Wilde Bob

Part 10

Chapter 104,302 wordsPublic domain

»Zoo, -- nu, dat kan mij niet schelen. 't Is een gevaarlijk dier, een hoogst gevaarlijk dier. Indien ge hem niet beter kunt vastleggen, moet ge morgen bij zonsopgang uit het dorp vertrekken. Dan kan ik u hier geen langer verblijf toestaan. Hebt ge dat goed begrepen?»

»Ik zal hem aan den ketting leggen, mijnheer de burgemeester, en ik sta er u borg voor, dat hij niet meer loskomt.»

»Doe dat, -- en wees gewaarschuwd,» zei de burgemeester heengaande. Tip volgde hem met lang geen opgeruimd gelaat. Hij begreep wel, dat hij in het geheel geen kranig figuur gemaakt had.

Maar Bob was onder ons, jongens, een held geworden van het zuiverste water. Wij hadden den diepsten eerbied voor hem gekregen en achtten hem tot de grootste heldendaden in staat.

En heel ver hadden we dat niet mis. Maar Pieter-neef hebben we den volgenden dag geducht uitgelachen, en dat had hij ook wel verdiend.

TIENDE HOOFDSTUK.

Een Zaterdag, die voor Jan van der Vliet verdrietig begon en prettig eindigde. Hoe mijnheer Denappel ons onthaalde, Bob eene edelmoedige daad verrichtte en Tines Wobbe met een pijnlijk oorbelletje getooid werd.

Den volgenden dag was het Zaterdag, -- de Zaterdag waarop wij onzen wedstrijd op stelten zouden houden bij den Heer Denappel. Wat stelden wij ons veel genot van dat feestje voor.

's Morgens moest ik natuurlijk eerst mijn huiswerk afmaken en mijn gewonen tocht naar het orgel doen. Bob liet mij gelukkig dezen keer met rust, want hij vermaakte zich met Karel Holm en Pieter-neef (die van zijne Mama meer en meer verlof begon te krijgen, om met de dorpsjongens om te gaan) op de markt bij den kermiswagen.

Toen ik met mijn huiswerk gereed was, ging ik Jan van der Vliet afhalen, die als gewoonlijk, den blaasbalg voor mij zou trappen. Ik vond Kees en Trijn aan de tafel zitten, moedeloos en bleek. Ik zag, dat Trijn tranen in de oogen had en dat zij in dien korten tijd zeer afgevallen was. Ik groette beleefd en vriendelijk, zooals altoos, en zei, dat het mooi weertje was, want iets anders wist ik niet te zeggen, en Kees zei ook, dat het mooi weertje was. Verder werd er niet gesproken, want Jan was spoedig gereed om mij te vergezellen.

Eerst sprak Jan ook niet, maar toen wij dicht bij den koster waren, zei hij op eens:

»Ik wou, dat ik dood was!»

En meteen begon hij te schreiën.

Ik wist niet, wat ik zeggen moest, en zei daarom niets.

»Ja, -- dood!» herhaalde Jan. »O Dorus, je weet niet hoe treurig het bij ons in huis is. Vader zit den ganschen, langen dag stil bij de tafel, zonder een woord te spreken, en Moeder doet niets dan schreien, -- schreien van den morgen tot den avond. En als ik 's nachts wakker word, hoor ik haar ook nog dikwijls snikken. En toch zijn Vader zoowel als Moeder onschuldig, Dorus! Als zij dat niet waren, zou ik het toch moeten weten, niet waar?»

»Ja, dat denk ik ook, Jan,» zei ik.

»Zeker, dat zou ik,» vervolgde Jan. »Dan zou ik het weten. Maar Vader en Moeder zeggen, dat zij het niet gedaan hebben, en ik hoor hen er samen wel over praten, als ik op bed lig en als zij denken, dat ik slaap. En dan hoor ik het ook, dat zij onschuldig zijn, en dat het geld bepaald met voordracht onder onze deur geschoven is, om zoo de verdenking op ons te doen vallen. O, 't is afschuwelijk, Dorus, en ik kan het bijna niet langer aanzien, dat Moeder wegkwijnt van verdriet. Ik wou, dat ik dood was, Dorus.»

Wij stonden beiden stil, dicht bij het kostershuis.

»Dood zijn, Jan?» zei ik. »Dat is het ergste van alles. Neen, je moet den moed niet laten zakken, en probeeren je ouders te troosten. Als zij onschuldig zijn, zal dat eenmaal blijken.»

»Ach ja, 't is wel vriendelijk van je, Dorus, om dat te zeggen, maar eergisteren zijn Vader en Moeder voor den Officier van Justitie geweest, en die heeft hen ondervraagd, en zij konden best aan hem merken, dat hij niet aan hunne onschuld geloofde. En 't is ook waar, dat zij den schijn tegen zich hebben, -- dat moet ik zelf zeggen. Ik geloof, dat het slecht zal afloopen, Dorus.»

»Je kunt niet weten, hoe het nog uitkomt,» zei ik. »Maar willen we nu de sleutels gaan halen?»

Zwijgend gingen wij verder. De koster was in den tuin aan het werk, en Arie de Zwaan zat op een bankje achter het huis.

»Zoo, kom je de sleutels halen?» vroeg hij aan mij. En Jan aanziende vervolgde hij met een grijnslachje, dat hem erg leelijk maakte:

»Wel kijk, daar hebben we Jan van de dievenfamilie ook. Je moogt wel op je porte-monnaie passen, Dorus.»

Ik zag, dat Jan doodsbleek werd en de vuisten balde.

»Dat is laster, -- gemeene laster!» siste hem tusschen de lippen door.

»Kijk, kijk zoo'n klein kereltje zich al eens boos maken,» lachte Arie sarrend. »Niets uit de kerk meênemen, hoor kleine langvinger.»

»Kom Jan, laten we gaan,» zei ik, want ik had medelijden met hem.

Maar Jan wilde niet. Zonder een woord te spreken vloog hij op Arie toe, krabde hem in het gelaat, en schopte en sloeg hem overal, waar hij hem raken kon. De arme jongen huilde van verontwaardiging, nu hij zóó over zijne ouders hoorde spreken.

Dat viel Arie tegen en het deed hem zeker veel pijn. Want hij stond driftig op en wierp Jan met een ruk achterover op de straat, en hij keek heel boos.

»Jou kleine adder!» riep hij Jan toe, »die grappen zal ik je afleeren!»

Hij kwam met groote schreden op Jan af, maar ik plaatste mij tusschen hen en duwde Jan voort. De strijd was veel te ongelijk. Hoe zou Jan het kunnen uithouden tegen een volwassen man als Arie de Zwaan?

»We zullen op je letten, kleine langvinger, pas op, dat je niets mee neemt uit de kerk!» riep Arie hem nog na. »Wij weten te goed, dat het muist wat van de katten komt.»

»Laat hem praten, Jan, en stoor er je niet aan,» zei ik, om Jan te troosten.

»De valschaard! Wat denkt hij wel? Maar bang ben ik niet van hem!» zei Jan schreiend om den hoon, die zijn ouders was aangedaan.

Wij gingen nu de kerk binnen, en ik begon te spelen. Maar Jan kwam niet bij me staan, zooals hij gewoonlijk deed. Hij bleef op de trappers en telkens hoorde ik hem snikken. Hij was geheel en al in de war.

Ook mijne aandacht was niet bij het spel. Telkens moest ik aan die arme menschen denken, die onder zoo ontzaglijk veel verdriet gebukt gingen en toch geheel onschuldig waren. Want daaraan twijfelde ik, na Jans woorden, niet langer.

Ik was blij, toen mijn studietijd om was en ik naar huis kon gaan. De sleutels bracht ik alleen terug, want ik vond het beter, dat Jan maar niet meeging. Dat vond hij trouwens zelf ook beter.

»Doe je straks mede aan den wedstrijd?» vroeg ik hem onder het naar huis gaan.

»Ik moest maar thuisblijven,» zei hij met een diepen zucht. »Veel lust heb ik er nu toch niet in, nu wij zooveel narigheid hebben, en de jongens zien mij liever niet dan wel.»

»Dat geloof ik niet,» zei ik, om hem te troosten, maar ik wist, dat het waar was.

»Zeg dat niet, Dorus, ik heb het gisteren zelf gezien. Jij alleen bent net als altijd, Dorus, en dat vind ik mooi van je. Dat zal ik nooit vergeten.»

»En Bob dan? -- En Karel Holm?» vroeg ik. »Zij zullen je ook niet uit den weg gaan.»

»Neen hoor, -- daar kun je op rekenen, Jan!» hoorden wij plotseling eene stem zeggen van achter eene haag, die langs den weg stond. En toen we goed toekeken, zagen we Bob, die daar stil was weggekropen, om ons af te wachten. Hij kwam nu te voorschijn.

»Kom jij maar gerust, hoor Jan, en als er één jongen is, die het je lastig maakt, krijgt hij met mij te doen!»

Die woorden kwamen er zoo gul uit, dat het mij in mijn hart goed deed. En Jan klaarde er ook heelemaal van op.

»Zou ik het doen?» vroeg hij weifelend, en wij zagen duidelijk, hoe graag hij wilde.

»Zeker, -- doen!» zei Bob op zijn beslisten toon. »Als je het niet doet, dan ben ik boos op je. Ik kom je afhalen, hoor Jantje, tot straks!»

Dat was fideel van Bob.

»Ik ook!» riep ik Jan nog na, die al op den Achterweg liep.

»Goed. -- Ik doe meê!» klonk zijn antwoord.

Wij hielden woord.

Bob en ik haalden Jan af en met ons drieën stapten we, op stelten natuurlijk, den Achterweg op, waar wij de jongens in de verte al hoorden joelen.

Ha, de vlaggen wapperden vroolijk in den wind! Wat was dat een mooi gezicht. Wij huppelden bijna op onze stelten van pleizier, en zelfs Jan werd er vroolijk van.

»Wat is mijnheer Denappel toch vriendelijk!» zei hij opgetogen. »'t Is een man, zooals er maar weinig zijn.»

Dat waren wij volkomen met hem eens. Wij zagen hem in de verte al druk rondloopen, om alles in orde te brengen.

»Aan elk einde van de baan staat zeker eene vlag,» zei Bob. »Jongens, wat ben ik nieuwsgierig, wie den prijs zal winnen.»

»Jij natuurlijk,» zei Jan.

»Ja, of Tines Wobbe,» zei Bob. »Die kan het ook vlug.»

»Doet Pieter niet meê?» vroeg ik.

»Ja, hij is er al. Pa heeft hem een paar nieuwe stelten cadeau gegeven, waar hij heel blij mede was. Maar winnen zal hij het wel niet, want hij kan het nog niet vlug. Doch dat hindert niets; hoe meer zieltjes, hoe meer vreugd, zeg ik maar.»

Wij hadden nu de kampplaats bereikt, waar eene buitengewone drukte heerschte. Zoo doodsch en stil als het gewoonlijk op dit gedeelte van den Achterweg was, zoo levendig was het er thans. De jongens, allen op stelten, liepen en sprongen door elkander heen; hun lachen en joelen klonk ver in het rond en de vlaggen wapperden vroolijk.

Opeens werd het stil onder den troep, want Tines Wobbe zei op luiden toon, zoodat iedereen het verstaan kon, en met een minachtenden trek op het gelaat:

»Moet hij ook meêdoen?»

Bij die woorden wees hij op Jan van der Vliet, en de wijze, waarop hij dat woordje _hij_ uitsprak, deed ons allen pijn. Ik zag, hoe Jans vroolijkheid ineens verdween en dat hij bleek werd van schaamte. Juist wilde ik voor hem in de bres springen, toen Bob van zijne stelten stapte en vlak voor Tines ging staan.

»Ja, Tines Wobbe, hij zal ook meêdoen. Ik wil hopen dat je daar niets tegen hebt?»

»Als hij meêdoet, ga ik naar huis!» zei Tines, en smalend liet hij er op volgen: »Met zulk volk houd ik mij niet op. Ik denk, dat mijnheer Denappel er ook niet op gesteld zal zijn, dat hij aan den wedstrijd deelneemt.»

»Dus als Jan meedoet, zullen we van jou gezelschap verstoken zijn, Tines Wobbe?» vroeg Bob. »Wel, jongen, ga dan maar dadelijk naar huis, want Jan blijft hier en doet ongetwijfeld meê. Ik ben het overigens volkomen met je eens, dat jij veel te goed voor hem zijt, dus -- dag Tines!»

Bob nam zijn hoed voor Tines af en maakte eene diepe buiging voor hem, waarom wij allen moesten lachen.

»Dat zou jij wel willen, hê Bob?» zei Tines, die er toch eigenlijk niet veel lust in had, om den wedstrijd in den steek te laten. »Dan was jij vrij zeker van den prijs!»

»Juist, Tines. Praat nu maar niet langer, en ga heen. Dag Tines!»

»Voor jou ga ik niet, Bobbertje. Jij hebt hier niets te zeggen, voor zoover ik weet.»

Nu was Bobbertje een naam, dien Bob alleen maar door zijne beste vrienden kon hooren uitspreken. Zoodra het een scheldnaam werd, ergerde hij er zich vreeselijk aan.

»Bobbertje!» zei hij driftig. »Zeg dat nog eens, als je durft!»

»Dat durf ik wel, Bobbertje!» zei Tines sarrend.

Flap! Daar kreeg hij een klap om zijne ooren, dat het klonk als eene klok.

Flap! Daar kreeg Bob er een terug, die ook niet mis was.

't Werd eene formeele vechtpartij. Gelukkig, dat juist op dit oogenblik mijnheer Denappel verscheen en de vechtenden scheidde.

»Ho, ho, vgiendjes, wat is hieg te doen?» vroeg hij vriendelijk. »Mag ik eg jelui aan heginnegen, dat ik je niet uitgenoodigd heb, om hieg te komen vechten? Je bent abuis, vgiendjes, geheel abuis. We zijn hieg bij elkandeg gekomen, om een pgettigen wedstgijd op stelten te houden. Was je dat veggeten?»

Bob en Tines lieten elkander los, en Bob zeide:

»Ja mijnheer, dat weet ik wel, maar Tines....»

»Wel kijk, daag hebben wij onzen vgiend van deg Vliet ook. Daag ben ik zeeg blij om, zeeg blij. Geef mij de hand, jongen.»

O, wat werd Jan verheugd bij die hartelijke woorden, en wat keek Tines Wobbe leelijk op zijn neus. Wij hadden er groote pret van.

»En nu niet meeg vechten, hoog. Komt, jongens, 't is tijd om te loten. Maag eegst mag ik jelui zekeg wel tgakteegen op een glaasje heeglijken appelwijn?»

»Wat graag, mijnheer, wat graag!» klonk het rondom, en allen gingen wij mede naar den tuin, waar een paar tafeltjes en eenige banken voor ons gereed stonden. Ook was daar een groote glazen kom, waarin mijnheer Denappel de nummers deed, netjes opgerold en in een ringetje gestoken, opdat alles eerlijk in zijn werk zou gaan. Zoodra wij den appelwijn genoten hadden, begon de loting. Dat was een gewichtig oogenblik, want van de loting hing heel veel af. Wij waren met ons twaalven; niet, dat het aantal jongens niet grooter was; o ja, er waren er wel vijftig, maar de anderen waren nog te jong, om aan den wedstrijd deel te nemen. Zij waren alleen maar toeschouwers, en verhoogden als zoodanig de feestvreugde niet weinig. Ook waren zij wel terdege de gasten van mijnheer Denappel, evengoed als wij. Als er appelwijn geschonken werd, of als er taartjes gepresenteerd werden, waren zij er bij als de kippetjes.

Hier volgt het lijstje van de nummers, die getrokken werden:

1. Pieter van Koorde. 2. Jan van der Vliet. 3. Adriaan Bolt. 4. Tines Wobbe. 5. Huibert de Leeuw. 6. Dorus Volmaar. 7. Karel Holm. 8. Bob de Wild. 9. Cor Valk. 10. Dirk Langeraar. 11. Arie Kooy. 12. Karel Buurs.

Ik had het vrij goed getroffen, want Huibert de Leeuw was niet bijzonder vlug op de stelten, zoodat ik het gemakkelijk van hem winnen kon. Maar Jan van der Vliet was nog veel gelukkiger geweest, want Pieter van Koorde kon er maar weinig van, terwijl Jan er juist tamelijk vlug op was. Voor Bob en Karel was het erg jammer, dat zij juist tegen elkander moesten loopen, hoewel het moeilijk vooruit te zeggen was, wie van hen het winnen zou. Bob was er iets vlugger op dan Karel, dat is waar, maar als Bob het ongeluk had te vallen, was hij verloren.

»Komt jongens, we gaan beginnen!» riep mijnheer Denappel, toen hij onze namen in volgorde opgeschreven had. »Wie twee gitten veglogen heeft, is dood, -- goed begepen?»

»Best begrepen, mijnheer. Wij zijn klaar.»

»Numego 1 en 2!» riep mijnheer Denappel, zich bij de vlag plaatsende aan het begin van de baan. Aan het andere einde, waar de vlag een seinpaal vormde, stond een van zijne bedienden, die na elken rit de vlag zou doen zwenken naar den kant van den winner.

Pieter van Koorde en Jan van der Vliet stonden gereed.

»Een -- twee -- dgie!» riep mijnheer Denappel, en bij den derden tel ging het voorwaarts.

Och, och, wat huppelde Pieter nog raar op die stelten, en wij moesten er smakelijk om lachen, maar toch vonden wij het flink van hem, dat hij meedeed.

»Pieter-neef is zoo kwaad nog niet,» zei Bob vrij eigenwijs, »als hij lang bij ons blijft, zal hij wel opknappen.»

Een oogenblik later ging de vlag over naar de zijde van Jan. Deze had het dus gewonnen, en Pieter kreeg een streepje.

»Numego dgie en vieg!» klonk het nu.

Adriaan Bolt en Tines Wobbe waren nu aan de beurt.

Nu, wij konden wel vooruit zeggen, wie van deze twee het winnen zou, want tegen Tines Wobbe kon bijna niemand loopen. De vlag maakte even later bekend, dat wij goed gezien hadden, en Adriaan Bolt kreeg ook een streepje.

»Numego vijf en zes!»

Nu was ik aan de beurt.

»Niet al te hard, Dorus!» zei Huibert, »want dan lachen ze me uit, als ik het zoo ver verlies.»

»Je zult er met eere afkomen!» riep ik hem toe, en inderdaad won ik het met slechts een kleinen voorsprong, maar ik had ook bij lange na zoo hard niet geloopen, als ik kon.

Nu volgden Bob en Karel. Dat beloofde een mooien toer, want zij konden het beiden best.

»Een -- twee -- dgie!» riep mijnheer Denappel, en daar gingen ze. O, o wat liepen die twee. 't Scheen bijna, of zij geen stelten onder de voeten hadden, en langen tijd bleven zij precies gelijk. 't Was prachtig, om te zien.

Tik, daar sloegen opeens de stelten van Bob tegen elkander, Bob maakte eene buiteling, -- en kreeg een streepje.

Toen kwamen Cor Valk en Dirk Langeraar, ook een paar, dat aan elkander gewaagd was. Maar Cor Valk won het toch, en van de laatste twee was Karel Buurs de baas. Nu hadden wij allen èèn loop gedaan, en we zouden aan den tweeden beginnen.

»Maag eegst een taartje en een kleine vegfgissching.» riep mijnheer Denappel ons toe. Ik geloof, dat de brave man evenveel pret had als wij. En wat kwamen er een toeschouwers. 't Werd een feest van belang!

Nu begon de wedstrijd nog belangwekkender te worden, want wie thans weer een streepje kreeg, mocht niet meer meêdoen.

Pieter van Koorde was de eerste doode, en wij omringden hem met ernstige gezichten, om hem te condoleeren. Toen volgde Adriaan Bolt, en daarna Huibert de Leeuw. Bob won den tweeden rit, zoodat hij en Karel Holm er nu ieder een gewonnen hadden; zij moesten dus nog eenmaal kampen. Datzelfde was het geval met Cor Valk en Dirk Langeraar. Eindelijk kreeg ook Arie Kooy zijn tweede streepje.

Nu volgden de kampritten. Allen waren wij nieuwsgierig naar den uitslag.

»Numego acht en negen!» riep mijnheer Denappel.

Karel en Bob stonden gereed, en nauwelijks hoorden zij het woordje »dgie», of daar gingen zij. Ha, 't was een lust hen te zien gaan! Langen tijd bleven zij gelijk, tot eindelijk Karel Holm een klein weinigje begon te winnen. Wij rekten de halzen uit, om te zien, wie het eerst bij den eindpaal zou zijn. Bob spande zich bovenmatig in, maar Karel bleef voor, tot hij opeens struikelde en viel. En nog vóor hij kon opstaan had Bob de vlag bereikt en was Karel dood.

Vijf minuten later trof Dirk Langeraar hetzelfde lot en trad Cor Valk als overwinnaar uit het strijdperk.

Op dit oogenblik gingen de zes dooden dicht bij elkander zitten, en hieven een jammerlijk gehuil aan. Mijnheer Denappel schrikte er van en spoedde zich dadelijk naar de plaats, vanwaar het misbaar opging.

»Wel vgiendjes, -- wel vgiendjes, wat scheelt eg aan, wat is eg?» vroeg hij ontsteld.

En toen jammerde de geheele troep in koor:

»We zijn dood! -- We zijn dood! O, o, we zijn dood!» Wij moesten geweldig lachen om die dwaasheid, en mijnheer Denappel niet het minst.

»Agme jongens,» zei hij op medelijdenden toon, »wat is dat jammeg, want ik meende juist nog een glaasje appelwijn en een taagtje te pgesenteegen. Maag nu behoef ik dat bij jelui niet te doen.»

»We zijn al weer levend!» klonk het dadelijk uit zes monden tegelijk, en de zes dooden liepen om het hardst naar de tafel in den tuin, waar de versnaperingen rondgedeeld werden.

Wij waren nu nog met ons zessen overgeschoten, in deze volgorde:

1. Jan van der Vliet. 2. Tines Wobbe. 3. Dorus Volmaar. 4. Bob de Wild. 5. Cor Valk. 6. Karel Buurs.

Jan en Tines waren nu dus het eerst aan de beurt, en wij durfden gerust voorspellen, dat Jan het verliezen zou. Hij was wel een goed steltlooper, maar Tines was de vlugste van ons allen. Toch hadden wij ons vergist, want beide keeren had Tines het ongeluk te vallen, terwijl Jan harder scheen te loopen, dan wij ooit van hem gezien hadden.

»Numego dgie en vieg!» riep mijnheer Denappel, en nu moest ik tegen Bob draven.

»Houd je goed, Dorus!» riepen sommigen mij toe. Vooral Tines Wobbe, die nu ook dood was, scheen Bob de overwinning in het geheel niet te gunnen. Hij moedigde mij met luider stem aan, mijn leven zoo duur mogelijk te verkoopen.

Bob keek hem eens met een schuin oog aan, en zei:

»Hij gunt mij niet veel goeds, Dorus. Wat zou hij lachen als ik het verloor.»

»Laat hem, Bob. Wij zullen er eerlijk om kampen, en elkaar niet boos aankijken, als het straks beslist is, hoe die beslissing ook zijn moge.»

»Natuurlijk,» was het eenvoudige antwoord.

»Klaag?» riep mijnheer Denappel. »Vooguit dan. Eén-twee-dgie!»

Ik liep, wat ik loopen kon, en maakte naast Bob lang geen gek figuur, want ik bleef hem kort op de hielen.

Tines Wobbe riep mij voortdurend toe:

»Houd vol, Dorus! Je wint! Je wint! Houd vol!»

Maar het mocht niet baten. Twee keeren achtereen werd ik door Bob verslagen. Ik was dood.

Van het laatste tweetal bleef Cor Valk de baas, zoodat er nu nog maar drie overbleven, en wel Jan van der Vliet, Bob de Wild en Cor Valk.

Eerst moesten Jan en Bob loopen.

»Nu zal Jan den prijs winnen,» fluisterde Bob mij toe. »Als ik het tegen hem verlies, schieten hij en Cor Valk alleen over en van Cor kan hij het wel winnen.»

»Dus je wilt het hem laten winnen?»

»Ja,» zei Bob, »ik zou zoo graag willen, dat hij den eersten prijs won, al was het alleen maar, om Tines Wobbe te plagen.»

»Maar dan win jij niets?» zei ik. »En je loopt het hardst.»

»Dat hindert niet. Ik wil Tines nu eens echt boos zien worden.»

»Neen Bob, dat weet ik wel beter. 't Is volstrekt niet, omdat je Tines kwaad wilt maken, maar omdat je medelijden met Jan hebt. Dàt is de reden.»

»Gekheid!» zei Bob heengaande. »Je hebt het mis, hoor Dorus, heelemaal mis!»

Jan en Bob stonden gereed, en na de gewone drie tellen staken zij af. Jan liep wat hij loopen kon, al was het dan ook niet, om te winnen, want hij wist wel, dat Bob sneller liep dan hij. Zijne verbazing kende dus bijna geen grenzen, toen hij bemerkte, dat Bob wel dicht bij hem, maar toch steeds achter hem bleef en het maar niet scheen te kunnen winnen.

»Kijk eens,» riepen de jongens, die zich verwonderden over hetgeen zij zagen, »kijk eens, Jan wint het van Bob! Houd je goed, Bob, houd je goed. -- Kijk, Bob verliest -- nog een oogenblik -- wel heb ik van mijn leven, Bob heeft het verloren! Hoe is dat mogelijk?»

»Ik lijk wel moede te worden,» zei Bob, toen de jongens hem bestormden met de vraag, hoe dit mogelijk was.

»Dat is vreemd» zei Jan, »want ik ben in het geheel niet moê.»

Nu volgde de tweede rit, en -- met denzelfden uitslag. Bob had twee streepjes en was dus dood.

Thans moesten na eene kleine pauze Jan en Cor Valk om den eersten en den tweeden prijs kampen, en de uitkomst was, zooals Bob die voorspeld had. Jan won den eersten en Cor den tweeden; zoodat alles heel anders was afgeloopen, dan wij gedacht hadden.

Wat was Jan van der Vliet blij!

»Toch kan ik het mij niet begrijpen, Bob,» zei hij, »want jij loopt toch veel beter dan ik.»

»Wacht maar, Jantje,» zei Bob, die er ook zeer verheugd uitzag, nu zijn list zoo goed gelukt was, »ik zal het later wel eens beter overdoen, dat beloof ik je!»

»Nu naag den tuin,» zei mijnheer Denappel. En wij volgden hem allen, om getuigen te zijn van de prijsuitdeeling.

Hij plaatste zich achter de tafel en liet Jan en Cor tegenover hem staan. Daarachter stonden wij allen op een hoop gedrongen. 't Werd nu stil, en mijnheer Denappel zeide:

»Waagde Vgiendjes! Ik heb een gecht pgettigen middag gehad en met vgeugde heb ik gezien, dat je op de stelten gechte bazen bent. 't Spijt me wel, dat ik voog iedeg van jelui geen pgijs beschikbaag heb, want ik zou eg je gaag allen een geven. Dat kan nu eenmaal niet. Hieg heb ik een pgachtig boek in een fgaaien band, en dat boek geef ik jou, Jan van deg Vliet, omdat ik tot mijne vgeugde gezien heb, dat jij vlugste van allen zijt. Hieg, mijn jongen, lees eg pgettig in! Het heet Gobinson Cgusoë.»

Met een hoog rood gelaat van blijdschap nam Jan het prachtige boek aan.

Mijnheer Denappel drukte hem de hand en Jan betuigde zijn dank.

»En hieg heb ik den tweeden pgijs, Cog Valk, een boek, waagin je de avontugen kunt lezen van den Bagon van Munchhausen. Dat boek heb jij eeglijk gewonnen; ziedaag, neem het van mij aan, en lees het met pleizieg.»

Ook Cor nam onder dankbetuiging zijn prijs in bezit.

»En nu heb ik hieg nog een fgaaie pogte-monnaie,» vervolgde mijnheer Denappel, »en ik beggijp, dat je nieuwsgiegig zijt, aan wien ik die zal geven. Dit voogwegp is geen pgijs, vgiendjes, die doog dezen of genen gewonnen is, neen, -- 't is een cadeau, dat ik geef, aan wien ik wil. En nu geef ik haag aan Bob de Wild, omdat die agme jongen zóó bijzondeg moede gewogden is dezen middag, dat hij op het laatst lang zoo hagd niet meeg kon loopen als in het eegst. 't Is dus uit medelijden, dat hij dit geschenk van mij kgijgt.»