Wijsheid en schoonheid uit Indië

Part 4

Chapter 43,983 wordsPublic domain

Ik roep mijn kennissen, die beneden aan de deur staan te wachten. Zij stommelen tastend de donkere trap op, dán gaan we een gang door, en zien een deur open staan. En nú is het mij opeens weer vertrouwd, chineesch-vertrouwd, met chineesche luchtjes en chineesche kleuren en chineesche stemmen. Een heel klein kamertje is ’t maar, wat ik van buiten een zaal dacht, met stijlvolle stoelen langs de wanden, fijn besneden, ivoor-ingelegd, en veel schittering van rood en goud aan de wanden, met een weelde van oostersche vruchten op rood gelakte tafel. Nu zijn we in zoo’n paviljoen, dat we hoog zagen blinken, van beneden op de straat. Als groote, lichte bloemen hangen lampions van de zoldering. Op stoelen gehurkt zitten chineesche muzikanten, en een snijdende viool krast de scherpe, doordringende geluiden, die aandoen met een pijn als van tot razernij overspannen wellust. Ik ken geen muziek, die doller maakt dan die chineesche. Als wij binnenkomen, zweven kleine, fijn gekleede kinderen ons tegemoet, met ruisching van zijde en ritseling van armbanden en ringen. Hun kaneelgele gezichtjes zijn teêr beschilderd met rood en wit en rose, hun prachtige zwarte haar blinkt van geurige oliën, en een band van goud en blauwe ijsvogelveeren gaat om hun voorhoofd heen. Ze lijken op de frêle kleurschepseltjes op waaiers en vazen zoo broos en poppig, en heel klein is ’t warme, bruine kinderhandje, dat vat mijn groote, bruine hand. De toch reeds zoo kleine japansche mousmés van daareven, gevuld en rijp als ze waren, zijn hier nog moeders bij, want die vreemde Chineezinnetjes zijn kinderen van negen, tien jaar hoogstens, ouder niet, en zóó teer, dat ik bang zou zijn hun pijn te doen door éven aanraking maar. Die heel kleine kindmeisjes brengen nu thee van lotuspitten in porseleinen kopjes, en kijken ons verwonderd aan, en vinden ons zeker foei leelijk en komiek, ons, groote, ruwe, blanke barbaren, en lachen het schaterend uit, met hooge geluidjes. Er zijn koekjes bij de thee, en vage lekkernijen, groen en geel, van helle kleur. Ik weet niet goed wat ik doen moet nu. Gaan zitten maar, een sigaar opsteken en kijken, wachtend de dingen die komen zullen. Even wat chineesch praten, waarop de kinderen, uitgierend lachen, hoog fausset.

De kleine chineezinnetjes beginnen nu te zingen, vreemde--voor mij niet meer vreemde--chineesche wijsjes, bij het snijdende snerpen van de violen, het klagen van een mineure klarinet, het tokkelen van gitaren. Ze hebben een dolle pret over ons, schieten telkens in lach, proestend, om dan weer óp te neuriën hun liedje. Ik raad haar kinderlichaampjes heêl broos en teer in de wijde jakken, de wijde broeken, en kán ’t niet gelooven, dat dit nu sing-song-girls zijn, waar oude gedegenereerde Chineezen mede spelen een vuil, wellustig spel. Het lijken speelgoed-poppen, maar ’t zijn wel heuschelijk levende kind-meisjes van verfijnde prostitutie, waar dikke, logge, chineesche roués wellust mêe doen. De lonkjes en lachjes die ze over hun zacht-gele gezichtjes doen gaan, met kuiltjes in de wangen, en een prikkelende schittering in het oog, zijn als van perverse kinderen, die de zonde lekker-geniepig vinden en ongeoorloofd-geheim. Een vage, weeë walging bevangt mij er van. Mijn kennissen voelen ’t niet, vinden het dol gezellig, schreeuwen er obscene aardigheden over uit, en vragen om whiskey-soda, versmadend de geurige thee. In ’t gedempte, zacht broeiende licht van de lampions glanzen de kleuren van roode en blauwe en gele en lila kleederen der meisjes met grooter innigheid dan overdag, en in de kamer, waar rood en goud blinkt van platen en inscripties, hangt een gulden-schemer als in een kleinen tempel, zoo vaag en mystiek. Van de straat klinkt door het open venster het rusteloos ratelen der ricksha’s, het schreeuwen der venters, het brommend geroezemoes van oostersche menschen-massa’s. Geuren van warm eten en van vruchten komen bij vlagen naar binnen.--Het is een loome benauwing van wriemelend, geurend, zweetend oostersch leven, doordringend als de scherpe broeiïng in een wilde beesten-menagerie, grof zinnelijk en bruut, zooals alléén in ’t Oosten is te voelen. Het leven is hier zoo heet en dampig en riekt wee en kwalijk-zoet. En de scherpe violen knerpen maar door, ál maar door, en de hooge stemmetjes van de kind-meisjes gillen schel haar enerveerend gezang. Ik voel mijn wangen gloeien van hitte, en in mijn hoofd bonst het. Dat rood en goud, die scherpe geuren, die helle kleuren, die schelle muziek, het maakt je dronken, het bedwelmt je als ál te sterke wijn. En in een walging, snakkend naar eenzaamheid en lucht, sta ik zwijgend op, leg wat dollars neer en hol de donkere trap weer af, naar beneden. Mijn kennissen roepen mij na, maar ik wil hen niet hooren en vlucht.

Maar dáár rent en duizelt en zwaait de donkere menschen-troep nog rusteloos voort over den somber-rossigen grond, tusschen ’t vlammen van bloederig rood en laaiend goud, onder de blauwe huizen. Overal snerpen de huilende violen, kietelt het wee-wellustig gitaar-getokkel, en met dikke walmen komt etenslucht mij tegemoet. Glimmende, bruine koelies jagen mij huppelend voorbij, hun ruggen druipend van zweet, voor de ratelende ricksha’s rennen ze als uitgelaten dieren, dampend en rookend in de lucht. O! al die bruine en gele en zwarte gezichten, die vreemde, oostersche levens, die donkere oogen als van beesten, nú benauwt het me toch inééns, ik hóór hier niet, ik, bleeke man uit het Westen, en ik voel mij hier nu jammerlijk verdwaald. Het is of een wilde koorts die wriemelende menschen zoo jaagt, ze schreeuwen zoo hoog en zoo hel, als in angst of woedenden strijd, ze rieken zoo kwalijk, ze glimmen zoo vet en nat! En haastig loop ik langs winkels en huizen, met overal eten, en eten, en nogeens eten, roode koppen van varkens en stinkende inktvisschen en bloederige darmen, bloedkleurige vruchten en lillende stukken vleesch en roode lombok-pepers en allerlei vraatsel van gulzige oosterlingen. Ik weet den weg niet meer.--Ik zie het alles nu verward, het rood, het goud, het blauw, een lichte damp trekt boven den rossigen bodem, waarin de kleuren vreemd glanzen, de stanken en geuren bedwelmen mijn hoofd, en ik hoor het schel stemmen-gegil nu dof in mij doorklinken, als door een gaas. Ben ik dronken, of word ik ziek? Waak ik, of is dit alles een bange, sombere droom? Ik voel het zweet mij uitbreken onder mijn goed, en een wee gevoel wiebelt mijn maag langs. Kijk, dáár, alwéér die open huizen met schitterlicht en goud, met altaren vol bloemen en vazen en bronzen, blinkende vaten en schitterende platen aan den wand. De grimmige Kouan Ti hangt er woest te dreigen, en strijkt zijn langen baard, en vreemde, vijandige goden loenschen lachend van de muren. De Canton-vrouwen, in zwarte bombazijnen jakken, staan voor de deuren, met hun hel beschilderd gezicht, en zingen met hooge gillen en lokken als katten zoo valsch en zacht. Alweer vrouwen nu, en vrouwen, en nóg eens vrouwen, voor die schreeuwende, zweetende, glimmende bruine beest-menschen, die dampend door den rood-en-gouden avond gaan. Dat rijdt en rent en rost maar, in die gouden nacht-stad hier, dat drinkt en vreet en smult, dat huilt en schreeuwt en snerpt, en windt zich op naar donkere vrouwen, op de maat van kietelende, weeë wellust-muziek, die neêrjankt van felle lampion-belichte terrassen, waar roode bloemen en vruchten hangen, in kleur van bloed. Het lijkt nu te helsch en duivelachtig om reëel te zijn, een krankzinnige droom meer dan een heusch stuk leven, en opeens zie ik die vreeselijke bruine gezichten als schrikgestalten, vijandig en grimmig, met tarting en hoon in de loerende, donkere oogen. De obsessie van ’t gevaarlijke, vijandige Oosten bevangt mij, ik voel me heel klein en verloren in die brullende bende van sombere, bruine duivels, en ik zoek naar een uitweg om angstig te vluchten, wèg, naar den kant waar de groene Esplanade, waar de Engelsche huizen zijn, veilig en vertrouwd. Neen, nooit hoort een bleeke Westerling thuis in ’t broeiende, vlammende, laaiende Oosten, zijn tehuis is niet waar het vuur is en de gloed, dat voel ik nu zeer hevig en beslist, met een branderig gevoel in mijn hersenen, en een koude rilling langs mijn rug. Het is onzinnig, denk ik nog even, bah, wat een lafheid, schaam ik mij niet? Maar ik voel, dat ik bang ben, bang voor die herrie, voor die broeiïng, voor dien walm, voor dien stank, voor alles, en ik loop zoo hard ik kan door al die bruine en gele duivels, zoekend een zijweg, waar de herrie aan voorbij joelt en ik vluchten kan.

Moê, o hoe moê en bang ben ik van al die kleuren, van die zware, oostersche geuren, van dat woelende, wemelende beweeg! Hoe die donkere bruine en gele en somberzwarte menschen daar door elkander krioelen, over den rossigen grond, tusschen kobaltblauwe en indigo-paarsche huizen, waar goud schittert en òpvlamt ’t bloedende rood! Hoe die wilde jacht àl maar voort-ratelt van hollende ricksha’s en rammelende gharry’s, onder ’t wilde, helle geschreeuw als van duivelen zoo woest! Gelukkig, daar zie ik eindelijk een eenzame zijstraat, waar weinig menschen loopen, met enkel hier en daar een lichtje voor een donker huis. Nu gauw hier in geloopen. De oostersche lucht blijft er altijd nog hangen, je weet niet van wat, van wierook en klappervet en knoflook en menschen, van duizend ongeweten dingen, wier geur blijft wademen in de warme lucht. Ik weet, als ik nu rechts aanhoud en altijd maar dóórloop, moet ik weer komen waar het stil is, aan de zee. Ik voel, dat mijn keel dor en droog is van dorst. Daár hoor ik een zwiepend geluid, een lichtje wiegelt aan door de donkere straat, misschien is het een chineesche venter met vruchten. Neen, ’t is maar een koelie met kisten aan een bamboe-juk. Veêrend gaat de zware last op en neer, en vlug huppelt de koelie voorbij, met dien rythmischen, luchtigen gang, waardoor de vracht haar gewicht verliest. In een klein, schunnig, winkeltje walmt nog licht, en ik zie een oud chineesch vrouwtje in de warong. Ha! Daar liggen de felle, roode vruchten, de sappige naî-tsi’s met hun harige stekels, als grimmige, venijnige insecten. Ik roep haar in ’t Chineesch, ze schrikt op uit haar dut, verstomd dat een barbaar haar toespreekt in haar taal. Zij noemt een prijs, die tienmaal te duur is, maar ik moet nu toonen, dat ik in China ben geweest, en nog méér in haar achting rijzen door het hardnekkigste "kóng kè”[23] dat ik ooit heb gedaan. Wat zou ze anders wel van me denken? En daar sta ik, in den laten avond, in de stille Singapoorsche straat, voor een kleine warong, pingelend met een gewikst chineesch oud-wijfje, als ging het op leven en dood. Eindelijk krijg ik mijn tak met stekelige, fel-roode naî-tsi’s voor een paar koperen centen, en smullend loop ik door, de witte vrucht zuigend uit de opengeknepen bolster, die als bloed afgeeft aan mijn hand. Heerlijk, het zoete, koele vocht op je heete, droge tong.

[23] "Pingelen”.

Nu kom ik langs een werkplaats, waar koelies schoenzolen zitten te kloppen. Zij kloppen als razenden, naakt, met hun van zweet glanzende lijven, gehurkt op een tafel. Er is in het woedende werken van die chineesche koelies iets als ’t wilde zwoegen in een hel, jakkerend, jagend in een woest delirium van koorts. Wat vreemd toch, die kaneel-bruine kerels, of ben ik vreemd, bleeke westerling, die hier rondloopt vér van zijn land?

De huizen, die ik nú langs loop, staan donker-blauw en stil van den rossigen kleigrond op. Hier en daar staat een venster open, waarachter een geel lichtje walmt. En in de verte hoor ik een droeve fluit. Een eenzame Aziaat zit daar ergens stil op een kamer te spelen. Het is een wonderlijk, treurig wijsje, het lijkt op wat ik van morgen hoorde op de boot, maar toch wat anders nog en even weemoedig van vage melancholie. Wie is die eenzame, bruine man, die daar zoo somber zit te spelen? Een simpele koelie waarschijnlijk, een afgejakkerd werk-beest van het Oosten, die zich zelf niet kent, die nu éven vaag bewust wordt de misère van ’t leven, en zijn droefenis zonder weten uitklaagt in de weeke, lage tonen van een goedkoope bamboe-fluit. Zoo vreemd, dat stille treuren daar, in die donkere nacht-straat, van wat oostersche muziek. Een onbestemde weemoed welt in mij op, en ik voel iets van vage, verre herinneringen en teêre dingen, die ik weg dacht nu, voor goed....

En ik loop door, niet meer in de straat eigenlijk, maar zwevend in een sferen-land van droomen en herinneringen, geleid door de klagende melodie. Hier schemeren verre, wijkende horizonnen, hier gaan de zeeën ruischend ten einder heen, hier drijven de witte wolkenstoeten statig naar gouden poorten van licht, en vage, nevelige figuren schrijden ijl door het ledig, van lang geleden dooden, die ik zéér heb liefgehad....

Zóó ga ik door straten en straten, waar het stille is, mijn voeten loopend, en mijn ziel in droom, tot ik eensklaps wakker schrik met een schok, van ratelend tromgeroffel en kletsend bekkengekleng. Komt hier een zegevierend leger aan van zingende, muziekende soldaten? De tamboers roffelen de doffe trommen, trompetten schelle schetteren, bazuinen schallen galmend choraal. Hier komt het aan, klaroenen-klaterend fanfare, een leger in parade, met den gouden keizer aan het hoofd....

Ik loop gehaast een donkere, smalle gang door, dan een hoek om, waar het komt....

En in het verre perspectief van een zwarte nacht-straat, schittert laaiend als een vuur de gouden pracht van een chineesch theater, waar de trommelen roffelend den woesten oorlog slaan, waar schetteren klaroenen en bazuinen en trompet. Het is een vuurwerk, waar fonkelende vonken springen, de gouden zonnen schieten helle stralen uit, de vlammen branden prachtig, en in felle glorie laait het roode goud. Lange, breede lappen goud hangen in het fond, waar draken fonkel-kronkelen, waar wijd-gewiekte fenixen in vlammenbrand verrijzen. En gouden personnages, in gele gewaden, druipend, ruizelend van licht, in rooden oorlogsmantel, waarop gouden draken branden, in paarsche en tintelgroene en hemelsblauwe galakleeden, zilver-schitterend en vlammen-vonkend van goud, staan daar in den zwarten nacht als grimmige goden, omstraald van eigen licht. Het is of ik even in de zon gezien heb, zóó brandt dat goud, mijn oogen knippen tranend, en beschuttend hef ik mijn hand.

Een groote schare donker-bruine, donker gele menschen staat in het duister van de straat, zwijgend, roerloos, en staart in die zee van goud en licht. Het is als een apothéoze, een goddelijk visioen van glorie, waarin gouden goden schrijden, die door een vlammenbrand van pracht oorlogend naar hooge, hemelsche gewesten tijgen. De trommen roffelen in dolle oorlogsjacht, en hel schettert uit het luid orchest van tetterende trompetten....

Ik zie de glorie-vlammende helden pralen van het grandioos chineesch verleden, in gloed van purper en scharlaken en heilig-geel, de lange veeren van hun blinkende helmen waaieren trillend over het tooneel, wijd-uit, de breede mouwen vallen van hun polsen, zwaar van goud, en op hun borsten spuwen woeste draken vonken vuur, en fonkelen van gloed uit edelsteenen oogen. Nú stormen zij in wilde warreling dooreen, de groote godenstrijd begint, het rood vliegt op het purper af, het helle geel waait woedend door het paars, de gouden draken kronkelen vonken-schietend dooreen, de veeren van reuzen-vogels beven trillend in de lucht, en alles schijnt in gouden vlammen te vergaan tot één glorie van laaierende pracht.

De trommen roffelen zwaar neêr op mijn moede hoofd, de bekkens kletsen kletterend om mijn ooren, het gouden vuur verzengt mijn knippende oogen, ik kán dit niet meer dragen, ’t is of er vlammen om mij slaan. Wat doe ik in die stad vol hellevuren en godenbrand, vol bruine duivelen en gouden oorlogshelden, waar bloed ligt in den rossen grond, en alles staat te laaien en te zieden? Hoe raak ik hier nu uit, dat ik weer veilig aankom aan het groote, groene grasveld bij de zee?

Nu hier die zijstraat in, en haastig loopen maar, dat ik die dolle muziek van oorlog niet meer hoor. Wat zie ik daar nu in de verte, zou dat de Bridge Road eindelijk weer zijn? Die ricksha’s die daar vliegen, die vonken licht, die fonkelen voorbij....? Goddank, nu kom ik op bekende wegen terug, ik zie de brug, waar de rivier is met het donkere sampan-dorp. Nu altijd maar rechtuit, dan kom ik bij de groene Esplanade, als ik een hoek omsla, dicht bij een Europeesch hôtel. Daar zijn de hooge boomen al, in ’t park waarin de cathedraal moet staan. Hier is het stiller, eindelijk, goddank! Ik sla den zijweg links af, die naar de Esplanade voert. Daar is het sombere, donker-blauwe Adelphi-Hôtel al. In de open voorgalerij zitten nog Europeanen luid te praten, drinkend hun whiskey-and-soda. Hard klinken hun stemmen in de stilte van den nacht! De groote Sikh-portier staat onbewegelijk voor den ingang, een reuzen-figuur in zijn gelig khaki-pak, een vuurroode, hooge tulband op zijn bronzen, baardig gezicht van donkeren prachtkerel in de tropen.--Er staan nog wat ricksha’s voor de deur te wachten, de naakte koelies slaperig tegen ’t wagentje geleund, arme, chineesche vrachtbeesten, beulend en zwoegend dag en nacht in den verschikkelijken strijd om het leven: Dáár rent er al een op mij af: "Ricksha sir? ricksha sir?”, met zijn hoog, gutturaal geluid. En ik laat hem even verbazen met mijn chineesch antwoord, ruw uitgestooten, als in zijn land: "Khì lah! Khì lah!”[24] inwendig lachend om zijn verrassing.

[24] "Ga weg! ga weg!”

Nu nog éven, éven maar doorgeloopen, en ik sta in de groote stilte van de Esplanade bij avond, waar de eenzaamheid is, en de zee. Rustig en statig ligt het wijde grasveld daar voor mij, een koele, weldadige zeewind omwaait mijn warm hoofd en de wondere plechtigheid van den oosterschen nacht komt over mij als een wijding. O! hoe kalm en sereen schitteren daar al die lichtjes op de zee, tot vèr en vèr, daar rusten de zacht-gehavende schepen, daar ligt het ruime, het opene, het eindelooze, dat eenzaam en groot is als mijn ziel....

Ik loop zacht door tot aan het pad langs den kaaimuur, en in ’t flauwe licht van een bleeke halve maan zie ik de zee voor mij liggen. In de verte glinstert een tintelend reflex van de maan met millioenen sterretjes op het gladde van het water. Hoe vreemd van innigheid zijn nu de donkere rompen dier booten, hoe wonderlijk intiem zijn de lichtjes die daar pinkelen op zee, de gele, de groene, de roode, van hier, van daar, van ginder! Het wenkt, het wenkt mij zonderling van verre. Droomerig kletsen de golfjes tegen den steenen wal, en de sampans bij de hoofden wiegelen zachtkens op en neder. Ik weet de zee zoo eindeloos en eenzaam daar vóór me, iets oneindig grootsch komt op mij af, ik voel het oude, vreemde verlangen van mijn ziel dat zich uitdeint in wijde spanning, en ’t is mij of het wenkt en roept en smacht van verre, ik en weet niet wat....

O wondere, nooit tevreden ziel van mij, wat wilt ge dan, wat is dat vreemd verlangen dan, dat ál maar deint en zweeft en wèg wil in mijn leven, naar welke horizonnen, naar welke werelden? Ik voel het met een scherpe innigheid, bijna als pijn, en tóch met een zoetheid, die de tranen doet wellen naar mijn oogen. Die stilte, die plechtigheid, die rust, die pinkelende lichtjes van verre, dat wijde, wijde water, en die donkere boomen hier om mij, wier loover niet beweegt, hoe bevangt het alles mij met een heerlijk, heilig heimwee, naar wie, naar wat?....

De stad ligt nu achter mij, waar de sombere, bruine mensch-beesten krioelen in heet en woest beweeg, nu schreeuwt en gilt en spookt hun krijschend leven niet meer om mij, aandachtig sta ik te luisteren, en hoor niets dan mijn ziel en de zachtjes-deinende zee. O! Eindelooze, eeuwige rust, o! kom nu, kom! ik ben zoo moê, zoo doodmoê van lieven en leven, ik ben zoo moê van droevig zoeken en zwerven, ik ben zoo vèr gegaan, zoo ál maar verder en verder over landen en horizonnen en zeeën! In ’t bleeke Westen wàs het niet, en niet in ’t rood-gloeiende Oosten, ik heb nergens, nergens gevonden en liep maar altijd tastend, wankelend door, o! kom nu, kom nu, reine rust van ’t oneindige, en laat deez’ moede, onvoldane ziel nu zachtekens vergaan in ’t groote Niet, als een moêgezworven schip in veilige, eindelijke haven!....

Zóó sta ik droomend te staren aan de nachtelijke zee, en ik voel de warme tranen van mijn fel verlangen langs mijn wangen glijden. De golfjes klotsen ál maar tegen den steenen wal, met den diep-melancholieken klank van gouden gamӗlan-geluiden, de wind wuift koelend heen en weder langs mijn gloeiend hoofd. Zou het nu komen, zou het nu eindelijk, eindelijk komen? Wat wenken mij die verre lichtjes dan toch toe, wat fluistert daar toch in die wijde stilte, waar wil mijn droeve heimwee dan henen, dat ik weenen hoor vèr, in de verre verten van mijn ziel?....

Nu ben ik dan toch door véle, o! vele duizenden menschen weêr gegaan, hun schitterende oogen heb ik gezien, en heb gehoord het luid geluid van hunne stemmen, hoe heeft het om mij heen geruischt en ruw gerateld en hoog geschreeuwd, hun heete, lillend heete leven! De felle kleuren, de scherpe geuren, de zingende muziek zijn òm mij geweest zooeven in al de felheid van het helle oostersche gewoel, maar even ongenaakbaar, even eenzaam is die moede ziel van mij gebleven, wier vreemd verlangen nimmer is gestild....

Daar fluit een stoomfluit, een bang en droef geluid over het water. Ik hoor geratel in de verte, van ankerkettingen, die bewegen, ik hoor een dof gestamp van werkende machines, ’t hart van een groote boot, dat klopt en klopt. Daar is ’t al, kijk! in de verte.... dáár.... een rood lichtje beweegt,.... en nog een groen,.... ook gele lichtjes bewegen, dáár vaart een groote, donkere boot langzaam, langzaam de zee in, het opene, ruime, eindelooze te gemoet. Al verder en verder wijken de lichtjes, o! hoe zalig, zóó heen te gaan, zóó langzaam, zachtjes heen te drijven in de groote innigheid van den nacht, en eindelijk wèg te zijn in het wijde, een stip, die in ’t oneindige verdwijnt! En ik hoor mijn ziel schreien, mijn ziel vervuld van dat vreemde heimwee om wèg te kwijnen, eindelijk weg, naar welke teêre sferen, naar welke verre horizonnen van licht?....

_Singapore, Augustus 1904._

[Illustratie]

EEN TREINREIS IN DE PREANGER.

_Voor Annie._

’s Ochtends, om kwart voor vijven, is alles nog nacht-stil in het Victoria-Hôtel.--

Oessin, de kamerjongen, heeft zachtjes wakker geklopt, en met een sprong ben ik het bed uitgekomen, bang om weêr in te slapen. De heete koffie staat al op tafel in de voorgalerij, en de warme dronk verkwikt met een zachten gloed in ’t nog loome lijf, dat in de ochtend-koelte huivert. Nu langzaam de gordijn opgeschoven, en ik zie in den morgen, die nog nacht is. Doodstil staan de hooge spatodea-boomen voor mijn paviljoen, en geen blaadje verritselt. Zacht en onduidelijk gaan een paar inlanders voorbij op den weg. Even kleurt wat rood in het vage van donkeren schemer. Nu een poosje nog zitten soezen, en ’t sprakeloos aanhooren, het zwijgende geheim van den indischen nacht. O, die rust, die diepe, roerlooze rust, kon ik die altijd bewaren in mijn ziel....

Nu ratelt het rijtuig voor, en de "jongen” haalt mijn valies. Mijn hagelwitte linnen pak, mijn witte helmhoed en witte schoenen zijn vreemd van licht in den duisteren morgennacht. Driftig draven de kleine paardjes vooruit. Ik huiver weer in de koude ochtend-Preanger lucht....

Hoe hard klapt de zweep van den koetsier in dat stille rondom! Een hoek om, een breede weg en weer een hoek om, en ’t rijtuig rolt door de winkelstraat van Soekaboemi, waar de toko’s zijn.

In een chineesch huis, waar bruiloft geweest is, brandt nog véél schitterend licht, en roode lappen vlammen op met heldere kleur van bloed. Op een tafel in de voorgalerij staan flesschen en glazen van een groot festijn.