Part 4
»Bedaag, vgiendjes, bedaag!» zei Bob met een kalmeerend gebaar van zijne beide handen. »Eg is nog meeg. De tweede pgijs, of zooals wij altijd zeggen de pgemie is de Bagon van Munchhausen, ook een pgachtig boek, maag niet in een fgaaien band.»
»Hoera! Hoera! Dat wordt een mooie wedstrijd!»
»Dat zou ik meenen, lieve vgienden,» vervolgde Bob. »En dan heb ik nog een degden prijs, bestaande uit eene fgaaie pogte-monnaie, maag -- ik behoud het gecht, om die te geven, aan wien ik wil. Heb je dat goed beggepen?»
»Uitstekend, mijnheer Denappel! Uitstekend!» klonk het lachend rondom Bob, die kolossaal veel pret had, dat de anderen zoo om hem moesten lachen.
»En waarom houdt u dat recht aan u, mijnheer Denappel!» vroeg Dirk Langeraar aan Bob.
»Mijn bgave Digk, nu vgaag je meeg, dan ik je beantwoogden kan.» En heel vaderlijk liet hij er op volgen: »Kleine jongetjes moeten niet naag alles vgagen, hoog kegeltje?»
»Bob, daar komt de schoenmaker om den hoek!»
Als een pijl uit den boog ging Bob er vandoor. Jongen, jongen, wat liep hij. Zijne voeten raakten bijna den grond niet.
En wij lachten, dat we schaterden, want er was niets van waar. De schoenmaker zat hoogstwaarschijnlijk druk schoenen te lappen, want de Zaterdag was gewoonlijk zijn drukste dag, daar vele menschen dan vóór den Zondag hunne schoenen terug wilden hebben. Ik had het alleen maar uit de grap gezegd, omdat hij zoo verbazend veel praats had. Bob gunde zich geen tijd om te kijken, of het wel waar was. Trouwens, daar twijfelde hij ook niet aan.
Toen hij ons echter zoo verbazend hoorde lachen, begon hij lont te ruiken. Hij bleef even staan en keek achter zich om, en toen hij nu bemerkte, dat er niets van waar was, kwam hij weer terug.
»Heb jij me dat koopje geleverd, Dorus?» vroeg hij.
»Om u te dienen, mijnheer Denappel!» zei ik.
»Ben je bang voor den schoenmaker?» vroeg Tines Wobbe. »Wat heb je hem gedaan?»
»Och, ik heb gemaakt, dat hij geen stroop op zijn pannekoek had, van middag,» zei Bob, tot groot vermaak van de anderen. En nu vertelde hij wat hij gedaan had.
»Zoo'n dom kind,» zei Cor Valk. »Maar wacht je nu voor den schoenmaker, Bob, want er blijft geen stuk van je heel, als hij je te pakken krijgt. 't Is een gevaarlijke, wat ik je zeg.»
»Hij heeft me nog niet!» zei Bob met een overmoedig lachje. »En hij zal me niet gemakkelijk krijgen ook. Zeg Dorus, willen wij nu eens om het hardst steltloopen?»
»Goed!» zei ik.
Wij gingen naar den eersten paal en zouden loopen tot den laatsten.
»En dan wij?» vroeg Tines Wobbe aan Karel Holm.
»Ja -- laten we allen twee aan twee gaan, precies als op den wedstrijd. Adriaan Bolt met Karel Buurs, Huib de Leeuw met Arie Kooi, Dirk Langeraar met Cor Valk, en zoo verder. Vooruit, jongens, daar gaan we!»
Ja, daar gingen we, en vlug ook, maar niet bijzonder verstandig. Want we konden zeer vlug steltloopen, al zeg ik het zelf, en we vielen niet zeer dikwijls. Maar nu kwam Bob met zijne stelt in een gat terecht, dat hij niet gezien had, en flap, daar viel hij tegen mij aan, zoodat wij beiden op den grond tuimelden. En wat er toen gebeurde, is licht te begrijpen. De andere jongens volgden ons op den voet, en voordat zij nog goed wisten, wat er met hen plaats greep, duikelden zij op en over ons heen!
Of dat pijn deed! Ik kreeg Tines Wobbe dwars over mijn hoofd en Huib de Leeuw lang uit over mijne beenen, en van Bob was in het geheel niets te zien. Hij lag totaal onder de anderen bedolven. Dirk Langeraar kwam boven op al de anderen terecht, en zat daar als Spinoza op zijn voetstuk, welk standbeeld in den Haag ik gezien had, toen ik eens met Pa in die stad was. Allerlei klaagtonen stegen uit den levenden warhoop op.
»Hè-hè!»
»Au! Ga toch weg!»
»Rijs op, zeg ik je!»
»Wil-je wel eens van mijn hoofd gaan?»
»Ik stik! Ik stik!»
»Au, mijn arm!»
»Mijne beenen breken!»
»Je zit op mijn rug!»
Spoedig evenwel waren wij opgestaan, en wonder boven wonder, niemand van ons had zich erg bezeerd. Bob alleen was met zijn voorhoofd tegen een steen terecht gekomen.
»'t Hindert niet erg,» zei hij, »ik had er toch al een buil op. 't Doet me anders wel pijn.»
Nu, pijn hadden we allen, de een hier, de ander daar.
»Hoe kwam dat toch?» vroeg er een.
»Omdat je lui allen een schapennatuur hebt,» zei Bob.
»'t Spreekwoord zegt: »Als er één schaap over den dam is, volgen alle anderen,» en zoo ging het met jelui ook. Toen ik viel, ging je het mij allen nadoen, net als de schapen.»
»Laten wij het overdoen.» stelde Karel voor.
»Ja, overdoen! Overdoen!»
»Maar niet allen vlak achter elkaar!» zei Huib.
»Dat spreekt van zelf,» zei een ander. »Een ezel stoot zich niet tweemaal aan denzelfden steen.»
Wij begonnen den wedstrijd nu opnieuw, en kwamen tot de slotsom, dat Bob en Tines Wobbe de vlugste steltloopers waren, zoodat zij waarschijnlijk de prijzen wel zouden winnen.
»Ik doe niet meê!» zei Cor Valk. »Wij kunnen het van Bob en Tines toch niet winnen, en dan blijf ik liever stilletjes thuis.»
»Dat is kinderachtig,» zei Karel Holm. »Wij doen mede om een prettigen middag te hebben, en natuurlijk ook om wat te winnen. Maar de pret is toch de hoofdzaak.»
»Bovendien kan Bob of Tines vallen, en daardoor niets winnen,» zei ik.
»Ook mogelijk! Ook kunnen zij opvolgende nummers trekken, zoodat zij tegen elkander moeten loopen. Daar is vooruit niets van te zeggen.» zei Huib de Leeuw.
»Zeg, jongens, willen wij nu eens wat anders gaan spelen?» vroeg Bob.
»Ja, -- wat dan?»
»Verstoppertje?»
»Ja, ja, verstoppertje! Dat is goed! Wie zal hem wezen?»
»Ik wel!» zei Karel Holm. »De eikeboom is honk, en wij mogen niet verder dan tot aan den schoenmaker aan de eene en de brug aan de andere zijde. Is dat afgesproken?»
»Goed, niet verder dan de brug en den schoenmaker! Niet kijken, Karel, -- over drie honderd tellen heb je het recht om te komen.»
Karel ging met de beide handen voor de oogen tegen den dikken boom staan, die midden op het marktplein stond, en begon te tellen. Hij hoorde de jongens in alle richtingen verdwijnen, maar kijken deed hij natuurlijk niet. Dat zou hij niet gedaan hebben, al had hij er een gulden mede kunnen verdienen, want daarvoor was hij veel te eerlijk.
Toen hij tot driehonderd geteld had, gaf hij zijne nadering door een luiden kreet te kennen en ging zoeken. Zoodra hij iemand zoo nabij gekomen was, dat hij hem tikken kon, was die de zoeker voor het volgende spel, maar wij zorgden wel, dat dit niet gebeurde. Als wij bemerkten, dat hij ons ontdekt had, sprongen wij vlug te voorschijn en trachtten eerder dan hij den boom te bereiken, waardoor wij het recht verkregen, bij het volgende spel weer schuil te gaan.
Het gelukte hem Dirk Langeraar te tikken, waardoor deze aangewezen werd, om tweede zoeker te worden. Wij vermaakten ons kostelijk met dit spel, vooral toen de avond langzamerhand begon te vallen en het donker werd. Het zoeken ging toen ver van gemakkelijk, en wij wisten uitstekende schuilhoeken te vinden.
Ook Bob begon zich toen vrijer te bewegen, want daar hij het huis van den schoenmaker niet durfde naderen, uit vrees van gesnapt te worden, kon hij zich tot nog toe maar alleen in de richting van de brug verschuilen. En juist aan den anderen kant waren de mooiste plekjes. Maar nu was het grootste gevaar voor hem voorbij, en langzamerhand begon hij zich minder in de richting van de brug en meer in die van des schoenmakers woning te begeven. Wat was daar eene heerlijke gelegenheid om zich te verschuilen! In de eerste plaats lag er op een erf eene omgekeerde schuit, die door den scheepmaker op de helling getrokken was om gekalefaat te worden. Bob had zich daar al driemaal verscholen, eer hij ontdekt werd en eene nieuwe plaats op moest zoeken. Toen vond hij een prachtig plaatsje bij het schuthok, waar hij met zijne gewone brutaliteit midden tusschen een boschje brandnetels ging zitten, die daar reeds eene flinke hoogte hadden bereikt. Dáár zocht niemand hem, zooals van zelf spreekt, want al meende de zoeker soms, dat hij zich daar wel verscholen kon hebben, dan ontbrak hem nog meestal de moed, om zich een pad door die lastige planten te banen. Bob had dit wel gedaan, maar het had hem ook een flink aantal blaren bezorgd, die hem niet weinig pijn deden. In elk geval had hij de voldoening, dat niemand hem vinden kon, al liepen zij ook vlak langs hem heen. Dat amuseerde hem buitengewoon. Eindelijk werd hij gevonden door Karel Holm, die stellig niet minder moed bezat dan Bob. Toen deze hem overal gezocht en nergens gevonden had, zei hij tot de andere jongens:
»Wil ik jelui eens wat zeggen? Hij mòet hier in dat brandnetelboschje zitten, want geen enkele plaats dan deze heb ik ondoorzocht gelaten.»
»Ga kijken, -- dan weet je het!» raadde ik hem aan met een leuk gezicht. Want ik dacht aan de brandnetels, die zeer dicht op elkander gegroeid waren. Als Bob er zich tusschen verscholen had, moest hij er naar mijne meening even nauw door ingesloten zijn als de bewoners van Luilekkerland door den rijstebrijberg.
»Welnu, -- denk je, dat ik niet durf, Dorus?» vroeg hij met een overmoedig lachje.
»Ik weet het niet, Karel, maar -- jij liever dan ik!» zei ik lachend.
»Wat Bob kan, kan ik ook!» zei Karel. »Hij moet hier zitten! Vooruit, daar gaat hij!»
En waarlijk! Daar ging Karel met de ellebogen vooruit de brandnetels in. Links en rechts bogen de stengels op zijde en met groote schreden drong Karel er tusschen door. Het moet hem ongetwijfeld veel pijn gedaan hebben, en wij stonden gereed om een luid hoera aan te heffen, zoodra wij hem hoorden kermen. Maar neen, daar hadden wij geen kans van, want Kareltje gaf geen kik, wel een weinig tot onze teleurstelling, tot opeens zijne stem van uit het midden der brandnetels tot ons doordrong en wij hem hoorden roepen:
»Gevonden! Ha, ha, baasje, dat had je niet gedacht. Nu is het jou beurt om te zoeken. Jou slimme rot!»
Een geweldig kraken van stengels die platgetrapt worden werd nu hoorbaar, en toen verscheen Karel, gevolgd door Bob, aan den rand van het boschje.
»Wat zat ik daar heerlijk!» zei Bob op triomfantelijken toon. »Wel driemaal ben jelui vlak langs mij heengegaan, zonder mij te vinden!»
»'t Is ook aangenaam, om vol blaren te komen,» zei Tines Wobbe. »Ik gun je de pret.»
»Pret had ik, Tines, vooral toen ik zag, dat je er zoo graag in wilde kijken en toch niet durfde. Kom jongens, verbergt je; ik zal je zoeken.»
Fffft! Als de wind vlogen wij weg en in korten tijd hadden wij allen een schuilhoek gevonden. Bob liet een schellen kreet hooren en begon te zoeken. Nu was hij een behendig zoeker en een vlug looper. Ik geloof wel, dat hij de vlugste was van ons allen, behalve Tines Wobbe, die ook een echte snelvoeter was. En Karel Holm was de derde van den bond. Als die drie jongens voor de aardigheid eens om het hardst liepen, wist men nooit wie het winnen zou, vóór zij den eindpaal hadden bereikt. Het kleinste ongelukje was voor ieder van hen voldoende, om het te verliezen.
't Was dus geen wonder, dat Bob er weldra een getikt had. Dezen keer was Cor Valk de zoeker.
En nu gelukte het Bob een plaatsje te vinden, waar men hem, naar hij dacht, stellig nooit zoeken zou. 't Was wel eene gewaagde, ja, zelfs zeer gewaagde onderneming van hem, maar -- het gevaar dat hem dreigde van den kant van den schoenmaker was hij nu al geheel vergeten. En als hij er nog aan dacht, zocht hij zich diets te maken, dat dit zoo erg niet was.
Welk plaatsje had hij dan gevonden?
De schoenmaker was een groot liefhebber van visschen, niet met den hengel, maar met netten. Eigenlijk was hij zoowel visscherman als schoenmaker. Als hij het met schoenlappen niet druk had en dientengevolge over veel vrijen tijd beschikken kon, ging hij altijd uit visschen, en zocht daarmede in het onderhoud van zich en zijn groot gezin te voorzien. Menigmaal trok hij er nog laat in den avond op uit, om nog een stuivertje te verdienen. Hij had een eigen bootje, geheel voor dat doel ingericht, en was ook in het bezit van een flink aantal netten, waarmede hij menig vischje verschalkte.
Vóór zijn huis, aan den kant van het water had hij ook nog een groote vischkaar, waar hij de gevangen visch in bewaren kon. Die kaar was niet anders dan een groote bak, rondom van gaatjes voorzien, zoodat het water er in doordringen kon. Midden in de grootste zijde was een plank of luik, dat hij er uit kon nemen, om er de gevangen visch in te doen. Door den bak in het water te leggen, drong dit door de vele gaatjes naar binnen, en bleef de visch in leven. Eens in de week verkocht hij den gevangen voorraad aan een opkooper, die gewoonlijk Zaterdags bij de visschers rondging, om zijne levende koopwaar in ontvangst te nemen.
Zooals te begrijpen is, was nu dus de vischkaar ledig en lag zij op het droge. Dat had Bob al lang opgemerkt, maar zoolang het nog licht was, had hij zich niet zoo dicht bij zijn vijand durven wagen. Nu evenwel meende hij door de schemering genoeg beschut te zijn, om het waagstuk te kunnen ondernemen.
Hij deed het dan ook.
Zoo voorzichtig mogelijk, en bijna langs den kant van den weg voortkruipende, wist hij, zonder iets verdachts te bespeuren, de kaar te bereiken. Hij hoorde den schoenmaker nog druk aan den arbeid bezig, want het kloppen van den hamer op de harde zool drong duidelijk tot hem door.
Behendig liet hij zich naar den onderkant van den wal afglijden, want dáár lag de kaar, draaide de beide wervels los, die het luikje vasthielden, lichtte de plank er uit, en kroop er zelf in. Bijna was hem dit mislukt, omdat de opening wat nauw voor hem was, maar met eenig wringen gelukte het hem toch. Toen hij zoover gevorderd was, legde hij met zijne beide handen de plank weer op hare plaats, zoodat niets verried, welk een kostbaren inhoud de kaar thans bevatte.
»Zie zoo,» mompelde Bob, terwijl hij het zich zoo gemakkelijk mogelijk zocht te maken in zijne kleine gevangenis. »Zie zoo, -- laat ze nu maar zoeken. Dit is nog veel mooier plaatsje dan zoo even tusschen de brandnetels. Daar zat ik ook wel prachtig, maar kon me niet bewegen, zonder me aan alle kanten te prikken, en hier lig ik zoo heerlijk als een koningskind. Wie zal me hier zoeken? En wat een leuke kijkgaatjes heb ik hier rondom me. De vischjes hebben het nog zoo kwaad niet, als ze zich hier bevinden. 't Is alleen maar jammer, dat het einde voor hen een wreede dood is. -- O jé, als de schoenmaker eens wist dat ik hier in zijne kaar zat, -- wat zou dan wel mijn einde zijn? De dood niet, -- natuurlijk, maar -- enfin, 't doet er niet toe, want hij weet er niets van, en bovendien, zoodra ik hem hoor naderen, ga ik er van door! Als een windhond, hoor! Wat zal Cor Valk loopen zoeken! Maar vinden, ho maar, geen sprake van! Al zocht hij een heelen dag!»
Zoo lag ons Bobje te denken en te mijmeren en van pret wreef hij zich de handen. Maar als hij geweten had, dat de Veer op dat oogenblik heel voorzichtig, ja zelfs onhoorbaar naar buiten sloop en voetje voor voetje zich naar den waterkant begaf, -- wat zou hij vlug uit zijn schuilhoek te voorschijn gesprongen en op de vlucht geslagen zijn! O, hadden wij het maar gemerkt, welk gevaar hem dreigde, dan zouden wij hem wel gewaarschuwd hebben, -- maar wij wisten er niets van, want wij zaten rustig in onze schuilhoeken verborgen en dachten aan geen schoenmaker.
Op zijne teenen sloop de beleedigde man nader, met een spotlachje op de lippen. Nu had hij den kant van de beek bereikt. Bob hoorde hem niet; hij dacht aan geen gevaar.
Nu liet de Veer zich vlug naar beneden glijden, en vóór Bob, die hem nu wel hooren moest, gelegenheid had kunnen vinden om op te rijzen, sprong hij met zijne beide knieën op het luik en draaide de wervels over.
»Ha, ha, jou aartsrakker!» riep hij zijn gevangene toe. »Nu ben je gesnapt. Nu zal ik jou eens pannekoeken met stroop laten eten, deugniet, met stroop versta je, stroop, veel meer stroop, dan je oplust! Wat denk jij wel, straatbengel, dat jij maar alles moogt doen?....»
»Neen, de Veer, ik dacht.....»
»Denken? Jij denken? Jij behoeft niet te denken, dat zal ik nu wel voor je doen.....»
»O, de Veer, ik verzoek u, laat mij asjeblieft gaan....»
»Zeker, mijn jongen, zal ik je laten gaan! Wacht maar een oogenblik, dan zal ik de kaar aan den paal vastbinden, anders drijf je misschien te ver weg, en daarna zal ik je laten gaan, hoor, dat beloof ik je.»
»Ach de Veer, asjeblieft, ik zal het nooit weer doen......»
»Dat is ook niet noodig, jongen, ìk zal het nu wel doen.»
»O toe, laat me er asjeblieft uit, de Veer, heusch, ik heb er spijt van en ik zal de schade wel betalen.....»
»Eerst zal ik jou betalen, mijn beste jongen; denk je, dat ik den gek met me laat steken? 't Is juist Zaterdagavond, Bob, een bad zal je opfrisschen. Ha-ha-ha! Mooier kon je al niet in de fuik geloopen zijn; 't is bepaald grappig, 't is vermakelijk!»
»Voor mij niet, de Veer, toe, laat me voor dezen keer vrij, asjeblieft!»
»Een oogenblik geduld, Bob, dadelijk ga-je, hoor! Zie zoo, nu nog een lus, en dan zijn we klaar.»
Bob, die nu begon te merken, dat zijn cipier onvermurwbaar was, ging uit alle macht tegen de wanden van zijne gevangenis trappen, in de flauwe hoop, dat het hem gelukken zou nog te ontsnappen. O, o, wat had hij er op dat oogenblik een spijt van, dat hij Mietje maar niet ongemoeid haars weegs had laten gaan, doch zijn berouw kwam nu, evenals altoos, te laat. En zijne pogingen om de wanden los te trappen, waren vruchteloos. De kaar zat stevig in elkander.
»Klaar, Bob! Ha-ha, daar ga-je, hoor! Een, twee, drie, hoepla!»
Maar dat hoepla kwam te vroeg, want hoeveel moeite de schoenmaker ook deed, Bob was te zwaar om maar zoo luchtig in het water geworpen te kunnen worden.
»Ho, dat gaat niet, ik zal je moeten kantelen, Bob! Houd je goed vast, hoor, mijn jongen, anders doe ik je pijn en dat zou me spijten! Ha-ha-ha, hoe bespottelijk dom van je, om in dit ding te kruipen! Dat vergeet ik mijn leven lang niet!»
»Ik ook niet, de Veer!» zei Bob op zijn deemoedigsten toon. »Och toe, laat me er asjeblieft uit. Ik beloof je, dat ik het nooit weer zal doen.»
»Wat zul-je niet weer doen, Bob? Nooit weer in deze kaar kruipen?»
»Dat ook niet, -- och toe, ik....»
O hé, daar ging de kaar aan de eene zijde omhoog. De schoenmaker zette haar op de korte zijde, bij ongeluk juist op den kant, waar Bobs hoofd lag, zoodat hij nu een verbazend ongemakkelijke houding kreeg, namelijk met de beenen omhoog.
Bob had zich tot nog toe zeer goed gehouden, maar nu werd het hem toch te erg. Door de luchtgaatjes, die weldra watergaatjes zouden worden, zag hij, dat de kaar vlak aan den kant stond.
Plotseling verhief hij zijne stem met zooveel kracht, dat wij hem allen te gelijk om hulp hoorden roepen.
»Help! -- Help! -- Moord! -- Moord!» gilde hij.
»En brand!» voegde de schoenmaker er bij. »Wacht maar, mijn jongen, wij zullen den brand wel blusschen. Een, twee -- hoepla!»
Flap! Daar sloeg de kaar om en ging te water.
Och, och, wat lachte die schoenmaker.
Wij stonden allen op den oever, op een eerbiedigen afstand, want hoewel wij geen kwaad hadden gedaan, durfden wij toch niet bij den vertoornden man te komen. Deze zag er echter niet bijzonder boos uit, want hij deed niet anders dan lachen, -- lachen zonder ophouden.
»Help! -- Ik -- verdrink! -- Help -- O -- o! Help!» Bob kroop ongetwijfeld vrij raar in zijn vaartuig rond, want het dobberde wild op en neer. Soms ging het aan den eenen kant geheel onder water, en dan hoorden wij van Bob niets meer, maar dan volgde er weder een geweldig dobberen, zoodat de golven tot aan de overzijde van de beek gingen, en dan hoorden wij hem weer om hulp roepen.
»O, -- help toch! Genade! Help! Ik verdrink! Ik stik! Brrr! Brrr! Ik.... brrr!
Nu kwam ook de vrouw van den schoenmaker naar buiten, om te zien, wat er toch aan de hand was. Ook de buren verlieten hunne huizen, zoodat er weldra een groote oploop ontstond.
Maar toen zij vernamen, hoe Bob daar in die kaar alle pogingen deed, om zich boven water te houden, ging er een onbedaarlijk gelach op en scheen niemand medelijden met hem te hebben, dan alleen vrouw de Veer. Eerst lachte zij ook, maar spoedig ging zij naar haar man, en begon de kaar op het droge te trekken.
»Toe, Jaap, nu is 't genoeg, laat er den jongen nu uit. Hij heeft nu straf genoeg gehad.»
»Help! Brrr! Brrr! O, ik verdrink! Brrr!» klonk het uit de kaar.
»Zoo'n grooten visch heb je er nog nooit in gehad!» riep een van de omstanders lachend den schoenmaker toe.
»Neen, daar heb je gelijk aan! Ha-ha-ha-ha! Wat vermakelijk! Kijk dat ding eens dobberen! Ha-ha-ha!»
»'t Bevalt hem er niet!» riep een ander.
»Brrr! Help toch, menschen, help! Brrr! Brrr!»
»Toe man, haal er den jongen nu uit! 't Is nu mooi genoeg, toe!»
»Nu, vooruit dan maar!» zei de schoenmaker, die het nu ook tijd begon te vinden, om er een einde aan te maken. Nog altijd schuddende van het lachen trok hij de kaar op het droge. Wij zagen, hoe het water door de gaatjes in alle richtingen wegvloeide.
Vrouw de Veer deed de wervels los -- en daar wipte Bob er uit, onder luid gejuich van de omstanders. Het water droop hem uit de kleeren. Schuw keek hij een oogenblik om zich heen, en toen glitste hij door het volk heen, -- naar zijn huis toe.
Wat hadden de menschen een pret, en wat schaamde Bob zich. Hij moest ongetwijfeld geweldig veel angst hebben uitgestaan, want gewoonlijk was hij niet zoo heel gauw bang of zenuwachtig. Maar nu lazen wij den angst op zijn gelaat.
Dat wij hem naliepen, spreekt van zelf. Maar hij wilde ons niet ontmoeten. Hij snelde regelrecht naar zijn huis, waarin hij door de keukendeur verdween. Wat daar nog met hem voorgevallen is, hebben wij nooit vernomen.
Daar het al laat begon te worden, begaven ook wij ons naar huis. Toen ik 's avonds op bed nog eens aan het voorgevallene dacht, schoot ik onwillekeurig nog in den lach om het zotte figuur, dat de dappere Bob gemaakt had. Toch moest ik toegeven, dat hij loon naar werken had gehad.
VIJFDE HOOFDSTUK.
Waarin verteld wordt van een Zondag, die veel stof tot spreken en voor de Van der Vliets ook veel stof tot treurigheid gaf.
De Zondag, die nu volgde, was voor de familie Van der Vliet een dag van groote droefheid en voor het geheele dorp een van groote ontsteltenis. Eerst scheen het voor de genoemde familie een geluksdag te zullen worden, want reeds vroeg in den morgen deden zij eene gelukkige vondst, maar al spoedig veranderde de blijdschap in groote treurigheid.
Doch laat ik u geregeld vertellen, wat er gebeurde.
't Zal ongeveer half zes in den morgen geweest zijn, toen Trijn, de vrouw van Kees van der Vliet, ontwaakte. Nu verliep er bij haar tusschen ontwaken en opstaan nooit meer dan een enkel oogenblik, want zij was ijverig van aard, en hield er niet van, Zondags nog minder dan in de week, om laat met haar werk gereed te zijn. Integendeel, hare lijfspreuk was steeds: »Hoe eerder gegaan, hoe eerder gedaan,» en die spreuk bracht zij zooveel mogelijk in toepassing. Zoo ook nu op dezen Zondagmorgen. Zij stapte haar bed uit, wiesch en kleedde zich, en begon daarna met ijver aan hare gewone huiselijke bezigheden. Eerst werd de tafel opgeknapt en waschte zij de kopjes, en daarna nam zij stoffer en blik en begon den vloer aan te vegen. Kees en de kinderen lagen nog in bed. Wie beschrijft echter hare verbazing, toen zij bij de deur drie goudstukken zag liggen, die daar blijkbaar onderdoor waren geschoven. Eerst wist zij niet, of zij hare oogen wel kon gelooven, of zij wakker was of droomde, en zonder eene hand uit te steken om ze op te rapen, staarde zij met groote oogen op den schat, die zoo onverwachts haar deel geworden was. Want drie gouden tientjes vertegenwoordigden voor de arme ziel een kapitaal, waarvoor zij den diepsten eerbied koesterde. Zij was zoo gewoon hare inkomsten slechts bij stuivers en centen te ontvangen, dat dertig gulden voor haar een schat vertegenwoordigde, waarmede zij bijna zoo rijk werd als een koning.