Wijsheid en Schoonheid uit China
Part 7
"Kan het werkelijk zóó simpel zijn, een dichter wezen, en verzen zingen? Wij kunnen toch niet zóó gemakkelijk een vers uitzeggen als de stroom van de rotsen ruischt? Moeten wij niet eerst leeren, en ons oefenen, en goed de vers-vormen leeren zien? Dit is toch wel degelijk actie, en geen van-zelve beweging?"
Maar hij was niet verlegen met mijne vraag, en antwoordde dadelijk:
"Laat u hierdoor niet verwarren. Alles komt hiér op neer: Heeft een mensch de ware Bron, waaruit het vers moet vloeien, of heeft hij die niet? Heeft hij de simpele, reine beweging van Tao in zich, of is zijn leven niet zoo mooi, eenvoudig van beginsel? Heeft hij de Bron, dan is hij een dichter, heeft hij de Bron niet, dan is hij geen dichter. Nu zult gij reeds dadelijk zien, dat, héél goed beschouwd, van een hoog standpunt, eigenlijk alle menschen dichters zijn, want ik heb u gezegd, in allen is de primitieve, essentieele beweging van, en weer náár Tao. Maar bij héél enkelen alleen is deze beweging zoo ontwikkeld, en zoo sterk gespannen, dat zij hun de hooge dingen van de schoonheid kan doen zien, die de oevers zijn, waarlangs hunne zielerivier gaat vloeien tot zij zich in het oeverlooze Eindeloos verliest. Gij zoudt kunnen zeggen, de gewone menschen zijn stilstaand water in slijkigen grond, met schralen plantengroei, de dichters zijn blanke rivieren, die door weelderige oevers vol wondere pracht, naar den eindeloozen oceaan stroomen. Maar ik wil liever niet met te veel vergelijkingen spreken, want dat is eigenlijk niet eenvoudig genoeg.
"Gij wilt zeggen, als een dichter werkelijk een dichter is, met de goede bron in zich, moet hij zich dan niet eerst oefenen, en blijft het dus wel waar, dat hij zoo van-zelf beweegt als de natuur? Zeer stellig.--Want vergeet niet, dat een jong dichter, die een korten tijd de verschillende vormen van het gedicht bestudeerd heeft, opeens diezelfde vormen zóó natuurlijk zal gaan vinden, dat hij van-zelf geen andere meer kan zien. Zijne verzen zullen zich van-zelf in vormen van schoon gaan bewegen, eenvoudig omdat zij geen andere beweging kennen. Dit is juist het onderscheid tusschen een dichter en een dilettant, dat een dichter zijne verzen uitzegt, en ze later goed beschouwende, in al hunne bewegingen, klanken en rhythme juist vindt, terwijl een dilettant eerst een wegje gaat afbakenen, volgens een geleerd plan, waarlangs hij volkomen ziellooze woorden met alle geweld probeert vooruit te krijgen. De bezielde woorden van den dichter vloeiden van zelf, juist omdat zij bezield zijn. En, goed nagedacht, bestaan er in 't geheel geen bepaalde vormen van gedicht eigenlijk, en in 't geheel geen wetten, want een vers, van-zelf voortgevloeid uit de bron, gaat uit eigen kracht, en niet gehoorzamende aan een vooraf gestelde, menschelijke wet. De eenige wet is, dat er geen wet is. Gij zult dit misschien heel gewaagd vinden, jonge man, maar bedenk, dat ik van Tao uitga met mijn betoog, en niet van de menschen, en dat ik dan ook maar heel weinig ware dichters weet. Het is allerzeldzaamst, een mensch, die zoo zuiver en puurrein is als de natuur. Denkt gij, dat er velen in uw land zijn?"
Ik voelde mij vreemd te moede bij deze vraag, die ik niet van den Wijze verwacht had, en ik begreep niet, waarom hij dit wilde weten. Het antwoord leek mij zoo uiterst moeilijk, en ik begon daarom eerst met een andere vraag aan hém: "Mijn oude Meester, ik kan het u niet zeggen, vóór ik nog meer van u mag hooren. Waarom maakt een dichter een gedicht?"
Dit scheen hem te verbazen, want hij vroeg, alsof hij mij niet goed verstaan had:
"Waarom een dichter een gedicht maakt?"
"Ja, Meester. Waarom?"
Hij lachte helder uit in het licht, en zeide:
"Waarom ruischt de zee? Waarom zingt het vogeltje? Weet gij dat, mijn jongen?"
"Vader, omdat zij niet anders kunnen, omdat zij nu eenmaal moeten, uit hunne natuur! Het is Wu Wei!"
"Heel goed. Welnu, zou het bij een dichter dan anders zijn?"
Ik dacht na, maar ik had nog geen antwoord gereed.
"Ja, het kan toch nog anders. Een dichter kan zingen om eene Literatuur te helpen maken, in een land waar de literatuur dood is. Dit vind ik heel mooi klinken, maar eigenlijk onzuiver. Maar er zingen ook dichters om zich een glorie te scheppen, om beroemd te zijn, om te worden gekroond met blinkende lauweren, en het lachen te zien lichten van blonde meisjes, die bloemen strooien voor hunne voeten!"
"Gij moet u juister uitdrukken," sprak de Wijze. "En gij moogt geen woorden ontheiligen, die onder de duizenden woorden heilig zijn. Want dichters, die zóó zingen zingen niet, en zijn geen dichters. Een dichter zingt omdat hij zingt. Hij kan niet zingen met een zeker doel, anders wordt hij een dilettant."
"Maar, Vader, als een dichter nu eens werkelijk gezongen heeft zoo rein als een vogeltje, zou hij dan daarna niet mogen gelukkig zijn met lauweren en rozen? Kan hij in ijverzucht haten wie de lauwer kreeg dien hij waardig denkt te zijn? Kan hij zijn ziel verloochenen, en zeggen dat schoon leelijk is, omdat hij het schoone haat die het schiep, kan hij zeggen dat leelijk schoon is, omdat de kransen moeten komen uit de hand van den leelijke? Kan hij zich opsmukken met bleeke glorie, en opzettelijk anders doen dan andere menschen, om uit te blinken door vreemden sier? Kan hij zich beter vinden dan het gemeen? Kan hij de handen van het gemeen drukken dat hem huldigt? Of kan hij het gemeen haten dat hem niet kroont, maar hem bespot? Hoe kunt gij mij deze dingen verklaren? Het lijkt mij alles zoo vreemd bij den eenvoud van het kleine vogeltje, en de groote zee!"
"Al deze vragen, mijn jongen, zijn een antwoord op mijne vraag," zeide de Wijze. "Want dat gij dit alles weten wilt, is een bewijs, dat er niet veel dichters in uw land zijn. Denk er om, dat ik het woord dichter in de pure, hoogste beteekenis neem.--Een dichter kan alleen voor zijne kunst leven, die hij als kunst liefheeft, niet als een middel om wat vaag aardsch genot te verkrijgen. Een dichter ziet de menschen en dingen in hun eenvoudigste wezen, zóó simpel, dat hij bijna vlak bij Tao is. Andere menschen zien menschen en dingen verward, als onder dikke nevelen. Een dichter weet dit als een stellige waarheid. Hoe kan hij dan verwachten, dat zijn eenvoud gezien wordt door het vage, omwolkte volk? Hoe kan hij emotie van haat en droefheid voelen, als men hem bespot? Hoe kan hij geluk voelen, als men hem wil lauweren? Het is hiermede als met de vier jaargetijden van Chuang Tsz'. Het is niet bizonder verschrikkelijk, omdat het de natuurlijke gang der dingen is. Een dichter is dus niet in wanhoop als men hem hoort, en ook niet gelukkig als men hem huldigt. Hij ziet de dingen van het volk tegen hem aan als den natuurlijken loop der gevolgen, waarvan hij de oorzaken weet. Het oordeel van het gewone publiek is hem zelfs niet eens onverschillig. Het bestaat eenvoudig niet voor hem. Hij schept ook zijne verzen niet voor het volk, maar omdat hij ze nu eenmaal van-zelve schept. Het geluid der menschenwoorden over zijn werk ontgaat hem, en hij weet niet, of hij beroemd is, of vergeten. [28] De hoogste beroemdheid is géén beroemdheid te hebben. Gij ziet mij aan, jongeman, alsof ik u wonderen zeg, van welke gij nooit hebt durven droomen. Maar ik zeg u niets dan heel eenvoudige waarheid, zoo simpel en natuurlijk als de waarheid in een landschap of eene zee. Omdat gij nog niet lang geleden in het drukke leven der menschen van uw land waart, hebt gij nooit waren eenvoud gezien. Gij hebt zóó lang van niets anders hooren spreken dan van verdienste, roem, eer, artiesten en onsterfelijkheid, dat gij niet beter wist, of deze dingen waren onmisbaar als de lucht, die gij ademt, en reëel als uw ziel. Maar het is alles schijn en bedrog. Wie gij gezien hebt waren wel dichters van reinen oorsprong misschien, maar zij zijn afgedwaald van de beweging, die hun principe was uit Tao, en zij zijn niet gebleven wat zij waren, maar door zwakte afgedaald tot de dingen der ordinaire menschen. Zij doen juist hetzelfde als de vulgaire menschen doen, en nog heviger. Ik begrijp dit uit uwe vragen. Welnu, alle dezen zijn geen dichters meer, en zullen ook geen ware poëzie meer zingen zoolang zij zoo zijn. Want de geringste afwijking van de oorspronkelijke beweging is voldoende om de poëzie te dooden. Er is maar ééne, rechte weg, simpel, en maagdelijk, maar streng als de rechte lijn. Die rechte lijn is het van-zelve. Daarbuiten ligt het onnatuurlijke, de valsche actie, de wegen naar roem en aanzien, waar moord en doodslag gebeurt, en de eene boezemvriend het bloed van den ander wel zou drinken om zijn doel te bereiken. De rechte lijn gaat van-zelve, zonder afwijking, zonder geheime richting, in simpelen staat naar het eindelooze.
"Gij zult ook inzien, dat dan van-zelf al die gevallen onmogelijk worden, waardoor dichters een slachtoffer worden van het gemeen. Gij zult in de geschiedenis van uw land, evenals in die van het mijne, wel gelezen hebben van poëeten, die stierven van smart over de miskenning der wereld, en zelfmoord pleegden na eene onverdiende bespotting. Ik heb dat altijd heel aandoenlijk gevonden, maar ik wist dat ik dan met géén waarachtig groote dichters te doen had gehad.
"En ik spreek natuurlijk niet alleen van woordkunstenaars, maar van kunstenaars in het algemeen. Wil ik u eens iets van een' kunstenaar laten zien, dien ik zoo puur en simpel vind als ik mij een waar, eenvoudig mensch voorstel? Ga dan eens met mij mede."
De Wijze geleidde mij naar een kamertje in zijn huisje. Een kleine cel, met witte muren, en geen andere meubelen dan een bed, een tafel met boeken, en een paar stoelen. Hij opende een deur in den muur, en kwam terug met een houten kist. Hij droeg haar zoo voorzichtig, alsof hij een heilig ding droeg, of een teêr kind. Hij zette haar zacht neer op den grond, schoof een schuif open, en haalde uit de kist een groote nis van donker roodbruin hout, die hij op de tafel zette. [29]
"Ziet ge," zeide hij, "dat is om te beginnen een mooie nis. Een mooi ding moet in eene mooie omgeving staan. De deurtjes zijn nog dicht. Vindt ge dat niet goed, dat idee, om het zoo altijd te kunnen verbergen voor profane oogen? Maar voor u wil ik het wel open doen." En de beide deuren van de nis gingen open.
Tegen een' achtergrond van lichtblauwe zijde stond een groot beeld. Het schitterde met zulk een' wonderen glans, dat het een eigen licht om zich heen had. Het was de boeddha Kwan-Yin, gezeten in een' lotus, die zich kuisch ontplooid had. De lotus rees recht en statig uit een wild-golvende zee. [30]
"Ziet ge hoe héél eenvoudig en mooi dat is?" zeide hij met eene stem, waarin ik eene groote, teedere liefde voelde. "Is dat niet de Rust heelemaal weergegeven? Zie dat sereene gezicht, hoe wonder-teêr, en toch hoe ernstig-streng, met die geloken oogen, starende in de eindeloosheid. Kijk eens zoo'n wangetje, hoe gevoelig, kijk eens dien mond, en het statige welven der wenkbrauwen, en die pure parel [31] opblinkende uit haar voorhoofd, symbool van hare essence-ziel, die uit het lichaam gaat! Hoe weinig lijnen, haar lijf! Maar zie eens, die immense genade van liefde in den rechterarm, die neerdaalt, die ontzaglijke heiligheid in den opgeheven linkerarm, en die twee vingers saâm-gehouden, in het moment van prediking! En hoe mooi, de gekruiste beenen, die zoo zacht op den lotus liggen! En kijk eens, wat gevoelig tegelijk voor zoo'n kolossaal streng ding, die fijne zooltjes, met die innig teedere golving! Is dit niet de essence van het geheele boeddhisme, in één beeld? Ge behoeft niets van boeddhisme gelezen te hebben, om er nú al de essence van te voelen. Is dat niet de Rust, dat ideaal-reine gezicht, zoo stil starende in eeuwigheid. Is het niet de geheele liefde voor de wereld, het simpele neêrgaan van dien éénen arm, is het niet gegrepen, het essentieele van de geheele Leer, in het moment van die twee predikende vingers?
"En dan de stof, waar zoo'n beeld van gemaakt is! Weet gij wel dat zoo'n kunstenaar er jaren en jaren over zwoegde, vóór hij zijne materie had verreind en geaetheriseerd? Want steen is zoo hard, niet waar, en het idee van stof is al heel leelijk bij de plastische uiting van het ideale idee Rust. De kunstenaar werkte met allerlei lage dingen, als klei, en zand, en aarde,--die hij door gepaste, harmonische vermenging met edelsteenen, paarlen en jaspis, tot kostbaarheden vervormde. En zóó is dit beeld eene materie geworden, die geen materie meer is, maar eene incarnatie van een subliem idee. De kunstenaar wilde ook in zijn beeld symboliseeren den dageraad, die voor de menschheid opschemerde, toen de Boeddha verscheen. En in het glanzende, sneeuwreine wit van zijn porselein liet hij den vagen, rozen gloed droomen, die in de ochtendhemelen beeft, vóór de glorie van de zon uitstraalt. Is dit niet gevoeliger, dat voorgevoel van het licht, dan het licht zelf? Ziet ge die héél vage, maar wonderreine roze kleur door het wit schijnen? Is het niet kuisch als het eerste opbloeien van een blos op het blanke voorhoofd van een maagd? Is het niet de diviene liefde van den kunstenaar, die daar zacht droomt in het blanke wit? Zoo'n beeld is eigenlijk geen beeld meer. Het idee materie is er heelemaal uit. Het is een mirakel."
Ik kon geruimen tijd niet spreken van aandoening. Nog meer dan de reine wijsheid van den grijsaard voelde ik de schoonheid van deze kunst mijne ziel verreinen. Eindelijk vroeg ik zacht:
"Wie heeft dit wonder gemaakt? Ik wil het weten, opdat ik zijn' naam gelijk met den uwe in reverentie houd."
"Het doet er al heel weinig toe, mijn beste jongen," antwoordde de Wijze. "De ziel, die in dezen kunstenaar was, is in Tao vergleden, waarin gij eens verglijden zult. Zijn lichaam is vergaan, als de bladeren, zooals het uwe eens vergaan zal. Wat is er dus voor gewichtigs in zijnen naam? Maar ik wil het u wel zeggen. Hij heette Tan Wei [32], en drukte dien naam in prachtig gestyleerde karakters in den rug van het beeld, omdat dit nu eenmaal in die tijden de gewoonte was. Wie hij was? Natuurlijk een gewoon werkman, die niet eens wist, dat hij een kunstenaar was, die zich volstrekt niet meer vond dan een' gewonen landbouwer, en ook in 't geheel niet vermoedde, hoe mooi zijn werk eigenlijk was. Maar hij had heel veel in de luchten om hem gezien, en hij hield van zeeën, en landschappen, en bloemen. Anders zou hij niet zoo gevoelig geweest zijn. Je ziet die simpele lijnen en pure kleuren alleen in de natuur. Hij was volstrekt niet beroemd. Gij zult zijn' naam niet in de geschiedboeken vinden. Ik zou u niet kunnen zeggen, waar hij vandaan kwam, hoe hij leefde, hoe oud hij was. Ik weet alleen, dat het achthonderd jaar geleden is, toen er zulke beelden werden gemaakt, en de oude kunstkenners het beeld van uit de eerste helft der Mingdynastie rekenen te zijn. De kunstenaar leefde hoogstwaarschijnlijk heel stil het leven der anderen, werkte vlijtig als een gewoon werkman, en stierf eenvoudig, onbewust van zijne grootheid. Maar zijn werk bleef over, en dit beeld, dat door een gelukkig toeval in deze streken terecht kwam, waar de laatste oorlogen niet woedden, is hetzelfde wat het was, toen hij het maakte. Zóó kan het nog eeuwen en eeuwen staan, in ondoofbaren glans, in altijd maagdelijke majesteit! O! zóó iets maken, in argeloozen, puren eenvoud, is een dichter zijn! Dít is de kunst, die niet van de tijden is, maar van de eeuwigheid! Wat is dat mooi, vindt ge niet? Dat porselein, dat bijna niet vergaan kan, en die glans, die nooit verdooft! Het staat zoo sterk, en toch zoo teer hier op de aarde, en het zal er nog zijn, als onze kinderen reeds zijn gestorven! En de ziel van den kunstenaar is in Tao vergleden!"
Wij zagen het beeld nog geruimen tijd aan. Toen vatte hij de nis weer voorzichtig op.
"Het is zoo teêr," zeide hij, "dat ik het eigenlijk niet goed in het daglicht durf te zetten. Het daglicht is te hard voor dit wonder-zachte, het beeld is zoo aetherisch als een ziel. Het is of ik bang ben, dat het plotseling in het licht breken zal, of vervlieden, als een licht wolkje in de lucht. Het is zoo heelemaal van ziel gemaakt."
En zachtjes, o zoo zachtjes zette hij de nis in de kist, die hij sloot.
Hij ging mij voor, naar buiten, en wij gingen weer zitten onder de welving van een vooruitstekende rotspunt.
"Hoe mooi zou het leven zijn," zeide ik, "als alle menschen in eenvoud zulke dingen maakten, en die overal om zich heen zetten."
"Alle menschen," antwoordde hij, "is nu wel wat veel. Maar er is werkelijk een tijd geweest, dat dit groote rijk één schoone kunsttempel was. Gij kunt er de sporen nog van zien hier in China. Er was een tijd, dat het meerendeel der menschen zulke simpele kunstenaars waren. Alle dingen, die hunne omgeving vormden, waren mooi, de kleinste en de grootste. Een tempel, een tuin, een tafel, een stoel, een mes. Kijk eens naar de theekopjes uit die eeuw, en de kleinste wierookvaatjes! De armste koelies aten van schalen, die in hunne soort even volmaakt waren als mijn porseleinen beeld. Alle artikelen, die gemaakt werden, waren mooi, en waren dat van-zelf. Natuurlijk vonden de eenvoudige werklieden zich geen artiesten, of andere menschen dan anderen, en ontstond er geen kleingeestige strijd onder hen, want dan zou het gedaan zijn geweest met de kunst. Alles was mooi, omdat allen eenvoudig waren en te goeder trouw werkten. Het was toen even natuurlijk dat alle dingen mooi waren als het nu natuurlijk is, dat zij leelijk worden. De kunst in China is tot het uiterste achteruitgegaan, een gevolg van den ellendigen socialen toestand. Gij zult wel gezien hebben, dat de kunst van dit land in verval is. Wel zijn bijna alle onze dingen van dagelijksch gebruik nog altijd mooier dan de afschuwelijke voorwerpen der Europeesche industrie, maar het wordt toch al minder en minder. En dit is een veeg teeken voor dit groote rijk. Want de kunst is met den bloei van een land onafscheidelijk verbonden. Gaat de kunst achteruit dan vervalt het geheele rijk. Ik bedoel niet in politieken zin, maar in zedelijken zin. Want moreel sterke, eenvoudige menschen brengen van-zelf sterke gezonde kunst voort. Ja, wat gij zegt is waar, hoe veel beter zou het leven der menschen zijn, als zij eene betere omgeving konden maken. En hoe vreemd, dat dit niet zoo is! Want de natuur is altijd overal om hun leven heen! Zie de wolken! Zie de boomen! Zie de zee!"
De zee ruischte áltijd door. Zij was eindeloos waar en zuiver. De wolken dreven statig landwaarts, in majestueus langzame beweging, zwaar van licht. Gouden schaduwen vielen op de bergen, en zweefden weer weg, met der wolken rhythmus mede. Er was overal licht, en beweging, en geluid, en nuance.
De Wijze zag rustig in dit eindeloos schoon, zoo vertrouwelijk en natuurlijk, alsof hij volkomen voelde, hoe innig hij aan de geheele omgeving verwant was. Hij scheen te raden wat ik dacht toen ik hem aankeek, want hij zeide:
"Wij zijn even simpel in dit schoon als een boom, of een berg. Kunnen wij dit altijd blijven, dan voelen wij ons voor goed veilig bezorgd in de groote beweging van het wereldstelsel. Er is zoo veel en veel gezegd over het menschenleven, en de geleerden zijn verward in een doolhof zonder eind. En toch is het zoo eenvoudig van essence als de geheele natuur. Er is niets eenvoudiger dan iets anders, en niets is in verwarring, al schijnt het zoo. Het gaat alles zoo zeker en onvermijdelijk als de zee."
Er was in zijne stem de groote liefde van een poëet en ook de kalme zekerheid van een geleerde, die van een onwankelbare waarheid uitgaat.
"Zijt gij nu voor vandaag tevreden?" vroeg de Wijze vriendelijk. "En heb ik u nu een beetje geholpen? Voelt gij nu zuiverder wat poëzie is?"
"Vader," antwoordde ik, "Uwe wijsheid is poëzie en uwe poëzie is wijsheid. Hoe kan dit zijn?"
"Dat is heel goed, zooals gij dit ziet," antwoordde hij. "Gij zult gaan leeren, dat al deze woorden maar schijn zijn. Ik weet niet wat mijne wijsheid is, of wat mijne poëzie. Alles keert tot één terug. Het is zoo eenvoudig, en zoo natuurlijk, als gij dit weet. Het is alles Tao."
III.
LIEFDE.
Het was weder avond. Wij zaten op den zachten berg, rustig vertrouwd in de groote stilte van den plechtigen tijd. De bergen ver om ons lagen deemoedig in devotie, als roerloos neergeknield onder den hemel, onder de langzaam dalende zegening van den nacht. De eenzame boomen, hier en daar langs heuvelen, stonden onbewegelijk te wachten, in vrome aandacht. De zee ruischte vaag en onbestemd, verloren in hare eigen grootheid. Er was vrede in de lucht, en geluiden droomden op als van gebed.
De Wijze was statig als een boom in de natuur, en hij was eerwaardig als de avond zelf.
Ik was gekomen om hem weêr te vragen. Want mijne ziel kon niet rusten als ik niet bij hem was, en er was beroering in mij van groot geweld. Nu ik naast hem zat durfde ik bijna niet spreken. Het leek mij of het niet meer noodig was, of alles al van-zelf was geopenbaard. Was alles niet goed en eenvoudig in dezen avond, was het niet mijne eigen essence die ik zag in de schoonheid om mij heen, en ging het nu niet alles verdroomen in het eindeloos?--Maar ik verbrak het, en stootte met mijn stem de teêre stilte open. "Vader," zeide ik droevig, "al uwe woorden zijn in mij en hunne geur vervult mijne ziel. Zij is mijn oude, eigen ziel niet meer. Ik ben als gestorven en ik weet niet wat er toch in mij gebeurt, elken dag, elken nacht, dat ik zoo lucht word en zoo leeg van binnen. Vader, ik weet het, het is Tao, het is het sterven en heerlijk weer herrijzen, maar het is geen Liefde, en zonder Liefde lijkt mij Tao een duistere Leugen."
De oude zag om zich heen in den avond en lachte zacht.
"Wat is dan Liefde?" vroeg hij mij kalm. "Weet gij dat wel goed?"--"Neen, ik weet het niet goed," antwoordde ik. "Ik weet het in 't geheel niet, maar daarom is het juist van zoo'n groote zaligheid. Ja, laat ik het maar zeggen, ik bedoel liefde voor eene maagd, voor eene vrouw. Nog weet ik wat het was, Vader, toen ik de Maagd zag en voor het eerst mijne ziel zich verroerde. Het was als een zee, als een groote hemel, als de dood. Het was het Licht en ik was blind geweest. Het deed pijn, vader, mijn hart klopte zoo en mijne oogen brandden. De wereld was een vuur, en alle dingen waren vreemd, en begonnen te leven. Er was een groote vlam, die uitsloeg in mijne ziel. Het was zoo bang en zoo lief, maar zoo eindeloos groot. Vader, ik geloof dat het grooter was dan Tao."
"Ik weet wel wat het was," zeide de Wijze. "Het was de Schoonheid, de Vorm van den vormeloozen Tao op aarde, die in u het rhythme in beweging riep, op welk gij tot Tao zult ingaan. Gij hadt dit ook kunnen gevoelen door het zien van een boom, van een wolk, van een bloem. Maar omdat gij een mensch zijt, die van passie leeft, kon het u alleen door een ander mensch, eene Vrouw, geopenbaard worden, ook omdat gij dezen vorm gemakkelijker begrijpt, en hij u vertrouwder is. En omdat de passie de zuivere contemplatie overheerschte, werd uw rhythme opgedreven tot een wild gestorm, als van een woeste zee, die niet weet waar zij heengaat. Het essentiëele van de geheele emotie was niet Liefde, maar Tao."
Maar de kalmte van den ouden man maakte mij koortsig, en wond mij op tot een wreed antwoord.
"Gij kunt dit zeer prachtig zeggen in theorie, maar omdat gij het nooit gevoeld hebt, weet gij niet waar gij eigenlijk over spreekt."
Hij zag mij aan met een vasten blik, en legde medelijdend de hand op mijnen schouder.