Wijsheid en Schoonheid uit China
Part 8
"Gij zoudt wreed zijn, jonge man, als gij tegen een ander spraakt. Ik heb liefgehad vóór gij ademde op deze wereld. Toen leefde er eene maagd, zoo wonder om te zien, alsof zij de Vorm was zóó uit Tao geboren. Ik dacht dat zij de wereld was, en de wereld was dood om haar heen. Ik zag niets dan háár, en er waren geen boomen, geen menschen, geen wolken. Zij was schooner dan deze avond, zachter dan die lijnen, die daar droomen om de bergen, teêrder dan die fijne, wachtende kruinen der boomen, en haar licht was zaliger om te voelen dan het licht van gindsche ster. Ik zal u niet zeggen, wat er gebeurd is. Het was feller dan een hel, maar onreëel, en het is nu voorbij als een storm. Ik dacht dat ik sterven zou, ik wilde vluchten voor mijn smart in den dood. Maar een dageraad is gekomen over mijn ziel, en alles werd licht en vertrouwd. Er was niets verloren. Alles was nog als vroeger. De schoonheid, die ik niet voor mij dacht, leefde nog even smetteloos in mij. Want niet van die vrouw, van mijne ziel was die schoonheid geweest. En ik zag die overal glanzen op de wereld, in onsterfelijken gloed. De natuur was niets anders dan wat ik die vage verschijning van eene vrouw had gedacht. En mijne ziel was één met de natuur en zweefde op denzelfden rhythmus den eindeloozen Tao tegemoet."
Ik zeide, door zijne kalmte kalm: "Zij, die ik liefhad, is gestorven, Vader, en zij is nooit mijne vrouw geweest, die mijn ziel heeft geknakt als een kind een bloem. Maar ik heb nu eene vrouw, een wonder van sterke goedheid, een vrouw mij vertrouwd als het licht en de lucht. Ik heb haar niet lief, zooals ik nu nog mijn arme doode liefheb. Maar ik weet dat zij reiner mensch is dan die andere. Hoe komt het dan, dat ik haar niet liefheb? Zij heeft mijn droeve, wilde leven tot een zachten rustigen gang gemaakt naar den dood. Zij is simpel en waar als de natuur, en haar gezicht is mij lief als het zonlicht."
"Gij hebt haar wèl lief," sprak de Wijze, "maar gij weet niet wat Liefde en liefhebben is. Ik zal het u zeggen. Liefde is niets anders dan het Rhythme van Tao. Ik heb u gezegd, uit Tao zijt gij gekomen, tot Tao zult gij wederkeeren. Als gij jong zijt en het om uwe ziel nog duister is, en gij voelt den schok van de eerste beweging, dan weet gij niet waar gij heen gaat. Gij ziet de Vrouw voor u. Gij denkt dat het de Vrouw is, waarheen het Rhythme u drijft. Maar als gij die Vrouw hebt genomen, en uw lichaam tegen het hare heeft gebeefd, voelt gij toch het Rhythme onverbiddelijk in u, en gij weet, dat gij verder moet, altijd verder en verder, om het stil te doen zijn. Dan komt er eene groote droefheid in de zielen der twee menschen, en zij zien elkander vragend aan, waar zij nu heen zullen gaan. Zacht vouwen zij dan hand aan hand, en door hetzelfde Rhythme bewogen zullen zij gaan door het leven naar hetzelfde doel. Noem dit Liefde als gij wilt, wat is een naam? Ik noem het Tao. En de zielen van gelieven zijn als twee witte wolkjes, zacht voortdrijvend naast elkander, die, door denzelfden wind bewogen, in het eindeloos hemelblauw verdwijnen."
"Maar dit is niet de Liefde," zeide ik, "die ik bedoel. Liefde is niet verlangen om de liefste naar Tao te zien verdroomen. Liefde is verlangen om altijd bij haar te zijn, zielsbegeerte om twee zielen samen één te doen zijn, lijfsverlangen om op één adem in zaligheid op te gaan. Maar altijd met de liefste alléén, niet met anderen, niet met de natuur. En als ik in Tao kon vergaan zou al dit Geluk voor goed verloren zijn. O laat ik blijven op de goede aarde, bij het veilig Lief, het is er zoo licht en vertrouwd, en Tao is mij nog zoo duister en mystiek."
"Het lijfsverlangen sterft," antwoordde hij, onbewogen. "Het lichaam van uwe Liefste zal verwelken, en vergaan in den kouden grond. De bladeren der boomen verbleeken in den herfst, en droef neigen de kwijnende bloemen naar de aarde. Hoe kunt gij zoo liefhebben, wat niet eeuwig bestaat? Maar gij wéét ook niet, hoe gij lief hebt, noch wat gij liefhebt. De schoonheid van eene vrouw is slechts een vage weêrglans van de vormelooze schoonheid van Tao. De emotie, die zij in u opwekt, dat verlangen om op te gaan in hare schoonheid, dat zich-voelen-uitspreiden, waardoor uwe ziel zou willen wègzweven in horizonnen van geluk met de Liefste, geloof mij, het is niets anders dan het Rhythme van Tao. Gij weet het alleen maar niet. Gij zijt nog als de rivier, die enkel hare blinkende oevers kent, en niet beseft welke kracht haar beweegt, maar die onvermijdelijk eenmaal zal verstroomen in den grooten oceaan. Waarom die drang naar geluk, dat menschengeluk, dat één moment duurt, en dàn weer weg is? Chuang Tsz' heeft het gezegd: "Het hóógste Geluk is géén geluk." Is het niet klein en verachtelijk, dat opleven één moment in geluk, en weêr neervallen, en weêr opstaan, dat wankelende, sukkelende willen en gaan der menschen? Wil niet geluk van eene vrouw. Zij is de annonciatie van Tao aan u gedaan. Zij is de zuiverste Vorm van Tao gemanifesteerd, die in de geheele natuur bestaat. Zij is de zachte macht, die het Rhythme in u opwekt. Maar zij zelve is een heel arm mensch, zooals gij, en gij zijt voor haar dezelfde annonciatie, die zij voor u is. Zie haar toch niet aan als Tao zelve, als het allerheiligste, waarin gij zoudt willen opgaan. Gij zoudt haar verstooten als gij eindelijk zaagt wie zij was. Als gij eene vrouw waarlijk wilt liefhebben, heb haar dan lief als hetzelfde arme wezen dat gij ook zijt, en zoek niet met haar geluk. Of gij het in Liefde ziet of niet, hare essence is Tao. Een dichter ziet eene vrouw, en door het Rhythme bewogen, aanschouwt hij de schoonheid zijner Liefste álom, in de boomen, de bergen, en de horizonnen, want de schoonheid van de vrouw is dezelfde als die van de natuur. Het is de vorm van Tao, het groote Vormelooze, en wat uwe ziel verlangt in de emotie van het aanschouwen, dat vage vreemde gevoel, het is niet anders dan het één zijn met die schoonheid, en met de essence van die schoonheid, den Tao. En hetzelfde is wat in uwe vrouw gebeurt. Gij zijt voor elkander de engelen, die elkaar naar Tao geleiden, zonder het te weten."
Ik zweeg een tijd, en peinsde. Er was in de zachte kleuren en de stilte van den avond een groote droefheid. Aan de kim scheen, waar de zon verdwenen was, een streep vaag rood licht, als een stervende smart.
"Wat is dan toch die droefheid overal in de natuur?" vroeg ik. "Is het niet in de schemering of heel de aarde weent van smartelijk verlangen? Zij treurt met kwijnende kleuren, met neigende boomenkruinen, met aandachtsvolle bergen. De menschenoogen worden van wondere weening bevangen als het groote leed van de natuur voor hen schemerende is. Het is wel of de natuur verlangt naar haar Lief. Het is of alles droefheid is, de zeeën, de bergen, de wolken."
En de Wijze sprak: "Het is dezelfde smart als die, welke weent in de harten der menschen. Uw eigen verlangen beeft ook in de natuur. Het heimwee van den avond is het heimwee van uw ziel. Uw ziel heeft haar Lief, den Tao verloren, waar zij eenmaal één mede was. En uw ziel wil weder in haar Lief verdroomen. Is dit geen immense Liefde, in Tao geheel wèg te zweven, zóó één te wezen met uw Lief, dat gij haar eigen wezen zijt en zij het uwe, zóó eindeloos, dat geen dood of leven uwe éénheid weer kunnen verbreken, zóó stil en rein dat gij geen verlangen meer voelt beven in u, omdat de volmaakte zaligheid is bereikt, en alles een gewijde, vlakke, rustige vrede is? Want Tao is één eeuwige, zuivere ziele-oneindigheid van pure essence.
"Is dit niet reiner dan de liefde voor eene vrouw, die arme, droeve liefde, waarin gij elken dag het reine zieleleven ziet bevlekt door duistere, bloedige passie? Alleen als gij in Tao zijt opgegaan zijt gij alleen voor eeuwig rein verbonden aan de ziel van uwe Liefste, zonder ééne besmetting, en met de zielen van alle menschen, die uwe broeders waren, en met de ziel van de natuur. En de enkele momenten van zaligheid, die alle gelieven op aarde heel even maar voelen, zij zijn een niets bij de eindelooze zaligheid, in welke de zielen van àlle gelieven in elkaar verdwijnen en ééne oneindigheid worden van allerpuurste reinheid."
Een horizon van zaligheid lichtte op voor mijne ziel, verder dan de weifelende kimmen der zee, verder dan de hemelen.
"Vader," riep ik ontroerd, "kàn het zijn dat alles zóó heilig is, en ik het niet heb geweten? Ik heb zoo verlangd, ik ben zoo moê geweest van schreien, en mijn borst heeft zoo gehijgd van bang gesnik. Ik ben ook zoo angstig geweest. Ik heb gehuiverd voor den dood. Ik heb getwijfeld of alles wel goed kon zijn, waar ik zooveel lijden om mij heen zag. Ik heb gedacht dat ik verdoemd was door die wilde passies, dat lijfsverlangen, dat in mij brandde en uitsloeg, en dat ik haatte, maar laf dienen moest. Ik heb met ademloozen angst mij bedacht hoe ééns het bloementeeder lichaam van mijne vrouw verkwijnen moest, en wegteeren in den kouden grond. Ik dacht, dat ik nooit meer voelen zou die zalige rust van in hare oogen te zien, waarin haar ziel zoo glansde. En was toen heusch, heusch altijd Tao in mij als een goede hoeder, en was het Tao die glansde in haar oog? Was Tao in alles wat mij omgaf, in de luchten, in de boomen, in de zee? Is de essence van de aarde en de hemelen dan de essence van mijn Lief en van mijne ziel? Brandt het dáarna zoo in mij van vreemd verlangen, dat ik niet kende, en mij rusteloos voortdreef? Ik dacht dat het mij wilde wegnemen van mijn Liefste, en ik haar nu niet meer liefhad. Maar was het dan werkelijk het Rhythme, dat ook mijn Liefste beweegt, op welk de gansche natuur ademt, en de zonnen en planeten lichtende door de eindeloosheid gaan? Dan is alles gewijd, dan is in alles Tao, wat ook mijne ziel is. O Vader, vader, het wordt zoo licht in mij. Ik geloof dat mijn ziel reeds vermoedt wat komen zal, en ook de hemelen boven ons, en de groote zee. Zie, hoe de boomen om ons aandachtig staan, en zie de lijnen om de bergen in teedere devotie. De geheele natuur beeft van heiligheid, en ook mijne ziel siddert van zaligzijn, want zij heeft haar Liefste gezien."
Ik zat langen tijd zwijgend, in stil vergeten. Het was mij toen of ik één was met de ziel van mijn' leermeester en met de natuur. Ik zag niets, noch hoorde, en ik was verlangeloos, zonder wil, in diepe rust. Ik werd wakker door een zacht geluid naast mij. Er viel een vrucht uit den boom achter ons. Toen ik opkeek zag ik in schitterend maanlicht. De Wijze stond naast mij, en neeg zich liefderijk tot mij over.
"Gij hebt u veel te veel vermoeid, mijn jongen," zeide hij bezorgd. "Het is veel te véél voor u in zoo korten tijd. Gij zijt van afmatting in slaap gevallen. Ook de zee slaapt, zie, geen rimpeltje breekt haar egale rust, en roerloos ontvangt zij de wijding van het licht in haar droom. Maar gij moet wakker worden, het is laat, uw bootje ligt klaar, en uw vrouw wacht u thuis in de stad."
Ik antwoordde, nog half droomend: "Laat ik toch hier blijven, laat ik terugkomen met mijne vrouw, en hier altijd blijven. Ik kan nu niet meer terug naar de menschen. O Vader, ik beef, ik zie hun schamplachend gezicht, hunne schennende oogen, hun ongeloof, hun ontwijding. Hoe kan ik dit wonderteere, gevoelige van mijn ziel nog dragen door het duistere volk? Hoe zal ik het ooit goed kunnen verbergen onder lach of woord, dat zij het niet zien en bevlekken met hun smadelijken hoon?"
Toen zeide hij ernstig, eene hand leggend op mijnen schouder: "Luister heel goed, mijn jongen, naar wat ik u nu zeg, en vóór alles geloof in mij. Ik zal u pijn doen, maar ik kan niet anders. Gij moet stellig teruggaan in het leven, en onder de menschen zijn. Gij hebt hier al te veel met mij gesproken. Ik heb u misschien al wat te veel gezegd. Gij moet nu zelf opgroeien, en alles vinden. Als gij maar eenvoudig zijt vindt gij alles vanzelf als een kind een bloem. Op dit oogenblik voelt gij heel diep en zuiver wat ik u gezegd heb. Zooals gij nu zijt leeft gij in een van de hoogste momenten van uw leven. Maar gij kunt nog niet sterk genoeg zijn om het te dragen. Gij zult weer terugvallen, en het ziele-voelen zal weer idee worden en theorie. Langzaam, langzaam aan zult gij slechts zoover komen, dat het weer zuiver gevoeld wordt, en voor altijd blijft. Als het zoover is moogt gij gerust hier komen, en doet gij beter voor goed te blijven, maar dan zal ik lang gestorven zijn.
"Gij moet in het leven opgroeien, niet daarbuiten, want gij zijt nog niet rein genoeg om boven het leven te rijzen. Zooeven waart gij zoover. Maar aanstonds komt de reactie. De menschen moogt gij niet schuwen, zij zijn uwe gelijken, al voelen zij niet zoo zuiver als gij. Gij kunt onder hen gaan als een makker, en hunne handen drukken. Maar laat nooit uwe ziel aan hen zien, als zij nog te achterlijk zijn. Zij zouden u niet bespotten uit slechtheid, maar uit heilige overtuiging, niet bewust als zij zijn van hun ontzaglijke misère, hunne goddeloosheid en verlatenheid van alle heilige dingen, waar gij juist van leeft. Gij moet zóó sterk van zekerheid zijn, dat niets u kan hinderen. Gij zult het niet worden dan na veel bitteren strijd. Maar uit uwe tranen zal uwe kracht komen, en door smart zult gij tot rust ingaan. Vóór alles, bedenk dat Tao, dat Poëzie, dat Liefde één en hetzelfde is, al tracht gij het met die vage namen te noemen, dat het altijd in en òm u is, dat het u nooit verlaat, dat gij veilig behouden zijt in die heilige omgeving. Gij zijt met weldaden omringd, en gij zijt verzorgd met eene liefde, die eindeloos is. Alles is heilig door de essence van Tao die er in leeft."
Hij sprak zoo zacht en overtuigend, dat ik niets terug kon zeggen. Ik liet mij gehoorzaam door hem leiden naar het strand.--Mijn boot lag stil op het vlakke water te wachten.--
"Goeden dag, mijn jongen, vaarwel," zeide hij vriendelijk, met zeer vaste stem. "Denk om alles wat ik u gezegd heb."
Maar ik kon zóó niet gaan. Opeens dacht ik er aan, hoe eenzaam hij daar leefde, en ik voelde tranen van medelijden in mijne oogen komen. Ik greep zijne hand.
"Vader, ga met mij mede," smeekte ik. "Mijne vrouw en ik zullen voor u zorgen, wij zullen zoo goed voor u zijn, en als gij ziek zijt zullen wij u verplegen. Blijf niet hier, zoo alleen, zonder liefde om van te leven!"
Hij lachte zacht, schudde het hoofd, als een vader om een kind, en zeide lief, maar onbewogen: "Gij zijt al weêr teruggevallen. Ziet gij wel dat gij nog in het leven moet gaan? Ik heb u zooeven gezegd hoe groot de Liefde is, die mij omgeeft. En gij vindt mij alleen en verlaten. Maar ik ben zoo veilig tehuis in den Tao als een kind bij moeder. Gij zijt heel lief, een goede jongen, maar gij moet wijzer worden, véél wijzer. Denk niet om mij, het behoeft niet, al ben ik heel dankbaar voor uw bezorgdheid. Denk maar vooreerst om uzelven. En doe nu wat ik u zeg.--Geloof dat ik zeg, wat goed voor u is. Vaarwel, in uw boot is iets voor u om u te herinneren aan uwe dagen hier."
Zwijgend boog ik mij over tot zijne hand, die ik kuste. Ik meende haar even te voelen beven, als bewogen door ontroering, maar toen ik hem aanzag was zijn gezicht rustig en sereen als de maan.
Ik stapte in mijn bootje, en de roeier nam de riemen.--Met vluggen slag dreef hij mij door het vlakke water.--Ik was een eind ver, toen mijn voet tegen iets stootte, en ik er om dacht, dat er iets voor mij in de boot was. Ik nam het op. Het was een kistje. Haastig schoof ik het open. En in het zacht-rustige maanlicht blonk in mystieken glans het wondere porselein van het Kwan-Yin beeldje, hetzelfde, dat de oude man zoo voorzichtig had bewaard, en dat hij zoo liefhad.
In statige rust van strenge, maar teedere lijnen zat de reine Kwan-Yin, in fijn porselein, transparant als van aether gemaakt, in de glanzende bladen van den lichten lotus.--Het blonk in den puren maneschijn als van zuiver zielelicht.--
Ik durfde het niet gelooven, dat dit heilig ding mij was gegeven. Ik wuifde mijn zakdoek, en mijn hand maakte gebaren om den Wijze te danken. Hij stond roerloos aan het strand, en staarde voor zich uit. Ik wachtte verlangend naar één wenk, één teeken, om mij nog even lief te doen in een' groet. Maar hij bleef onbewegelijk,--
Staarde hij naar mij? Staarde hij naar de zee?.....
Ik schoof het kistje dicht, en hield het zachtjes vast naast mij, alsof het een liefde van hem was, die ik meênam. Ik wist nu, dat hij mij liefhad, maar zijne roerlooze kalmte was te groot voor mij, ik voelde mij droef, dat hij niet weder gewenkt had.
Ik dreef verder en verder. Al vager werd zijne gestalte. Eindelijk zag ik hem niet meer.
Hij bleef achter, eenzaam in de natuur, met de mijmeringen van zijn ziel, alleen in de oneindigheid, zonder menschelijke liefde, maar dicht aan den grooten boezem van Tao.
Ik dreef terug naar het Leven, en naar de menschen, mijne broeders en gelijken, in wier aller zielen Tao leeft, onsterfelijk en essentiëel. Reeds blonken de kustlichten van de haven, en het stadsgerucht kwam vaag over de zee.
Toen voelde ik eene groote kracht in mij, en beval mijn' roeier toch sneller te gaan. Ik was gereed. Was ik niet veilig in de stad als op het land, in de straten als op de zee? In alles is Poëzie, is Liefde, is Tao. En de geheele wereld is één groote heiligheid, en veilig als een goed, sterk Huis.--
INHOUD.
Blz.
DE SCHIJN DER CHINEEZEN 1 HET CHINEESCHE TOONEEL 21 VAN EEN DOODEN MANDARIJN 79 WU WEI.--EEN FANTAZIE NAAR AANLEIDING VAN LAO TSZ'S FILOSOFIE 95
AANTEEKENINGEN
[1] Dit slaat op eenige artikelen tegen de chineesche handelaars in enkele indische bladen, stukken van minder literairen dan wel sociaal-politieken aard.
[2] Fung Shui is de religieuse en astronomische ligging van een plaats. De leer van Fung Shui is een leer apart. Uitweiding zou te ver voeren.
[3] De liefde en de reverentie van kind tot ouders, en omgekeerd.
[4] "Beleefdheid" is niet de preciese vertaling van het Chineesche Lé dat onvertaalbaar is en exclusief-Chineesch van beteekenis. Er is een aparte "King" de Lé Kì, die van de Lé verhaalt en Lé voor Europeanen duidelijk kan maken. Beleefdheid in den uitgebreidsten zin komt er het dichtste bij. De Lé Kì is vertaald door Prof. Legge in de "Sacred Books of the East".
[5] In China gebeuren de huwelijksonderhandelingen door middel van koppelaars. De bruidegom gaat niet zelf de bruid vragen--die hij trouwens nooit gezien heeft--maar de ouders van den jongen man sturen vertrouwde koppelaars--hem-lâng--naar de ouders van het meisje, om haar eerst te zien, en verder over alle voorwaarden en aangelegenheden te spreken. Alles breedvoerig vermeld in den Tai Ts'ing Lut Le,--het Wetboek der Tai Ts'ing-dynastie.
[6] Deze--en ook vorige en eventueel volgende--woorden tusschen aanhalingsteekens zijn directe vertalingen uit het Chineesch, daar ik het eigenaardig vond, die letterlijk over te nemen.
[7] Zooals bekend is, zegt de boeddhistiesche leer van Karma, dat elke oorzaak onvermijdelijk in latere levens zijn gevolg produceert. De Chineezen gelooven hier sterk aan, en deze In Kó--oorzaak en gevolg--vindt men in het grootste gedeelte van hunne legenden en geschiedenis terug.
[8] Voor den belangstellenden lezer, die gaarne het eind der lotgevallen van Si Ting San zou willen weten, zij het volgende in 't kort verteld:
Si Ting San had later van Han Lee Hoa een zoon, genaamd Si Kong. Deze Si Kong was onder ongunstige omstandigheden geboren. Han Lee Hoa geraakte namelijk gedurende hare zwangerschap in gevecht met Iông Hoân (den op aarde geïncarneerden duivel, dien zij had bespot), en sloeg hem dood met haar zwaard. Zijn bloed spatte overal op haar huid, waardoor zij van den schrik het kind baarde, dat nu daarom een bloedigen aard had, en het karakter van een duivel. Deze Si Kong--die reeds op 7-jarigen leeftijd onoverwinlijk was--was een losbandige drinkebroer. Si Ting San zelf eindigde, met zijnen vader Si Dzîn Kuì te dooden, en wel op de volgende curieuze manier. Hij was zijn vader komen verlossen uit een klooster, waar deze werd omsingeld door de vijanden. Si Dzîn Kuì was daar drie dagen uitgehongerd, zoodat hij bewusteloos was geworden. Oorspronkelijk was deze Si Dzîn Kuì een tijger geweest, die als mensch gereïncarneerd was. Door zijne bewusteloosheid was nu zijn geest weêr in den tijger overgegaan. Si Ting San, die juist ter redding kwam, zag bij den tempel een tijger, dien hij met een pijl doodelijk wondde. De tijger sleepte zich nog tot in den tempel, en daar lag zijn eigen vader dood, door hem vermoord. De tijger was opeens verdwenen. Op zijn beurt wordt Si Ting San later door zijnen zoon Si Kong's schuld gedood. Si Kong had namelijk in dronkenschap 's keizers twee zonen gedood. Si Kong zelf wist te ontsnappen, maar, volgens chineesch recht, moest Si Ting San, de vader, er voor boeten, die met 360 zijner familieleden werd gedood. Si Ting San had echter goede vrienden, die hunne eigene kinderen tegen de zijne ruilden en lieten dooden, opdat zijn geslacht zou behouden blijven. Si Ting San werd met al zijne vrouwen en dienaren gedood, en hunne lijken in één kuil geworpen, waarop gesmolten ijzer werd gegooid. Alleen Han Lee Hoa ontsnapte, door een tweede lichaam aan te nemen, en het eerste, ziellooze, te doen dooden. Onder eene volgende regeering keerde Si Kong in het rijk terug, en kwam tot hooge eer. De lijken van zijn vader Si Ting San en zijne familie werden uit het ijzeren graf gehaald, en met rijke ceremoniën elk afzonderlijk plechtig begraven. Si Ting San's oude vriend, (ook die zijns vaders) T'ia Kao Kim was hierover zoo dol verheugd--dat hij zich letterlijk doodlachte. En--zoo luidt de curieuze legende--T'ia Kao Kim's zoon was zoo verslagen over den dood van zijn vader--dat hij zich op de tegenovergestelde wijze doodhuilde.
[9] Een dergelijk gewaad, geheel van zijde, met de kostbare goudfiguren, kost op zijn hoogst slechts 70 dollars mexicaansch.
[10] Er wordt in Europa algemeen geloofd, dat wit in China altijd rouw beteekent, maar dat is onjuist. Wit wordt wel degelijk gedragen zonder dat het rouw beduidt, door het volk 's zomers, en door tooneelspelers aldoor. De echte rouwkleeren zijn bruingelig.
[11] Haò is de Liefde en Eerbied van kinderen tot ouders.
[12] Wie meer wil weten van deze booze "kuí's" leze toch vooral het merkwaardige werk van Prof. J. J. M. De Groot: "The Religious System of China." Vol. I.
[13] De Chineesche karakters worden werkelijk beschouwd als iets heiligs. Geen beschreven papier mag worden weggeworpen. Het mag alleen worden verbrand, want dan wordt het veranderd in heilig vuur, dat naar de Geesten opstijgt. In een stukje in het internationaal orientalistiesche tijdschrift "T'oung Pao" 4e Jaarg. No. 5 (Redactie Prof. Schlegel en Prof. Cordier te Parijs) heb ik deze vereering van de Chineezen voor al het geschrevene uitgedrukt door "C'est comme le Verbe qu'ils vénèrent dans leurs caractères."
[14] Men houde toch vooral niet Nîrwana voor eene uitdooving en brute, onzinnige vernietiging van Leven tot Niets. Van géén mystiek woord is zooveel misbruik gemaakt als van Nîrwana. Zelfs een eminent schrijver als Couperus gebruikt het op vele plaatsen verkeerd (in "Eline Vere"). Nîrwana is niet te definieeren, evenmin als het begrip God, omdat het iets is boven alle idee en vergelijking. Het zou eenigszins--maar zeer vaag en onvolkomen--weer te geven zijn als de Al-Ziel der wereld, waartoe alles kan teruggebracht worden, en dit is rustig en stil, en eindeloos, en het eenig Reëele. Maar alle woorden blijven er ver van, evenals alle begrippen ver van God blijven...