Part 14
»En waar zijn die jongens nu?»
»Nog in den toren, Pa. Toe, ga er als het u belieft dadelijk heen, want zij weten niet, wat zij er mede moeten doen.»
Ik deed de deur voor Pa open en meende hem voor te gaan. Maar Pa zeide:
»Jij blijft hier op je post, -- begrepen, Dorus?»
»Ja, Pa.»
Beschaamd keerde ik naar mijn klavier terug, dat ik zoo schandelijk verlaten had. Het gezang was nu geëindigd, en ik zocht de muziek gereed voor het laatste zingen. De dominee begon aan het tweede gedeelte van zijne predikatie.
Wat had ik een flater begaan! En wat zou ook de meester boos op mij zijn. Eerst moest ik daar onophoudelijk over denken, doch al spoedig gingen mijne gedachten zich bezig houden met hetgeen in den toren gevonden was, en ik bedacht, hoe heerlijk dat moest zijn voor Van der Vliet en zijne vrouw, wier onschuld nu zoo duidelijk aan het licht gekomen was. Want het was niet aan te nemen, dat zij dat geld daar zouden hebben verstopt. Zij kwamen immers nooit in den toren?
Maar wie kon dan de dader geweest zijn? Vruchteloos spande ik mij in, om het antwoord op die vraag te vinden. Tot mij opeens in de gedachten schoot, dat dit niemand anders kon zijn dan Arie de Zwaan, de neef van den koster, bij wien al eenmaal huiszoeking was gedaan.
Ik hoorde, hoe iemand de trap afkwam. De deur ging open en Bobs gelaat verscheen om den hoek.
»Wees maar niet bang, Dorus, 't zal best voor je afloopen, hoor. Nu dat geld hier gevonden is, zullen de menschen over het orgel bijna niet denken. En je Pa is niets boos. Dag! Ik ga den burgemeester halen. Je Pa heeft het mij bevolen.»
En weg was hij. Ja, hij had gelijk. Nu dat geld ontdekt was, zou mijne domme daad spoedig op den achtergrond gedrongen zijn. Maar dat nam niet weg, dat ik toch het vertrouwen van mijne ouders en den onderwijzer ernstig moest hebben geschokt, en dat deed mij veel verdriet. Van de preek hoorde ik dien morgen weinig of niets, want mijne gedachten kon ik er onmogelijk bijhouden. Ik hoorde bijna niet eens, dat de dominee amen zeide.
Eindelijk werd de slotzang opgegeven.
Ik speelde dien zoo goed ik kon, om mijne fout zooveel mogelijk te herstellen, en terwijl de menschen de kerk verlieten, gaf ik mijn mooiste stuk ten beste.
Juist op dat oogenblik kwam Bob terug in gezelschap van den burgemeester en van Tip, die heel gewichtig keken en met groote schreden door eene zijdeur de kerk binnenstapten. O, wat waren de kerkgangers nieuwsgierig naar hetgeen zij daar gingen doen, maar niemand werd daarbinnen toegelaten. Dat ik naar boven in plaats van naar huis gegaan was, spreekt vanzelf.
Zoodra de burgemeester bij het uilennest aangekomen was, moest Bob alles vertellen, wat er gebeurd was. En hij was tot mijne vreugde zoo eerlijk, om zelfs te zeggen, dat hij tegen mijn zin bij het orgel gekomen was en daar een stoel had gebroken; dat hij daarna de vlucht had genomen, uit vrees, dat de koster komen zou om hem weg te jagen, en naar boven geklommen was, om nog eens naar het uilennest te kijken, dat wij daar voor eenigen tijd ontdekt hadden.
»Is dat alles waar?» vroeg de burgemeester.
»Ja mijnheer, volkomen waar!» stemden wij toe.
Pa gaf mij stilzwijgend eene hand, ten bewijze, dat hij mijne fout vergaf.
Maar Bob zag het, en hij zeide tegen Pa:
»Ja mijnheer, Dorus heeft in het geheel geen schuld, want hij had mij verboden te komen. Maar toen ik zag,» aldus vervolgde hij tot den burgemeester, »dat de vogels weggegaan waren, zeker omdat zij door iemand waren opgejaagd, kreeg ik lust, om het nest eens van onderen te bekijken en daar ontdekte ik dat geld en de zegels. Arie de Zwaan heeft dat alles daar zeker verstopt.»
»Stil jongen,» zei de burgemeester. »Ik vraag je geen namen, want daar weet je immers niets van?»
Maar ik zag, dat hij knipoogde tegen Pa, en dat die beide heeren een bijna onzichtbaar glimlachje niet bedwingen konden.
»Hoe wist je, dat de vogels gestoord waren in het broeien?» vroeg de burgemeester.
»Omdat ik voelde, dat de eieren koud waren, mijnheer,» antwoordde Bob. »Arie de Zwaan -- o, ik bedoel, de dief is hier zeker dikwijls geweest, want anders zouden de uilen niet zoo bang geworden zijn, dat zij de eieren in den steek lieten.»
»Zoo, -- hm, ja, dat kan wel zijn. Nu, ik heb alles hier gezien en zal er proces-verbaal van opmaken. Jelui moet van middag om één uur bij me op het raadhuis komen, alle drie, goed begrepen?»
»Ja burgemeester.»
»Je kunt nu gaan, maar vergeet het niet, hoor: om één uur. Het gevondene zal ik meênemen.»
Wij verlieten den toren en gingen in druk gesprek huiswaarts. Toen wij voorbij de kosterswoning kwamen, zagen wij, hoe Arie de Zwaan, die zeker den burgemeester en den veldwachter voorbij en in den toren had zien gaan, onrustig voor het huis heen en weer liep. Zoodra hij ons zag, vroeg hij:
»Wat is er in den toren te doen, jongens?»
»Daar heb je den dief, geloof dat gerust,» fluisterde Bob ons toe. »Wat ziet hij bleek!»
En luid antwoordde hij:
»In den toren? Op dit oogenblik niets.»
Dat was volkomen waar, want wij zagen den burgemeester, Pa en Tip juist naar buiten komen.
De burgemeester gaf Pa de hand en begaf zich, door den veldwachter gevolgd, regelrecht naar de kosterswoning, waar Arie hen in zenuwachtige spanning afwachtte. Dat hij zenuwachtig was, konden wij best aan zijne gejaagde bewegingen zien.
De koster en diens vrouw kwamen juist uit hun huis, toen de burgemeester Arie genaderd was. Wij zagen, hoe hij hem de hand op den schouder legde, en wij hoorden hem zeggen: »In naam der wet, Arie de Zwaan, neem ik u gevangen.»
Verschrikkelijk, wat vonden wij dat pijnlijk. Wij zagen hoe Arie's tante haar gelaat met de handen bedekte en in tranen uitbarstte.
»Komt, jongens,» zei Pa zacht, want die was ons nu genaderd, »komt, laten we naar huis gaan. Dat is een treurig schouwspel, niet waar?»
Zonder spreken vervolgden wij onzen weg. Maar Jan ijlde ons vooruit, om zijne ouders de blijde boodschap te brengen. Wat zal in de eenvoudige woning groote vreugde hebben geheerscht!
VEERTIENDE HOOFDSTUK.
Besluit.
Het geheele dorp was dien dag verder in rep en roer, over hetgeen er gebeurd was. Er werd bijna over niets anders gesproken dan over Bobs vondst en de gevolgen daarvan. Dat die vooral voor de Van der Vliets hoogst gewichtig waren, is gemakkelijk te begrijpen.
En wat bracht de gevangenneming van Arie de Zwaan eene geweldige opschudding teweeg. Overal zag men de menschen voor de ramen of op de straat verschijnen, toen hij tusschen den burgemeester en den veldwachter naar het raadhuis werd gevoerd, waar hij voorloopig in het gevangenhok werd opgesloten. Met neergeslagen oogen liep hij tusschen zijne bewakers voort, ongeboeid, dat is waar, maar toch scherp bewaakt.
's Middags maakte Kees van der Vliet met zijne vrouw eene wandeling door het dorp. Hun gelaat straalde van vreugde, en zij liepen met het hoofd fier omhoog. Ieder die hen tegenkwam, maakte een praatje met hen, en allen féliciteerden hen met de gunstige wending, die de zaak genomen had.
't Was grappig te hooren, hoe de menschen zeiden, dat zij altoos wel aan hun onschuld hadden geloofd, en die vroeger het meeste van hen te zeggen hadden gehad, waren nu de eersten, die het tegenovergestelde betuigden.
Arie de Zwaan ontkende tegenover den burgemeester met groote beslistheid, dat hij den diefstal had gepleegd, en wat de burgemeester ook deed, hij bleef halsstarrig bij die verklaring.
's Middags om twee uur, nadat wij op het raadhuis waren geweest, waar de burgemeester ons het proces-verbaal had voorgelezen, werd Arie de Zwaan per rijtuig en onder strenge bewaking naar Haarlem gevoerd, waar hij in de gevangenis werd opgesloten. En toen hij den volgenden dag voor den Officier van Justitie werd gebracht legde hij eene volledige bekentenis af. Ja, hij had 's nachts het raam weten open te schuiven en al het aanwezige geld gestolen, en om de verdenking van zich af te werpen, had hij de drie gouden tientjes bij Van der Vliet onder de deur doorgeschoven, daar hij gezien had, dat deze met zijne vrouw dien dag bij den Directeur hadden gewerkt.
De rechtbank veroordeelde hem tot eene langdurige gevangenisstraf. Zijn oom en tante, de koster en diens vrouw, waren zeer bedroefd over het slechte gedrag van hun neef. Toen hij later uit de gevangenis terugkeerde, hebben zij hem voortgeholpen om naar Amerika te emigreeren. Hier wisten zij geen raad meer met hem.
Over de slechte wijze, waarop ik mijne taak als organist had waargenomen, werd zeer weinig gesproken. Bob had het goed geraden: door het vinden van het geld werd over mijne afwezigheid op dat gedenkwaardige oogenblik niet meer gedacht. Zelfs de meester liet er niets van blijken, toen hij teruggekeerd was, en later heeft hij mij nog meer dan eens verzocht, als hij weer eens van huis moest, zijne betrekking voor hem waar te nemen. Daaruit kon ik tot mijne groote vreugde opmaken, dat hij mij zijn vertrouwen niet onwaardig keurde.
Maar Bob ging nooit weer met mij mede.
Dat kon hij ook niet, want korten tijd daarna heeft hij tot onze groote spijt het dorp verlaten. De reden daarvan was, dat zijne Moe ernstig ziek werd, zoodat men voor het behoud van haar leven vreesde. Dokter Doreman deed alles, wat in zijn vermogen was om haar beter te maken, doch zijne pogingen waren vruchteloos. Eindelijk werd er besloten, een professor te raadplegen. Deze kwam en raadde na een ernstig onderzoek aan, naar eene andere woonplaats te verhuizen, liefst naar een hoog gelegen dorp in Gelderland. Hij twijfelde niet, of daar zou zij hare verloren gezondheid terugvinden.
Och, wat was Bob in dien tijd stil en bedaard, want hij had zijne Moe innig lief. Wij zagen hem bijna niet meer op de straat en van spelen met ons was geen sprake. Hij was altoos thuis, waar hij de geliefde zieke met de teederste zorgen omringde.
Zijn Pa besloot, den raad van den professor op te volgen. Hij kon er echter niet toe besluiten, de lieve patiente alleen naar het vreemde oord te laten gaan. Daarom nam hij zijn ontslag als notaris en vestigde zich metterwoon te Oosterbeek.
Het speet ons meer, dan ik zeggen kan, dat Bob ons ging verlaten. Hij had nog geen vol jaar bij ons op het dorp gewoond, maar toch hielden wij allen innig veel van hem. Dat bleek het duidelijkst bij zijn vertrek. Sommige jongens stortten er zelfs tranen om.
Maar Karel Holm en mij speet het 't meest van allen, want wij hadden het meest met hem omgegaan.
»Dag Bob,» zeiden we bij het afscheid nemen, en onze oogen waren vochtig, evenals de zijne: »Het ga je goed, jô. 't Spijt me, dat je heengaat.»
»Mij niet minder; dag Dorus! dag Karel! Maar 't is om Moe, weet je. Als ik haar maar behouden mag.»
En hij mocht haar behouden; de professor had het goed ingezien. Van het oogenblik af, dat zij de Geldersche lucht inademde, begon zij te herstellen, en nog geen drie maanden daarna schreef Bob ons, dat zij volkomen beter was en hare krachten bijna geheel had teruggekregen.
»En jongens,» zoo eindigde hij zijn brief, »in de volgende zomervacantie mag je beiden hier komen logeeren, zeggen Pa en Moe. Vindt je dat niet heerlijk? Ik kan je niet zeggen, hoe blij ik ben. Zeg jongens, dan zullen wij nog eens echt pret maken. Adieu! Je vriend BOB.»
KAPITEIN MARRYAT's Jongensboeken.
De Geïllustreerde Werken van KAPITEIN MARRYAT.
De meest aanbevolen, meest boeiende en fraaiste boeken voor onze Jongens.
KAPITEIN MARRYAT is de Jongens-auteur bij uitnemendheid.
_Het Handelsblad_ zegt: "met gejuich worden zijne boeken steeds begroet. Slechts bewondering, geen critiek wordt zijn deel."
_Het Vaderland_ zegt: "MARRYAT veroudert niet en blijft steeds even aantrekkelijk."
_De Portefeuille_ noemt deze boeken: Gezonde en zeer gewilde jongenslectuur. MARRYAT was een onderhoudend verteller, die nooit iets aanstootelijks schreef, maar voortdurend wist te boeien.
De werken van KAPITEIN MARRYAT zijn verschenen in 2 uitgaven.
A. De =groote geïllustreerde uitgave met twaalf platen=, geteekend door JOHAN BRAAKENSIEK en JOS. SCHEIDEL. Hierin zijn nog voorhanden:
=De zoon van den Strooper= -- =Snarley Yow= -- =Frank Mildmay= -- =Onder de Hottentotten= -- =Stuurman Flink= -- =Rattlin de Zeeman= -- =Japhet de Vondeling= -- =Het Spookschip= -- =Jack Rustig=.
Prijs in geïllustreerd omslag [f] 1.50, gebonden [f] 1.90.
B. De =goedkoope geïllustreerde uitgave=. Elk deel in groot formaat hiervan is versierd met 8 platen en bevat ruim 350 bladzijden druks. -- Verschenen zijn:
=Pieter Simpel= -- =Het Koningskind= -- =Arme Jaap= -- =Jacob Eerlijk= -- =De Kinderen van het Woud= -- =De Landverhuizers van Canada= -- =De Zwerver= -- =De Kaper uit de vorige eeuw= en =Percival Keene=.
Prijs van ieder deel in een door JOHAN BRAAKENSIEK geteekend omslag [f] 0.90, prachtig gebonden [f] 1.25.
Geïllustreerde Werken van MARK TWAIN.
De Lotgevallen van Tom Sawyer, 6e herziene druk met platen van JOHAN BRAAKENSIEK.
De Lotgevallen van Huckleberry Finn (TOM SAWYER'S MAKKER). 2e druk met ruim 50 illustratiën.
De Reisavonturen van Tom Sawyer, met 30 fraaie platen.
Prins en Bedelknaap. 2e druk met ruim 50 illustratiën.
_Het Handelsblad_ zegt: De boeken van MARK TWAIN wemelen van leuke zetten, die ook ouderen met plezier kunnen lezen.
De prijs van bovenstaande vier werken van MARK TWAIN is ingenaaid [f] 1.50, geb. [f] 1.90 per deel.
Jongensboeken van G. A. Henty, vertaald door H. Th. CHAPPUIS.
Goedkoope geïllustreerde uitgave.
Als Nihilist naar Siberië, Roodhuiden en Grensroovers, Cowboys en Goudzoekers.
Alle geïllustreerd. Prijs ingen. [f] 0.90, geb. [f] 1.25.
Historische Werken van C. Joh. Kieviet.
FULCO DE MINSTREEL.
Een verhaal uit den tijd van Graaf JAN I.
Met platen van JOH. BRAAKENSIEK.
Prijs in geïll. omsl. [f] 1.50, in prachtband [f] 1.90.
IN WOELIGE DAGEN.
Een verhaal uit de jaren 1345-1351.
Met platen van L. R. W. WENCKEBACH.
Prijs in geïll. omsl. [f] 1.50, in prachtband [f] 1.90.
Opmerkingen van de bewerker:
Er komen in dit boek drie soorten nadruk voor: _cursief_, =vet= en +gespatieerd+.
Duidelijke drukfouten zijn gecorrigeerd, zoals b.v. "mêe" i.p.v. "meê", en "stellen" i.p.v. "stelten".
Geneste dubbele aanhalingstekens zijn gestandaardiseerd tot »"..."», waar dat nodig was voor de duidelijkheid.
Overigens is de originele spelling en interpunctie ongewijzigd overgenomen, ook ongebruikelijke woordvormen en inconsequent gebruik van trema's en accenten.