opnieuw stopte, en haar aan Karel en mij gaf, opdat ook wij gelegenheid zouden hebben, er van te genieten.

»Trek je handschoenen aan, Pieter, en neem je rotting in de hand, dan maak je een prachtig figuur,» zei Karel dampende.

»O, -- wat ben ik ziek,» zuchtte Pieter, die onrustig de kamer op- en neerliep. »Die ellendige tabak! Ik wou, dat ik ze nooit gezien had.»

»'t Smaakt heerlijk!» zei Karel, groote rookwolken uitblazende.

»Dat schijnt wel,» zei ik. »Wanneer kom ik nu aan de beurt?»

»Asjeblieft, hier heb je haar. Je moet flink doortrekken, Dorus, dan gaat het 't best.»

Dien raad volgde ik getrouw op, en Bob en Karel knikten mij goedkeurend toe.

»Je doet het best,» zei Bob. »Echt lekker, hè?»

»Ja, -- maar een beetje bitter,» merkte ik op. Eigenlijk vond ik het afschuwelijk, maar wijl mijne kameraden het zoo heerlijk vonden, ontbrak mij de moed, om dat te bekennen. Dus rookte ik dapper voort.

Toch speet het mij niets, toen Bob zeide:

»Nu ben ik weer aan de beurt!»

Ik reikte hem de pijp over, en weldra dampte mijn vriend als een fabrieksschoorsteen.

»Wel neef Pieter,» vroeg hij, »hoe gaat het je nu?»

»Ik ga dood, -- ik ben doodziek. O, -- ach, -- hê -- wat ben ik ellendig.»

»Jongetjes als jij moeten ook niet rooken,» spotte Bob.

»En wat zit je krom, Pieter. Rechtop zitten, mijn jongen.»

Wat hadden wij eene pret om de benauwde gezichten, die Pieter trok. Wij schaterden soms van 't lachen.

»Hier, Karel, jou beurt!» zei Bob opeens, veel spoediger dan wij dachten. En het scheen mij toe, of hij een klein weinigje bleek werd.

»Neen, Bob,» zei Karel, »dat is te vroeg. Ga gerust je gang nog een poosje.»

»Pak aan,» zei Bob kortaf. »'t Is eerlijk jou beurt.»

»O, -- ik weet geen raad!» zuchtte Pieter. »Als Mama nu toch eens hier kwam.»

»Pak aan, Karel, 't is jou beurt,» herhaalde Bob, daar Karel er edelmoedig op bleef aandringen, dat Bob nog een poosje genieten zou.

Schoorvoetend nam Karel de pijp aan, en rookte, maar och, hij trok lang zoo hard niet meer als eenige oogenblikken geleden, en hij zag er in het geheel niet opgewekt uit.

Opeens ging mij een licht op. Bob en Karel hadden, evenals neef Pieter, te veel gerookt en begonnen er de gevolgen van te ondervinden.

»Nu jij weer, Dorus,» zei Karel op zijn gulsten toon, terwijl hij mij de pijp toereikte, maar och, wat begon hij bleek te zien.