Wijsheid en schoonheid uit Indië
Part 7
Ik antwoordde hem niet, want ik wil het eigenlijk voor mijzelf nog niet weten, hoe lief ik Indië begin te krijgen, nu ik in de Preanger woon, hoe ’n machtig, nooit-meer-te-verliezen ding van schoonheid die grandioze Gedeh nu weer in mijn leven is geworden, hoe kleurig-diep de roode bloemen in de spatodea-boomen mij hebben aangedaan, en hoe de gratie en het bevallige beweeg der simpele Soendaneezen mijn ziel met zachte muziek vervullen. Ik voel dat Indië nu eindelijk intiem voor mij geworden is, dat mijn ziel zich thuisvoelt onder al die tintelende kleuren, bij al dat gratievolle gebaren, en dat het een zoete wonne is, hier in die pracht te leven. De koele bergwind gaat frisch langs mijn hoofd, zacht buigen de rijst-halmen op de sawahs langs den weg, en zeggen iets heel innigs en liefelijks.
"Tabeh! tabeh![29] roept mijn enthoesiaste reisgenoot tegen ieder die voorbijkomt, en vriendelijk groeten die menschen terug, passeeren ietwat gebogen, gracelijk, maar niet slaafs, uit eerbied voor den toewan blanda, die voorbijgaat. Dit is geen serviel gebuig van den loonknecht voor rijken heer, dit is een voornaam-bevallig gebaar van oerouden, heiligen hormat. Het wrakke sadótje, waar we in zitten, kraakt en waggelt op de veeren, en telkens bonzen we onzacht tegen elkaar aan, maar ’t kleine paardje draaft lustig voort, en vroolijk sjokken wij daar in dien koelen, indischen morgen, blij met al die kleuren, die ons voorbijgaan, en die we in de verte zien naderen, telkens weer een andere schoonheids-pracht, die naar ons toekomt in de natuur. Achter de golvende sawahs staat de Gedeh hoog en ontzaglijk over het landschap heen en laat de witte wolkenstoeten gelaten onder zich voorbijdrijven. Zacht neuriënd zit de bruine sadó-koetsier voor ons, en weet het zelf niet wat hij zingt....
[29] Goeden dag.
Zóó hotsen wij een uur lang den breeden postweg naar Tjandjoer door, tot we bij een kampong komen, waar de dessa Ngadiredjo ligt. Hier staan een paar bamboe-warongs, waar een oude, rimpelige "nènèh” koffie schenkt en "ajer-djeroek”, en waar op een schamel bankje wat inlanders gehurkt zitten, genoegelijk en gezellig, in de knusse buiten-intimiteit van het Oosten.
Wij stappen uit het wagentje, en spreken ’t gezelschap aan, om naar den weg te vragen. Wij zoeken Oessin, den ouden marskramer, die wandelstokken vent, en wájang-poppen en krissen. Een naakt, glimmend godenkindje, prachtig slank van leden, springt van de bank, zijn bronzen snoetje lachend onder den vuurrooden hoofddoek. Hij is slank als een jonge palm, zijn lokken zijn zwart als de nacht, en zijn sprong is als die van een zachten panter. Wah! Oessin! die woont in de kampong, ginds, tusschen de palmen, hij zal ons wel wijzen, als wij maar mee willen gaan. En wij loopen links, ter zijde van den weg, het palmbosch in, over dorre bladen, over bamboe-bruggetjes, waaronder water zacht-pratend voort haast. De breede palmbladen hangen boven onze hoofden als waaiers.
En daar, onder de cathedralen-pracht van de pralende bladen-bogen, staan op palen, van den grond op, wat simpele bamboe-huisjes, luchtig en primitief, als in een sprookje van "Daar woonde eens in het woud....”
Wat naakte kinderen dartelen over den grond, vlug als katten. Een jonge vrouw staat voor de hut, de prachtige, volle borsten bloot, zoogend haar kind. Als zij ons naderen ziet trekt zij haastig haar slendang er voor, wetend de schending der westersche oogen, die in naakt het vuile zien, die het heilige moederschap zouden ontwijden. En ik voel een vage schaamte in mijn ziel, dat die vrouw voor mij bedekt, wat zij iederen inlander zou durven toonen, wiens blik het heilige niet besmet....
Wij vragen zeer beleefd naar Oessin, wij roepen "djangan takoet!”[30] naar de kinderen, die ijlings weg vluchten, schuw als welpen van dieren. En de jonge moeder roept haar vader, met een hooge, melodieuze stem....
[30] Niet bang zijn.
Dáár gaat een rieten voorhang open, en Oessin komt te voorschijn, een oud, grijs mannetje in roode lompen, een prachtfiguur eigenlijk, met die wijze rimpels in zijn voorhoofd, en het vage droomen van zijn donkere dieren-oogen.
Hij kwam geregeld venten in ’t hôtel, met arèn-stokken, met gesneden goden-koppen van buffelhoorn, met krissen, met waaiers van vlechtwerk en bamboe-doozen. Die zwarte koppen waren het vooral, die mijn aandacht trokken, en mij iets verrieden van zijn innerlijke ziel. Het zijn de goden-koppen van de wájang, van Råmå en Ardjoenå, en Petroek, die koppen met hun fijn, ijl profiel, die als schaduwen te zien zijn op het scherm, alsof zij bevende op de grens zijn waar materie in geest vervloeit, en waarvan hij het teêre gebaar bewaart, de vage droom-expressie, in den harden, glanzenden hoorn van den karbouw, besneden met een simpel, grof mesje als éénig materiaal. Voor veertig, voor vijftig centen verkoopt hij ze aan den blanda[31], die er het mooie niet van ziet, ’t werk van dágen achtereen hard prutsen in de harde, weerbarstige stof. Zóó knutst dat oude mannetje daar in zijn bamboe-huisje, uren en uren achtereen, met een pieterig mesje in de zwarte buffelhoornen, en snijdt er het fijne, gevoelige profiel in van Ardjoenå, dat zijn ziel in de wájang heeft gevoeld, en lijnt er het gracieuze gebaar om, dat vaag is als een schaduwencontour, en ritselt met de mespunt langs de teêre omtrekken van neus en wangen, en schaaft en vijzelt en polijst, tot uit de harde, hoornen stof het zachte, geestelijke gezicht te voorschijn komt van den wijzen, volschoonen god, waarvan hij het beeld draagt in zijn ziel, in ongeweten pracht. Hij heeft geen voorbeelden, hij heeft geen platen of model, de schoone goden-beelden staan diep in zijn ziel, als in een stillen tempel, dien hij zelf niet weet. Dat oude, rimpelige mannetje, in schamele lappen gehuld, hij heeft de schoonheid onbewust in zijn gemoed, met lijnen ijl als van vèr-droomende bergen, met gracelijke gebaren, gevoelig als van een bloem, met het vaag bevende van geestelijke teêrheid, als ’t weifelen van een schaduw.
[31] Hollander.
Dit alles had ik vermoed in de zéér gebrekkige poppen en figuren, die ik van hem gekocht had, dingen voor den verkoop aan europeanen gemaakt, maar waar tóch iets van de groote schoonheid in doorbreekt, omdat de schoone ziel het mes nu eenmaal heeft gestuwd. Één ronding van een wang, één fijn gebaar van arm, één krul omhoog van ’t ópgolvende kapsel, dáár voelde ik de ziel in van dien man, die zich niet ganschelijk uiten kon, in ’t prutsen van verkoop-goed voor den onverschilligen blanda. Zóó had ik ook veel dingen gezien in de toko van "Oost-en-West” in Batavia, artikelen, in der haast geknutseld, om het brood te verdienen voor den dag, maar waar tóch altijd schoonheid weifelend in beeft, omdat het bewegen van de hand gestuwd is door een schoon-gevormde ziel, die schrikken zou van grofheid en geweld.
Nú vroegen wij hem, ons al zijn schatten eens te laten zien, waaraan hij bezig was te werken. Hij lachte genoeglijkjes, ik méénde ook lichtelijk geringschattend, zooals een oosterling altijd lacht voor europeanen. En hij haalde een hoopje materiaal te voorschijn, wat harde buffelhoornen, wat scherpe mesjes, en onafgewerkte koppen van goden, voor knoppen op een stok, en beeldjes, grof van afwerking, zooals wij al meer hadden gezien. Heel het godenvolk van de wájang had hij gereproduceerd in den harden hoorn, knutselend met zijn mesje, in onuitputtelijk geduld. Die beeldjes en koppen lagen daar verward dooreen, als uit een speelgoeddoos, prachtig glanzend als glimmend zwart ebbenhout, en hij bood ze ons glimlachend te koop aan, zooals hij al zoo véél malen had gedaan in de voorgalerij van het Hôtel.
Maar ik vroeg hem dadelijk, of hij niet wat mooiers had. Ik wist wel dat die gewone dingen goed genoeg waren voor de toewans blanda, zeide ik. Nu wilde ik eens wat beters zien, wat fijners, dat "aloes sekali”[32] was. Ik zag het oude, rimpelige gezicht bedenkelijk, ongeloovig kijken. Toén glimlachte hij weer even stilletjes. O ja, hij hàd wel mooier, maar dan moest het ook méér geld kosten. Toewan was altijd zoo aan ’t tawarren[33] in ’t Hôtel, en moest alles zoo goedkoop hebben, dan kon hij ook niet zoo iets heel bizonders geven. Hij hád wel beter werk, Oessin, maar dat zou ook méér kosten.
[32] Zeer fijn.
[33] Pingelen.
En uit een grauwen zak haalde hij een glanzend zwart beeldje van Ardjoenå, waar mijn ziel van werd bewogen als van een vreemde, vage muziek. Ik kan het niet goed zeggen wat het was, ik weet het nú nog niet. Het is een buste van Ardjoenå, een goden-kop met hals en borst, in harden buffel-hoorn gesneden, ebbenzwart als diepe nacht, en tóch zacht glanzend, als van innerlijk licht; het hoofd is even fijn en ijl omlijnd als de schaduw, die een wájang-figuur afdroomt op ’t scherm; de schedel is wonder gaaf gerond, of wijsheid van binnen uit hem vormde; de borst is spiegelglad als ijs, dat schittert in nacht; de schuin gewelfde, half geloken oogen bewaren een blinden blik, die naar binnen, in de ziel is gericht, de superbe haarwrong krult met een grandiozen boog hoog naar boven op, als een óprijzende golf uit de zee. Het is een tot glanzende, ebbenzwarte materie verstoffelijkte schaduw, die in allerfijnste expressie, op ’t punt van in ’t ijle te vervloeien, is verstard. Maar dit alles is ’t innige niet er van; het vage wonder van dit schaduwachtig beeldje is de vreemde glimlach, die om den halfgeopenden mond weifelt, waar fijne tandjes in zijn te zien, en die een mysterieuze expressie geeft aan ’t gansche donkere goden-gezicht. Het is niet de glimlach van een sterfelijk wezen, maar de glimlach van een ziel, die in teerdere, etherischer sferen heeft gezien dan het reëele. Die glimlach lacht zoo héél zachtekens, weifelend weg in een vèr mysterie, over ongeweten dingen, die ik niet begrijp en toch soms even twijfelend voorgevoel, als ik lang dat wondere beeld aanzie. Het is een glimlach, die door bovenzinnelijke geheimen is geplooid, alsof ’t nu eindelijk is opengegaan, ’t groote mysterie van ’t leven, en alles zóó eenvoudig lijkt als een duister-diep raadsel, waarvan de simpele oplossing opeens in één woord is gevonden, zoodat de rader om de nuchtere vondste lacht. Het is niet somber-mystisch, als ’t starre lachen van een sfinx, ’t is een wereldwijs glimlachje, als van een, die de nietigheden der aardsche dingen heeft erkend, en er nu op neerziet, als een vader op een jokkend kind.
En ik voelde die óp-stormende begeerigheid in mij branden, om dit wondere ding van schoon te bezitten, met schrijnenden, scherpen angst van binnen, dat het mij ontgaan zou, zooals ik, jaren geleden, in China had gebrand van verlangen naar een maanlicht-blanke godin Kwan Yin.
Ik stotterde den ouden inlander wat tegen van hoeveel? en of ik dit zoo fijne beeldje nu ook koopen kon. En schrikte, kón ’t niet gelooven, toen hij slechts enkele guldens vroeg. Hoe kon die vreemde, bruine man dit kostbaar ding nu willen afstáán, dat dágen werk gekost had, in een stage spanning van zijn ziel? Of gaf hij er zooveel niet om, dit schoone beeld te missen, omdat hij tóch de essentieele schoonheid, waaruit hij het weerkaatst had, zéér veilig omdroeg in zijn ziel?
Ik zag hem aan in spanning, wilde dóórdringen in zijn vreemde innerlijk van mysterieuzen Aziaat, dat ergens achter zijn verbergend lachje moest geheimen. Maar ik kwam niet verder dan zijn oude, rimpelige gelaat, en den uiterlijken glans van zijn donkere, Javaansche oogen.
Ik haalde enkele rijksdaalders te voorschijn, ik kreeg het beeldje in mijn handen, in een stuk donker gevlamd doek. Het leek zoo heel gewoon maar, een blanda, die van een ouden inlander iets koopt. Hij zeide "banjak trimakassi”[34], en streek de blinkende ringits naar zich toe, met zijn bruine knokkige vingers, en scheen ’t ganschelijk niet te beseffen, wat een kostelijk geschenk mijn leven van hem kreeg.
[34] Wèl bedankt!
Toen zijn wij later heel gewoon weer heengegaan, na wat centen rondgedeeld te hebben aan een troepje naakte kinderen, dat nieuwsgierig om ons heen gekomen was. En toen wij een eind weg waren, en ik nog eens omkeek, zag ik dat de jonge vrouw den doek weer had genomen van haar moederborst.
In de hotsende sadó, waar wij terugreden langs de van roode bloemen pralende spatodea-boomen, dacht ik om den simpelen kunstenaar, die daar zoo gansch eenvoudig woonde in een bamboe-hut onder de palmen, en de grootheid van zijn eigen kunst niet weet. Zóó als in ’t wondere land van China leeft in ’t eeuwig groene Indië de kunstenaar ongeweten, zonder glorie, als een gansch gewone werkman, in wien Schoonheid woont onbewust. Hij maakte de mooie dingen argeloos en vanzelve, en voelt zijn eigen begenadigd groot-zijn niet.
Is dan alles in ’t Oosten zuiverder en reiner dan ’t Westersche leven, waar ik, bleeke blanda, mij ééns superieur in dacht?
En met een vage schaamte groette ik de kleurige, gracieuze menschen, die lichtelijk het hoofd bogen waar wij kwamen, die donkere, bronzen Soendaneezen, wier zachte, rhythmische gang gaat als op wiegingen van melodische muziek....
[Illustratie]
EEN BEZOEK BIJ DEN SULTAN VAN LINGA.
Op de receptie van den resident van Riouw had ik hem voor ’t eerst gezien.
Een klein, mager mannetje, spichtig, van over de veertig jaar, met een pseudo-westersch air, in smoking, met verlakte schoenen. Alleen de zilveren bloemhouder in zijn knoopsgat, schitterend van diamanten, met een veel te groote, witte orchidee er in, was iets bizonders aan hem, en een lage, kleine kolbak, als van onze artillerieofficieren, waarop een ster stralende van brillanten, met een kolossalen steen in ’t midden, die een fortuin waard was. Behalve deze twee ornamenten, een beetje parvenu-achtig doende op het zwart lakensche europeesche costuum, was er niets aan hem, dat aan een oosterschen vorst deed denken, en zonder deze had hij ook een welgestelde indo kunnen zijn.
"De sultan van Linga!” zeide een controleur tegen mij, "die op Penjingat woont, het eiland hier over Tandjong-Pinang.”
En ik dacht opeens aan al de wondere pracht, vroeger op Java gezien bij regenten, ik, die de laatste vijf jaren door Europa gezworven had met telkens dat hongerende heimwee naar het oostersche mooi, ik dacht aan melancholieke gamӗlans, droomerig in den nacht, aan fonkel-oogige ronggèngs[35], zacht tandakkend op wiegenden cadans, zwevende als bevende zielen, aan vage wájang-schaduwen met weifelende contoeren in het manelicht. Een groot verlangen welde in mij op om die pracht weêr te zien....
[35] Dansmeisjes.
Ik liet mij aan den sultan voorstellen en raakte al gauw met Zijne Hoogheid in gesprek. In mijn enthoesiasme van eindelijk weer met een oostersch vorst te spreken, met het vooruitzicht, weer eens echt mooie, oostersche dingen te zien, vertelde ik hem van mijn bewondering voor de gamӗlan, voor de wájang, voor den dans der ronggèngs. Zijn bruin, indolent gezicht lachte ietwat slapjes, alsof hij er niet veel van geloofde, van een Westerling, die mooi zou vinden de pracht van het Oosten. Hij had geen gamӗlan, zeide hij, en ook geen wájang, daar moest je voor op Java zijn, en hij was een volbloed Maleier, maar als ik zijn paleis wilde zien, en zijn "bangsáwan”[36], en zijn ballet, dan zou ik hem welkom zijn, wánneer ik maar komen wilde. Morgenavond bijvoorbeeld, dan was hij vrij. En ik ging van de stijve residents-receptie naar huis met het idee van iets heel superieurs, een evenement voor den volgenden dag....
[36] Maleische komedie.
Om half zeven, toen het donker al dóór kwam duisteren, was ik aan de pier van Tandjong-Pinang, waar de groote zeilsloep van den sultan mij wachtte. En de overtocht naar ’t eiland Penjingat, over een kalme, vlakke zee, met weifelende berg-lijnen in de verte, en altijd donkerder wordende schaduwen, met den hemel in ’t Westen in rossen gloed van aangestoken branden in gambir-tuinen, was als de inleiding tot de pracht van een oostersch sprookje.
Wat was alles stil en plechtig op zee! Achter in de sloep speelde een matroos op een "soeling”[37] een droomerige, mineure melodie....
[37] Inlandsche fluit.
Toen ik de pier opklom bij Penjingat dacht ik: "nu gaat het komen....”
Nog een klein eind wandelen en wij stonden voor den ingang van het paleis. Een buigen, wat beleefdheidsfrasen tegen den ontvangenden sultan en een paar rijksgrooten, en ik sloeg de oogen op, pracht-verwachtend.
Welk een ontgoocheling!
Ik stond in een groote, ruime voorhal, een soort galerij, aan drie kanten open, waarin opeen was gehoopt al de affreuze luxe van modern Europeeschen wansmaak, zonder één schijntje van kunst. Het "furniture-department” van John Little en Robinson in Singapore had dit alles geleverd, in roekeloozen overdaad, zonder éénigen stijl. Moderne fantazie-stoeltjes, met fluweel en trijp, portières, tafelkleedjes, afschuwelijke imitatie-moorsche beelden op voetstukken, terra-cotta, schrikkelijk leelijke vazen, mora-standaardjes, muurborden met engeltjes en feeën, portretten in pluche-lijsten, hoorns van overvloed met bloemen. Affreus, heidensch, een nachtmerrie voor een fijnvoelenden kunstenaar, zóó was mijn eerste indruk van dit "paleis”. De sultan dien ik nu, in zijn eigen huis, in schilderachtige oostersche dracht had verwacht, was in een geruit engelsch colbertje met gele schoenen, hoogen boord en rood dasje, tiré à quatre épingles, maar géénszins orientaal. Hij had bovendien, om te ontvangen, een indische nonna bij zich, die "de honneurs waarnam”. De inlandsche bedienden, die hier en daar stonden, waren óók al op zijn Europeesch uitgedost, met korte kniebroek, zwarte kuit-kousen en lage schoentjes, in liverei met goudgalon.
En nu begon iets pijnlijks, dat ik niet licht zal vergeten. De sultan scheen trotsch te zijn op zijn Europeesche inrichting. Ik moest het toch vooral héélemaal zien, zijn paleis. En nu ging het van de eene groote zaal naar de andere, als door een magazijn van Hoynck of Fortmann, maar nóg erger, want hier en daar waren meubelen Empire, en Louis Quinze, en zelfs midden-eeuwsche, die apart misschien mooi zouden gedaan hebben, in wanorde door elkaar gezet. Aan de muren monsterachtige platen en schilderijen, rekjes met leelijke snuisterijen, hondjes, poesjes, kaboutertjes van steen, in alle denkbare nuances. Uit beleefdheid moest ik tusschenbeide wel uitroepen: "bagoes! bagoes sekali!”[38], maar ik voelde dat het mij slecht afging, en telkens antwoordde de sultan met een glimlach, die mij totnutoe een raadsel is gebleven. Was het genoegdoening en trots over al zijn moois? Of was het fijn gesavoureerde minachting voor den smaak van den dommen Westerling? Alle Oosterlingen hebben zoo’n glimlach, die voor de oningewijde Europeanen een ondoordringbaar mysterie blijft.
[38] Mooi! héél mooi!
In een receptie-zaal prijkten twee groote portretten in lijst van de Koningin en Prins Hendrik, met eigenhandig-geschreven opdracht, die de sultan ons, alweer vreemd glimlachend, toonde.
Later vertelde de nonna van de "honneurs” mij er de geschiedenis van. De sultan had als huwelijks-geschenk een prachtig cadeau aan Hare Majesteit gezonden, een te Penjingat geheel van inlandsch werk vervaardigd rozenstruikje, de stam van goud, de blâren van zilver, vol edelsteenen schitterend daartusschen, een vorstelijk geschenk, dat duizenden en duizenden had gekost.--In plaats van de verwachte en gehoopte Bintang[39] kwamen deze portretten als tegen-geschenk, die meer een cadeau leken voor een stationschef of trouwen kamerdienaar, dan voor een oosterschen sultan.
[39] Ridderorde.
Ik voelde mij benauwd worden in al dien parvenu-rijkdom van wanstaltigheden. Ik zag nu, tot overmaat van ramp, óók nog veel vergulde spiegels aan de muren, met dikke lustres voor kaarsen. De recipieerende indische dame vertelde mij, hoe de sultan geregeld bezocht werd door agenten van groote firma’s in Singapore, die hem overhaalden weêr nieuwe meubels te koopen, waarmede het paleis dan werd opgevuld, dat op een groot meubelmagazijn begint te lijken. Zijne Hoogheid kocht maar aldoor op nieuw, als een groot kind, dat alles hebben wil wat het maar ziet. Hij heeft automobielen zonder wegen om op te rijden, tientallen fietsen die staan te roesten, enorme speeldoozen, waar het mechaniek van stilstaat en die honderden hebben gekost. Hij heeft een half millioen per jaar te verteren en steekt, naar men mij vertelde althans, zóó diep in de schulden, dat in een Singapore-blad presenties op hem te koop zijn geboden. Hij wordt bestolen in zijne huishouding op een fabelachtige manier en laat zich dit doen met vorstelijke, oostersche onverschilligheid, omdat het immers véél te veel "soesah” zijn zou, er een eind aan te maken.
Van de groote wereld heeft hij niets gezien dan Singapore en Java, hoewel zijn fortuin voldoende is om hem, evenals zijn neef den sultan van Johore, Europa te doen bezoeken. Wat zou hij, met zijn westersche neigingen en zijn penchant voor vrouwen, niet een Eldorado hebben gevonden in Parijs! De wijze, waarop zulk een oostersche vorst reist, doet aan de oostersche sprookjes denken.
Toen de sultan een bezoek had gebracht aan den Soesoehoenan van Djocjacarta, liet deze hooghartige potentaat weten, dat hij wèl een tegenbezoek wilde brengen, maar dat dit slecht gaan zou, omdat het Hôtel, waar de Linga-vorst logeerde, niet prinselijk genoeg was ingericht. De sultan van Linga liet toen voor dat ééne bezoek het deel van ’t hôtel, waar de gasten zouden komen, op zijn kosten opnieuw meubileeren. In de ontvangzaal kwamen nieuwe stoelen en sofa’s met gele zijde,--de officieele galakleur,--en alles werd weelderig ingericht, voor meer dan drie duizend gulden, enkel voor die ééne visite. Toen den volgenden dag, na het bezoek, de sultan eenige beeldjes en andere dingen wilde medenemen die hem waren opgevallen, bleek al het nieuws, dat hij zelf betaald had, al door de hôtel-houdster geplunderd te zijn. Een Oostersch vorst, die zijn waardigheid bewust is, maakt zich hier niet zenuwachtig over, en met een "soedah!” zag de sultan er verder maar van af.
Een vreemden indruk moet het gemaakt hebben aan het Djocjasche hof, waar de Soesoehoenan en al de rijksgrooten in hun superbe inlandsche gewaden waren gezeten, toen daar die hypermoderne, fin-de-siècle sultan van Linga binnenkwam.... in een rok, met hoogen boord, en witte das!....
Ook de "bangsáwan” was een teleurstelling, zonder een schijn van mooi. Het tooneel was buiten opgesteld en ik kwam, met den sultan, te zitten onder een "atap” afdak. Het was niet beter, eerder slechter dan de gewone "komedie Stamboel” die ik op Java had gezien, en een onbeduidend stuk werd door slecht geoefende, zesderangs maleische acteurs en actrices gespeeld. Het éénige waarlijk mooie van deze voorstelling, buiten in het maanlicht, was het doodstille, eerbiedige publiek. Honderden stille, zwaargesluierde vrouwen in ’t wit kwamen zwijgend, als in droom aangeschreden, en hurkten neder, bleven roerloos als beelden. Die vrouwen zaten heel vooraan, want de plaats der mannen was áchter, en overal òm mij zag ik die witte gedaanten, zwijgend, plechtig, het gelaat geheel bedekt. Alleen nu en dan, tersluiks, werd een tipje weggeschoven van den sluier, en zag ik een paar schitterende, fonkelende oogen, als van een loerende kat....