Wilde Bob

Part 3

Chapter 34,259 wordsPublic domain

»Op deze manier kan ik den schoenmaker mooi ontwijken,» mompelde hij vergenoegd, terwijl hij zich de handen wreef van plezier. »Maar toch,» liet hij er op volgen, »toch val ik hem den eenen of anderen keer beslist in handen, dat kan niet uitblijven. Op een dorp ontmoeten de menschen elkander dagelijks, en dus zal ik den schoenmaker ook wel eens onverwachts voor mij zien. Och ja, -- ik had ook veel wijzer gedaan, als ik dat domme kind doodbedaard pannekoeken met stroop had laten eten in plaats van pannekoeken alleen, -- maar daar is nu niets meer aan te doen. En bovendien -- als ik eenmaal den schoenmaker tegen 't lijf loop, is hij het heele historietje misschien al vergeten. Wel ja, een mensch kan toch alles niet zijn leven lang onthouden!»

Die laatste gedachte scheen Bob zoo gerust te stellen, dat hij de toekomst plotseling niet donker meer inzag, en van pret een deuntje ging fluiten. Hij was nu Bos' bruggetje genaderd, en wilde er juist overgaan, toen hij zich bij zijn naam hoorde roepen.

De Heer Bos had een winkel in allerlei ijzerwaren aan het einde van het dorp, eigenlijk op een bijzonder ongelegen plaats, daar hij aan den overkant van het water woonde aan den achterweg en dientengevolge moeilijk te bereiken was. Hij had dat zelf zeer goed ingezien en daarom een bruggetje over het water laten leggen, dat zijn persoonlijk eigendom was en geheel door hem werd onderhouden. Die brug werd altijd Bos' bruggetje genoemd, en was ten algemeenen nutte. De zaak in ijzerwaren en landbouwgereedschappen werd eigenlijk niet door hem alleen gedreven; hij had een compagnon, een vrijgezel, die bij hem in pension was. Hij was ongetrouwd, vroolijk van aard, overal een welkom gast en -- een man met een echt jongenshart, waarmede ik bedoel, dat hij veel van jongens hield en hun dikwijls een genoegen deed. De heer Denappel, (zoo heette hij) had nooit grooter vermaak, dan als hij ons, jongens, eens een groot genoegen kon doen, waarvoor hij zich dikwijls zeer veel moeite getroostte.

Deze heer Denappel nu was het, die Bob geroepen had.

»Dag mijnheer!» riep Bob, toen hij hem zag.

»Zoo, Wild Bobje, -- kom jij eens hieg!»

Bob kwam. Dat de Heer Denappel onmogelijk de r kon uitspreken en er altijd eene g van maakte, hoorden wij al niet eens meer, zooveel hielden wij van hem. Hij brouwde anders wel buitengewoon erg.

»Waag zijn je stelten, Bobje?» vroeg hij lachend, want hij mocht Bob graag lijden.

»Die heeft de meid van dokter Doreman, mijnheer,» zei Bob.

»Zoo? -- Waagom? -- Hè-hè-hè-hè! Moet Mina ook stelten leegen loopen? Hè-hè-hè-hè!»

Mijnheer Denappel had een verbazend leelijk lachje over zich, want hij lachte altijd met eene è-klank, en bovendien sprak hij sterk door zijn neus. Geloof ook maar gerust, dat wij hem dikwijls uitgelachen zouden hebben, als hij -- niet zoo aardig jegens ons geweest was. Nu hielden wij veel te veel van hem, om zoo iets te doen.

»Dat weet ik niet, mijnheer, maar ik ben ze kwijt, en ik zie geen kans om ze terug te krijgen.»

»Dat is leelijkeg voog je, Bob, want ik wou je juist vgagen of je lust hebt, om mede te doen aan eene hagdloopegij op stelten. Zou je dat niet willen?»

»Niet willen! O ja, mijnheer, -- asjeblieft, heel graag. Wanneer doen we het?»

»Vandaag oveg eene week, dus op Zategdag, 's middags om één uug. De pgijs is een pgachtig boek van Gobinson Cgusoë, in een mooien blauwen band, en de tweede pgijs is de Bagon van Munchhausen, ook een mooi boek. De degde pgijs is een pogtemonnaie, maag ik houd het gecht, die te geven aan wien ik wil. Nu, hoe bevalt het je?»

»Heerlijk, mijnheer, prachtig! En mag iedereen meêdoen? En waar is het?»

»Hieg, op den achtegweg, en iedegeen mag meedoen. Noodig jij alle jongens maag uit in mijn naam, wil je dat doen?»

»Met alle genoegen, mijnheer!»

»En zouden ze eg lust in hebben?»

»Of ze, dat kan u begrijpen!»

»Mooi, mooi. Maak jij nu maag, dat je je stelten tegug kgijgt, want andegs gaat de pget jou neus voogbij, hè-hè-hè-hè! Dag Bob!»

»Ja mijnheer, wist ik maar hoè!»

»O, Bob, zeg maag, dat je haag wel eens een pleizieg zal doen, doog bij voogbeeld de glazen eens te helpen wasschen, als ze dat doen moet, -- hè-hè-hè-hè? -- dan zal ze je misschien je kwaad wel veggeven, hè-hè-hè-hè!»

Ha zoo! Mijnheer Denappel wist er dus alles al van! Zeker had hij eene visite bij den dokter gemaakt en daar het gebeurde vernomen. En nu moest hij natuurlijk Bob eens goed plagen.

»Dag Bob, tot Zategdag dus! Maak maag, dat je den pgijs wint, hoog!»

Bob groette en vervolgde zijn weg, natuurlijk recht in zijne nopjes over het aanstaande feestje.

»En mijne stelten zal ik wel terugkrijgen,» mompelde hij. »Ik mòèt ze terughebben, -- dat spreekt van zelf!»

Toen ik 's middags gegeten had, ging ik dadelijk naar Bob en vernam van hem, wat de heer Denappel gezegd had. Dat ik mijne stelten medegenomen had, behoef ik niet te zeggen, want in den steltentijd liepen wij er zelfs op, als we even eene boodschap in den winkel moesten halen. Alleen naar de kerk mocht ik ze nooit meênemen.

Bob en ik waren in den tuin.

»Zeg Dorus,» zei hij op den toon van volslagen wanhoop, »bedenk jij nu toch eens een middel, om ze terug te krijgen. Als ik me niet oefenen kan, heb ik natuurlijk in het geheel geen kans om den prijs te winnen. Had ik die spuit ook maar met rust gelaten. 't Komt alles van dat leelijke ding.»

»Ja, -- en ook van je idée, om Mina nat te spuiten in plaats van de ramen.»

»Nu ja, -- dat is waar, -- maar hoe krijg ik ze terug? Zie je, dat is op dit oogenblik de hoofdzaak.»

»Wel, ga ze terugvragen.»

»Dank je, Dorus! Wat zou ik er van langs krijgen! Ik wed, dat ze me kopje onder in eene waschtobbe stopte!»

»Best mogelijk. Zeg Bob, kunnen we van uit dat dakvenster van jelui huis niet in den tuin van den dokter kijken?»

Opeens klaarde Bobs gezicht heelemaal op. Hij nam zijn stroohoed van zijn hoofd en zwaaide er lustig meê in het rond. Toen wierp hij hem hoog in de lucht en ving hem weer netjes op zijn krullebol op, een kunststukje waar ik erg jaloersch op was en dat ik hem maar niet kon nadoen, niettegenstaande ik het wel al honderdmaal geprobeerd had.

»Hiep-hiep-hoera! Gevonden! -- Gevonden! Dorus! Jij bent een slimmerd, hoor! Kom jò, dan gaan we dadelijk naar boven. Hoe dom, dat ik daar niet eerder aan gedacht heb. Zeg Dorus, dan neem ik mijn verrekijker mede.»

»Ja, doe dat!»

In een wip waren we de beide trappen opgeklommen, want het huis van mijnheer de Wild had twee verdiepingen, en nu kwamen we gewapend met den verrekijker op den zolder.

»Zeg jò, nog niet kijken!» zei Bob. »Eerst den kijker goed uit elkaar halen.»

Blijkbaar was hij bang, dat ik de stelten met het ongewapende oog reeds zou ontdekt hebben, voordat hij nog met zijn instrument gereed was, en dan zou de helft van het genoegen verdwenen zijn, wat ook precies mijn idée was.

Spoedig stonden we nu voor het raam, dat over een land, een tuin en een paar hagen heen, uitzicht gaf op den tuin van den dokter. Bob hield den kijker voor het oog en doorzocht met het gewichtig gevoel van een soldaat, die een vijandelijk kamp verkent, het terrein.

»Mis hoor!» zei Bob terneergeslagen. »Ik zie ze nergens. Ze heeft ze zeker hier of daar weggestopt.»

»Misschien wel in de keuken,» zei ik.

»Ja, -- of in het schuurtje. Ik althans zie ze niet. Zoo'n akelige meid, -- 't zijn hààr stelten toch niet?»

»Zeker niet! Laat mij ook eens kijken, Bob?»

»Dààr!»

Bob gaf mij den kijker en ik keek overal rond. Nu was dat instrument bijna geheel niet noodig, want de tuin lag zoo dicht bij ons, dat wij met het bloote oog alles best konden onderscheiden. Maar die kijker bracht, naar wij meenden, iets eigenaardigs aan onzen verkenningstocht.

Eindelijk gaf ik het op.

»'k Zie ze niet!» zei ik met een zucht. »Je bent je stelten kwijt, Bobbertje.»

»'t Is wat moois! Hoe moet ik nu met den wedstrijd meêdoen, als ik geen stelten heb? Ik vind het erg flauw van Mina. Laat mij nog eens kijken?»

Maar Bob had evenmin succes als ik. Opeens echter ontdekte ik ze met het bloote oog, waar wij ze met den kijker niet hadden gezien.

»Kijk eens, dáár, Bob, -- dáár, vlak onder het keukenraam, op den grond! Daar liggen ze!»

Bob zette den kijker van zijn oog -- want zonder dat voorwerp zagen wij veel beter, hoewel wij dat natuurlijk voor geen honderd gulden hadden willen bekennen, -- en nu zag hij ze ook.

»'t Zijn ze, Dorus! Die aap! Ze heeft ze vlak onder het keukenraam gelegd om ze goed onder haar bereik te hebben.»

Bob zette nu den kijker weer voor het oog en richtte hem op de stelten.

»Ja hoor, nu zie ik ze duidelijk; 't zijn ze! Kijk maar, jò, nu kan je ze pas goed zien.»

Nu, dat was waar.

»Maar hoe ze nu terug te krijgen, Bob?»

»Dat zal ik je zeggen, -- ik ga ze doodeenvoudig halen. Ik ga over het slootje achter onzen tuin, kruip langs den slootkant het land over, spring over de sloot van den dokter, kruip langs de besseboomen daar ginds naar het keukenraam en pak ze dan vlug weg. Kijk, het bovenraam staat open. Ik wed, dat Mina boven aan het werk is, want het is Zaterdag en dan hebben de meiden het altoos druk. Juist, ik doe het.»

»'t Is een waagstuk, Bob,» meende ik te moeten opmerken. »Als ze je snapt, ben je er bij.»

»Gloeiend, dat is zeker,» stemde Bob toe.

»Of als de dokter je ziet.....»

»Die is uit! Ik heb hem zien uitrijden.»

»Of mevrouw! Die is toch in elk geval thuis.»

»Ja, dat is waar. Nu hoor, ik waag het er toch op. Mijne stelten moet ik terug hebben, dat begrijp je, vooral nu mijnheer Denappel dien wedstrijd organiseert. Zeg Dorus, houd jij hier met den verrekijker de wacht voor het raam, en als je onraad ziet, laat je ons gewone signaal hooren, dan kies ik dadelijk het hazepad. Doe je het?»

»Natuurlijk, dat spreekt van zelf.»

»Goed! Dan ga ik. Goed uitkijken, hoor! En zoodra je maar den band van eene vrouwenmuts ziet, waarschuw je. Kan ik daarop rekenen?»

»Volkomen.»

»Tot straks dan!»

Bob vertrok, en ik bleef in groote spanning achter. Den kijker hield ik voortdurend op het keukenraam gericht, hoewel Bob het ons beschermende dak nog niet eens verlaten kon hebben.

Een oogenblik later hoorde ik zijn signaal beneden in den tuin, hetwelk ik onmiddellijk beantwoordde. Nu kon ik hem zien gaan. In gebogen houding sloop hij den tuin door, hoewel daar natuurlijk niet het minste gevaar dreigde. Hij sprong behendig over het slootje en kroop langs den kant langzaam verder. Ik volgde hem met mijn kijker. Nu was hij den tuin van den dokter genaderd. Hij behoefde maar eene sloot over te springen om er in te komen. Doch juist op het oogenblik dat hij den sprong wilde doen, zag ik de achterdeur opengaan en Mina buiten verschijnen. Zij bleef een oogenblik stilstaan, keek eens naar de lucht, nam een paar frambozen van een struik, raapte toen de stelten op en bracht ze in het schuurtje.

Zoodra zij verschenen was, liet ik mijn waarschuwend signaal hooren. Dadelijk maakte Bob zich zoo klein mogelijk en hield zich onbeweeglijk aan den kant van de sloot, tot Mina weer vertrokken was. Zelfs toen bleef hij nog eenigen tijd zitten.

Ik vertrouwde de zaak nu echter in het geheel niet meer, en liet mijn signaal hooren, wat door Bob beantwoord werd. Even later zag ik hem den terugtocht aanvaarden, en weldra was hij weer bij me op den zolder.

»Dat was toevallig, hè?» zei hij ernstig.

»Al te toevallig, Bob,» meende ik. »Geloof gerust, dat zij lont geroken heeft. 't Is toch een slimmerd.»

»Ja, -- maar toch kan het best zijn, dat zij geen erg in mij heeft gehad en alleen maar trek kreeg in een paar framboosjes. Zij heeft mij onmogelijk kunnen zien, zou ik zeggen.»

»Dat is waar. Bovendien zag ze er heel onverschillig uit, volstrekt niet, of zij iets kwaads in den zin had. 't Is alleen maar zoo buitengewoon opmerkelijk, dat zij nù juist buiten kwam en de stelten in het schuurtje bracht.»

»Alles goed en wèl, maar ik moet ze terug hebben,» zei Bob. »Over een kwartier waag ik het weer.»

Wij begonnen nu geduldig te wachten, tot er tijd genoeg verloopen zou zijn om met eenige kans op succes den tocht voor de tweede maal te ondernemen.

Eindelijk ging Bob.

Weer klonk in den tuin zijn signaal, -- weer sprong hij over de sloot en sloop hij langs den slootkant verder, weer had hij den tuin van den dokter bereikt. Hij keek even op naar mij, als om te vragen, of alles veilig was. Ik nam het terrein op en -- zweeg, want alleen in geval van nood zou ik mijn signaal doen hooren.

Wip! -- daar sprong hij over de sloot in den tuin van den dokter, en behoedzaam zag ik hem verder kruipen onder de besseboomen door, die hem bijna geheel aan het gezicht onttrokken. Ik zeg bijna, want soms moest hij eene plek oversteken, waar geen boomen stonden. Hij kroop dan bijna op zijn buik over den grond.

Alles ging goed. Met arendsblikken volgde ik hem in al zijne bewegingen, tevens goed oplettende, of er ook onraad dreigde. Ha! nu had hij het schuurtje bereikt. Langzaam zag ik de deur ervan opengaan, doch slechts zoover als noodig was, om Bob door te laten. Nu verdween Bob in het schuurtje.....

O heden! Nauwelijks was hij daarbinnen geslopen, of de keukendeur ging snel open en daar verscheen plotseling de vijand -- Mina.

Met kracht liet ik mijn signaal hooren, hoewel mijn gewone toonreeks mij mislukte van den schrik.

Mina ijlde naar het schuurtje!

Ik verzamelde mijne tegenwoordigheid van geest en floot zoo hard ik kon.

Mina had de deur bereikt.

Maar Bob had mijn signaal gehoord. Ik zag de deur opengaan. Nog een oogenblik en hij zou gered zijn.

Flap! Daar sloeg Mina de deur met kracht toe en schoof er den grendel voor.

Bob was gevangen.

Ik zag Mina schateren van de pret, ja ik hoorde haar zelfs lachen. Zoo'n akelige meid!

In de grootste verslagenheid zag ik het aan, hoe zij in de keuken verdween, ongetwijfeld met het stellige voornemen Bob niet voor den laten avond uit zijne gevangenis te ontslaan.

Doch hij moest gered worden, dat stond bij mij vast. De vraag was alleen maar, hoe dat gedaan moest worden.

Hoe ik evenwel peinsde, ik zag er geen kans toe, en besloot daarom ten einde raad naar mijn vriend Karel Holm te gaan, die nu ongetwijfeld wel uit Haarlem thuisgekomen zou zijn.

Ik verliet daarom het huis van mijnheer de Wild en ging op weg naar Karels huis. Hij was de zoon van den architect, en wel diens eenig kind. Wij hielden allen bijzonder veel van hem, wat geen wonder was, daar hij een echt fideel karakter bezat. Ik twijfelde dan ook niet, of hij zou niet rusten, voor het ons gelukt was, Bob in vrijheid te stellen. Een kameraad in den steek laten zou hij nooit doen.

Het bleek mij al spoedig dat ik mij niet vergist had, want nog had ik zijne woning niet bereikt, toen ik hem reeds tegenkwam.

»Zoo Dorus!» klonk zijn groet.

»Zoo Karel! Al terug?»

»Zooals je ziet. Ik kwam juist naar je toe.»

»En ik naar jou. Zeg Karel, er is iets aan de hand. Bob zit opgesloten in het schuurtje van den dokter.»

»Bob opgesloten? -- In het schuurtje van den dokter?» zei Karel in de grootste verbazing. »Wie heeft dat gedaan?»

»Mina, de meid.»

Nu vertelde ik hem in geuren en kleuren, wat er gebeurd was. Eerst moest hij er om lachen, maar later keek hij ernstig.

»Ja, zie je,» zeide hij, »dan is het ook zijn eigen schuld. Maar enfin, dat doet er niet toe, geholpen mòèt hij worden. Wij kunnen hem niet aan zijn lot overlaten.»

»Juist, Karel, precies mijn idée, -- maar hoe?»

»Ja, dat is de moeilijkheid. Zeg Dorus, wij moesten den vijand van twee kanten kunnen bestoken. Wisten wij maar eene boodschap bij den dokter te bedenken, dan waren wij klaar. Want als er een van ons daar aanbelde was Mina gedwongen om open te doen. Middelerwijl kon de ander het schuurtje ontsluiten en Bob verlossen.»

»Daar zeg je zoo iets, Karel. Jongen, dat is een prachtig idée. Hadden wij maar eene boodschap!»

»Ja, maar die hebben we niet. -- Maar wacht eens -- ha, daar bedenk ik wat. Je weet, dat Pa van 't voorjaar zoo lang ziek geweest is en geruimen tijd onder behandeling van den dokter was?»

»Zeker, dat herinner ik mij nog heel goed.»

Nu -- en toen heeft Pa wel een twintig drankjes gebruikt, waarvan alle ledige fleschjes nog bij ons in het schuurtje staan. Onlangs heb ik ze alle moeten omspoelen, en heeft Moe tegen me gezegd, dat ze eens naar den dokter teruggebracht moesten worden. Zeg jò, niets belet ons, om dat nu te doen.»

»Uitstekend! Zeg Karel, dan bel jij aan en terwijl Mina dan aan de voordeur is, sluip ik den tuin in en maak het schuurtje open. Dat wordt eene leuke historie, Karel!»

»Of het. Kom, laten we dadelijk gaan.»

Wij deden de fleschjes in eene ledige mand en Karel vroeg zijne Moe verlof, ze weg te brengen, wat heel goed gevonden werd.

Samen gingen wij met ons vrachtje op weg, tot aan de brug, waar onze wegen scheidden.

»Nu ga jij door den tuin van den notaris naar het schuurtje en als je achter het huis van den dokter gekomen bent, laat je het signaal hooren. Tot zoolang zal ik met aanbellen wachten. Is dat afgesproken?»

»Best,» zei ik. »Maar zouden wij het fluiten van elkander kunnen hooren? Het huis en de tuin van den dokter liggen tusschen ons.»

»O ja, gemakkelijk! Hallo, jò, vooruit maar! Ik krijg er zin in. Voorzichtig, hoor!»

»Dat spreekt, en jij niet te vroeg bellen.»

»Niet, voordat ik je signaal gehoord heb.»

»Houd je goed, tot straks dan! En houd Mina wat aan den praat, als je kunt.»

»Laat dat maar aan mij over. Ga nu, Dorus!»

Ik ging, en volgde natuurlijk denzelfden weg, die ons Bobje zoo noodlottig geworden was.

Zoodra ik de sloot achter dokters tuin bereikt had, liet ik het afgesproken teeken hooren, wat dadelijk van twee kanten beantwoord werd, namelijk van de zijde der voordeur, waar Karel gereed stond aan te bellen, en door Bob uit het schuurtje.

Ik wachtte nu nog een oogenblik, ten einde Karel de gelegenheid te geven om aan te bellen en Mina naar de voordeur te lokken, en sprong over de sloot. IJlings en in gebogen houding spoedde ik mij naar het schuurtje. Mijn hart klopte hoorbaar, zoo verkeerde ik in angst, dat onze krijgslist mislukken zou, en schichtig keek ik naar alle zijden om mij heen.

Bij het schuurtje gekomen richtte ik mij vlug als eene kat op, schoof den grendel weg, en opende de deur.

Op hetzelfde oogenblik stond Bob naast me, met zijne stelten in de hand. Maar o jé, daar had me de bengel zoo waarlijk eene oude muts van Mina opgezet en een boezeltje van haar voorgedaan.

»Dáár, pak aan!» zei hij, terwijl hij me zijn stroohoed toewierp. En in plaats van weer over de sloot te springen en denzelfden weg terug te gaan, dien hij gekomen was, stapte hij doodbedaard op zijne stelten en ging met groote schreden den tuin door, langs den stal en zoo den weg op.

Ik ijlde hem vooruit.

O, o, wat leverde hij een dwaas gezicht op, met dien boezelaar voor en die muts op, en dan op stelten.

Karel stond nog aan de voordeur met Mina te redeneeren, toen hij ons zag aankomen. Hij proestte het uit van lachen, en o, wat keek Mina boos, toen zij bemerkte, wat er gebeurd was.

»O, jullie ondeugende bengels! Dat is afgesproken werk! Wil jij wel eens gauw mijne muts afzetten en dien boezelaar afdoen!»

Doch Bobje wandelde doodbedaard met groote stappen over den weg heen en weer, en hij zette het ernstigste gezicht van de wereld.

Een oogenblik later kwam Mina den hoek van het huis om, met den stoffer in de hand. Ze was meer dan boos. Toen werd het hoog tijd voor Bob om het hazenpad te kiezen, wat hij dan ook deed.

Mina keerde naar hare keuken terug, rood van boosheid, en wij raadden Bob aan, de beide kleedingstukken terug te geven. Eerst had hij daar niet veel lust in, maar toen wij zeiden, dat hij verplicht was het te doen, maakte hij er een klein pakje van en bracht ze aan Mina terug. Dat durfde hij gerust doen, daar hij overtuigd was, dat hij toch veel harder loopen kon dan zij. Hij deed de keukendeur open en wierp het pakje naar binnen. In hetzelfde oogenblik nam hij overhaast den terugtocht aan, zoodat Mina zelfs geen tijd had hem een enkel woord toe te voegen.

Och, och, wat hadden wij een pret over dit voorval.

»'t Was goed, dat jelui me verloste,» zei Bob, »want ze had me beloofd, dat ik er tot donker in zou blijven. Maar dat had zij toch mis!»

VIERDE HOOFDSTUK.

Waarin Bob eerst voor mijnheer Denappel en daarna voor visch speelt.

Wij gingen eerst met Karel Holm meê naar zijn huis, om zijne stelten te halen, en begaven ons toen naar het marktplein, dat midden in het dorp gelegen was, en waar wij zeker waren, eenige jongens te vinden om mede te spelen.

Eerst had Bob niet bijzonder veel lust, om naar de markt te gaan, omdat de schoenmaker daar wel wat te dichtbij woonde voor het mooi, naar hij zeide.

Maar toen wij er inderdaad eenige jongens van onze klasse aantroffen, was hij het gevaar, dat hij van den kant van den schoenmaker liep, weldra geheel vergeten. Nu was het waar, dat deze er heel dicht bij zijne woning had en menige jongen zou in Bobs geval zich wel tweemaal bedacht hebben, eer hij zich daar waagde, maar het moet gezegd worden: Bob kende geen vrees en hij was bijna voor niets bang.

Toen wij pas op de markt waren, keek hij eerst wel een paar malen voorzichtig uit, of de gevreesde vijand ook naderde, doch toen zijne vrees ongegrond bleek te zijn, vergat hij weldra zijn voorzorgsmaatregel geheel en wijdde hij zich geheel aan het spel.

Zooals ik zeide troffen wij op het marktplein reeds eenige jongens aan, met wie wij dikwijls speelden. Zoo zagen wij daar Dirk Langeraar, den zoon van den metselaar, Cor Valk, van den directeur van het post- en telegraafkantoor, Karel Buurs, van den timmerman, Tines Wobbe, Adriaan Bolt, Arie Kooi, die evenals ik zoons van bloemisten waren en Huibert de Leeuw, van den korenmolenaar. Allen hadden zij hunne stelten bij zich.

Met een luid hoera werden wij bij onze komst begroet, en dat wij dadelijk begonnen te vertellen, wat wij beleefd hadden, spreekt van zelf. Wat hadden de andere jongens er een pret in.

»Zeg Bob, je hadt dien boezelaar en die muts moeten houden,» zei Tines Wobbe, »dan hadden wij er nu nog eens lekker pret mede gemaakt.»

»'t Was al mooi genoeg!» zei Karel Holm. »Mina was nu al genoeg geplaagd.»

»Je kunt ze nooit genoeg plagen,» zei Tines met een grijnslachje, dat wij nooit goed van hem konden uitstaan. Eigenlijk hielden wij geen van allen van hem, want hij ging nooit recht door zee en was ver van eerlijk. Wij vertrouwden hem nooit, en als wij eens eene grap gingen uithalen, die wij voor anderen niet weten wilden, hielden we hem altoos buiten het geheim. Nu weet ik wel, dat wij ook zulke erg brave jongens niet waren, maar klikken zouden wij van elkander nooit doen, -- en dat deed hij wel. Als hij kwaad tusschen ons kon stoken, zoodat wij er eindelijk twist door kregen, had hij de grootste pret, en dan lachte hij in zijn vuistje. Maar zelf was hij alles behalve een held. Neen, wij hielden niet van hem, en als we hem een poets konden bakken, zouden we het nooit nalaten.

»Jongens! Ik heb nieuws!» viel Bob de anderen in de rede.

»Goed nieuws?» klonk het terug.

»Luisteg!» zei Bob, die nu plotseling de spraak van den Heer Denappel ging nabootsen, waar hij bijzonder goed slag van had. »Ik noodig alle jongens van het dogp uit, vandaag oveg eene week hieg op den achtegweg te komen, 's middags om één uug, tot het houden van een wedstgijd in het hagdloopen op stelten.»

»Echt waar? Zeg Bob, is het echt waar?» vielen de jongens hem vroolijk in de rede, niet weinig lachende om den toon, waarop hij sprak. Als iemand, die het niet wist, hem gehoord had, zou hij stellig gemeend hebben, dat het de Heer Denappel was, zoo precies bootste Bob hem na. Hij sprak geweldig door den neus en brouwde zoo sterk mogelijk.

»'t Is waag, hoog, volkomen waag!» zei Bob op zijn grappigsten toon.

»Hoera! Hoera! Leve mijnheer Denappel!» klonk het opeens uit aller mond.

»Sssssss! stilte!» gebood Bob. »Luisteg, jongens, ik ben nog niet uitgespgoken. De eegste pgijs zal bestaan in een fgaai boek in pgachtband, genaamd Gobinson Cgusoë...»

»Hoera! Hoera! Lang zal hij leven!»