Wijsheid en schoonheid uit Indië
Part 3
Beneden op straat, onder de houten balustrade, liggen de ricksha-koelies lui in hun wagentjes geleund, en schreeuwen luid hun schetterende, muzikale taal. Arme duivels toch, in hun naakte, donker-kaneelen body, die niets dan een bamboe-hoed hebben en een doek om de lenden, die hollen als aangehitste beesten, het zweet druipend van de glimmende huid! En tóch lachen ze ál maar door, als ze niet ruziën onder elkaar, en hebben den bruten levenslust van dieren, en somtijds hoorde ik er wel eens een neuriën, zacht in zijn eentje, als hij verlaten bij een hoek stond te wachten, een klagelijk, lief liedje van schoonheid, opgesprongen uit het donkere van zijn ziel....
Als ik nu niets zeg, en zóó maar in een wagentje ga zitten, rijdt de koelie mij onvermijdelijk naar Malay-street, de wijk van de galante mousmés. Zóó diep en vast is bij die ricksha-pullers het idee ingeworteld, dat een Europeaan ’s avonds nu eenmaal "naar Japan” gaat, zooals dat hier heet, dat zij een vrachtje, dat niets zegt bij ’t instappen, vanzelf naar de mousmés rijden. Dát is het hooggeroemde prestige van den blanke in ’t Oosten, aan wien iedere Chinees de whiskey-soda en de prostitutie nu eenmaal onafscheidelijk ziet verbonden!
Toch is het interessant om te zien, want dat leelijke is mooi van kleur in ’t Oosten, de prostitutie heeft een zachte charme van bloemen en muziek, en haar taal is hoffelijk en vol poëzie, zonder één hard woord, of één gebaar dat kwetst. Ja, tóch maar even alles zien weer, éven nog de kleuren zien, en de bonte pracht van het Oosten, in die avond-stad van donker blauw en donker rood, waar overal het jubelende goud doorheen straalt als een triomf van licht.
"Ricksha!” riep ik, "laî lah! laî lah!”[17]
[17] Ricksha! kom! kom!
En al die luierende koelies beneden vliegen overeind, halsoverkop, hun wagentjes ratelend achter zich, naar het trapje bij den ingang, huilend door elkaar als een troep honden, in plotseling uitgebroken ruzie om ’t vrachtje, jellend en juilend.
Nu helpt alleen een nòg harder schreeuwen, als een olifant, de wolven verschrikt, een zwaai met den rottan-wandelstok, en een behendige sprong in ’t dichtstbijzijnde wagentje, dat niet weg kan en valschelijk wordt tegengehouden door de anderen. Dáár nadert een reusachtige Sikh-policeman, en de bende stuift lachend uit elkaar, als kinderen die kwaad hebben gedaan. Een ruk, een zwaai, en ’t lichte rickshatje vliegt weg over den leemen grond, de koelie regelmatig dravend, trip-trap, trip-trap als een paard, rechtsom de High-Street in, en dán weêr rechtsom, North Bridge Road.
North Bridge Road, de lange, eindelooze hoofdstraat van Singapore, de donker-rossige, roode löss-straat, waar de kobalt-blauwe huizen staan, een breede, vreemde weg, waar de grond als gedrenkt schijnt in bloed, dat in den avond somber opglanst in het licht der lantaarns. Over dien rooden grond, tusschen die blauwe huizen, waar overal goud over vlamt van chineesche opschriften en tabletten, loopen de bruine en gele menschen, Chineezen, Tamils, Arabieren, Maleiers, Singhaleezen en Klingaleezen, wriemelend als beesten dooreen. Groene en gele gharrys ratelen, en honderden ricksha’s rijden aan en af, aanvliegende en weer wijkende lichtjes, òveral, en vèr, en vlakbij, ál maar lichtjes die elkaar voorbij jagen en áánflikkeren en weer wegschieten als groote vonken boven den rossigen, bloedigen grond. De huizen aan weerszijden zijn alle winkels, meest Chineesche, waar groote, rood-en-gouden platen en rolprenten hangen, en lichtjes branden op een huisaltaar met donker-gouden goden.--Aan iedere zijde van de deur, en hoog, boven de posten, hangen zwart-houten tafelen met fonkelende gouden karakters, een pracht van glans en schittering in ’t donkere blauw. Daar binnen zijn de dingen alle van een eigen lichte, hooge kleur, of verpakt in rood papier met goud en zilver, alles licht en vlamt en glanst en straalt uit het donker van de winkeling, of de zon er glorie had achtergelaten, die in den avond nog blijft nabestaan. In de donkere straat zijn de winkelhuizen bronnen van goud en vuur, waar de bruine menschen als gulden brons in glanzen. Het is of daar schatten bewaard zijn uit fabelen en legenden, zóó glinstert en schittert alles, en alle dingen zijn gedoopt in goudlicht van Rembrandtieken gloed.
Dampend van zweet loopt mijn rickshakoelie te draven voor ’t wagentje, als een vurig beest. Zijn huid van kaneel-geel heeft een rossen glans door het licht van de lantaarns dat den rooden gloed weerkaatst van den grond. Nu en dan uit hij een hoogen gil, als hij anderen inhaalt of uitwijkt voor een aanstormenden koelie van den anderen kant. Altijd weer nieuwe ricksha’s vliegen aan, van heel uit de verte zie ik ze mij tegensnellen, met honderden lichtjes, wijl de hooge kreten der koelies door de lucht snijden. Als rood-gele duivelen ijlen ze àl maar voort, de naakte, dampende trek-dieren, en ’t lijkt wel een angstig visioen uit een laaiende hel, die voorthollende, jellende beest-menschen over den bloedrooden grond.
Als een dolleman jaagt mijn puller vooruit, of wij vervolgd worden door een grimmig noodlot, waar hij voor vlucht, altijd maar door, rechtuit, over dien weg, die nooit een einde schijnt te nemen. In wilde razernij vliegen andere rickshaloopers ons gillende voorbij, en ’t wordt als een obsessie, een ontzetting, dat schreeuwende gejacht en gejoel, of iets verschrikkelijks staat te gebeuren, een ontzachlijke wereld-catastrophe van aardbeving of vulkanen, waar alles krankzinnig voor vlucht.
Zóó vliegen wij winkels langs, bruggen over, blauwe huizen met goud en rood voorbij, tot de ricksha opeens stil houdt voor een zijstraat, en mij, met een draai naar links, neêrzet.
En ik zie nu plotseling een feeërie van illuminatie, een straat waar kleurige lampions in huizengalerijen bengelen, door den avondwind bewogen. Beneden, in de gaanderijen, zie ik veel kleuren langzaam wuiven door elkaar, van vrouwen in bonte, wijde gewaden, rijk als oostersche vogels of vlinders van exotische pracht.
Ik begrijp al waar ik ben. De ricksha-puller, wien ik niets gezegd heb, heeft mij naar Malay-street gereden, de japansche wijk van galant plezier, waar hij een Europeaan nu eenmaal thuisbrengt. Ik betaal hem zijn vracht en wandel langzaam op. De kleuren doen mij heerlijk aan als een lokkend feest van luister. Als groote poppen in fantastisch-bewegende kleur staan de lachende mousmés voor de deuren. Het lijken wel gloeiende, tropische bloemen, haar lichte kimono’s vlammen van kleur, en haar donkere amandel-oogen schitteren. Er zijn er met lang, loshangend haar, donker als een woud in nacht, dat somtijds zacht door wind beweegt. Zoo vreemd, zoo vreemd, die prostitutie-zonde in zoo wonderlijken schijn van poppen, neen van bloemen, neen van kapellen, van groote, van kleur fonkelende kapellen, fèl voor ’t oog. Ze staan in rijen de huizen langs in de galerijen, de gansche straat is als afgezet door die kleurige, japansche poppen van op platen en kostbare vazen, en die oostersche figuren van vlammend rood en blauw en geel en violet, ze roepen je aan met hooge stemmen, vreemd als in een droom. ’t Lijkt te ongeloofelijk eerst, om reëel te zijn, omdat die poppen immers kinderen moeten wezen, groote kinderen, in kleurige kimono’s gestoken, met belachelijk breede obi-strikken op den rug. Neen, heusch, het is een ál te krankzinnige droom, de figuren, die je op tentoonstellingen gezien hebt van japansche kunst, en ook wel op vazen en waaiers en kakemono’s, ze hebben gespookt door je hoofd, en nú, in je dollen droom, zijn ze levend geworden, en wemelen voor je, en hun prachtige kleuren waaien en wuiven door elkaar, en wisselen en veranderen, als vroeger, op de kermis, de felle kleuren van stukken glas in de lange kaleidoskoop. En al dat licht daarbij nog van gekleurde lantaarns en lampions, en die half weemoedige, half wellustige muziek die van de bovenverdieping neêrdaalt, van samisèns en gitaren!...
Daar staat opeens zoo’n vreemd wezen vlak voor me, kleurschitterend als een groote, tropische vogel, het donker-gele hoofd in een zwarten, waaienden nacht van glanzende haren, waar een exotische geur uit naar mij toekomt. Een zacht gelijnd oostersch gezicht, en een lach van vrouw, en glinsterend witte tanden.
Ik voel opeens het mysterieuze, wat dit eigenlijk is, zoo’n vreemd, vèr leven uit Japan, dat hier, in een wijk van donkerst Singapore, opeens mijn leven moet ontmoeten, en ik voel ook zéér beslist het droeve, dat dit in zoo’n donkere sfeer van zonde gebeurt. Wie weet, die beide levens van hoè ver gekomen, uit welke eeuwigheden van dood en reïncarnatie, en nu inééns, hier éven elkaar gekruist, in de misère van ellende en prostitutie, het ééne uit Japan, het andere uit Holland, nu samen in een Singapoorsche straat. Die gedachte komt met groote helderheid in mij op, en ik vat haar hand en zie haar even diep in de oogen, het groote, japansche vrouwen-kind, dat zich voor geld mij bieden komt. Zij begrijpt het anders dan het is, natuurlijk, en lokt mij lieverigjes toe, en kweelt het met haar hoog keelstemmetje uit in ’t maleisch: "pigi di átas! pigi di átas!”[18] Een geur van bedwelmende bloemen komt uit haar donker, glanzend haar.
[18] "Ga mee naar boven! ga mee naar boven!”
Neen, mijn kleine mousmé-tje, mijn kleurig, geurig vrouwtjes-kind van Japan, dát wil ik niet van je, dat wil ik heusch niet van je, ik bén niet een van die bleeke barbaren, die je in je oostersche hart veracht, ik ben hier waarachtig niet gekomen om zonde te doen aan je lijf van popperig meisje. Maar ik, vind je wèl heel mooi en heel lief, al weet ik dat hier valsch gevaar in loert, ik vind je een blij ding om te zien, als een bloem of een vlinder, en in mijn westersche hart weent het ook wel, héél zachtjes, omdat ik weet, hoe dat mooie van je verfrommeld wordt en bevuild. Het is haast niet te gelooven, mijn donker, kinderlijk meisje, dat jij hier te koop staat voor ruwe, westersche barbaren, voor zeelui en poenen van Engelsche "offices”, jij kindje, met zoo’n zachten bloemen-naam, Okikoesan of Ohanasan of Ojounisan, met zoo’n fijn ovaal gezichtje en zoo zachte amandel-oogen en ’t voetje zoo teêr en klein in ’t kletsende blokje schoen. Wat trek je nu aan mijn arm, wat lach je me nu tegen, met je witte, schitterende tanden, jou glanzend kapelletje, jou fonkelende bloem! Ik buig deftig voor je, als voor een echte dame in Japan, ik zeg "Sayonara! Okamisan!” en laat je beteuterd staan, midden op de straat, en je denkt dat je niet mooi genoeg voor me was, dat ik een ander zoek, die me beter lijkt.
En ricksha’s met zwierende Engelschen en zwabberende rijke Chineezen ratelen me voorbij, en samisèns[19] tokkelen klagend-wellustig in ’t rond, en overal kleuren de lampions voor de huizen, roode en paarsche en blauwe en fel gele. En andere vlinderachtige mousmé’s fladderen om mij heen, en roepen met hun hooge stemmetjes, en wenken mij toe met lonk en lach en popperig gebaar. De schitterende kimono-kleuren, zij lokken de mannen als bloeme-kleuren de zwervende hommels, en ik weet welke verleiding er loert achter die vleiende streeling van het oog. Het ergste is hier, dat de zonde niet leelijk meer is, als in ’t sombere Londen, waar vrouwen loeren in nacht-misère van Regent-Street, en Strand en Picadilly, want alles lijkt hier louter kinderspel, en de vrouwen, die hier lokken, zijn maar kinderachtige poppenmeisjes, hun lach is niet gemeen en ganschelijk niet wellustig, het is het lachen van kinderen, zooals ook hun gebaren van dartele, lieve kinderen zijn. Het lijkt hier wel een jolige, kinder-avond-kermis, een travesti-feest, onschuldig, met fantastische, oostersche costumes, en zacht in nacht-wind bengelende lampions voor kleurige kramen.
[19] Japansche gitaren.
Kijk, nu klip-klapt weer zoo’n kind op mij af, op, haar klotsende schoen-blokjes, een pop in rood en blauw, met lange waai-haren; ze gaat naast me staan en reikt nog lang niet tot aan mijn schouder. Een weeë geur van vreemde bloemen wademt mij toe uit haar hooge, glanzende kapsel. "Neen, mijn lachemeisje, neen, mijn kleurig liefje van Nippon, je schijn is mooi en zoet van roke, maar mijn ziel zegt dat het niet mag... Sayonara Otakisan! of hoe je ook heeten mag, Sayonara!” Ik stoot haar zachtjes van mij af, als een lastig kind, dat spelen wou, en ga verder. En méér kleurige Sans wenken en waaien met hun wijde mouwen, en lokken mij liefelijk van lente en lust. Één zingt er een rillerig, kietelig wijsje en beweegt gracelijk haar lenige lijf, dat plooien van roze kimono om haar wuiven. Ik voel de vage charme van die vreemde vrouwen uit verre landen, de streeling van dat kinderlijke, graciele, dat donkere zonde omlijnt; o neen, nu heengaan maar, den valschen, schoonen schijn ontwijken.
"Ricksha! ricksha!”
Als uit den grond verrijzen ze, uit hoeken en gaten, met ratelend gerol, omringen mij in nauwen kring, dat ik niet verder kan.--Een luid chineesch bevel, een paar verwenschingen, een dreigend zwaaien met mijn stok, en ik zit weer als een machthebber in het broze wagentje, de gele koelie zweetend voor mij in draf. Waar zal ik nu heengaan? Het Parsee theather, waar ze een sprookje spelen, van Alladin en de Wonderlamp, uit de Duizend en Één Nacht, de Stamboel-komedie, of de Wajang Tjina? Neen, eerst de echt chineesche wijken nog eens zien, de Sago-Street en Banda-Street en Tringannu-Street, waar de theehuizen zijn en de chineesche societeiten met bloemen-waranden vol vrouwen in zijde en muziek. Dat is heel aan de andere zijde van de stad, aan ’t andere einde van de North-Bridge Road, in mijn herinnering. En weêr gaat het duizelend den breeden, rooden weg door, langs de kobalt-blauwe winkels met rood en goud, waar de bronzen oosterlingen staan als beelden. Weêr wiemelende, woelende menschen, weêr lichtende wagentjes die slingeren en krioelen, en donkere bruggen over, waar rivieren zijn met gansche sampan-dorpen, voort, voort, in razende vaart, langs een grandiozen, ouden hindoe-tempel, die als een donker geheimenis oprijst van den grond, langs een lichte, witte moskee, blank tusschen blauwe gebouwen, met zijstraten in plotseling perspectief, waar groote vuren walmen van warongs, voort, altijd voort, tot mijn ricksha eindelijk stilstaat in een lange file van wagentjes, en opeens niet verder kan.
Een hel van roode duivels, jagend door elkaar, een paradijs van bloem-waranden boven, van lustpaleizen, hangende tuinen, klingelend van muziek, ik sta in de chineesche wijken van pleizier, waar alles kleur is en klank en hoog-ruischend leven. Nu stap ik uit en wandel verder, ik, enkele Europeaan tusschen heel een volk van Aziaten. Ik ben in Tringannu-Street, in Singapore, neen, dat kàn niet, ik ben in ’t hartje van China, in Canton, in Shanghai misschien, want niets is hier nu Engelsch meer, alles is Chineesch, de huizen, de menschen, de dingen. Dit is het wriemelende, krioelende China, de wemelende mierenhoop van menschen, van bruine, gele, roode zweetmenschen, die loopen langs lange rijen opgehoopt eten, langs tafels vol visch en vleesch en lillende ingewanden, vol vruchten rood en geel en groen, vol eenden, kippen, ganzen, opgepropt en opgestapeld, voor het vretende, hongerige, dorstige, beestige grauw. De huizen, die geen eet-winkels zijn, zijn huizen van lust, waar in goud-licht van helle lampions en lantaarns, voor altaren met gouden goden en zilveren kandelaars, de jonge Canton-vrouwen zitten, de gele gezichten beschilderd met rood, de roode bloemen in ’t zwarte haar, in lokkende geheimenis van veile liefde. Wáár ik ga loop ik langs eten, walmt stank van vet en olie naar mij op, het vette, druipende eten ligt in schalen, in kommen, met wat?.... verdachte, ongeloofelijke gerechten, van wormen, van slakken misschien, van inktvisschen en krabben. En overal langs die dampende, walmende warongs hangen roode tabletten, waar ’t goud van afschettert als trompetten in een orchest. De vrouwen-huizen, waar de rijk besneden deuren van openstaan, zijn paleizen van licht. De groote, schitterende tsh’aks[20] hangen van de muren, in superbe mengeling van kleur, Kwan-Yin in majestueuze pose zit op den lotus-troon, of Kouan-Ti, de grimmige God van den Oorlog, in rood scharlaken met goud, heft hoog den vinnigen lans. Op het huisaltaar staan wit-porseleinen en gulden-bronzen goden, en glimmen tinnen en zilveren kandelaars, en stijgt de blauwe wierook uit blinkende koperen wierookvaten. De kleurige Cantoneesche lantaarns hangen neer, met transparant glas, waar rood en blauw porselein relief op is gelegd, met statige figuren van vogels en bloemen. Alles glanst en blinkt en straalt daarbinnen in wondere richesse van pracht. En in dien schoonen, gouden lichtschijn zitten op ebben, parelmoer-ingelegde stoelen de bleeke, teêre Canton-meisjes, met roode bloemen in ’t van reukoliën glimmende haar; de gele gezichtjes met blozend rouge beschilderd, als poppen van porselein op vaas of waaier. De gansche straat langs staan die huizen, rij aan rij, die schitteren van kleur en licht, waar honderden en honderden vrouwen zitten te wachten den gast, die komen zal met dollars in de hand. En arme, zweetende duivels van koelies, die nauwelijks genoeg verdienen met beestig zwoegen om niet te sterven van honger en dorst, zij staan van de straat af te staren met open mond en vlammende oogen naar die vrouwen in ’t gouden licht, die voor hen opschijnen als dewa’s[21] uit het paradijs....
[20] Chineesche rolprenten.
[21] Engelen.
De huizen zijn hier hoog, met vele verdiepingen, en in ’t hoogste hooge schittert rijke illuminatie op waranden en terrassen, waar de theehuizen zijn. De muren daarboven zijn van een licht tintelend groen, of van mystiek donker blauw, de ramen zijn rijk besneden met decoratief van bloemen en figuren, weelderig opgelegd met oud goud, dat donker-rossig vlamt. De kleuren blinken daarboven, het goud glanst en fonkelt vol rood geheim, en een vreemd-wellustige muziek daalt uit die hangende tuinen neder, waar palmen en wuivende reuzen-varens staan, muziek van wreed-weenende, hooge violen, van kittelig tokkelende gitaren, van tinkelende harpen en luiten. Snerpend en gillend snijdt die muziek daar hoog door de lucht, in razend, zenuwachtig tempo, het lijken klanken van tot vlijmenden pijn opgestriemden wellust, ’t is muziek als van gillen en kreten, die lachen zijn en schreien te gelijk....
Daar onder ratelen ricksha’s rusteloos voort, daar onder zwermen de kaneelgele, de roode, de bruine Chineezen gonzend en schreeuwend door elkaar over den rossigen, als van bloed gedrenkten zandgrond, langs de warongs en stalletjes vol dampend, stinkend eten, langs de goud-doorgloeide huizen vol vrouwen. Een kwade reuk als van beesten gaat door de straat, een damp stijgt op uit de zweetende lichamen der dravende koelies, als van paarden, en in een atmosfeer van wellust en vleesch en bedorven eten voel ik mij even wee-duizelig worden, of ik straks zal vallen. Deze chineesche straten-wijk is een verschrikking, een benauwing van verrotting en vuil, maar óók een apothéoze, een paradijs van kleur en goud en pracht. Het Leven gaat hier dampend en walmend en goudelend en stralend over de roode, bloedige aarde. Zóó loop ik van de eene straat in de andere, en overal liggen de lillende stukken vleesch, de rookende darmen, de stinkende inktvisschen langs mij in de warongs, ik zie vruchten, vurig en heet als grimmige beesten met prikkels en stekels, vruchten als goud en vuur en bloed, alles lijkt hier te fonkelen en te branden van hitte en hartstocht en opgegaarde zon, en rusteloos jagen de ratelende ricksha’s mij voorbij, en vreemd komen telkens nieuwe, bruin-gele, glimmende chineezen-gezichten voor mijn oogen loenschen, wijl van boven de muziek uit theehuizen en lustwaranden neêrzwiept en tingelt als een gouden en zilveren regen, onverbiddelijk, striemend, kittelend, met snerpende gillen van violen en tokkelende tinkeling van luiten.--De kleuren laaien voor mijn oogen, mijn ooren tintelen van felle muziek, de walmen en dampen slaan mij tegen, alles brandt en vlamt en bloedt om mij heen, en ’t is of een duizeling mij voort wil tuimelen, met die razende, ratelende warreling mee; ik voel den lust om óók te gillen, te schreeuwen als een dolle, en als een razende voort te rennen, met die kletterende ricksha’s mee, al dat vuur en dat goud tegemoet dat vóór mij laaiert en loeit, zóó als een razend paard rent den vlammendood te gemoet.
Ik voel mijn slapen kloppen, en een benauwing knijpt mij in de keel. Neen, dit leven is te ontzettend voor mij, dit kan ik niet dragen, ik, zoo heel alleen, met mijn zachte ziel in dat daverende, donderende leven. En al die vreemde gezichten om mij heen, al die gele, roode gelaten, met scheeve, loenschende oogen, wat willen ze van mij, wat loeren ze mij aan?....
Ha! gelukkig! Een ricksha met Europeanen, daar ginds, het is dan tóch waar dat er een verwantschap is van rassen, want ik voel hen als iets vertrouwds, die blanke menschen in al dat gele! Hallo! Hallo! ’t zijn, bij God, bekenden, ’t zijn Hollanders, van de Paketvaart, één van de "Zeeduif” uit Riouw. Hallo! jongens! waar moet dat naar toe?
En samen staan we, een hecht verbond van blanken, in ’t gele gewoel. Zij hebben hun ricksha weggestuurd nu ze mij zagen, en samen wandelden wij op. Nu voelt het veiliger aan en verwanter.
Waar willen zij heen? Naar dat theehuis daar boven, waar die muziek van neêrklinkt. O jé! Dat zal héél moeilijk gaan. Ze hebben ’t al geprobeerd, zeggen ze, in verscheiden van die huizen, maar overal werd hun de toegang geweigerd. Maar.... wie weet?.... met chineesch kan je overal terecht. Zoodra je chineesch kent kom je in ’t vertrouwen en laten ze je in.
Ik zal eens vooruit gaan, alleen. Een sombere trap ga ik op, en nog een, en nog een. ’t Is duister hier, maar ik loop den kant op, waar muziek vandaan komt. Dáár staat een vette, logge chinees vóór me, en spert mij den weg.
"No can do Sir! no can do! this belong chinamen only Sir! This belong old chinamen private Club!”
Ah zoo! ’t Schijnt hier een societeit te zijn van rijke chineezen.
Maar ik antwoord hem in zijn eigen, zingende taal, ik zeg hem, dat ik óók zoo’n halve chinees ben, heusch, dat ik twee jaar in zijn land heb gewoond, dat ik enkel kom om te kijken met een paar vrienden, dat ik heusch geen dronken zeeman ben, die vechten zal en ruw doen tegen de meisjes, dat ik o zoo goed weet wat "Lé”[22] is, en ik heel ordentelijk weer weg zal gaan, als ik even heb mogen kijken. Die hooge zang-taal, die een sleutel is in héél China, en een paar dollars, doen het wonder. Nu, goed, wij mogen even kijken, als wij dadelijk weer weggaan, en de sing-song meisjes niet grof behandelen.
[22] Decorum.