Part 11
Hij reikte de porte-monnaie aan Bob over en knipoogde bijna onmerkbaar tegen hem. Ik zag het en begreep nu zeer goed, dat hij opgemerkt had, hoe Bob met voordacht Jan den prijs had laten winnen, wat hij zeker eene mooie daad van Bob vond.
Bob bedankte hartelijk voor het mooie geschenk en was er zeer blijde mede. Hij deed de beugels open en dicht, en zeide tegen ons:
»'t Is eene beste, hoor haar maar eens flink dichtknippen.» En haar Tines bij het oor houdende zeide hij: »Luister maar, Tines, je kunt het best hooren.»
Tines luisterde, maar hoorde niets. Wel voelde hij plotseling eene hevige pijn in zijn oorlelletje, en dat was geen wonder, want Bob had zijn cadeau er zoo dicht bijgehouden, dat het vel er tusschen geknipt zat. O, o, wat schreeuwde Tines benauwd, en met de porte-monnaie aan het oor, sprong hij als een wilde door den tuin rond.
't Was een dwaas gezicht, waarover wij verbazend veel pret hadden. Bob stond te schudden van het lachen, en ik geloof zelfs op dit oogenblik nog, dat de ondeugd het er om gedaan had.
Mijnheer Denappel verloste Tines van het pijnlijke oorbelletje en gaf het Bob terug, daarbij dreigend den vinger tegen hem opstekende.
Wij bleven nu nog prettig een paar uren in den tuin spelen, en vertrokken pas toen het al donker begon te worden. Ons luid: Lang zal hij leven! Hoezee! Hoezee! ter eere van mijnheer Denappel, weerklonk over het geheele dorp.
't Was een heerlijke middag geweest.
ELFDE HOOFDSTUK.
Van een klein bakkertje en een grooten wagen. Hoe wij eene wandeling door het bosch maakten en Burts ontmoetten. Onze vlucht en de gevolgen daarvan. Pieter komt tot de ontdekking, dat het in het bosch spookt.
't Zal een dag of drie later geweest zijn, toen wij met ons vieren, Bob en zijn neef Pieter, Karel Holm en ik, eene wandeling maakten door het dorp. Pieter zou den volgenden dag weer met zijne Mama naar Amsterdam terug keeren. Ik zeg, dat wij eene wandeling maakten, maar dat is eigenlijk niet geheel juist, want we stonden heel dikwijls stil, b.v. als Bob zich verbeeldde, een grooten visch aan de oppervlakte van het water te zien zwemmen, of als Karel dacht, in het kreupelhout langs den weg een egel te zien, of als wij een meikever meenden te hooren brommen en vruchteloos naar het onschuldige diertje uitzagen, met het vaste voornemen, om hem te vangen, als ons dat mogelijk was. Soms ook zaten wij vertrouwelijk aan den kant der beek, en staarden naar de kabbelende golfjes en luisterden naar het suizelen van het riet, of maakten kleine scheepjes van de bladen daarvan, die wij op het water lieten drijven.
Opeens begon Bob te lachen, zonder dat wij de reden daarvan konden bevroeden.
»Waar heb jij zoo'n pret over, Bob?» vroeg ik.
»Ach,» zei hij, »zie je ginds dien grooten broodwagen wel, daar bij het huis van Wobbe?»
»Ja wel,» zei Karel, »maar het grappige daarvan zie ik nog niet in.»
»Neen, ik ook niet,» zei ik.
»Dat wil ik wel gelooven,» hernam Bob. »Nu moet je straks eens kijken, als de bakker terugkomt. Dat mannetje is zoo klein als de wagen groot is, en als hij nu brood uit dien wagen moet krijgen, gaat hij op de ijzeren trede staan, die je daar ziet, en duikt bijna geheel in zijne kar weg.»
»En is dat nu zoo grappig?» vroeg ik.
»Kijk,» zei Bob, »daar komt hij weer. Flap! Het deksel doet hij open, en wip -- nu staat hij op de trede. Ha-ha, daar gaat hij weer voorover, den wagen in. Zie je nu wel, hoe grappig! Hij verliest bijna zijn evenwicht. Je zoudt zeggen, wat moet zoo'n klein manneke nu met zoo'n grooten wagen doen? Als hij een klein beetje hulp krijgt, wipt hij voorover op zijne bollen en stoeten. Ha-ha-ha!»
Nu, 't was inderdaad wel grappig te zien, hoe het kleine bakkertje zijne brooden uit den wagen opdiepte. Maar bijzonder sterk interesseerde de zaak ons toch niet. Alleen Bob vond het verbazend grappig.
»Zeg jongens,» riep hij ons toe, »ik kan het heusch niet laten, hoor. Ik moet hem een handje helpen!»
»Om eene duikeling in de wagen te maken?» vroeg Karel, wien het plan ook wel min of meer toelachte.
»Natuurlijk!» zei Bob.
»Ik zou het je afraden,» zei Pieter. »Ik acht het eene gevaarlijke onderneming.»
»Gevaarlijk is ze nooit, want als ik het deksel dicht doe, kan hij er nooit meer uit!» zei Bob. »Dan is het Hugo de Groot in de boekenkist! Ik ga, jongens, die grap moet ik hebben.»
Wij stonden op, om te zien, hoe het zou afloopen.
Bob ging regelrecht op den wagen af. De bakker was weer bij een huis aangegaan, om zijne waar te verkoopen, maar weldra kwam hij terug.
Ja, daar ging het deksel weer open en stapte hij op de trede. Een oogenblik later verdween zijn bovenlijf in de kar. Zie, hij moest zelfs op de teenen gaan staan, om in alle hoeken te kunnen komen.
Dit oogenblik had Bob afgewacht. Vlug als de wind gaf hij den braven man een duwtje -- en, o heden, wat was het een bespottelijk gezicht -- daar duikelde de bakker voorover in zijn wagen. In het volgende oogenblik was het deksel dicht.
Och, och, wat moest die Bob geweldig lachen! Een paar vrouwtjes, die het tooneeltje van achter hare ramen, waar zij kousen zaten te stoppen, hadden aangezien, kwamen verontwaardigd naar buiten snellen. Wij vonden het ook wel grappig -- maar toch zouden wij ons nog wel eens bedacht hebben, eer wij het gedaan hadden.
Bob zette het op een loopen, zooals van zelf spreekt. Hij behoefde niet bang te wezen, dat de bakker niet uit zijne gevangenis verlost zou worden, want het gebeurde midden in het dorp, zoodat verscheidene menschen het hadden gezien. Bovendien steeg er zulk een jammerlijk gehuil uit den wagen op, dat men het wel hooren moest.
»Wel, wel, wat een portale jongen!» zei een van de vrouwtjes, die naar buiten gekomen waren. »Je zoudt zeggen, waar haalt de jongen de portaligheid vandaan?»
Zij zette hare handen in de zijden en schudde bedenkelijk met het hoofd.
»Ja buurvrouw,» was het antwoord, »dat mag je zeggen, m'n lieve mensch. Wil je wel gelooven, dat ik er beduusd van ben? De schrik zit me nog door me heele lijf, zoowaar als ik hier voor je sta.»
»Hoor me dien man eens aangaan!» zei weer de eerste, zonder evenwel eene hand uit te steken, om hem te helpen.
»'t Is eene schande, dat zeg ik maar, en die jongen groeit op voor galg en rad. Help maar eens kijken!»
»'t Is zeker wilde Bob wel weer geweest?» vroeg de andere.
»Help! Help!» klonk het onophoudelijk uit den wagen, uit welke noodkreten wij duidelijk konden opmaken, dat het den kleinen bakker volstrekt niet beviel in zijn Luilekkerland.
Op dit oogenblik kwam Bob zoo brutaal mogelijk terugloopen. De aardigheid scheen hem lang genoeg geduurd te hebben, want met eene behendige beweging maakte hij het deksel los en lichtte het een weinig op. Op hetzelfde oogenblik verscheen het verschrikte hoofd van den bakker boven den rand, daarna zijn bovenlijf -- en nu zette Bob het voor de tweede maal op een loopen, zoo snel als hij kon. Hij vloog langs ons heen.
»Komt jongens!» riep hij ons toe. »Loopen, hoor, want als hij je krijgt, zal het je niet bevallen.»
Nu, wij waren doodonschuldig aan de geheele zaak, dat kan niemand ontkennen, maar toen wij zagen, welke booze blikken de bakker op ons wierp en hoe hij naar zijne zweep zocht, vonden wij het geraden, ook het hazenpad te kiezen. Wij volgden daarom Bob meer overhaast dan eervol en hadden hem weldra ingehaald.
Het laatste huis van het dorp hadden wij spoedig achter ons en zonder een bepaald plan te hebben sloegen wij een smal pad in, dat naar het bosch van Baron van den Kasteele voerde. Dat de bakker ons niet meer vervolgde, hadden wij al sedert lang opgemerkt. Wij vertraagden dus onzen gang en liepen doelloos verder.
Zoo kwamen wij aan den ingang van het bosch, waar op een bordje, dat aan een hoogen iep was getimmerd, de woorden »Verboden Toegang» te lezen stonden.
»Willen wij er ingaan?» vroeg Karel. »'t Ziet er daar zoo echt prettig uit.»
»Mij goed!» zeiden Bob en ik.
»Maar er staat »Verboden Toegang!» op dat bordje,» zei Pieter, op de waarschuwende woorden wijzende. »Zouden we er geen kwaad mede kunnen?»
»Och kom, wees wijzer,» zei Bob. »Dat bordje doelt alleen op stroopers, die hier wel eens komen. Wij gaan er geen kwaad doen.»
Pieter keek zijn neef Bob met een wantrouwigen blik aan. Blijkbaar was hij daarvan niet erg zeker.
»Kom, Pieter, niet zeuren,» zei Karel. »Als we den boschwachter tegen komen, waarvan wij natuurlijk niet veel gevaar loopen, omdat het bosch zoo groot is, zullen wij er ons zonder murmereeren weer uit laten jagen, dat is alles. Dan heeft de goede man alle redenen tot tevredenheid en kan hij niet anders getuigen, dan dat wij brave jongens zijn.»
Die woorden van Karel kwamen ons zeer juist voor, en ook Pieter scheen er door overtuigd te zijn, want na enige weifeling volgde hij ons het bosch in.
Wat was het daar heerlijk. De boomen verhieven hunne zacht wuivende kruinen hoog in de lucht en wij baadden ons als het ware in de geur van het jonge groen, dat ons omgaf. Wat stak dat lichte voorjaarsgroen prachtig af tegen den donkeren achtergrond van de sparren en dennen, die daar in grooten getale werden gevonden. Wij hoorden de nachtegalen slaan en de ooievaars klepperen. O, 't was er verrukkelijk!
Manmoedig stapten wij in het bosch voort, doch -- al hielden wij ons zeer heldhaftig en al riepen wij Pieter om 't hardst toe, dat hij gerust meê kon gaan en geen vrees behoefde te koesteren, toch waren wij zelf ook niet geheel op ons gemak, want de Baron was een lastig man, en zijn boschwachter, die Burts heette, was zelfs algemeen gevreesd.
Al spoedig begon het terrein heuvelachtig te worden, zoodat wij berg-op, berg-af gingen. Nu eens zaten wij op den top van een hooge duin, vanwaar wij een prachtig gezicht hadden op de omgeving, dan weer lagen wij te rusten in eene vallei, die aan alle zijden door heuvels ingesloten was. In een van die valleiën vonden wij een pas gegraven kuil, die zoo diep was, dat het water er wel ruim een meter hoog in stond. Over den kuil lag eene plank.
»Wat zou dat zijn? Waartoe zou de Baron dien kuil gegraven hebben?» vroeg Bob, die midden op de plank stond en met een langen tak van een boom peilde, hoe diep het gat wel zou zijn.
»Ik weet het niet,» zei ik.
»Ik geloof, dat de Baron eene waterleiding wil aanleggen naar zijne villa,» zei Karel. »Het zou best kunnen zijn, dat die hier gemaakt wordt.»
»Wel mogelijk,» zei Bob. »Pas op, Karel, niet zoo dringen, want als ik van de plank val, ben ik doornat.»
Maar Karel hield niet op, en nu begonnen die twee eene stoeipartij, waaraan wij weldra allen meêdeden. Wij waren evenwel zoo verstandig de plank te verlaten, want niemand van ons had lust een nat pak te halen. Al stoeiende werden wij hoe langer, hoe wilder. Wij zaten elkander na tegen de hoogten op en lieten ons dan weer van boven-af neerrollen, wat wij buitengewoon vermakelijk vonden. Soms renden wij, zoo hard wij loopen konden, van de hoogte af naar omlaag, de plank over en dan weer tegen den tegenoverliggenden heuvel op, zoodat wij zwoegden van inspanning. Wij vermaakten ons kostelijk en waren weldra zoowel den baron als zijn boschwachter vergeten.
Kwaad deden wij niet, althans in het eerst niet, maar dat zou veranderen. Bob kon nooit ergens afblijven, en zoo ook nu niet. Toen wij eenige keeren in vollen draf over de plank gegaan waren, begon Bob de plank van den kuil te trekken en sleepte haar tegen de helling op. Daar zette hij haar op het einde en liet haar balanceeren. Het is te begrijpen, dat zij telkens omviel en dan met geweld tegen den grond terecht kwam. Dat spelletje werd zoo dikwijls herhaald, tot wij een hevig gekraak hoorden, waardoor het ons allen duidelijk werd, dat zij gebroken was.
»Stuk!» zei Bob.
»Ja, stuk, Bobbertje!» zei Karel op leuken toon. »Daar heb je eer van.»
»Laten we vluchten,» zei Pieter in grooten angst. »Als de baron komt en ziet, wat we gedaan hebben, zal het nog slecht met ons afloopen.»
»Niet zoo bang wezen, Pieter,» zei Bob. »Zeg jongens, die plank is niet stuk, kijkt maar.»
»Hij is niet in twee stukken gevallen, dat is waar,» zei ik. »Maar toch is ze stuk, Bob. Je kunt het duidelijk zien.»
»Ja, dat kan ik niet ontkennen. Nu, gedane zaken nemen geen keer, en met den besten wil is het mij niet mogelijk, deze plank weer heel te maken. Toe Dorus, help mij eens, door het andere einde op te nemen. Dan leggen wij haar weer netjes over den kuil en niemand kan zien, dat zij stuk is.»
»En als er nu iemand komt en er over loopt?» vroeg Karel.
»Dan breekt de plank en krijgt hij een nat pak,» zei Bob. »Dat lijdt geen twijfel.»
»Maar dat is een leelijke streek,» zei Karel. »Je moet dat niet doen, Bob, -- ik heb het liever niet.»
»Maar wat dan?» vroeg Bob. »Wij kunnen de plank toch niet hier laten liggen?»
»Ik weet er wat op,» zei Pieter. »Hier heb ik een stukje krijt. Laten wij er aan de beide einden opschrijven dat ze stuk is. Wanneer dan iemand komt om er over te loopen, wordt hij gewaarschuwd.»
»Als het ten minste niet gaat regenen,» meende Karel. »Maar je hebt gelijk, Pieter, -- laten wij het er duidelijk opschrijven.»
Bob nam nu het stukje krijt, en schreef aan elk einde met duidelijke letters:
»Deze plank is gebroken.»
»Zie zoo,» zei hij vol zelfvoldoening over zijne daad, »dat is duidelijk, dunkt me. Wie er nu toch nog over loopt, moet er zelf de gevolgen maar van dragen. Toe Dorus, help eens even een handje.»
Wij droegen de plank nu naar beneden en legden haar weer precies, zooals we haar gevonden hadden.
»Willen we nu verder gaan?» vroeg Pieter, die zich in het bosch nog in het geheel niet op zijn gemak gevoelde.
Wij vonden zijn voorstel goed, en klommen over den heuvel. Daarna kwamen wij weer in eene vallei, die rondom diep was uitgespit en klommen aan den anderen kant tegen eene zeer steile helling op, zóó steil, dat wij ons aan het kreupelhout moesten ophijschen om er tegen op te komen.
En nauwelijks was Bob met zijn hoofd boven den top, of hij fluisterde ons toe, dat wij geen gedruisch moesten maken, en heel zacht naar boven klimmen.
»Daar zijn konijnen aan het spelen,» zei hij zacht.
Wij bereikten nu ook de hoogte, die zoo smal was, dat wij ons moesten vasthouden, om niet achteruit naar beneden te glijden.
»Wat zijn ze vlug, he? Kijk die dingen eens springen!»
't Was inderdaad een aardig gezicht, die diertjes zoo geheel in vrijheid te zien huppelen en spelen. Er waren er zeker wel twintig.
»'t Is hier het konijnenland,» zei Karel. »Kijk, die groote, daar ginds achter de struiken, is zeker de koning.»
»En die heuvel is hunne stad,» zei Bob. »Zie je die holen daar wel? Dat zijn de poorten, die toegang tot de stad verleenen. 't Is toch wel grappig, zulk eene konijnen-kolonie.»
»Ik wou, dat ik een geweer had,» zei Pieter. »Wat zou ik ze raken!»
»Jij?» zei Bob lachend. »Misschien schoot je ons wel dood en jezelven er bij, maar een konijn raakte je niet, zou ik durven voorspellen.»
»Jij ook niet,» zei Pieter boos. »Jij kunt evenmin schieten als ik.»
»Had ik maar pijl en boog bij me,» zei Karel. »Dan zou ik het toch eens probeeren. Een geweer maakt te veel leven. Het zou onze tegenwoordigheid verraden; maar met pijlen konden we het wagen.»
»Zouden we geen boog kunnen maken?» vroeg Bob.
»Niet doen, Bob, niet doen!» zei Pieter. »Laten we nu verder gaan. 't Wordt hoog tijd.»
»Nog eventjes,» zei Bob. »We zitten hier nog zoo prettig.»
»Zitten?» vroeg Karel. »Hangen zou beter gezegd zijn, want ik word moe van het vasthouden. Kijk, daar komen nog meer konijnen uit de holen. Hoe komen er zooveel bij elkaar, zou je zeggen.»
»'t Is geen wonder, dat hier wel eens stroopers komen,» merkte ik op. »Zij kunnen hier altoos op eene goede vangst rekenen.»
»Hoe vangen zij die dieren?» vroeg Pieter.
»Ze graven de holen uit en kruipen er in, zoover ze kunnen. Dan grijpen zij ze met de handen.»
»En die ontsnappen langs nevengangen komen in de stroppen terecht, waarmede de uitgangen afgezet zijn,» vulde Karel aan. »'t Moet wel een aardig werkje zijn, dunkt me.»
»Aardig wel, maar gevaarlijk, want als de heuvel instort, wordt de strooper onder het zand bedolven en moet sterven.»
»Ook kan hij gesnapt worden door Burts, den boschwachter, zei Bob. »En dat is ook niet bijzonder prettig, want dan is gevangenisstraf het einde.»
»Pang!» klonk plotseling een zwaar schot in onze onmiddellijke nabijheid. »Pang!» daar viel een tweede schot.
Een geweldige schrik overviel ons, want wij waren er in het geheel niet op voorbereid. Drie van ons, Bob, Karel en ik sprongen van schrik overeind en stonden plotseling in de onmiddellijke nabijheid van den gevreesden Burts. Maar de vierde, onze waarde Pieter-neef, was van den schrik als het ware verlamd. Hij had geen kracht meer om zich aan de struiken vast te houden en onder het slaken van een akeligen kreet rolde hij hals over kop naar beneden.
»Ha-ha, knaapjes!» bulderde de boschwachter ons toe. »Daar heb je jezelven leelijk verraden. Was maar stil blijven zitten, dan had ik je stellig niet opgemerkt, maar nu ben je in mijne macht. Hoe heet je?»
Burts haalde een boekje uit zijn zak te voorschijn, om onze namen op te schrijven.
»Hoe heet je?» vroeg hij op gestrengen toon, en hij keek Bob strak in de oogen. Wat zag die man er barsch uit. Zijne knevels schenen mij toe om te krullen van boosheid.
»Hoor je me niet? Hoe heet je?» herhaalde hij zoo barsch mogelijk.
»Vluchten, jongens!»
Dat was het eenige antwoord, hetwelk aan Bobs mond ontsnapte. En hij voegde de daad bij het woord. Met eene vlugge beweging liet hij zich naar beneden rollen, waar hij dicht bij Pieter-neef terecht kwam, die nog kermend van ontsteltenis in het zand lag te spartelen.
»Wat is er?» vroeg Bob, die nooit een makker in den steek liet, en haastig bij hem neerknielde.
»O, ik ben getroffen,» steunde Pieter.
»Waar? -- Zeg, Pieter, -- waar?» vroeg Bob angstig.
»Is hij weg, Bob?» vroeg Pieter, schuw om zich heen ziende.
»Neen, -- maar jij moet maken, dat je wegkomt!» antwoordde Bob. »Zeg Pieter, -- wáár ben je getroffen?»
»Dat weet ik niet, -- o dat weet ik niet!» jammerde Piet.
»Dan is het ook niet waar! Vooruit, vlucht, daar komt de boschwachter aan! Vooruit, Pieter, gauw?»
»De boschwachter? O -- O!» steunde Pieter, overeind krabbelende. »Waar -- waar is hij, Bob?»
»Loopen!» zei Bob. »Als een haas! Ik zal hem wel een oogenblik ophouden! Maar haast je!»
Pieter begon nu te begrijpen, dat het ernst was, en dat was trouwens te zien ook, want de boschwachter verscheen nu boven op den heuvel. Eerst had hij Karel en mij een oogenblik achtervolgd, maar toen hij bemerkte, dat wij hem te vlug waren, keerde hij terug en trachtte Bob in zijne macht te krijgen.
Pieter klom aan de andere zijde tegen de helling op en verdween uit het gezicht. Bob vreesde echter, dat Burts hem spoedig achterhalen zou, want Pieter was niet erg bij de hand in dergelijke zaken. Hij besloot daarom, den boschwachter eenigen tijd op te houden, ten einde zijn neef en ook ons gelegenheid te geven, een goed heenkomen te zoeken.
Hij bleef dus in de vallei rondloopen, tot Burts hem vrij dicht genaderd was. Nu moest zijne bekende vlugheid hem redden.
»Ha, deugniet, daar heb ik je nu!» hoorde hij Burts zeggen.
»Mis, man, nog niet,» dacht Bob, maar hij zeide niets. Als een haas zoo vlug klauterde hij tegen de hoogte op. Hij raakte bijna den grond niet aan. Maar Burts was vlugger, dan hij dacht, zoodat hij duidelijk merkte, dat deze hem begon in te halen.
»Krijgen zàl ik je!» hoorde hij hem zeggen.
Nu had Bob den top bereikt, en hij bemerkte, dat hij thans de vallei weer genaderd was, waar de nieuwe waterleiding moest komen.
Als een bal liet hij zich naar beneden rollen, en hij had het geen oogenblik later moeten doen, want reeds strekte Burts de hand uit, om hem bij de beenen te grijpen. Nu ontsnapte Bob hem.
Deze liep op den put toe, die midden in de vallei lag, met het voornemen, de plank over te loopen en aan den overkant weer omhoog te klauteren. Dat de plank stuk was, herinnerde hij zich al niet meer, en juist wilde hij er den voet op zetten, toen hem de met krijt geschreven letters in het oog vielen.
»O ja, omloopen!» mompelde Bob. Hij hoorde Burts met groote schreden naderen, maar durfde zich geen oogenblik tijd gunnen, om eens achter zich te kijken.
»Nu ontsnap je mij niet meer, kleine schelm!» hoorde hij zijn vervolger roepen, en deze voorspelling stemde onzen Bob verre van aangenaam.
Maar opeens hoorde hij een hevig gekraak achter zich, welk gekraak gevolgd werd door een geweldigen plons, als van iemand, die in het water viel. En plotseling ging Bob een licht op. Ongetwijfeld was Burts, om hem den pas af te snijden, op de plank gestapt, niet wetende, dat deze gebroken was. En nu moest zonder twijfel de lange Burts er doorgezakt en in den kuil gevallen zijn. Bob hoorde, hoe er in het water geplast werd, en hoe de boschwachter pogingen deed, om tegen den hoogen kant op te springen.
Nu durfde Bob wel een oogenblik stilstaan, en omkijken. Ja waarlijk, daar zag hij het hoofd van den vertoornden boschwachter boven den rand van den put uitkomen, en hij zag ook, hoe diens beide handen zich aan den rand vastklemden en hoe hij poogde, er uit te springen. Wel een paar malen mislukte hem dit en zakte de man, die hoe langer hoe toorniger werd, tot aan zijn middel in het water terug.
't Was zoo'n koddig gezicht, dat Bob het uitschaterde van de pret. En dat lachen maakte Burts nog boozer. Hij spande al zijne krachten in, sprong nogmaals omhoog en ja, nu gelukte het hem, zich op den kant te werken. O, o, wat droop het water hem uit de kleêren! Bob kon niet tot bedaren komen van het lachen.
Maar nu kwam Burts met groote schreden op hem af; het was den man aan te zien, dat zijne woede geen grenzen kende.
»Nu wordt het mijne beurt!» riep hij Bob met beide vuisten dreigend toe. Maar Bob wachtte hem niet af. Vlug als eene kat klauterde hij omhoog en was weldra verdwenen. En Burts klauterde hem wel na, maar och, doornat als hij was, viel dat werkje hem erg moeilijk, en toen hij, eindelijk op de hoogte gekomen, van Bob geen spoor meer kon ontdekken, gaf hij de vervolging geheel en al op. Hij keerde naar huis terug, om droge kleêren te gaan aantrekken.
En Bob verliet zoo spoedig mogelijk het bosch langs denzelfden weg, dien hij het ingekomen was. Aan den uitgang werd hij aangenaam verrast, door daar Karel en mij te vinden. Wij zaten daar al enkele minuten op hem en Pieter te wachten.
Wel, wel, wat moesten wij lachen, toen Bob ons vertelde, wat er met Burts gebeurd was. 't Is misschien wel niet mooi van ons, maar wij verheugden ons toch buitengewoon in de poets, die hem gespeeld was. 't Was dan ook een akelige man, van wien niemand hield.
»En nu is hij doornat naar huis gegaan, denk ik,» zoo besloot Bob, grinnekend van pret, zijn relaas. »Neen jongens, 't zou me wat waard geweest zijn, als jelui het had kunnen zien, want het was een eenig schouwspel. Ik zal het mijn leven lang niet vergeten. Maar apropos, waar is Pieter-neef?»
»Die is er nog niet,» zei ik. »Wij dachten, dat hij gelijk met jou zou komen. Heb-je hem niet gezien?»
»Neen, die malle jongen lag aan den voet van den heuvel te jammeren, dat hij getroffen was door die schoten van Burts, en dat werd bijna mijn ongeluk. Want ik heb hem gezegd, dat hij het totaal mis had en zoo snel mogelijk beenen moest maken, om uit de handen van Burts te blijven. Maar dat alles hield mij zoo lang op, dat ik zelf bijna het kind van de rekening werd. Waar zou hij nu blijven?»
»Vermoedelijk in het bosch,» zei Karel leuk. »Hij zal wel komen, maak je maar niet ongerust. Kom een poosje op je gemak bij ons zitten, en laten wij geduldig afwachten. Misschien is hij wel hier of daar weggekropen.»