Wijsheid en schoonheid uit Indië
Part 6
En als op een vreemd, ondoorgrondelijk wonder blijf ik lang nog staren naar dien jongen, slapenden knaap daar vóór mij, zóó als ik wel gestaan heb voor een boom, die opeens een mysterie was in den nacht.
Wát, wat is er in mij, dat die slapende jongen in mij doet trillen, wát, wat is er in mij, dat ik huiver van boomen en van bloemen? Is er dan iets, dat in alles en allen één is, iets van de universeele ziel der dingen, die zich zelve in alles weder-voelt, en samentrilt als het innige van de sterren, die elkaar voelen in den eindeloozen nacht?
De donzen gamӗlan-geluiden drijven zacht op zachte wieken van den nacht, en ’t is nu of zóó een diep mysterie zal opengaan, en in een wondere verinniging voel ik of ik één ben met al de stille boomen daarbuiten, met de tandakkende schaduwen, die langs de vuren droomen, met den jongen, bronzen god, die donker-gouden op het blanke marmer ligt....
_Het Preanger Volk._
Als wijze, kalme kinderen zaten zij gehurkt, naar de schoonheid ziende van de schaduwende wájang, in hun prachtige gewade-kleuren, met hun stille, bronzen gezichten. Geen enkel luidruchtig rumoer, geen enkel log gebaar, die donkere menschen in lichte couleuren bewegen als bloemen zoo liefelijk, en zijn als zuivere zielen zoo zacht. In ’t witte manelicht zaten zij, onder de pralende pracht van de palmen, en de kleuren van hun gevlamde sarongs en zijdene kabaaien zongen een hooge, en toch rustige harmonie. Ik heb vrouwen onder hen gezien als droomgodinnen zoo slank en vol edele gratie, ik heb mannen gezien als donker-bronzen goden zoo schoon. Zij waren duizenden en duizenden op dit feest, en zij wuifden dooreen in hun schitterende kleuren als bloemen, die de wind beweegt, en in hun hoogste vreugde bleven zij kalm, of wijsheid woonde in aller ziel.
Toen heb ik het gevoeld, op dit glorieuze feest in Tjiandjoer, dat in die donkere Preanger-menschen een fijne, onbewuste beschaving woont, oneindig hooger dan de cultuur van ons, westersche barbaren. Het schrikbeeld van een kermis in Holland, een feestdag met hossende en tierende dronkaards en wulpsche wijven, en dan hier die duizenden rustige menschen te zien, die gaan in zoo gracelijken gang, die bewegen met zoo liefelijk gebaren!
De gamӗlan-geluiden zijn den ganschen nacht niet van de lucht, en drijven donzen in de zwoele sferen, en in het donker bewegen nu die fijngekleurde lichamen als ijle figuren uit een droom van pracht, te schoon om werkelijk te gelooven.
Om de luister-licht geïllumineerde pendoppo, waarvoor de wájang speelt, liggen slanke lichamen te slapen, in sluimer gewiegd door de zacht-bedwelmende muziek van gongs en tokkelende luiten. Één jonge moeder zag ik liggen met het hoofd op een bordes, gehuld in tintelend groen, een knaapje in gloeiend wijnrood tegen de borst. Een arm lag onder het donkere, zachte vrouwen-gezicht, met een gebaar als van een bloemenstengel gebogen.
Ik voel mij vreemd, zoo onder al die superbe oostersche gewade-kleuren, in mijn zwarten, Europeeschen rok, ik weet mij leelijk in dat midden van prachtige natuurmenschen, die bewegen als bloemen, maar mijn ziel is toch zéér verheugd, dat zij de ziel dier menschen en dingen heeft gevoeld, en zich niet vreemd hieronder weet, als mijn bleeke lichaam onder die bronzen. En ik voel tegelijk dat dit rustige Preanger-volk mij zéér lief is, voor altijd, en Indië mij eindelijk intiem en verwant is geworden.
Zóó, tot laat in den avond-nacht loop ik droomend door de straten, en over de wijde aloen-aloen, stil genietende van die superbe kleuren, die langzaam langs mij heen en weder gaan, bewegende als de rhythmen van melodieuze muziek, en overal gaan die menschen, kalm en zacht, als woonde wondere wijsheid in hun zielen, die hen tot dat harmonieus bewegen stuwt.
Mijn blanke rasgenooten, zij drinken nu whiskey-soda en champagne in de kaboepáten van den regent, er zijn er onder die rood zien, en dronken schreeuwen schor geluid. Grof zijn hun gebaren, en er is een wilde gloed op hun gezicht. Ik heb zoo even grove taal gehoord, en heb schaamte gevoeld, een blanke te zijn als zij.
Maar het zachte volk van de Preanger viert feest in wijze, voorname kalmte, en als een volk van kleurige bloemen is hun langzaam-wuivende beweeg....
_Soekaboemi, Augustus 1904._
[Illustratie]
WARINGIN.
Als een heel groot ding in mijn leven, innig als een vriend of een heilig boek of een berg, staat de statige waringin op het voor-erf van mijn huis in Indië. Hoe zoo’n boom machtig in je wezen kan komen te staan! Hij praalt daar in zijn pracht als een cathedraal, en in de breede spreiding van zijn takken gebaart hij heilige devotie en liefde. Hij geeft zijn zachte schaduw als een groote wijsgeer zijn zachte wijsheid, en leeft zoo stil en zonder beweeg een eigen, mystiek leven. Zijn neerhangende wortels zijn als de majestueuze baard van een grijzen patriarch, en in het donker van zijn dichte bladerkroon broeit een geheim als in het hoofd van een ouden wijze. Het lijkt zoo maar een boom, een groote reuzen-boom, met een perk in zijn schaduw, waar een paar herten loopen, maar het is een wondere creatie, waar geen menschen-ziel het innigste wezen van vermoedt. Welk machtig wezen leeft daar in de stilte van zijn bladeren-woud, wát is de transcendente heiligheid, die mij ontzet en vol van vreemden eerbied doet staren naar de majesteit van zijn statuur? Het moet hetzelfde zijn, wat mij zoo plechtig beven deed bij den aanblik van den somberen Bromo en den machtig rijzenden Gedeh, wat mijn ziel deed luisteren naar het ademend deinen van de zee, en wat zij hoorde in de stilte van zacht in ’t maanlicht wachtende palmen, het moet hetzelfde zijn wat leeft in mijne ziel en wat van ééne essence is met dat alles.
O! Die wondere waringin in den nacht, als ik laat thuis kwam, en vóór mijn kamer zittend, nog even staren bleef naar zijn donkere macht! Mijn ziel was stil en die heilige boom stond zoo roerloos mij aan te zien, en tóch praatten zij samen zacht, en waren in gemeenschap van pracht.
En o! ’s ochtends, heel vroeg, als ik op was gestaan in ’t eerste schemeren van den dag, voelend de zon, die al geheimde door de lucht! Langzaam, langzaam begon dan het eerste zonnelicht te goudelen door de donkere kroon van blâren. Gouden flitsen schoten dan door de takken, als pijlen van vuur. Ergens hing al een tros groen af, gedoopt in goud, al gouder en gouder, tot hij druipend was van goud licht. En uit ’t dichte binnenste, waar bladeren en takken het innigste zijn, begon een zacht kleurengegloei, als een orgel van licht, dat heel zacht aanvangt te spelen, schoon als de gedempte gloed in een oude, gothieke kathedraal....
Dan was mijn ziel zéér verheugd, en onuitsprekelijk lief had ik het schoone Oosten.
En zóó als het heerlijk is, ergens vèr een goeden, wijzen vriend te weten, van wien het innigste verwant is aan het beste in mijn ziel, zóó is het een zéér gewichtig ding voor mij te weten, dat vèr, over wijde oceanen, die wijze waringin leeft, die zoo ontzaglijk sterk is van trots en kracht, en zoo’n zachte-machtige is van schaduw.
De dingen zijn ook ganschelijk niet enkel boomen en bergen en bloemen, zooals de menschen ze wel zien, want de ziel dier dingen is van een zéér subtiel en wonder wezen, en verwant aan ’t allerinnigste in ons als een goede broeder, een zachte vriend.
O! Wijze, wondere waringin van het Oosten, ik heb de taal van uw machtige pracht verstaan, en in het zachte gebaar van de uit uw sterkte neêr-schaduwende takken heb ik het gebaar gevoeld van Één, die leeft in bergen en boomen, en in bloemen en in deinende zee....
_Walden, Mei 1905._
[Illustratie]
BIDDENDE HADJI.
Op het paviljoen van de lange pier in zee zat ik heimwee-droomerig voor mij uit te staren over het water. Dit is de gewone avond-wandeling van het Riouwsche publiek, de pier op, om wat lucht te krijgen van de zee, en dàn weer terug, de chineesche passar over, en naar huis, altijd in een kringetje rond, als op een ballingsoord. Dáár, op de pier zie je wijd uit over de zee, met eilandjes als boeketten in het water, en onbewust is ’t het verlangen naar dat ruime, verre, dat de menschen drijft naar dat paviljoen in ’t water. Het is of je dan je ziel wat voelt uitdeinen over dat verre en opene heen. Hier en daar glijdt een wit zeiltje over het water, heel zacht, heel langzaam, deint wat, wiegelt wat, kalm in den avond-vrede, die valt over de dingen. De zon zinkt weg in ’t Westen, en rustig goud drijft daar over de zee.
Hoe klein en nietig dat stadje Riouw daar achter je, met de witte residents-woning, waar hooge tjemara’s zachtjes voor staan te wuiven, en hoe wijd en ver dat eindelooze van lucht en horizonnen en zee.... Daar zit je stil over de leuning van de pier-balustrade te droomen, en voelt het zoete heimwee in je opkomen naar Holland, naar heiden en weiden en duinen, en staart naar de langzaam voortglijdende witte zeiltjes van visschersscheepjes en naar de sampans met inlanders, die van ’t Lingasche Penjingat komen, de roeier een prachtige figuur ópstaand uit de boot, bewegend de riemen met gelijkmatigen slag, rhythmisch, met klagelijk piepend geluid in de lucht. Zacht glijdt het vlakke zeeëwater onder je door, zacht drijven wat wolken aan den hemel, en ’t is of er langzaam iets uit je gaat zweven, in ’t wijde, ruime, opene van horizonnen en verschieten. En dit is het echte, oostersche genot, je oogen nu dicht te doen en je zacht te voelen zweven, langzaam te voelen weg-wemelen in ’t wijde, zonder bewustzijn, in een droomerig vergaan met de dingen òm je, die weg-wemeren tot niets.
Toen hoorde ik een zachten stap naast mij, en ik zag een ouden, grijzen hadji naderen, in paars zijden kaftan, een gelen hoofddoek om het hoofd. Hij droeg een mantel over den arm, dien hij zachtjes uitspreidde op den grond. Hij stond éven stil en staarde over de zee, naar de ondergaande zon, die goud reflecteerde op zijn donkerbrons gezicht. Toen viel hij op de knieën op den uitgespreiden mantel, bracht de handen éven devoot voor het voorhoofd, en begon zacht te bidden tegen het rossig-gloeiende Westen, alsof hij daar iets zéér eerbiedwaardigs had gezien.
Dit gebeurde vlak bij mij, maar de hadji scheen mij niet te zien, zoo ganschelijk geabsorbeerd als hij was in zijn vroom gebed. Zijn bidden was eerst een zacht geklaag, maar werd al luider en luider, steeg op tot een melancholiek gezang, al sneller en sneller, en een vreemde gloed blonk over zijn donker gezicht. Nú boog hij het hoofd diep voorover, tot laag op den grond en lag daar geprosterneerd voor de eindelooze zee, een kleine, devote figuur, prachtig van paarse kleur, tot hij langzaam weer oprees, de handen eerbiedig voor het voorhoofd geheven.
Een sampan ging vlak onder hem voorbij. De gele chineesche roeier er in deed de wrikriemen piepen, spotte wat hardop tegen den vreemden mohamedaanschen barbaar, die zoo raar deed tegen de ondergaande zon. Er kwamen nu ook een paar europeesche soldaten aanwandelen, hard lachende, met zware stappen van logge schoenen, gingen luidruchtig zitten op de bank.
"Nu zal de hadji bang zijn voor een gek figuur,” dacht ik, "nu zal hij opstaan, en ergens ver, in een veilig hoekje van het eiland, voortzetten zijn heilig avond-gebed.”
Maar de prachtige paarse figuur bleef even devotelijk gebogen, en zóó ganschelijk was die biddende oosterling verdiept in zijn innerlijke contemplatie, dat hij van alles om zich heen niets had gezien. De blik van zijn gloedvolle oogen scheen onverstoorbaar naar binnen gekeerd, en in de sfeer, waarin hij uitzegde zijn gebed, kon geen enkel geluid doordringen van buiten.
Klagelijk, melancholiek klonk zijn neuriënd gezang, met een oneindig, heimweeënd verlangen. Zóó, diep deemoedig, lag hij in zijn superbe kleur op den grond, en neeg somtijds met het hoofd laag bonzend tegen den vloer van het paviljoen. De zon was nu bijna geheel in de zee gezonken, en het was als een laatste onherroepelijk afscheid van het licht, waar de ziel van den biddenden hadji om weende.
De ruwe soldaten lachten grof, trappelden met hun zware schoenen op den grond, om den biddende af te leiden van zijn gebed. Maar de hadji hoorde het niet. Hartstochtelijker klonk zijn gezang, met een smeekend "Allah”-geroep er tusschen, als een kind, dat schreit om zijn vader, en veelvuldiger prosterneerde hij zich diep tegen den grond, met de gebogen lijn van zijn rug als een ander, zwijgend gebed. Zóó lag hij daar, niet als een lichaam meer, als een ziel, die devotelijk neigt naar het groote Licht....
Toen ben ik heengegaan, eerbiedig bevangen, en voelende het groot mysterie van het Oosten, dat in die donkere, bruine menschen leeft, die onderworpen zijn aan ons geweldig gezag van wapenen, maar aan wier innerlijke ziel wij tóch nooit hebben geraakt. Ze gaan ons voorbij, ons bleeke, nuchtere westerlingen, zij neigen, en maken "sembah” voor de gouden pet en de pajong van staatsie, maar het vuur, dat in hun zielen brandt, is een heilig vuur, waar zij ons geen vonk van geven, en dat nooit wordt uitgebluscht. Het blinkt in de gloedvolle oogen van den biddenden hadji, in het gelaat van den simpelen koelie, als hij even van den arbeid rust, en ik weet het achter den schijnbaar onderdanigen blik van mijn baboe, die in slaap zingt mijn kind. Mijn heel eenvoudige, gewillige bedienden, zij bewaren het diep in zich, het heilige vuur, en hun ziel is verder van de mijne dan de aarde van de zon.
En menigmaal zie ik hem nog voor mij, den biddenden, paarsen hadji, zoo soeverein onverschillig voor wat hij de barbaren dacht om zich heen, aandachtig geknield voor het rossige Westen, waar de zon verdween, zingend zijn klagelijk bidgezang van heimwee en Godsverlangen, zonder vreeze voor het lachen en hoonen om hem heen.
Hoe ontzaglijk sterk moet het sentiment zijn in de ziel van zoo’n oosterschen, geloovigen mensch, dat hij de wereld om zich vergeet, en zijn innigste gedachten geconcentreerd houdt op één goddelijk doel van devotie!
De wijde, wijde zee, de rossige hemel in ’t Westen, de superbe paarse geloovige, in diepen deemoed geknield, voor altijd is het bewaard in mijn ziel, dit ontzaglijke beeld uit het Oosten, dat geen tijd ooit vervaagt, daar het is afgedrukt in de sfeer van het tijdelooze....
[Illustratie]
KOELIES.
Als beesten hebben ze gezwoegd en gesjouwd, hun bruin-gele lichamen druipend van zweet, kreunend onder zware kisten en pakken, de arme koelie-beesten, met wangkangs[26] uit China aangevoerd als ladingen vee, in Tandjong Pinang op een menschen-markt verkocht[27] aan wien het meeste bood, als ossen of schapen. Het zijn maar koelies, ’t zijn maar vuile, bruine werkdieren, waar makelaars in Singapore in handelen, koelies die opgesloten worden in Singapore in "koelie-depôts”, zooals er rijst-depôts zijn en depôts van paarden, het zijn maar koelies, die ge trapt en slaat, als ze te lui zijn, beesten, die ge enkel te eten geeft, omdat ze anders niet meer werken. Den ganschen dag door hebben ze gekruid en gegraven en geroeid en gedragen tot hun knoken kraakten, het glimmende lijf in de zon, dat hun huiden brandden. Zóó zwoegen ze en zeulen ze de dagen door, en lijken niet te leven ’t leven van menschen, schijnen dieren enkel, die hun werk doen, zonder denken, zonder ziel....
[26] Chineesche zeilschepen.
[27] In Riouw heb ik met eigen oogen gezien hoe koelies, uit China weg geronseld, openbaar voor 20 tot 36 dollars aan den meestbiedende werden verkocht onder toezicht van den kapitein-chinees.
Maar tóch leven die donkere beest-menschen een eigen leven, een leven van droom en heerlijkheid, dat zelden een blanda[28] vermoedt. Ziet ze liggen, ellendig, als versuft in doffen roes, op de houten banken van de opiumkit, het hoofd hard op een houten blok, het lichaam uitgestrekt op houten planken! Ze lijken nu als dood, als wèggeteerde dieren in misère, en wat daar van hun lichaam over is schijnt nu een miserabel hoopje vleesch maar, afschuwelijk om te zien....
[28] Hollander.
Maar weet ge, dat hun ziel nu zweeft in wondere, heerlijke sferen, dat zij wèg zijn, vèr boven de ellende van hun jammerlijke aardsche leven, dat hun lichaam achterbleef in vuil en jammer, maar hun geest nu vrij is, en in schoone droomen woont?
Wie weet welke zaligheden zij aanschouwen, die ons oog niet ziet, wie weet de glorierijke schoonheid waar hun ziel in zweeft, wie weet de wondere horizonnen en vage verten, waar hun geest in weggezworven is, van dat ellendig lichaam weg, dat daar in doffen sluimer ligt, en achter is gebleven? Die koelie leeft een dubbel leven, waar wij enkel één van weten, het leven van een moeizaam zwoegend beest, maar op de wolken van de geurige opium stijgt de ziel in dat laag verdierlijkt lichaam op tot lichter, teêrder sferen, die wij blanda’s niet vermoeden, en wie weet in welke weelderige prachten de geest niet straalt, in welke zoete zaligheden de ziel van dat koelie-beest niet zweeft, waar zijn miserabel lichaam als een lijk daar achterblijft, op de vuile planken van een kit?
Maar ook ánders nog zien die donkere werkbeesten in schoone droomen, waar een nuchtere westerling niets van vermoedt.
Kom ’s avonds, op de markt in Tandjong Pinang, waar de dobbel-matjes liggen op den grond, en het chineesche theater speelt. ’t Is een armzalige houten stellage, en ’t tooneel is zonder décor. Maar keizers en helden en toovenaars bewegen daar in superbe, van goud schitterende gewaden, maar feeën en prinsessen zweven daar over dat zoo poovere tooneel, als bloemen zoo broos en teer. De chineesche wájang staat daar als een licht paleis van rood en goud en zilver te vlammeren, te laaieren in den nacht, al is ’t maar van ruwe planken, al staat het zóó maar open in de lucht, voor iedereen te zien. En honderden naakte, of in vuile lompen gehulde koelies staan er doodstil naar te kijken, met open monden, en door de schittering van al dat goud, door het subliem bewegen van die gracieus gebarende tooneelfiguren, breekt de werkelijkheid om hen heen, en zien hun oogen in een droom. Het lijkt zoo maar een vuile passar-markt, waar warongs staan met stinkende visschen en vruchten, het schijnt zoo maar een poover, hout tooneel, overal staan vieze, zweeterige koelie-lijven, en de lucht riekt kwalijk om hen heen, maar boven ál die misère uit licht de schoone droom, waar hun bevrijde geesten in zweven, de almachtige oostersche fantazie omtoovert alles in een hooger, lichter sfeer, en de zielen van die arme koelie-dieren zien in pralende apothéozen van pracht, waarin de gouden helden van ’t chineesche tooneel stralend schrijden, waarin hun toelachen de droome-zachte bloeme-gezichten der feeën en princessen, waarin alles glorie is en grootheid en gouden glans. De nuchtere blanda, hij ziet niet verder dan de werkelijkheid van vuil en poover décoratief en houten stellages, de gloeiende oosterling, al is ’t de gewoonste koelie maar, hij droomt zich door den waan van ’t reëele heen, en zweeft in pracht van teêrder, ijler sferen, waar zijn lichaam vèr van achter blijft, als van een, die schoone droomen ziet in slaap. Zóó heb ik die arme duivels menigmaal zien staan, met hun bezweete lijven, voor ’t armzalige chineesche tooneel van planken en stellage. Maar hun geest wist ik vèr weg gezworven, zwevende in pracht van droomen, waar ’t gebaren der acteurs in hun superbe gouden gewaden hen wenkend heen wees....
Maar ’t kan nóg simpeler, in nóg grooter eenvoud van décor. ’s Avonds, in een hoek van een straat, op een rieten stoeltje, met een walmend lichtje naast zich, zit de chineesche verteller "kóng kó”, gebogen over een boek, waaruit hij oude legenden en verhalen vertelt. Om hem heen staan.... geen kinderen.... maar groote menschen, koelies en andere chineezen, die in spanning naar hem luisteren, met de grootste aandacht. Het is maar een heel gewone, sjofele chinees, die verteller, maar een acteur van den allereersten rang. Die man vertelt niet alleen met zijn mond, maar met zijn oogen, met zijn geheele gezicht, met zijn lijf, met zijn handen. Hij heeft gebaren, waar hij de fijnste ziele-dingen mee zegt, zijn oogen schitteren met al den hartstocht van de personnages uit zijn verhalen, en met één lichte, bijna onmerkbare beweging van zijn wijsvinger geeft hij een onverwachte wending aan van zijn sprookje. Die simpele, eenvoudige verteller heeft de genade van ’t koninklijk gebaar, die de grootste europeesche acteur hem zou benijden. Wat daar in dien donkeren straathoek gebeurt is zuivere, ware kunst, die, als zoovéél wat groot is in ’t Oosten, tot de heel natuurlijke dingen van ’t leven behoort. En iedere oosterling heeft eigenlijk die gave van ’t gebaar, die een zwijgende taal is van de ziel....
En òm dien pooveren spreker, wiens gebaren in de droome-sferen wijzen boven ’t reëele, staan de afgebeulde, ellendige koelie-beesten héél stil en aandachtig, in groote spanning van hun onbewuste ziel, en hun oostersche verbeelding voert hen hoog naar verre droome-landen, waar ze alles in lichte werkelijkheid gebeuren zien, wat de fijn-gebarende verteller hun verhaalt. Ze zien de helden en de koningen uit de chineesche middeneeuw-verhalen, de "Tsing See” en de "Saam Kok Tsi”, zij zien ze in hun gouden en zilveren gewaden, de lange helm-veeren wijd-trillend boven hun hoofd, de fonkelende zwaarden doorflikkeren de lucht, de lange lansen lijnen, de draken en feniksen vliegen op gulden wieken door de lucht, en op een blanke, sneeuwen wolk, wuifwaaiend met ’t witte droom-gewaad, komt reddend aangedreven de zachte genade-godin, Kwan-Yin....
In de donkere straat staan schamele koelies om een sjofelen verteller, vuil en ellendig....
Maar bóven die werkelijkheid van misère zien hun verbeeldingsvolle oogen in de glorie van een droom....
[Illustratie]
ARDJOENÅ.
Met een kennis, een journalist uit Parijs, die een studiereis maakte door Java, rijd ik in een zwiepende "sado” van Soekaboemi uit den grooten postweg naar Tjiandjoer op, in den vroegen morgen. Hij is een gevaarlijk anarchist geweest, die vervolgd en gejaagd is als een hond, hij haat de europeesche beschaving met een woesten, doodelijken haat, maar op het simpele, gracieuze Preanger volk is hij gecharmeerd, en hij spreekt er vroolijk uitbundig over, als een kind. Hij kan uren zitten praten met oude inlanders, of spelen met kinderen, die hij lokt met lachjes en lekkernijen. Telkens is hij opnieuw weer verrast door de superbe kleuren van sarongs en baadjes, en uit zijn vreugde met schittering van oogen en levendig gebaar.
"Kijk die lui daar nu eens aankomen!” zegt hij, en dan komen een paar inlanders aanstappen, die naar de passar gaan, vrouwen in prachtige gele, groene sarongs, mannen met bronzen goden-koppen onder bloedrooden hoofddoek, naakte koelies met een golf blinkend goud van gesneden padi op den rug, allen gaande met dien veerenden gang, op dat luchtige rhythmusje, waar je een zachte muziek door hoort in je ziel.
"Wat een pracht-volk!” roept mijn enthoesiaste kameraad, "kijk ze nu eens loopen, wat een gratie, hè? en wat een superbe kleuren! Denk nu eens om al die kerels en juffrouwen bij ons in Europa, die verwaten snuiten van kantoorpoenen en allerlei sjappen! En wat hebben die bronzen lui hier een prettige gezichten, wat is dat alles natuur van hen! Wat gaan ze daar mooi onder die hooge spatodea-boomen en kijk eens al die vuurroode bloemen daar overal in dat groen! En wat een landschap, hè? Die sawahs daar, en kijk, daar links in de verte, de Gedeh! Wat heerlijk, die witte wolken, die daar zoo heel statig en langzaam om zijn blauwe toppen drijven! Telkens rijst hij er weer even machtig boven uit! Altijd verandert het om hem, allerlei mooie, prachtige dingen gaan aan hem voorbij en bedekken hem ook wel eens, maar telkens rijst hij er weer ongeroerd, onaangetast boven uit! Wat een land, hè, wat een land! Kerel, kon ik hier maar mijn hééle leven blijven!”