Wijsheid en schoonheid uit Indië
Part 9
Ik wist toen wel, dat die poppen daar niet hóórden, evenmin als de statige Hindoe-beelden, weggerukt uit hun grandioze natuuromgeving, nú op de belachelijke, westersche pleister-voetstukken in de kille vestibule van het Bataviasch Museum.
Dat ééne gebaar was mij altijd bijgebleven, zooals de lijn van een verren, nooit meer teruggezienen berg, zooals een vage, innige melodie, ééns maar gehoord....
En nu ging het, onder de maanlicht-beschenen cathedraal van statige palmen door, naar de muziek toe, die ergens, vèr, kristallijn-fijn, door den nacht klonk, zacht en liefelijk, als van zingende zielen.....
* * * * *
Onder de droomende boomen, in het zilveren weemoedlicht van de maan, met de avondlucht koel om zijn bloote hoofd, dáár is het Tooneel van den simpelen Javaan.
Onder een atap-bedekking, waar óók nog een lange tafel stond, met een inlandsch feestbanket, zat de dálang, de eenvoudige, sjofel gekleede inlander met zijn houten beschilderde poppen, smerig grotesk voor westerlingen, in den walm van olielampen en slechte tabak en bedorven-geurtjes,--maar zat er met die poppen als een koning met zijn volk van prinsen en edellieden en prinsessen.
Om den dálang heen, gehurkt op den grond, en staande, strootjes rookend en sirih-kauwend, waren de schamele inlanders, vuil en onaanzienlijk voor den Europeaan, een smoezelig, plebejisch zoodje van spáda’s[47] en kebóns[48] en koelies, maar in hun oogen blonk de verrukking van de hooge tragiek, maar zij allen bezaten het kostbare weten van het koninklijke gebaar, en in hunne zielen te zamen woonde onbewust de ziel van een oer-oud volk, dat de diepste geheimen had doorgrond van onvergankelijke wijsheid.
[47] Bedienden.
[48] Tuinjongens.
De wondere sagen en legenden van dat allergrootste wereld-epos, de Mahābhārata, zij leven nog in den geest van dat goedkoope publiek, de helden en heldinnen van hun tooneel, zij kennen ze allen, als hun vader en moeder, en in die donkere, slecht gekamde, glimmende hoofden gloeit de brandende fantazie, die bíjvult wat de wajang-pop even aangeeft met een subliem gebaar, en de geheele tragedie-omgeving van wouden en meren en paleizen vóór zich ziet, zonder een enkel décor. Wat in dit schamele troepje inlanders onbewust leeft bij de voorstelling van de wájang, dat is de allerhoogste kunst, de hooge tragedie en het hooge epos, en de adem van het goddelijke gaat over dit schijnbaar zoo onaanzienlijke tooneel onder de maanlicht-omdroomde gothieke bogen der pralende palmen.
De inlanders, beleefd als altijd, gingen voor mijne nadering op zijde, en ik kreeg een plaats op een matten stoel vooraan, vlak bij den dálang.
Een héél gewone, plebejische Soendanees, en zóó als hij daar neergehurkt zit, zou hij ook om een aalmoes kunnen bedelen. Wat schooierig en vies voor een’ nuchteren, wèlgekleeden Europeaan. Maar de glans van een wereld-epos licht over zijn bruin, bezweet gezicht, en in zijn oogen blinkt de hartstocht van de hooge tragiek.
Als doode dingen liggen de wájang-poppen ter zijde van hem op een hoop. Ik herinnerde ze mij, iets er van tenminste, van op wandelstokken als knop, op kurken, als galanterie-ornament zoowat op alles, in de permanente tentoonstelling van "Oost en West”. Zóó, in een toko, lijkt zoo’n pop wat gek, de uitdrukking bizar en grotesk.
Maar kijk nu eens in dat schemere licht van den avond-nacht naar het fijne profiel van dien ranken prinsessen-kop; hoe het uitkomt met teêre, om te bréken gevoelige lijntjes, zóó als spitse bladeren staan in de atmosfeer, zooals bij heel ijle lucht in de verte lijnen van heuvelen. In dat profiel leeft de ziel van de prinses, en dááraan kent het inlandsche publiek haar, voelt het den stijl van haar voelen, den adel van haar natuur. En nú zie ik nog maar alléén het profiel, fijn als een schaduw in den nacht. Maar nú gaat de dálang zijn hand bewegen, die hij onder de pop houdt, en trekt hij aan de touwtjes. En als door een aetherisch, electrisch fluïde komt er leven in de pop. Een arm steekt zij uit, o! mooi! mooi! met een gebaar, nobel en teeder als het ópgaan van een melodie, en het lijf beweegt zacht vooruit met een langzaam golvende lijn, alsof een wijze ziel het voortstuwde....
Op géén europeesch tooneel, in Londen niet, in Parijs niet, heb ik ooit een prinses zóó zien bewegen als deze simpele wájang-gollèk-pop, schaduwend in den nacht.
Langzaam schreed de prinses geruischloos door de lucht, en haar teêre gebaar werd gedragen door het rhythme van de zacht kling-klangende gamӗlan, onder het héél even weenend opzingen van een vage rebab-viool....
En op monotone, ietwat klagende wijze, met dien grondtoon van melancholie, die door alle oostersche muziek heenklinkt, vertelt de dálang de geschiedenis, van wat zijne handen doet gebaren. Ik verstond niet zijn Soendaneesch, maar voelde tóch wat hij bedoelde, hóórde het aan den zang van zijn stem.--Ik wist bijna niets van al de geleerdheid daarover, in boeken van professoren, maar voelde toch éven zeker wat het beteekende, als straks een sierlijke edelman naderde, en zijne spitse vingeren gebaarden de "sembah” tot een reverent eerbiedsvertoon van ziel, als zijn teêre profiel neigde naar het teêrder profiel toe van de prinses, en in dit heel eenvoudige, schijnbaar nietige gedoe van poppen rilde de verrukking op van het allerdiepste menschen-mysterie der Liefde.
Zoo heb ik ademloos zitten genieten van die kunst der ouden, in het zilveren maanlicht dat zegende door de stille palmen, en de dálang met zijn telkens veranderende stem, nú eens die van prinsen nábootsende, dán van prinsessen, nú van goden, dán van demonen, maar altijd vaag mineur, en het zangerig gekling-klang van de gamӗlan, nu en dan verbroken door een lang door-dreunende galming van de donker-bronzen gong, zij deden mijn lang hier verdoofde ziel ontwaken, als een die opziet uit den slaap, en hoort een stem van verre....
Daar wás zij dan weer, de Schoonheid, zonder welk het leven dood is en verdooving, en zij riep, zij riep mij met muziek en teêr beweeg van schaduw-fijn gebaren, in de reine maanlicht-sfeer van den nacht.
En in het aandachtig staren naar die goddelijke gebaren, onder den toover van die melancholieke muziek, met somtijds het wonder-geheimvolle gonzen van de gong, is het of de werkelijkheid wèg-wuift, als een gordijn dat voor een mysterie hing, de donkere gezichten der inlanders om mij heen vervagen, in ’t zoet-vervloeiende maanlicht trilt óp een andere, transcendente sfeer, een sfeer, waarin alle dingen vergeestelijkt zijn, en de vreemde poppen, met de schaduw-ijle profielen, bewegen daarin voorzichtig, voorzichtig als wondere, spiritueele wezens in een op ’t uiterst gespannen extaze, schrijdend op den adem van een droom....
_Soekaboemi, Juni 1904._
INHOUD.
Blz.
Voorwoord 1
Singapore 3
Een treinreis in de Preanger 72
Een feest in de Preanger 81
Waringin 99
Biddende Hadji 102
Koelies 108
Ardjoenå 114
Een bezoek bij den sultan van Linga 127
Een Indische Faust 141
Wajang-Gollèk 150
Opmerkingen van de bewerker.
Deze e-tekst bevat de tekst van de originele uitgave; voorkomende inconsistenties in spelling, gebruik van hoofdletters, afbrekingen, accenten, koppeltekens, apostrofs enzovoorts zijn behouden, behalve zoals hieronder aangegeven.
In de tekst aangebrachte veranderinge: Voetnoten zijn verplaatst naar direct onder de alinea waarop ze betrekking hebben. Enkele interpunctiefouten zijn stilzwijgend gecorrigeerd. p. 11: bewijstzijn -> bewustzijn p. 44: Singapoorsehe -> Singapoorsche p. 48: mumuziek -> muziek p. 81: pendeppo -> pendoppo p. 112: eurepeesche -> europeesche p. 140: im mij om -> in mij om p. 145: omnachte -> onmachte p. 156: schamege -> schamele.