Wijsheid en Schoonheid uit China

Part 5

Chapter 53,842 wordsPublic domain

Groot is zeker de verdienste van de Chineesche tooneelspelers, dat zij in zulke slechte omstandigheden met zoo'n natuurlijke voornaamheid en keurige gratie zich weten te bewegen als om te doen uitkomen hoe groot en goddelijk mooi het menschenlichaam is geschapen. Het allermerkwaardigste bewijs van de groote waarde, die de Chinees aan het menschelijk lichaam hecht, is wel het feit, dat hij in zijnen wonder-beschaafden briefstijl nooit aan een vriend zal vragen om bij hem te komen, zooals wij dat zouden doen, maar hem allereerbiedigst verzoekt om zijn "edelsteen te bewegen" naar hem toe.

En werkelijk bewegen de Chineesche tooneelspelers hunne met pracht omhangen lichamen zóó voorzichtig alsof het kostbare edelsteenen waren, die elke ruwheid beschadigen zou.

VAN EEN DOODEN MANDARIJN.

Ik was uitgenoodigd om het Werk der Deugd te komen zien, bij de familie Ngo Ts'un P'o. De admiraal Ngô Tai Dzîn was gestorven, ongeveer twee maanden geleden.

Zijne zeven levensgeesten zijn toen verspreid, uit het lijk in de lucht gestegen, zijne twee zielen opgegaan naar de achttien hellen, zijne derde ziel is nog zwevende in het voorvaderlijk huis, boven de rouwende hoofden der zonen.

En nu was de tijd aangebroken, waarop de kinderen en kleinkinderen van den doode door goede werken en offeringen en gebeden de zielen van hun familiehoofd uit de hellen verlossen, en als ééne ziel overvoeren naar de gewesten der gelukzalige boeddha's en geesten.

Voor de poort van het groote Chineesche huis wachtte de beste vriend van den doode mij op. Hij is een militair mandarijn van hoogen rang, maar als een eenvoudig man uit het volk stond hij voor mij, in grove kleeren, zonder eenig teeken van zijne waardigheid. De smart over het verlies van zijn vriend het àlregeerend sentiment in zijn leven zijnde, mag nu geen praal van buiten zijn eigen roem en grootheid zeggen. Hij moet zijn in zijn smart eenvoudig, en een nederig man.

Hij geleidde mij door een voorplein naar de ontvangkamer van het huis. Een kleine zaal, licht gemaakt door kleuren. Aan de wanden lange, breede lappen zijde, een pracht van rood, en groen, en rose en blauw, in alle tinten, van intense passie-kleur tot effene teederheid, waarin zwarte karakters, gevat in gouden rand. Deze karakters zeggen den roem des dooden, en de vriendschap der gevers. Al deze zijden kostbaarheden zijn geschenken van vrienden, en kleuren het groote gevoel van liefde om de menschen, die rouwen, als een troost voor de oogen, die in weening zijn geweest. Ernstig worden de Chineesche woordkarakters daarin aangezien, als méér dan doode schriftteekens, als zelf heilige symbolen, en mystieke kostbaarheden. [13]

Ik groette, en boog diep voor de neigende Chineezen in de ontvangkamer. Het waren vrienden en kennissen, die het Werk der Deugd kwamen bijwonen. Maar ik zag ze niet goed afzonderlijk, door de ontroering van zooveel kleuren, waaraan mijne oogen niet gewoon waren. Ik zag zacht neêrgaande kleuren, lange blauwe gewaden, en wuiving van fijne zijde. Ik liet mijne oogen zoet zich laven aan de oostersche pracht, en sprak diepneigende woorden van eerbied en deelneming. Het zangerige Chineesch is mooi van geluid en gepast aan de omgeving van glanzend licht.

Daarna voerde mijn gastheer mij mede naar eene groote zaal, de ceremoniezaal, waar het altaar staat met de huisgoden. Bij het binnentreden zag ik dat het er vol was van honderden menschen. Het was er donker-licht als in een kerk. Vóór mij, heel in het achtergedeelte zag ik kaarsen branden, en lilalicht in lotus-lampen van zilver. Dat was als blanke lotussen, waardoor een gloed droomde van mystiek paars.

Wij gingen langzaam door de menigte, die uitweek voor den mij begeleidenden mandarijn. Wij kwamen voor eene tafel, waarop dingen van offering stonden. In het licht van zilveren lampen en roode kaarsen stonden groote schotels met wild en gebraad. Kommen met fijne rijst en groenten, kopjes thee, en bloemkelken van zilver voor den wijn, met lange, slanke kannen, rijk geornamenteerd. Dit was de zaal, waar de lijkbaar stond. Een ziel van den doode was er zwevende. Zij feest onzichtbaar aan de rijke offeringen, en geniet aetherisch van de essence en de geuren, die daarvan opgaan. De ziel wordt dan gedacht te zijn zacht-lachende om de deugd der zonen, en te zien de liefde der rouwenden, in stil zalig zijn.

Om de tafel hing een rood zijden kleed, versierd met gouden vogels, pheniksen met lange, gracieuse staarten. En achter in het allerdiepste van de zaal stond de doodkist met het lijk. Om mij heen stonden stille gestalten, in vaal geel gewaad. Ik was, door eene bijzondere gunst van mijn gastheer, vlak bij de vrouwen en dochters van den doode geplaatst, een voorrecht zooals alleen een heel intiem vriend mag genieten. Zij waren als nonnen gekleed, in grof linnen, en met wijde kappen om het hoofd.

Toen begon ik, eenmaal rustig zittende, aandachtig om mij heen te zien. En ik zag een geheele wereld van wezens blinkende in de lucht. Over mij, boven den ingang, en den geheelen, grooten wand langs, waren tallooze poppen gehangen. In het eerst moeilijk te zien, door de fonkeling en warreling der kleuren; maar langzamerhand begon ik ze te onderscheiden als een stoet van regelmatig schrijdende menschen, in optocht. Het waren soldaten, gelijkmatig stappend, met de lansen op hunne schouders, evenwijdig, het waren herauten, en pijpers, waaierdragers, en koelies, dragende schatten en huisraad. Allen schitterend van goud en zilver, eene pompeuze processie. Deze prachtige optocht symboliseert de tocht van de doode ziel naar de hemelen. Het is het gevolg van de rijzende ziel, en moet haar plechtig uitgeleide doen, zooals het een hoog mandarijn toekomt. Vóór hen uit was een grooter beeld, een mensch, die naar een brug schrijdt. Dit was de doode mandarijn. En boven de brug, die van de aarde naar de hemelen reikt, zijn de gewesten der gelukzaligen, de regionen waar de reine zielen heengaan, om in rust te leven met de goden.

Dáár prijkt het beeld van Kwan-Yin, de beschermster van China, de Maria van het Oosten. De zacht neêrziende op het leed der wereld, in genade en zoet medelijden. Kwan-Yin, de zacht-schrijdende, de neigende in liefde. Zij is geïncarneerd als eene Maagd, uit eene koningsvrouw werd zij geboren. Zij is de zoete martelares, de altijd zachte in vervolging, die slavenwerk deed met edele koningshanden, en het Woord verspreidde onder het duistere volk. Zij is de zegevierende op den brandstapel en pijnloos herrezene uit de vlammen, ongedeerd en gaaf als een lichte lotus. Zij voerde hare ouders en zusters mede, in den immensen zwaai van haar heilig ópgaan; geleidde ze voort op het pad naar Nîrwana, het hoog-mystieke, rustig-bewuste, waar álle menschengedachten ver van blijven. Zij is de Groote Genade, de Liefde-Boeddha, die eeuwiglijk licht schijnt op het zware pad naar Nîrwana, der menschheid ten zegen. En de Goeden onder de menschen maakten haar beeld, in reverentie. Zij gaat met kuischen gang, in de heiligheid van stille gewade-plooien, ongenaakbaar rein in de strenge lijnen die haar ombidden. Haar lichte gewaad wuift de lucht achter haar, zachtkens. Een sluier omgaat haar hoofd, en vouwt het als een zoet mysterie in vrome plooien. Hare handen over elkaar in een gebaar van wijze prediking, eindeloos zacht, dat hare Leer geluidloos zegt, in essence. Zij is de neigende Wijsheid, de reddende, die tot de menschen daalde, zacht en ontzaglijk.

Dáár troont ook het beeld van Ma Too Po, de uit het water herrezene, de uit een bloem geborene. De wijze Liefde, rijzende uit den Lotus. Hare voeten raken de aarde niet; haar dragen de blanke bladen. Zij was de op aarde vervolgde, de reine Maagd, die de Wijsheid zocht, en niet den Lust, de wreed in zee verdronkene, door geweld, de daar óngedeerde, de blank in water gezetene, roerloos peinzende over de Leer. Om haar hoofd reide een krans van schelpen, in zachten glans van parelmoer. Toen de tijden beter werden, in de wenteling der eeuwen, is zij weêr gekomen uit de zee, en rein herrezen in den Lotus; de blanke bladen dragen haar, als reinheid de liefde draagt. Zij had jaren gezeten onder de groot-bewegende zee, zélf roerloos, naar Wijsheid starende onder het eindeloos golfgezang, stil en liefelijk, in reine rust. In den lotus herrezen bleef de parelenkrans om haar zweven, en zij zat met de voeten gevouwen, met de handen opgeheven tot een subliem gebaar, dat de wijsheid symboliseert van de Leer. Hare borst toont het heilig teeken

+ | | | +----+----+ | | | +-----

Ban, het symbool van het Eeuwige, en hare ziel is in de intenze meditatie puur omhoog gerezen, en schittert in haar voorhoofd als de Ziele-Parel, de essence van haar wezen, rein als de dauwdrop, die in een lotus beeft. Zij zit de eerste boven de rijzende brug, stil in de bloemebladen, en in den glans van parelmoer. Haar omgeven alle boeddha's en onsterfelijke geesten. De achttien Lô-Hàns-Arhats rijen zich in twee scharen in de gelukzalige gewesten. Zij waren alle ééns eenvoudige menschen op aarde, die hunne ziel verreinden tot zij rustig vergleden in Nîrwana [14], als bloemen in een stillen oceaan.

Daaronder is Tiong-Ló, de zachte slachter, die levende beesten had gedood in zijn beroep, totdat zijne zonden waadden in meeren bloed, en het berouw zich verroerde in zijne duistere ziel. Hij was toen een laag mensch uit het volk, een slachter. Hij zwoer, géén bloed meer te vergieten en geen vleesch meer te eten, begroef zijn slachtmes, diep in het zand, zocht het weder op, bang dat een ander het zou vinden en er zonde mede doen. Hij verborg het op de bergen, in kloven, in rotsholen. Zijn leven werd één wondere angst, dat het mes weer zonde zou doen, totdat hij het eindelijk begroef in zijn eigen hart, uit boete en liefde. En dit berouw verreinde zijne ziel, die in Nîrwana vergleed, zooals een lucht wolkje wegdroomt in het eindelooze, stille hemelblauw.

Dáár is ook Bók-Liên, die zijne moeder redde uit de achttien hellen. Zij had de reinheid geschonden van achttien geslachten, die geen vleesch hadden geproefd, maar alleen de zachte planten. Toen zij, door ziekte verleid, het vleesch der zonde at, werd zij gedoemd tot dood en hel. Maar Bok-Liên, haar zoon, toog uit om haar te redden, en volgde Kwan-Yin's zachtwuivend gewaad, dat hem leidde. Vrijwillig schreed hij door de hellen, handen gevouwen, en het vuur week weg voor zijne heiligheid. Hij redde zijne moeder door de kracht van zijne liefde, en Kwan-Yin neeg zich tot hem, de genadige, en voerde hem over naar Nîrwana, zooals een vlam een zoete geur medevoert in de lucht. [15]

En zestien anderen, even heilig, even recht in hun bewegen, hunne levens evenwijdig gericht naar het groote Nîrwana, waarin alles verdroomt...

En al deze pracht van goud, van zilver, en kleuren, daar aan den wand vóór mij, is pure symboliek, van diepe beteekenis. De Chineesche geloovigen denken, dat in al deze poppen door een mirakel de wezens tijdelijk geïncarneerd zijn, die zij voorstellen. Het gevolg van den mandarijn bestaat uit hellegeesten, die hem uit de hellen moeten geleiden naar de hemelen.

Om twee uur in den nacht wordt al deze rijkdom verbrand, buiten op het voorplein. Al de honderden beeldjes aan de wanden, en ook de dingen, die nog buiten staan. Dáár is nog een groot, hoog huis van papier, met knechten, en dieren, en huisraad. Een paleis van zijde en goud papier, dat in de verbranding ten hemel stijgt, door een mirakel. Er staan nog honderd koffers met papier, dat in de vlammen goud wordt, honderd levensgroote poppen, in fijne zijde, die den doode moeten volgen, en een dienaar houdt zijn levensgroot strijdros bij den teugel, een witten hengst. 's Nachts zal er een festijn van licht zijn, ál de pracht zal opgaan naar de hemelen, en in dien laaienden brand wordt het symbool tot waarheid. De honderden beeldjes worden tot onzichtbare geesten, en zijn een statige stoet achter den doode. De ziel is uit de hellen getreden, en schrijdt plechtig door de eindeloosheid, met het blinkende gevolg van dienaren, als een waaiende sleep achter zich aan....

Ik luisterde in gespannen aandacht naar den ouden mandarijn, die mij deze dingen uitlegde, toen een schaar priesters in pompeuze kleederen aanschreden. Zij waren in donkerzwarte gewaden van zijde, met randen van gouden lotussen bewerkt. Deze gewaden heeten "Ka See" (sanoka kashyapa). Hier en daar in het zwart van hun gewaad fonkelde een gouden beeldje van Kwan-Yin. Deze priesters moeten de ziel uit de hellen roepen door hunne gezangen en invocaties. Op mystieke muziek glijdt de ziel van den doode zachtjes in de eindeloosheid.

Alles was nu stil in de zaal. Er was een gedempt licht van donkerroode kleur, waarin het goud aan de wanden vreemd glansde. En achter in het donker blonken vonkjes van wierookstokjes, waaruit een klein wolkje opsteeg. De gebeden der priesteren gingen nu langzaam op in de stilte, met zachten rhythmus van monotoon gezang. Litanieën, veel gelijkend op de bijna niet bewegende, immens rustige muziek van een oud-gregoriaanschen lijkzang. Mysterieus golven van geluid, wijd-ademend, als een zee, die naar de kim deint. Melodieënwendingen, eenvoudig en ontzaglijk als de simpele lijnen om een oud Boeddha-beeld. Somtijds klonk daarin een zacht-zilveren belleklankje, alsof de pure Godheid even bewoog.

Een gezang, waarop een verloste ziel wonder-rustig verglijden kan, als een zachte veer op stille winden....

Toen ben ik heen gegaan, onder eene emotie van almachtig schoon, zooals er maar weinigen mij zijn gegeven.

's Nachts, op het eilandje Ku Lang Soo, tegenover Amoy, waar de Europeesche kolonie is, stond ik aan de zee. Ik wachtte, en zag in het donker, waar geen ster was te zien. De zee sloeg rusteloos op de rotsen.

En opeens vlamde in den nacht een roode gloed, een hoog uitslaan van vuur. Lange kolommen rook stegen op, in gigantische plooien, rijzende luchtgewaden, zacht waaiende in het ijle, en weer wègwuivend in den nacht. Duizenden sterren schoten op van de aarde, en rezen omhoog, als zielen. Ik stond in den glans van groote vlammen.

Daar ging de doode mandarijn. Heilige tocht van eene ziel naar de paleizen der wijsheid, de regionen van reine rust. De nacht brak open, en duizenden roode vlammengestalten schreden aan, in glorieuse processiën. Een roode glans viel er van op de zee, en ik zag de golven, bloedkleurig, gaande rusteloos en vér.

De doode mandarijn ging hóóg boven de wilde zee, naar het stille Nîrwana.

Hij ging naar Ma Too Po, de uit een bloem geborene, naar Kwan-Yin, de neigende, zacht en ontzaglijk....

Aan

FREDERIK VAN EEDEN

IN REVERENTIE EN VRIENDSCHAP.

WU WEI

EEN FANTAZIE [16], NAAR AANLEIDING VAN LAO TSZ'S FILOSOFIE.

De volgende studie over Lao Tsz's "Wu Wei" moet volstrekt niet worden opgevat als eene vertaling, of zelfs maar eene vrije navolging van dien filosoof. Ik heb eenvoudig getracht de essence van zijne wijsheid zuiver te behouden in mijn stuk. Mijne opvatting van het woord Tao en het woord Wu Wei is geheel en al verschillend van die der meeste sinologen, als Stanislas Julien, Giles en Legge, die het werk Tao Teh King hebben vertaald.

Het is hier niet de plaats, mij hierover te rechtvaardigen, maar ik ben elders daartoe bereid. Uit mijn stuk zelf zal wel het duidelijkst blijken of mijne opvatting wijsheid is of dwaling. Laat ik er toch vooral op wijzen, dat ik slechts heel enkele, essentieele waarheden direct van Lao Tsz' vertaald geef, en het andere voor het grootste deel een zelf doordacht doorwerken is op zijne weinige gegevens. In Lao Tsz's kort, uiterst simpel boek, waarin de woorden als 't ware tot hunne oorspronkelijke beteekenis zijn gecondenseerd, somtijds geheel verschillend van dezelfde woorden in een ander werk [17], is maar heel weinig te vinden, maar dat weinige is dan ook evangelie. Lao Tsz's werk is geene verhandeling over zijne filosofie, maar bevat enkel de simpele waarheden waartoe zijne--niet nedergeschreven--filosofie hem gebracht heeft. Hij geeft geen vormen of lichamen, maar essences.

Mijn stuk is doordrongen van die essence, maar is niet eene vertaling van Lao Tsz'. Alle vergelijkingen, b.v. die met het landschap, met de zee, met de wolken, staan nergens in Lao Tsz'. Ook heeft hij nooit over Kunst, en niet afzonderlijk over Liefde gesproken. Ik heb over dit alles in het breede geschreven, luid gezegd de denkingen en mijmeringen mijner ziel, die bewogen was door het lezen van Lao Tsz's sereene filosofie. Daardoor komt het, dat dit stuk misschien veel meer van mijzelven bevat dan ik weet, maar dan van mijzelven zooals ik ben bewogen door de emotie, die van Lao Tsz' kwam.

Ik heb geen gebruik gemaakt van andere dan Chineesche werken over Lao Tsz', en nog maar zeer weinig. Toen ik later de Engelsche en Fransche vertalingen las verwonderde het mij, hoe verward en onbegrijpelijk deze boeken waren. Ik heb mijne eenvoudige opvatting er van behouden, en kon niets aan mijn werk veranderen, omdat ik de waarheid er van in mij voelde zoo simpel en natuurlijk als een geloof.

I.

TAO.

Ik was in den tempel Shien Shan, op een klein eilandje in de Chineesche zee, een paar uren varens van de havenstad Ha To. Van het Westen kwamen twee rijen bergen zacht naar het eilandje toe, dat in hun midden lag, in de stille samenvloeiing van hunne omlijningen. In het Oosten was de oceaan, eindeloos. De tempel staat hoog tegen rotsen geleund, in de schaduw van breede boeddha-boomen.

Het eilandje wordt weinig bezocht. Somtijds komen er visschers ankeren die, gevlucht voor een naderenden typhoon, niet meer de havenstad konden bereiken. Waarom de tempel staat op deze eenzame plek weet niemand, maar hij is er sedert eeuwen, en heeft dus een heilig recht van bestaan. Vreemdelingen komen er weinig, en er leven een klein honderdtal van arme menschen, die daar wonen omdat hun voorouders er gewoond hebben.

Ik was er heengegaan in de hoop van er een ernstig man te vinden, van wien ik leeren kon. Meer dan een jaar had ik de tempels en kloosters in den omtrek afgereisd, zoekende naar serieuze priesters, die mij konden zeggen wat in de oppervlakkige boeken over Chineeschen godsdienst niet stond, maar overal was ik terecht gekomen bij onwetende en domme schepsels, die voor beelden knielen, van welke zij de symboliek niet begrijpen, en vreemde Sûtra's opdreunen, van welke zij geen enkel woord verstaan [18]. En ik had al mijne kennis moeten verzamelen uit slecht vertaalde boeken, die door de Europeesche geleerden nog erger bedorven waren dan door de Chineesche literatoren, wien ik om raad vroeg.

Eindelijk hoorde ik een ouden Chinees iets mompelen van "de Wijze van Shien Shan", die de geheimen van Hemel en Aarde wist.

En zonder veel verwachting was ik over zee gegaan, om den Wijze te bezoeken.

De tempel was dezelfde als zoovele anderen, die ik gezien had. Smerige priesters waren neergehurkt op den drempel, in hunne vuilgrijze gewaden, en zagen mij dom-lachend aan. De beelden van Kwan-Yin, en Çakyamuni, en Sam Pao Fu waren onlangs hersteld, en glommen van allerlei schelle kleuren, die hunne vroegere schoonheid geheel bedierven. De vloer was bedekt met vuil stof en sinaasappelschillen en stukken suikerriet. En eene muffe lucht benauwde mijn borst.

Ik sprak een der priesters aan, en zeide:

"Ik ben gekomen om den ouden Wijze te zien. Is hier een oude Wijze? Hij wordt bijgenaamd Lao Tsz'."

En hij antwoordde met een verwonderd gezicht:

"Lao Tsz' is op de rots, in het bovenste paviljoen. Maar hij houdt niet van barbaren."

Ik antwoordde kalm:

"Wilt ge mij bij hem brengen, Bikshu, voor een dollar?"

Hij keek begeerig op, maar schudde het hoofd, en zeide:

"Ik durf niet. Ga maar zelf."

De andere priesters grinnikten, en boden mij thee aan, om een goede aalmoes te krijgen.

Ik ging heen, en beklom de rots. Na een half uur gegaan te zijn kwam ik op den top, waar een steenen, vierkanten kluisje stond. Ik klopte op de deur. Ik hoorde iemand een grendel verschuiven.

De Wijze stond voor mij, en zag mij aan.

En het was eene Openbaring.

Het was of ik een groot Licht zag; een licht, dat niet verblindde, maar rust gaf. Hij was zoo groot en recht als een hooge palm. Zijn gezicht was zoo kalm als een avondstond met stil maanlicht en roerlooze boomenkruinen. Zijn geheele lichaam was zoo statig als de Natuur, zoo mooi van eenvoud, zoo van-zelf opgerezen als een berg of een wolk. Er was een heiligheid om hem als om een landschap, als in plechtige schemering de ziel daarvan afglanst in het late licht en in den devoten dichter een gebed opruischt. Zijne oogen zagen diep in mij, en ik voelde mij bevreesd bij dien blik, en zag mijn arme leven in al zijn kleinheid. Ik kon geen woord zeggen, en voelde zwijgend zijn licht in mij gaan.

Hij hief de hand op, met een gebaar, zooals een bloem beweegt, en stak hem mij toe, in gulle overgave. Hij sprak, en zijn stem was zachte muziek, als van wind in bladeren:

"Ik groet u, vreemdeling. Wat komt gij zoeken bij mij, ouden man?"

Ik antwoordde deemoedig:

"Ik kom een' Meester zoeken. Ik wil de rechte Leer vinden, om een goed mensch te worden. Ik heb lang, lang gezocht in dit schoone land, maar het volk is als dood, en ik ben even arm als te voren."

"Dat is niet zoo heel goed," zeide de Wijze. "Gij moet niet zoo heel goed willen zijn. Gij moet er niet al te veel naar zoeken, want dan vindt ge de ware Wijsheid nooit. Weet gij niet hoe de Gele Keizer zijne wonder-parel weervond? Ik zal het u vertellen.

"De Gele Keizer [19] zwierf eens ten Noorden van het Roode Meer, en beklom de toppen van het K'un-Lun gebergte. Toen hij naar het Zuiden terugkeerde verloor hij zijne wonder-parel. Hij gebood zijn Verstand om haar terug te vinden, maar verkreeg niets. Hij gelastte het Gezicht om haar terug te vinden, maar kreeg niets. Hij gebood Woorden om terug te vinden, maar kreeg haar niet. Ten laatste gebood hij Niets, en Niets kreeg haar. "Hoe vreemd!" riep de Gele Keizer uit, "dat Niets haar kon krijgen!" Begrijpt gij mij wel, jonge man?"

Ik antwoordde: "Ik geloof, dat deze parel zijn ziel was, dat wetenschap, gezicht en spraak de ziel eer verduisteren dan in het licht brengen. En dat de ziel alleen in absolute Rust weer aan den keizer bewust werd. Is dit zoo, mijn Meester?"

"Goed zoo. Ge hebt het gevoeld zoo als het is. En weet ge ook, van wien dit schoone verhaal is?"

"Ik ben jong en onwetend. Ik weet het niet."

"Het is zoo verteld door Chuang Tsz', den discipel van Lao Tsz', den grootsten Wijze van China. Het zijn noch Confucius, noch Mencius die de reinste Wijsheid hebben gezegd in dit land. Lao Tsz' was de grootste, en Chuang Tsz' was zijn apostel. Ik weet, gij vreemdelingen hebt een soort van welwillende bewondering, zelfs voor Lao Tsz', maar ik geloof niet, dat velen onder hen weten, hoe deze de puurste mensch was, die ooit ademde onder den hemel. Hebt gij den Tao Teh King gelezen, en hebt gij wel eens nagedacht, wat hij bedoelde met Tao?"

"Ik zou zeer gelukkig zijn als mijn oude Meester mij wel zou willen zeggen, wat Tao is."