Wijsheid en schoonheid uit Indië
Part 8
Als intermezzo in het komediestuk traden de ballet-danseressen op van den sultan, alle favorieten, die hem gewoonlijk óók aan tafel bedienen. De danseressen waren ongracieuze, ietwat logge wezens zonder distinctie, de meeste nog eer kinderen dan vrouwen. Zij leken dom en onschadelijk, van een bête, dierlijke sensualiteit, maar toch hebben onder die logge favorieten dikwijls tragedies plaats. De sultan wees mij er eene, die hij van kinds af aan had opgevoed en gekoesterd, en die hij een week te voren juist nog bijtijds op de vingers had getikt toen zij, in zijn eigen "steamlaunch” nog wel, er van door wilde gaan met haar amant en met voor 20 mille aan juweelen, die zij van hem ter bewaking had! Zijne Hoogheid praatte over die vrouwen en kinderen van het ballet, die hem absoluut toebehooren, evenals slaven uit de oudheid, zooals een westersch vorst over zijn paarden en honden zou spreken.
En het dansen zélf, hoe armzalig, hoe zielig deed het mij aan! Ik voelde wèl wat die dans had moéten zijn, maar niet wás, een héél zacht vooruit-zweven van het lichaam, licht voortglijdend op de beenen, roerloos, statig, met alléén het héél voorzichtig even óp en weer neder heffen der voeten, waaraan zilveren belletjes rinkelen, die den dans rhythmisch begeleiden. Zóó schijnt dan dat lichaam, als zonder materie, vooruit te stuwen op een zachten adem van ziel. In een goed-geoefend, echt maleisch ballet, als dat in Johore bijvoorbeeld, zal dit wonder-teêre ook wel te zien zijn. Maar hier was alleen de bedoeling te zien, en de sultan scheen niet te voelen, welk een indruk het kunstlooze, leêge gedans op mij moest maken.
Midden onder het ballet werden door de lakeien schotels rondgediend, die ik wel in een europeesch restaurant, maar niet in een oostersch paleis had verwacht. De bouillon was uitstekend, de kippen-côteletjes met doperwtjes ook, en de Rijnwijn die er bij werd geschonken, was voortreffelijk. Maar hoe vreemd dit leek alles, met al die zwijgend neergehurkte, gesluierde witte vrouwen in het rond, in dat orientale décor!
En diep voelde ik de décadence van zoo’n oer-oud, vorstelijk geslacht als dat van Linga, ééns machtig-heerschend tot zelfs in Celebes toe, en langzamerhand ontaard onder den druk van den bleeken Westerling, tot de alleruiterste degeneratie toe, zoodat zijn laatste afstammeling zich opdirkt met europeesche jasjes en boordjes, en zich omgeeft met de wanstaltige producten der europeesche galanterie-industrie. O! Dat zoo’n indisch potentaat het niet voelt, hoe diep hij zinkt, als hij de kunst van zijn voorvaderen verlaat, en daarmede de ontzaglijke superioriteit, die hij er altijd door behoudt boven de burgerlijke westerlingen, die als caricaturen zijn in een omgeving van oostersche pracht! En welk een vernedering als zoo’n inlandsche prins, wiens afkomst voor het volk iets goddelijks heeft, zooals ik wel eens heb zien gebeuren, een controleur of resident neigend moet ontvangen, aan wiens arm een gewone inlandsche vrouw uit de kampong hangt, met wie hij gehuwd is!
Toen het ballet uit was, zag ik den sultan vragend aan. Maar zijn vreemde, raadselachtige glimlach lachte mij weer tegen, waarachter hij zijn ziel ondoorgrondelijk verborg, als achter een lichtend waas.
Even was het, later in den avond, alsof er iets moois zou komen, toen hij mij een paar rijkssieraden liet zien, zwaarden en krissen van goud, met kostbare edelsteenen van onschatbare waarde. Het waren zwaarden als uit de Duizend en een Nacht, fonkelend en schitterend, met het vuur van roode robijnen vlammend óp uit het goud, en het stralend gesterrel van brillanten, maar die hij zóó maar liet aandragen door gewone bedienden, om ze in mijn onreine christenhanden te leggen. Hij, de vorstelijke muzelman, bewees daardoor, dat hij niet eens de veneratie meer in zich voelde voor de "poesáka’s”[40] zijner voorvaderen.
[40] Heilige familie erfstukken.
Hij stond zelfs toe dat ik, ofschoon zelf aarzelend toen ik het deed, bang voor zijn eindelijk uit te barsten toorn, een heilige kris uit de scheede trok, en met mijn handen van christenhond streek langs het gevlamde lemmet.
Welk een verschil met de vorsten op Java! De sultan van Djocjacarta, wien een mijner kennissen, een controleur, eens een zeer oude kris ter bezichtiging stuurde, zond dit heilige wapen terug met een hoogwaardigheidsbekleeder, die haar droeg op een zijden kussen, onder de gele "songsong”. De kris was hem namelijk gebleken een zeer oud wapen te zijn, dat eens aan de vorstelijke familie had toebehoord, en was hem heilig, van een goddelijke wijding omgeven. Nooit zal een javaansche prins een heilige kris uit de scheede trekken zonder er een "sembah” voor gemaakt te hebben, met een teeken van aanbidding der handen boven het hoofd. Maar zonder éénig gebaar van eerbied liet de sultan van Linga de heilige rijks-zwaarden en krissen door zijne handen gaan, en onverschillig stond hij toe, dat ik ze betastte en bekeek.
Toen ik afscheid nam van den sultan, trachtte ik nog ééns zijn gelaat te doorgronden, maar het stereotype glimlachje hield onverbiddelijk verborgen wat er misschien toch wel mocht omgaan in de ziel van den would-be westerschen dandy, die tóch iets van den mystieken gloed van het Oosten had in zijn donkere oogen.
Ik wist, achter dit moderne, europeesche galanterie-paleis was nog een andere, inlandsche woning, een half dorp van huizen en hutten. Op weg naar de "bangsáwan” waren wij door eene vóórplaats er van gegaan, waarop aan weêrszijden de deuren uitkwamen van vrouwen-vertrekken. Éven had ik geruisch gehoord van zijde, geritsel van armbanden en oorbellen, hier en daar hadden donkere oogen mij bespied toen ik voorbij ging, en had ik pailletten zien schitteren van bayadère-gewaden....
Ik wist óók, dat in dit oostersche dorp nog het mysterie broeide van middeneeuwsche tyrannie en willekeur, hoe hier een menschenleven was als niets, en hoe, ondanks de nabijheid van het westersche bestuur op Tadjong-Pinang, hier op Penjingat nog tragedies werden afgespeeld bloedig als die van Blauwbaard uit de sprookjes van Grimm. Het wàs er dus wel, het verschrikkelijke oostersche geheim, en achter het geruite colbertje en ’t hooge boordje loerden de vlammende, ongebreidelde passies van den vurigen, somberen Aziaat....
En toen ik weer wègvoer over de zee, terug naar mijn veilige huis aan anderen oever, gewiegd op den rustigen maatslag der bruine, zacht-neuriënde roeiers, ging áldoor de gedachte in mij om: "Is dit westersche, would-be europeesche nu wel het eigenlijke, innige wezen van dezen vreemden sultan van Linga, òf dient dit alles slechts om te verbergen voor den verachten "blanda”[41] het mysterie van zijn diepste, oostersche ziel? En zwijmelt hij nu op het oogenblik misschien niet weg, in dat andere, oostersche paleis, in de armen van de allerschoonste, donkergebronsde, goud-oogige favoriete--die mijne onheilige blikken niet mochten aanschouwen,--de ééne, allergoddelijkste uit den heiligen harem van liefde, door géén westersch oog ontheiligd, waar altijd door zijn ziel van droomt, terwijl zijn lippen leegjes lachen tegen den bleeken Europeër, wiens enkele adem al ontwijdt?...
[41] Hollander.
_Riouw, Januari 1904._
[Illustratie]
EEN INDISCHE FAUST.
In een jinrickisha, een japansch wagentje op twee wielen, getrokken door een naakten, kaneel-gelen, zweetenden chinees, rennende door de eindeloos lange North-Bridge Road, met overal aanschietend en weer wèg-duizelend de lantaarnlichtjes van andere wagentjes, over den donker-rooden zandgrond, met aan weerszijden kobaltblauwe chineesche huizen vol rood en goud, in een oostersch geschreeuw van stemmen, door een roezemoezende herrie van chineezen, klinganeezen, tamils, hindoestanners en arabieren, zóó ging ik, verbijsterd en het zélf niet geloovend, naar eene opvoering van "Faust” in Singapore.
Ik moest dat toch absoluut eens gaan zien, hadden ze gezegd, dien maleischen en soendaneeschen komedie- en operatroep, de "Indra-Zanzibar Royal Theatrical Company of Singapore”. De laatste dagen was ’t succes al aan het tanen, maar nog kort te voren was deze komedie de rage geweest van Singapore, waar de jeunesse dorée elkaar rendez-vouz gaf als in de parijsche opera, en waar zelfs de gouverneur was heen geweest met den russischen admiraal Alexeïew, op zijn doortocht naar Port-Arthur. Het was een even groote sensatie als in Parijs de eerste Cake-Walk, dat maleische acteurs en actrices hun inlandsche coupletten zongen op de wijsjes van Daisy Bell en the Honeysuckle and the Bee, en elken avond was het komedie-gebouw stikvol ontaarde westerlingen, die van dit mélange van indisch en europeesch tooneel kwamen genieten.
Maar het was niet bij liedjes gebleven en bij stukken uit de Duizend en één Nacht. Na "Aladdin en de Wonderlamp” werden "Othello”, en "Hamlet”, en zelfs "Faust” gespeeld door maleische en soendaneesche tooneelsterren. En ik vond dit enkele feit al zóó oostersch-fabelachtig, dat ik er expres met de chineesche boot van Riouw voor overkwam om mij te overtuigen, dat ik het niet enkel in een droom gehoord had.
Een oogenblik, vóórtvliegende over den rooden weg met de blauwe huizen, aarzelde ik nog. Ik vóórgevoelde pijn en akeligheid. Waarom niet liever den avond dóór blijven rennen in dit lichte, veerende wagentje, door die oostersche pracht hier, waar het rood en het goud úitschitteren van chineesche winkels, dán straks door de chineesche wijken van Sago-street en Tringannu-street en Banda-street, waar de thee-huizen zijn met hun open galerijen vol feestende lichten, met vrouwen in blauwe en roze zijden gewaden, die gitaren tokkelen en luiten, en dan eindigen in een chineesche wájang, en mij dronken kijken aan sublieme kleuren?
Maar vóór ik het wist zette de hijgende jinrickishapuller mij neer voor het komediegebouw. In Godsnaam dan maar!
Eerst een wijde, vieze gang door, toén een kaartje nemen aan een loketje, waar een gluiperige tronie achter loerde, en door een houten deurtje kwam ik in een theatertent, lijkende op de kermisspellen van Spriet of Basch, vroeger op de kermis.
Donker, druilerig licht van gebrekkig brandende gasballons en een walm van slechte tabak, met weeë, niet te definieeren oostersche geuren vermengd. De achterste rijen banken en de galerij waren geheel bezet, door een mengelmoes van alle aziatische rassen, vooral klingaleezen en arabieren, met donkerbruine gezichten, tot op zwart af. De voorste rijen, de dure, waarvan de banken met rood katoen waren overtrokken, waren leeg. Ik was de eenige Europeaan in deze "stalles” dien avond.
Zoo om me heen kijkende leek het een benauwde droom. Faust!.... daarbij denk je aan roode loges met blanke, juweel-omfonkelde vrouwen en gerokte heeren, een zaal, schitterend van licht, van slepende, liefde-zware muziek, van klinkende koren en wiege-wuivend ballet. En nu, hier, dat schunnige, kermisachtige zaaltje met vuile, houten banken, en dat smerig-gekleede, inlandsche schorriemorrie, sirih-kauwend, tabak-spuwend, katjang-etend, wachtend op dat wondere, altijd nieuwe mysterie van de Liefde, in "Faust” verklankt!
Maar toen het scherm was opgegaan werd de benauwing nog drukkender, en het plat-leelijke werd tot een ontzetting.
Stel u voor: Faust als een gevaarlijken, gluiperigen Indo--de "held” van den troep--bruin, op zwart af, in een paardrijderspakje, met een moderne sabel om, "Felantain” (Valentijn) gekleed als een slangenmensch en een musketier door elkaar, Mefisto als een pikzwarten schoorsteenveger, een boeman, en "Siti Merhaji” (Margaretha), als een dikke, logge, Soendaneesche meid met rooden sirihmond en een scherp, krijschend blêr-geluid, dat de fijnste vezeltjes van binnen in je van pijn doet trillen. En dat alles, niet als parodie of klucht bedoeld, maar als heilige ernst, te goeder trouw, als opera, met pathos en gejammer!
Maar het comble was de muziek. De maleische woorden werden gezongen op bekende europeesche wijsjes, van de "Cake-Walk”, van "Daisy-Bell”, van "Fischerin du kleine” en "En revenant de la Revue”.
En dán, opeens, totaal "er uit”, en nog steeds niets met Faust gemeen hebbend, maar héél apart, en mooi, om van te wéénen, een paar oude javaansche liedjes, roerend van eenvoud en innig sentiment. Liedjes van vóór eeuwen en eeuwen, gezongen in de kampongs en dessa’s, door minnaars voor hun lief, door moeders voor hun kinderen, liedjes, waarin de droomerige javaansche volksziel lacht en schreit.
En ’t was merkwaardig, hoe dan tegelijk het orchestje veranderde, een armzalig zoodje van een stuk of vijf, zes verongelukte Indo’s, een piano bespelend, een paar violen, een bas en een valsche clarinet. Díe muziek kenden zij, díe muziek voelden zij verwant aan hun eigen omnachte, altijd maar heel vaag bewuste ziel. De violen klaagden wonderlijk, en er was er één bij die, ongeweten, nu en dan sublieme dingen streek, trillende van gevoel. O! Hier wás dan toch het mooie, wel niet van "Faust”, maar tóch het mooie, en de avond was dus niet verloren.
Als je nu de oogen dicht deed en niet zag, enkel luisterde, was je in de sfeer van het heel echte mooi.
Maar het prachtigste van alles moest nog komen. Na de europeesche liedjes en de javaansche wijzen, begon een instrument achter de schermen te spelen, met een geluid als van harmonium. Die muziek zal ik niet licht vergeten. Zij was van oer-oude tijden, van de hindoes, vertelde een der violisten mij; hoe zij precies heette wist niemand, maar iedereen kende ze en alle acteurs wisten de liederen, die zij begeleidde. En onder het weeklagen van de leelijke, zwarte Margaretha klonk de muziek, langzaam voortzwevend, in allerlei vreemde figuren, als een trage, mineure fuga van een hindoeschen Bach, zoo tragisch als ik in den werkelijken "Faust” van Gounod nooit iets heb gehoord. Het leek mij muziek van meer dan duizend jaar geleden, toen de volksziel zélf nog bijna muziek was, in haar primitieven eenvoud, en daar in dat miserabele zaaltje, met dat schunnige zoodje komedianten in acrobaten- en carnavalspakjes, ruischte het geluid op van de hooge, gruwzaam naakte tragiek van leven en dood en eeuwigheid. De man aan het orgel, achter de schermen, was niet te zien, maar ik voelde zijn ziel in die mystieke muziek.
Maar dán opeens, midden in dien toover, onverwacht weer een dolle ópsprong van de piano, en de valsche fausset van Siti Merhaji begon weer een mop te zingen uit de "Country Girl” en "San Toy”.
De toeschouwers vonden het allemaal prachtig, en luisterden in gespannen aandacht. Ze hadden vreeselijk te doen met Margaretha, die onder al haar emoties den sirihpruim nog vast achter de kiezen hield, en tusschenbeide behoorlijk op den grond spuwde. Faust, mager en knokig in zijn circuspakje met veel pailletten en glimmende knoopen, die erbarmelijk door zijn neus zong, vonden zij een ontzagwekkenden indischen Don Juan, en de opkomende vrouwen en meisjes van de koren waren Hoeri’s uit het paradijs. De meeste waren dan ook werkelijk "bagoes”[42] en "manis”[43] en er waren er bij, die de fijne huidskleur hadden, welke de inlander "itam manis” noemt. Een dikke chinees, zijn vingers vol brillantringen, zat knipoogjes te geven aan een der soldaten-vrouwen uit het koor, en een jonge arabier, in een geel-zijden kaftan, keek met zijn zwarte, fonkelende oogen ál maar naar Siti Merhaji, als een wild beest naar zijn prooi.
[42] Mooi.
[43] Zoet, lief.
Alles eigenlijk hetzelfde als bij een opera in Holland, maar de blanke sopraan is nu een zwarte Preangermeid, en de gerokte gentleman een chinees of een arabier.
Aardig was het, eens goed rond te zien naar de gezichten in de zaal. Over de balustrade van de galerij boven hingen twee kleine chineesche meisjes, prachttypen die de vermenging van een chineeschen vader geeft met een maleische moeder, met transparante, ivoorgele gezichtjes, als van heel oud porselein, en een heel zacht, rood blosje er over, zoo teêr als wel op herfstvruchten ligt. Haar zwarte oogjes, klein en scheef, schitterden daarin als muisjesoogen doen. Papa-chinees had een sequah-hoed op voor deze gelegenheid, en mama had een kostbare sarong aan. Zóó was dit oostersche huishoudentje óók eens "uit”, om de "Faust” te zien.
Ik was blij toen Siti Merhaji eindelijk ten hemel was gevaren en Faust, zooals dit hier gebeurde, door Mefisto in het vuur was gesmeten, want de geheele uitvoering, met al die donkere menschen op het tooneel, die weenende javaansche volkswijzen en die grandioze oude hindoe-muziek, met die banale, westersche tingel-tangel-deunen daartusschen, was eigenlijk één lange pijniging. En door een wonderlijk toeval was ’t precies een jaar geleden dat ik voor ’t laatst in Europa "Faust” hoorde, in Nizza, met Sigrid Arnoldson als Marguérite. Ik kon ’t niet helpen, maar zelfs in ’t grandioze rood-blauw-en-gouden Singapore, met al zijn oostersche grandeur, kwam weer het schrijnende heimwee in mij op naar Europa, waar zooveel minder pracht is en zooveel minder wijsheid, maar waar een westerling nu eenmaal thuishoort, omdat hij er geboren is.
En toen ik in mijn jinrickisha, met een glimmenden Aziaat er voor, weer door de roode straten rende, door klingaleezen en hindoes en chineezen heen, vond ik me tòch zielig, als ik dacht aan het thuiskomen in Parijs b. v., uit de opera, tusschen de raampjes van een fiacre, door de van heerlijk europeesch leven wriemelende boulevards, waar het toch niet half zoo mooi is als in die prachtstad van oostersche kleuren, die Singapore heet. Een wonder-weemoedig wijsje, door Siti-Merhaji gezongen, toen zij in de gevangenis klaagde over verloren liefde, weende mij dagen daarná nog door het hoofd, en nu ik dit neêrschrijf treurt het weer langzaam op, droef mineur, en wil niet wijken voor de gedachte aan het schoone, onsterfelijke "Parlez encore” dat ik eens de heldere stem van Miranda hoorde zingen in de Haagsche opera....
_Riouw, Februari 1904._
[Illustratie]
WAJANG-GOLLÈK.
De mail was aan, en een uur lang had ik heimwee-droef zitten treuren en mokken na het lezen van de hollandsche couranten.
De Lente was er gekomen in heerlijk Holland, de Lente, o! de lichte Lente!....
Ach, de weeë bitterheid om dáárvan te lezen in de vóórgalerij van een indisch hôtel, ziek en akelig geworden van de hitte "benéden”, nú "boven” in Soekaboemi, met verlof, om je wat op te knappen, en je weer geschikt te maken voor een nieuwe reeks misère-jaren in de brandende zon, ver van je lieve vaderland, waar het hóóg-ruischende Leven gaat.
Tergend kijken de zwarte letters in die courant je aan. Het is alweer een maand later nu je dit leest.... in ’t Kurhaus te Scheveningen is ’t alweêr begonnen.... good old Rebicèk is niet meer, met zijn vriendelijk, mondain glimlachje en zijn breed stokgebaar.... omruischen hem nu hemelsche melodieën en klaar Godschoraal?.... maar de nieuw dirigent, Herr August Scharrer, voert nu de zingende violen en de schetterende trompetten tot de regionen der hooge harmonie....
Zacht zullen nu droomen de avondlijke luchten over de zee, over de blonde duinen van lief Holland.... in de boschjes zingen nachtegalen en merels.... stil zitten lievende paren op een bankje onder de beuken, en vogeltjes zingen in hun ziel.... de Lente is gekomen over menschen en boomen, en het jonge leven zingt en muziekt en tiereliert in heerlijk Holland, dat stad en land er van weêrklinken....
Maar hier, in Indië, hangt de eeuwige zomer altijd zwaar, gelijkvormig door, eeuwige zon, eeuwig groen, zonder nuance, en in de tergende gelijkmatigheid van eeuwig dezelfde dingen sluipt het weeë heimwee in je ziel als een zoet, sloopend gif, dat je ziek maakt, tot stervens toe, dien eeuwigen gloed zonder innigheid, dat loome, lijzige leven zonder mooi....
O! het mooi, het mooi, wanneer zal het éindelijk weer eens komen? Is dit leven, zoo luierig liggen in dien langen leunstoel, starende op de krant met al die tergende verhalen van het groote Leven, vèr over de zee?....
* * * * *
Buiten is doodstil de avond-nacht. Roerloos staan de boomen in het witte licht van de maan. Wat een blankheid, wat een wonderreine glans!.... Het is of alles vergeestelijkt is tot een staat van stille verrukking, te heilig voor geluid.... Geen blad beweegt, en alleen het diepe, nachtelijke zwijgen suist, bijna onhoorbaar, vol heilig-geheim.
O ja, dít is de mane-nacht van Indië, in zóó lang niet goed gezien.... Wat, domme jongen, zoek jij ’t mooie zoo ver, uit de zwarte letters van een krant, na maandenlange zeereis tot je gekomen?.... wat mopper je en mok je van het mooie, nu déze nacht je wacht en het maanlicht droomt over roerlooze boomen?...
Alles is nu voorzichtigjes uit de duffe dagverdooving gegleden, want het helle licht van den dag is geweken en in den teêren schijn van de maan durft nu alles wel zachtjes uit te komen, wat schroeide in de zon.--O! Hoe teeder, hoe gevoelig doen nu alle bladertjes, hoe fijn staan ze in de atmosfeer, en die palmen daar, met hun welvende bogen, staan ze niet klaar te pralen als de doorgang van een kalme kathedraal?
En ik loop zacht naar buiten, niet mokkend meer, gewillig, met het voorgevoel van iets moois, dat komen gaat, dat eíndelijk, eíndelijk gaat komen...
En hoor!.... is het werkelijkheid?.... is het droom?.... daar tinkelt in de verte als getokkel van zilveren luiten.... klaar-kristallen bellen van geluid opwellend in de stilte van den nacht.... helder als water en puur als diamant.... hoor!.... wat wàs dat nu, daar over heene?.... is het een donkere golf die, in duizelige afgrond-diepte tegen sombere rotsen slaat?.... of is het de donzen-donkere dreuning van de wondere bronzen gong?
Het is de gamӗlan, ja, zij is het, de gonzende, galmende, de tinkelende, tokkelende gamӗlan, met de sprinkeling van klare luiten, en den weemoed van vaag-weenende viool, en de donkere dreuning van somber-droomenden gong....
O! De gamӗlan, lang vergeten in mijn laatste leven in Europa, de gamӗlan, die mijn ziel ééns hield bevangen met een wondere charme van geheim, zooals géén andere muziek ooit heeft gedaan, de gamӗlan, die muziek uit vreemde, verre sferen, waar géén westersch geluid ooit dóór kan dringen, de sferen, waarin het hindoeïsme en het boedhisme zweven, van dood, en vergetelheid, en eeuwigheid, waarin de hóógste vreugde áltijd weemoed is, om den doem, die er op rust van het vergankelijke, dat ééns moet sterven....
De gamӗlan, uit de verte, in den nacht, dat is zoet als het lokken van den dood, maar een dood zonder pijnende smarten, een ganschelijk vergeten, een wèg-zweving, vèr in vage sferen, waar alles zacht zou zijn en donzig, heenglijdend op de droomerige rhythmen van die verrukkelijk melancholieke ziele-muziek....
Heel zacht komt een "sado”[44] aanrijden op den eenzamen weg.... de koetsier lijkt te slapen, soezerig neêrgedoken in de stilte van den avond.... het paard loopt langzaam, voetje voor voetje, staat nu en dan stil....
[44] Sado (dos-à-dos), inlandsche dogcart op twee wielen.
Ik roep den droomer wakker. Ik wil weten, waar die muziek kan wezen, die uit géén richting schijnt te komen, maar ergens doelloos rondzweeft in de lucht....
Er is een "slámetan”[45], zegt de "koésir”[46], ginds boven, achter Selabatoe.
[45] Inlandsch feest.
[46] Koetsier.
Daar wordt getandakt en gefeest, en daar wordt de "wajang-gollèk” vertoond.
De "wajang-gollèk!”.
Ik herinner mij al de wajang-poppen in ’t Bataviasch Museum in "Oost en West”, die schijnbaar grillige, "enge” figuren voor den oningewijden Westerling, die daar ergens dood neerliggen in een hoek, of lijzig neerhangen aan een spijker, als lijken. Maar ééns haalde een kennis van mij er een van den muur, en wees mij het sublieme, gevoelige profiel, en trok éven aan het touwtje, waardoor de lange, dunne arm een gebaar maakte, statig als het gebaar van een god, en ik schrikte van dat mooi, alsof een doode levend was geworden en zijn ziel uitte in dat ééne, grandioze gebaar.....