Wijsheid en Schoonheid uit China
Part 6
"Ik geloof [20], dat ik u wel leeren mag, jonge man. Ik heb sedert jaren geen leerling gehad, en ik zie in uwe oog en geen nieuwsgierigheid, maar zuiveren wil naar wijsheid, om uwe ziel te bevrijden. Hoor dus. Tao is eigenlijk niets anders dan wat gij, vreemdelingen, God noemt. Tao is het Eéne. Het Begin en het Einde. Het omvat alles, en alles keert er toe terug. Lao Tsz' schreef in het begin van zijn Boek het karakter Tao. Maar wat hij bedoelde, het Aller-Hoogste, het Eéne, kan geen naam hebben, kan niet verklankt worden door een klank, omdat het Eén is juist. Evenmin kan uw God God heeten.--Wu--Niets--dít is de Tao.--Gij begrijpt mij niet? Hoor maar verder. Er is dus iets absoluut Reëels, beginloos, eindeloos, dat wij niet kunnen vatten, dat dus voor ons Niets is. Wat wij wèl begrijpen kunnen, het voor ons dus betrekkelijk reëele, is in werkelijkheid maar een schijn; het is een gevolg, een geboorte van het absoluut Reëele, omdat tot dat Reëele alles terugkeert, en alles er uit is voortgekomen. Maar niet in-zich-zelve zijn de voor ons reëele dingen reëel. Wat wij Zijn noemen, is dus eigenlijk niet Zijn, maar wat wij Niet-Zijn noemen, is juist Zijn. Wij leven dus in groote duisternis. Wat wij reëel denken is niet-reëel, en toch komt het uit het reëele voort, want het Reëele is Alles. Welnu, alle Zijn, en ook alle Niet-Zijn, is dus eigenlijk Tao. Maar onthoudt hierbij vooral, dat Tao maar een woord-klank is, door een mensch gezegd, en het eigenlijke Tao onnoembaar is. Alle door de zintuigen waarneembare dingen, en alle begeerten van het hart zijn onreëel. Tao is het Begin van Hemel en Aarde. Eén baarde Twee. Twee baarde Drie. Drie baarde millioenen dingen. En millioenen dingen keeren tot Eén terug.
"Indien gij dit goed onthoudt, jonge man, zijt gij binnen de eerste poorten der wijsheid getreden. Gij weet dan, dat Tao de oorsprong van alles is. Van de boomen, en de bloemen, en de vogelen. Van de zee, en de woestijn, en de rotsen. Van licht en donker. Van warmte en koude. Van den dag en den nacht. Van leven en dood. Van winter en zomer. Van uw eigen leven. Werelden vergaan, en oceanen verdampen in de eeuwigheid. Een mensch heft het hoofd op uit het duister, lacht in 't vage licht, en vergaat. Maar in ál deze wisselingen was het Eéne. In alles is Tao. Uwe ziel in essentie is Tao. Ziet gij de wereld vóór u, jonge man?"
En hij wees met een statig gebaar over de zee.
De bergen aan weerszijden stonden zeker, met groote energie in de lucht. Zij waren als krachtige gedachten, welbewust uitgehouwen. In de verte werden zij teerder, en droomden weg in vage horizonnen van licht en lucht. Op een' heel hoogen top stond eenzaam een boompje, zachtneigend, met bladertjes heel fijn tegen het licht. De avond begon te vallen. Een vage liefde daalde rustig neder van de hemelen. Er begon ook zacht rood op te droomen, en de blauwe bergen stonden er licht tegen, met een wonderen glans van zaligheid. De lijnen om hen werden duidelijker. Overal zacht, hoog opgaan, en dan heel statig rechtop blijven, als een welbewuste vroomheid. En de zee kwam langzaam, langzaam aandrijven, in een stil-zwevend glijden. Het rustige, zekere aankomen van een eindeloosheid. En dan een klein scheepje, met een teêr gloeiend, gouden zeiltje, dat kwam onbevreesd, heel klein, en heel liefdevol aan in dat immens groote. Het was alles absoluut zuiver, zonder eenige slechtheid.
En ik sprak, met een vreemde, hooge vreugde:
"Ik voel het nu, o Meester! Overal is het, wat ik zoek. Ik had het niet zoo héél ver moeten zoeken, want het was vlak bij mij. Overal is wat ik zoek, wat ikzelf ook ben, wat mijn ziel is. Het is zoo vertrouwd als mijn zelf. Alles is Revelatie. Overal is God. Tao is in álles."
"Goed zoo, jonge man. Maar verwar het niet. In wat gij ziet is Tao. Maar Tao is niet wat gij ziet. Gij moogt vooral niet denken, dat gij Tao zoudt kunnen aanschouwen met uwe oogen. Noch zal het vreugde wekken in uw hart, noch zullen er uwe tranen van vloeien. Want al uwe gevoelens en emoties zijn betrekkelijk en niet reëel. Maar hierover wil ik op het oogenblik nog niet verder praten. Gij staat nog maar voor de eerste Poort, en gij ziet nog maar het eerste uchtendgloren van het licht. Dat gij weet hoe Tao in alles is, is reeds veel. Het zal uw leven natuurlijker maken en vertrouwder. Want, geloof me, gij ligt in de omarming van Tao als een kind in moeders omhelzing. Gij zult er zoo heel ernstig door worden, want gij zult u overal voelen nog heiliger dan een vroom priester in een tempel. Gij zult ook niet vervaard meer zijn voor de wisseling der dingen, voor leven en dood. Want gij weet èn leven èn dood zijn uit Tao. En het is zoo eenvoudig, dat Tao, dat u in het leven omringde, ook na den dood even eindeloos om u heen zal zijn. Zie naar het landschap voor u! De boomen, de bergen, de zee zijn uwe broeders, en ook de lucht en het licht. Ziet ge, hoe de zee daar aankomt? Zoo van-zelf, zoo natuurlijk, zoo omdat-het-nu-eenmaal zóó moet. Ziet gij het boompje neigen, uwe lieve zuster, en ziet ge hoe teêr en eenvoudig al die bladertjes doen? Dan zal ik u vertellen van "Wu Wei" [21], van "Niet-Doen," van "Van-Zelf-Gaan" op den adem van uwe beweging, zooals die uit Tao is geboren. De menschen zouden ware menschen kunnen zijn als zij hun leven van-zelf lieten gaan zooals de zee gaat, zooals de natuur bloeit, in de simpele mooiheid van Tao. Er is in elk mensch een drang van beweeg, die uit Tao is gekomen, en hem weer tot Tao wil terugvoeren. Maar de menschen worden verblind door hunne zintuigen, en hunne begeerten. Zij willen lust, verlangen, haat, roem, en rijkdom. Zij bewegen fel als groote stormen, en hun gaan is een woest opstijgen, en wild weer neervallen. Zij houden zich vast aan alles, wat on-reëel is. Zij willen veel te veel om het Eéne te willen. Zij willen ook wijs zijn, en goed, en dit is het ergste. Zij willen te veel weten. Maar het éénige Heil is: de terugkeer tot onzen Oorsprong. In ons is Tao. Tao is Rust. Wij kunnen alleen tot Rust komen door niet te verlangen, ook niet naar goedheid of wijsheid. O! Al dat verlangen om te weten wat Tao is. En dat droeve werk van woorden om het te zeggen, om het te vragen. De ware Wijze betracht de Leer die zonder woorden is, die ongesproken blijft. [22] En wie zou ooit Tao kunnen uitzeggen. Die weten (wat Tao) is spreken het niet uit, wie het uitspreken weten het niet. [23] Ook ik zal u niet zeggen wat Tao is. Gij moet dat zelf gaan vinden door u vrij te maken van alle begeerten en emoties en dan Van-zelf te leven, zonder onnatuurlijke actie. Gij moet zacht naar Tao heenedrijven, zoo egaal en rustig als daar de vlakke, groote oceaan beweegt. Zij beweegt niet omdat zij wil bewegen, omdat zij weet dat het wijs of goed is om te bewegen. Zij beweegt vanzelve, en weet het zelve niet. Zoo zult gij in luchte zweving naar Tao verglijden, en gij zult het niet weten als gij aangekomen zijt, want dan zult gij Tao zelve zijn."
De Wijze hield even op, en keek mij zacht aan. Zijn oogenlicht was zoo rustig als een stille egaal-blauwe hemel.
"Vader," zeide ik, "wat gij mij zegt is schoon als de zee. En het lijkt wel zoo eenvoudig als de natuur. Maar het is niet zoo heel eenvoudig voor den mensch om zoo in rustig niets-doen zacht naar Tao te verglijden."
"Verwar niet woorden met elkaar," antwoordde hij. "Met niets-doen, Wu Wei, bedoelde Lao Tsz' niet gewone inactie, zoo maar lui zijn, en de oogen sluiten. Hij bedoelde inactie van aardsche beweging. Van begeerten, en verlangens naar onreëele dingen. Maar hij bedoelde actie van reëele dingen. Hij bedoelde een zeer krachtige beweging van de ziel, die uit het donker lichaam moet bevrijd worden als een vogel uit een kooi. Hij bedoelde toegeven aan den drang in u van binnen, aan de beweging die u door Tao is gegeven, en die uwe ziel naar Tao geleidt. En, geloof me, die beweging is zoo natuurlijk, als die van deze wolk boven ons."
Boven onze hoofden, hoog in het blauwe, waren gouden wolken, die langzaam afdreven naar de zee. Zij glansden wonderrein, van een heel hooge, pure liefde. Zacht, zacht droomden zij voort.
"Straks zijn zij vergleden in de eindeloosheid van den hemel," zeide de Wijze, "en gij zult niets meer zien dan het eeuwige blauw. Zóó zal uwe ziel in Tao verdroomen."
"Mijn leven is vol zonden," antwoordde ik. "Ik ben zwaar beladen van duistere begeerten. En zóó zijn mijne donkere medemenschen. Hoe kan dit ooit zoo goud-licht, in allerzuiverste essence naar Tao heendrijven? Het is zwaar van slechtheid, en zinkt terug in het droeve slijk."
"Geloof dit niet, geloof dit niet," sprak de Wijze, en hij lachte zacht, vol genade en liefde. "Géén mensch kan Tao vernietigen, en in allen blinkt de ziel in ondoofbaren glans. Denk niet dat der menschen slechtheid zóó groot en sterk is. In allen leeft de onsterflijke Tao, in wijzen en dichters, in moordenaars en hoereerders. Zij dragen een onverbreekbaren schat met zich om, en géén is beter dan de ander. Gij kunt den een niet lief hebben boven den ander, gij kunt niet den eenen zegenen en den ander verwerpen. Zij zijn in essentie gelijk als twee zandkorrels op deze rots. En géén van allen zal eeuwiglijk uit Tao verbannen zijn, want zij dragen allen Tao met zich om. Hunne zonden zijn bedriegelijk, als vage nevelen. Hunne daden zijn een valsche schijn, en hunne woorden vergaan als ijle droomen. Zij kunnen niet slecht zijn, zij kunnen ook niet goed zijn. Zij worden onweêrstaanbaar naar Tao gedreven, als een droppeltje water hier beneden naar de groote zee. Het kan alleen bij den een wat langzamer gaan dan bij den ander. Maar wat zijn eenige honderden eeuwen in de oneindigheid? Arme jongen! Heeft uwe zonde u dan zoo bang gemaakt? Dacht gij uwe zonde dan sterker dan Tao? Dacht gij de zonden der menschen sterker dan Tao? Gij hebt te goed willen zijn, en daardoor te veel uwe slechtheid gezien. Gij hebt de menschen te goed willen zien, en zijt toen verkeerdelijk bedroefd door hunne slechtheid. Maar dit alles is schijn. Tao is niet goed en Tao is niet slecht. Want Tao is Reëel. Tao alleen is. En alle onreëele dingen leven een schijnleven van contrasten en betrekkingen, maar zij bestaan niet in-zich-zelf, en zijn zeer bedriegelijk. Wil dus vooral niet goed zijn, en vind u niet slecht. Wu Wei--niet Doende, u van zelf latende gaan--dit moet gij zijn. Niet slecht en niet goed, niet klein en niet groot, niet laag en niet hoog. En dán eerst zult gij werkelijk Zijn, als gij--in dezen zin--Niet-Zijt. Als gij maar eerst vrij zijt van al uwen schijn, van al uwe begeerten en verlangens, dan zult gij vanzelf gaan, zonder te weten dat gij gaat, en gij zult naar Tao heenedrijven op de luchte beweging die uw reinste en eenig reëele levensprincipe is, zoo licht en zoo onbewust als de gouden wolken boven uw hoofd vergleden zijn in de hemelen."
Ik voelde mij opeens veel vrijer dan te voren. Het was geen vreugde, geen geluk. Het was eene zachte uitspreiding, een uitspansel in mij van groote horizonnen.
"Vader," sprak ik, "ik dank u. Uwe woorden vol Tao geven mij reeds eene beweging, die ik mij niet verklaren kan, maar op welke ik mij zacht voel drijven. Hoe wonderbaarlijk is Tao! Ik heb dit met al mijne wijsheid, met al mijn weten nooit gevoeld."
"Houd op met dit willen naar wijsheid," zeide de Wijze. "Wil niet te veel weten, en gij zult later van-zelf weten. Door niet-natuurlijke actie verkregen weten leidt u af van Tao. Zoek niet te veel alles te weten van de menschen en dingen om u heen, en vooral niet van hunne betrekkingen en contrasten. Zoek ook vooral niet te veel naar geluk, en wees niet te bang voor ongeluk. Want geen van beide zijn reëel. Noch is vreugde reëel, noch leed. Kunt gij u Tao voorstellen als leed, als vreugde, als geluk, als ongeluk, dan zou het Tao niet zijn, want Tao is één, en kan geen contrast hebben. Chuang Tsz' zeide dit zoo eenvoudig: "Het opperste Geluk is géén Geluk." En ook de smart zal voor u weg zijn. Gij moet vooral niet denken dat smart een reëel ding is, een essentieel principe van het bestaande, dus van uw leven. Uw smart zal ééns van u gaan, zooals de nevelen van de bergen glijden. Want gij zult eenmaal zien, dat al het bestaande heel natuurlijk, en vanzelf is, en alle groote dingen, die u zoo lang droef en duister hebben geschenen zullen Wu-Wei, heel eenvoudig, Niet-Doende, dat is, niet wonderlijk, expresselijk, toevallig Doende voor u zijn. Want alles is uit Tao, alles is een natuurlijk deel van het groote stelsel, dat uit één principe is voortgekomen. Dan kan niets u meer bedroeven en niets u meer verblijden. Niet lachen zult gij, en niet weenen. Ik zie u twijfelend kijken, alsof gij mij te hard vindt, te koud. Maar als gij wat verder zijt, zult gij zien, dat het geheel volgens Tao is, als gij zoo zijt. Want, leed ziende, zult gij weten hoe het eens verdwijnen moet, omdat het onreëel is, en vreugde ziende, zult gij gaan begrijpen, hoe die nog maar heel primitieve vreugde is, die gebonden is aan omstandigheden en tijd, en alleen door haar contrast met leed schijnbaar bestaat. Een lief mensch ziende zult gij het natuurlijk vinden, dat hij zoo is als hij is, en voorgevoelen, hoe veel beter hij eenmaal worden zal als hij niet eens meer lief en goed is. En een' moordenaar zult gij aanzien met rustige oogen, vooral zonder te veel menschelijke liefde, vooral zonder haat, want hij is uw gelijke in Tao, en géén zijner zonden kan Tao in hem vernietigen. Als gij Wu Wei, Niet-Zijnd, in den gewonen, menschelijken zin, kunt zijn, kunt gij eerst recht Zijn, en gij zult zoo kalm en vanzelf door uw leven glijden als de eindelooze zee vóór ons. Niets zal uwe rust verstoren. Uw slaap is droomeloos, en gij zult geen zorgen hebben over wat ge u bewust wordt [24]. Gij zult in alles Tao zien, gij zult één zijn met al het bestaande, en de geheele natuur als een goed vertrouwde, als uw eigen zelf om u heen zien. En, kalm aannemend de wisselingen van dag en nacht, van leven en dood, zult gij door deze wisselingen van-zelf heenglijdend, eenmaal binnengaan in Tao, waar géén verandering meer is, en waaruit gij eenmaal gekomen zijt even puur als gij er weer heenedreeft."
"Vader, wat gij zegt is zoo simpel, en ik moet het van-zelf wel gelooven. Maar ik heb het leven nog zoo lief! En ik ben bang voor den dood. Ik ben bang ook voor den dood van mijne vrienden, en mijn vrouw, en mijn kind. De dood lijkt mij zoo somber en zwart. En licht, licht is het leven, met de zon, en de blinkende, groene aarde vol bloemen."
"Dat is, omdat gij nog niet recht voelt, hoe van-zelf, hoe heel natuurlijk de dood is, evenals het leven. Gij denkt te veel om het nietige lichaam, zoo diep in de koude aarde, maar dat is het gevoel van een' gevangene, die vrij zal worden, en wien het bedroeft, zijn donkere cel te verlaten, waar hij zoo lang leefde. Gij ziet den dood in contrast met het leven, en beide zijn onreëel, zij zijn eene wisseling, een schijn. Maar uwe ziel vaart slechts uit een welbekend meer naar een onbekenden oceaan. Het reëele in u, uwe ziel, kan nimmer vergaan, en is ook niet bevreesd. Gij moet voorgoed dien angst vergeten, of liever, als gij ouder zijt, en gij van-zelf, natuurlijk op de beweging van Tao hebt geleefd, zult gij dien angst van-zelf niet meer voelen. Ook zult gij niet treuren om wie heenegingen, en met wie gij eens vereenigd zult zijn zonder zelfs te weten dat gij vereenigd zijt, omdat gij dan ook niet meer het contrast scheiden weet.
"Toen Chuang Tsz's vrouw was gestorven vond Hui Tsz' den weduwnaar heel kalm op den grond gezeten, tot tijdverdrijf op een schaal slaande, zooals hij dat wel meer deed. Toen Hui Tsz' hem hierover verweet, en liet uitkomen, alsof hij liefdeloos was, antwoordde Chuang Tsz': [25]
"Dat is niet natuurlijk (zooals gij ziet). Toen zij pas dood was kon ik wel niet anders dan bedroefd zijn. Maar bij nader inzien bedacht ik, dat zij van te voren oorspronkelijk niet in 't leven was, en wel niet alleen niet geboren was, maar ook geen vorm had, en niet alleen geen vorm had, maar zelfs nog geen levens-beginsel in dat vormelooze was gemengd. Evenals in broeiende grassen kwam er toen levens-beginsel, levens-beginsel werd tot vorm, vorm werd geboorte. Nu heden gebeurde er weer wisseling, en zij stierf. Dit is gelijk de gang der vier jaargetijden, lente, herfst, winter, zomer. Rustigjes slaapt zij in het Groote Huis. Als ik nu jammerlijk weende zoude ik zelf van dit alles niet doordrongen zijn. En daarom hield ik er mede op."
De Wijze vertelde dit zoo eenvoudig, op zulk een' toon, alsof hij het alles heel natuurlijk vond. Maar het was nog niet helder in mij, en ik zeide hem:
"Ik vind deze wijsheid ontzettend. Zij maakt mij bijna bang. Het leven lijkt mij zoo koud en leeg als ik zóó wijs moest zijn."
"Het leven is koud en leeg," antwoordde de Wijze, zonder verachting, en op zeer kalmen toon. "En de menschen zijn bedriegelijk als het leven. Geen die zich zelf kent, geen die een' ander kent, en toch zijn zij allen gelijk. Het leven bestaat in 't geheel niet. Het is niet reëel."
Ik kon niets meer zeggen, en staarde in den avond.
De bergen sliepen zacht in den nacht, in vage nevelen. Er was een wonderteêre blauwe schijn om hen heen, en zij waren als kinderen zoo deemoedig neergelegen onder den grooten, grooten hemel. Onder ons flikkerden weifelend roode lichtjes. Een klagende fluit begeleidde een droef, monotoon gezang. De zee lag ontzaglijk diep in den nacht, en een eindeloosheid ruischte, ruischte ver en ver.
Toen welde een heel groote smart naar mijne oogen, en ik zeide met hartstochtelijken aandrang:
"Maar Liefde dan? En vriendschap?"
Hij zag mij aan. Ik kon hem in het duister niet goed zien, maar een vreemd, teeder licht scheen uit zijne oogen. En hij antwoordde zacht:
"Deze zijn de allerbeste dingen in het leven. Zij gaan mede in de eerste bewegingen van Tao in u. Maar ééns zult gij ze niet meer kennen, evenmin als de rivier zijne oevers weet als hij vergleden is in den eeuwigen oceaan. Denk niet, dat ik u leeren wil Liefde uit uw hart te doen, want dat zou tegen Tao in zijn. Heb lief wat gij lief hebt, en laat u niet verwarren door het denkbeeld, dat liefde een hindernis zou zijn, die u gevangen houdt. Liefde uit uw hart te doen zou dwaze, aardsche Actie zijn, en gij zoudt verder van Tao zijn dan gij geweest was. Ik zeg u alleen, dat eenmaal Liefde vanzelf zal verdwijnen, zonder dat gij het weet, en dat Tao géén liefde is. Vergeet niet, dat ik u, zooveel ik dat wil en voor zoover dat goed is, van de hoogst mogelijke dingen spreek. Sprak ik alleen van het leven en de menschen dan zou ik u zeggen Liefde is het hoogste. Voor wie in Tao gaat verglijden is Liefde een verleden, en vergeten. Maar het is nu laat, en ik zal u niet te veel ineens zeggen. Gij zult zeker in den tempel willen slapen, en ik zal voor u zorgen. Ga maar voorzichtig mede den berg af."
Hij stak een lichtje aan en gaf mij de hand om mij te leiden. Zóó ging het heel langzaam, stapje voor stapje. Hij was zóó bezorgd, alsof ik zijn kind was. Bij ieder steil plekje lichtte hij mij bij, en leidde mij zacht voort, op iedere beweging van mij lettend. Toen wij beneden waren wees hij mij het ontvangkamertje voor de mandarijnen [26], en haalde een deken en een hoofdkussen voor mij.
"Ik dank mijn ouden Meester zéér," zeide ik. "Wanneer zal ik er u ooit voor kunnen beloonen?"
Hij zag mij rustig aan. Zijn blik was groot als de zee. Hij was zoo kalm en zacht als de nacht.
Hij lachte mij toe, zooals het licht lacht boven de aarde. En zwijgend ging hij heen.
II.
KUNST.
"Wat is Poëzie?" vroeg ik den Wijze.
Wij zaten boven op de rots, onder de schaduw van eene welving. Vóór ons de zee, eene eindelooze lichtschittering in de zon. Gouden zeilen zweefden er zacht voort. En lucht vlogen er witte meeuwen, in edele golvingen. In den blauwen hemel kwamen groote, blanke wolken aan, puur als sneeuw, en dreven in statige stoeten, langzaam, in gelijkmatige beweging.
"Wat is Poëzie?"
"Het is zoo eenvoudig, zoo natuurlijk als de zee, als de vogelen, als de wolken," zeide de Wijze. "Ik geloof niet dat gij dit zoo moeilijk zult voelen als Tao. En gij behoeft slechts om u te zien over de aarde en in de luchten om het te weten. Poëzie heeft bestaan vanaf het bestaan van hemel en aarde.
[27] "Sedert hemel en aarde bestonden werd er opperste schoonheid geboren. De zon en de maan, de wolken en de roode ochtend- en avondnevelen beschijnen elkander. En tóch is er géén kleur die ze verft--als gewaden--dat ze zoo wonderbaarlijk en onuitputtelijk afwisselend zijn en het Groote-te-Ziene onder den hemel vormen. Zoodra er geluid is, moet dat voortgekomen zijn uit beweging. Het allergrootste hiervan is de wind en de donder. Alle openingen in de wereld brengen geluid voort als ze bewogen worden.
"Luister maar eens naar den stroom, die in de bergen op de rotsen voortstroomt. Wordt hij in beweging gebracht, dan beantwoordt zijn geluid--hoog of laag, kort of lang--wel niet (precies) aan de wetten van de muziek, maar vormt uit zich zelve een maat en rhythmus.
"Dit is het Natuurlijke (Van-Zelve) Geluid van Hemel en Aarde. Het wordt gemaakt uit Beweging.
"Welnu, als het menschelijke hart tot het uiterste ledig, en tot het uiterste vol geest is, en het wordt bewogen, dan komt er Geluid uit voort. Is dit niet wonderbaarlijk en hoogst afwisselend, dat er de Literatuur van wordt tot stand gebracht?
"Welnu, Poëzie is het Geluid van het Hart!
"Dit is toch heel eenvoudig, en gij zult het wel begrepen hebben. Poëzie is overal te hooren en te zien, want de geheele natuur is één groot poëet. Maar juist omdat het zoo eenvoudig is, is het ook zoo streng en onveranderlijk. Waar de bron is van beweging, welt het geluid van het vers. Elk ander geluid is geen poëzie. Het geluid moet komen van-zelf,--Wu, Wei,--het moet niet met allerlei kunstgrepen worden gemaakt. Er zijn er velen, velen, die door onnatuurlijke actie geluid voortbrengen, maar deze zijn geen dichters, maar doen als apen of papegaaien. Weinigen zijn de ware dichters uit wie het vers van-zelf welt vol muziek, geweldig als de stroom bruist van de rotsen, als het onweer geluidt in de lucht, of zacht, als het teêr geruisch van regen in den avond, als het vage winde-wuiven van een koeltje in zomernacht. Hoor, hoor de zee onder ons, zingt zij geen wonder lied? Is het niet één poëem, één zuivere muziek? Ziet gij die golven overal gaan, in eindelooze beweging, de een na de ander, en over haar heen, en weer verder, en andere, die weêr aankomen, en weer verdwijnen in muziek, hoort gij die ruischende rhythmen? O! Groot en eenvoudig moet de dichter zijn, als de zee! Hij beweegt als de zee, op de natuurlijke beweging die van Tao is, en waarop hij zich stil, niet-zelf werkende moet laten gaan, als een kind zoo gehoorzaam. Groot, groot is de zee. Groot, groot is de dichter. Maar grooter, grooter is Tao, die niet groot is."
Hij zweeg en stond luisterend naar de zee. Ik zag, hoe de muziek hem vervulde.
Ik had veel gedacht, sedert ik zijne eerste woorden over Tao had gehoord. Ik was bang geweest, dat zijne immense, hooge filosofie doodend zou zijn voor den kunstenaar, en ik, als ik mij zoo van-zelf naar zijne wijsheid liet toedrijven, ook geen pure emotie als dichter zou kunnen voelen, en niet meer kinderlijk verbaasd en gelukkig zou kunnen zijn bij het aanschouwen van schoonheid.
Maar hij stond in pure verrukking, alsof hij voor den eersten keer de zee zag, en luisterde aandachtig naar de golven, met lichtschitterende oogen.
"Is dit niet schoon," sprak hij weêr, "is dit niet schoon, het geluid dat voortkwam uit Tao, het geluid-looze? Het licht, dat uitschijnt uit Tao, het licht-looze? En de verzen, de sonore muziek der woorden, geboren uit Tao, het woordelooze? Leven wij niet in één eindeloos Mysterie, dat ééns tot ééne simpele, absolute Waarheid zal worden?"
Ik zweeg een langen tijd. Maar ik kon het nog niet goed vatten. Het leek alles zoo eenvoudig, dat het té eenvoudig voor mij was. En ik vroeg hem twijfelend: