Wijsheid en Schoonheid uit China
Part 4
Als Si Dzîn Kuì met zijn leger naar Han Kong Koan optrekt, wordt eerst voorgesteld, hoe hij zijne bevelen geeft. Er is een tafel, waarvan een rood kleed afhangt met gouden draken. Hierachter zit Si Dzîn Kuì, zeer statig in de nu stille zwaaiingen van zijn wijd gewaad, waarvan de omlijning zijn hooge waardigheid uitdrukt. Aan weerszijden staan de hooge mandarijnen, en daarachter geschaard de soldaten. Het orkest speelt de eere-muziek, die past bij den generaalsrang. Si Dzîn Kuì doet niets dan zijne bevelen geven. Hij roept zijne generaals To It Ho en Lô Tsiong. Deze naderen met ernstigen stap, buigen, en blijven gewichtig staan. Schittering gaat er over hen bij elke kleine beweging, zachte glans van zijde en fonkeling van goud. Si Dzîn Kuì geeft een keurig teeken met zijne hand, waarop zij neigend teruggaan. Hijzelf weer roerloos, machtig van ernst. Somtijds neemt hij zijn lange baard in de hand, en laat hem zachtjes op zij weer neerglijden, als het bewijs van zijn waardigen ouderdom, dat hij even heeft willen voelen. Hij geeft weer een teeken. Een andere mandarijn nadert. Weer hetzelfde tooneel. Dit is voor een westerling vervelend, en hij begrijpt er de bedoeling niet van. Een Chinees ziet er met groote verrukking naar. Hij is dol op mandarijnen. Een mandarijn is iemand, die in vorige levens bizonder goed is geweest, en daarom nu belooning heeft gekregen in dit leven. Mandarijn worden is het beste wat iemand van zijn leven overkomen kan. Een mandarijn, weet hij, heeft ander gewaad dan hij, draagt de kristallen knoop op zijn hoed, en is onzeggelijk "t'é bièn", ongeveer ons "fatsoenlijk". En dan de keizer! De Zoon des Hemels wien de geheele Aarde toebehoort! En zoo'n Si Dzîn Kuì, een opperbevelhebber, die met den keizer omgaat, en met eerbewijzen en gunsten wordt overladen. Een hoog mandarijn alléén, zonder tooneelspel, is al iets enorm gewichtigs om naar te zien.
En wat de Chinees nu zoo verrukkelijk vindt in deze vertooning is het deftige zitten van Si Dzîn Kuì, met die verbazende wijde mouwen, die zoo diep neervallen, en waardoor hij zijne handen alleen met heel statige, voorname gebaren kan oplichten, en het zijn de keizerlijke draken, die hij mag dragen, omdat hij zoo'n allerhoogst mandarijn is, en het zijn de almachtige bevelen, met hooge keelstem uitgestooten in het aristocratische mandarijndialect. En hoe die andere mandarijnen--zelf ook hooge--voor hem neerbuigen, hoe ze hun handen dan houden, en hoe ze hun voeten zetten; hoe verschrikkelijk voornaam zulke dingen zijn, dat prachtige stappen en dat plechtige buigen, en dan weer heel stil staan met dat goud, ja vooral dat goud zoo overal om hun lijf--al deze dingen is een Chinees nooit moe om te zien, hij groeit er in, hij vindt het enorm gewichtig, hij voelt er zich van watertanden. Want een Chinees is een kind als het op zaken van mandarijnen aankomt. Hij mag geen halve cash overhebben voor een liberaal werk, maar hij betaalt gaarne duizenden om mandarijn te zijn. En dit is onschuldiger dan het lijkt. Een Chinees is verbazend gevoelig voor voornaamheid, maar voornaamheid van gewaad, van gebaar, van kleur en lijn. Een prachtig gewaad maakt zijne zorgen blij als een prachtige dag. Een mooi gebaar vindt hij mooi, omdat een mensch er zoo mooi mee uitziet, omdat er iets van zijn ziel in is, waaraan hij hem kennen kan. Een mooie vrouw vindt hij niet mooi om het zinnelijke alleen, maar wel degelijk om de gevoelige teêrheid van haar wenkbrauwen, en de avondrood-kleur van haar wangen, en de gracie van hare bewegingen. In het land, waar op dit oogenblik literatuur en teekenkunst, en bijna alle kunsten kwijnen, zijn de tooneelspelen het eenige, wat er nog voor een gewoon Chinees te genieten valt En hij is daarin gaan onderscheiden, en fijn gaan leeren zien, met al de bevattelijkheid, en de studie, die hij niet meer kan gebruiken voor andere soort kunst. Ik zou kunnen zeggen, de tooneelkunst is de Kunst van het hedendaagsche China.
Zijn de bevelen gegeven, dan gaat het leger op weg naar de schepen. Een statige ommegang op het armzalig tooneeltje, de mandarijnen voorop, gevolgd door dienaren die hunne wapenen dragen.
Het tooneel is in vier groote stappen overgestoken, maar onverstoorbaar gaat de optocht eenige rondten door, de roode, groene, blauwe zwarte, witte gewaden verward door elkaar, met overal goudschittering, niets dan kleur en goud, die bewegen op maat van een oorlogsmuziek. Een groot feest voor de oogen van het Chineesche publiek, die zoo van licht en pracht houden. Het voelt zich gelukkig door het gewaai van de kleuren, en vooral door dat goud, dat vlammen van draken en bloemen.
Eindelijk weêr stilstand. Er wordt een breede plank gelegd op het tooneel. Dit is de loopplank over de zee, naar het admiraalschip. Nu gaat Si Ting San vooruit, voorzichtigjes, en reikt zijn vader Si Dzîn Kuì de hand. Een eerbiedig gebaar, waarbij hij het voorname lijf heel teeder voorover buigt, om te zien, hoe de voeten van den ouden vader stappen, en met een voorzichtige zorg in zijne oogen, die deze simpele beweging tot iets subliems maakt. Want in China is de Haò [11] de eerste deugd van den mensch, waaruit alle andere deugden voortkomen. Zachtjes, stapje voor stapje, o! zoo voorzichtigjes en teêr gaat Si Ting San over het plankje, en leidt den ouden man voort, die zoo heel bezorgd achter hem aanstapt, dat zijn wijde gewaad bijna niet waait, en de gouden draken maar éven fonkelen, en dan weer stil lichten.
En dit kleine tooneeltje, dat enkele oversteken van het plankje, op het armzalige houten stellinkje dat nu heusch een zee moet verbeelden, is van een heel superieure kunst, die het symbool van de Haò van het volk geeft. Niet licht zal een ernstig toeschouwer het vergeten, hoe in deze miserabele omgeving zoo iets groots werd gedaan, door twee heel gewone tooneelspelers, met die prachtige simpelheid van bewegingen en gebaren, die juist de eenige ware kunst zijn.
Ook de andere generaals steken het plankje over, somtijds naar beneden ziende, waar de zee ergens moet bruisen en zelfs een slip van het gewaad optillend, bang voor zeewater op de zijde. En dit alles zóó gedurfd, met zoo'n dappere verachting voor het feit dat er in 't geheel niets is dan een planken vloer, en zelfs geen flauwe nabootsing van water, dat niemand onder het publiek het maar een oogenblikje gek vindt, en durft te lachen. Want het spel zelf van de acteurs moet den Chinees de omgeving doen zien.
Als allen over het plankje zijn worden er gewone rieten stoeltjes gezet, en is het tooneel opeens een admiraalschip geworden. De generaals gaan allen om Si Dzîn Kuì zitten, die weer heel deftig in het midden is, omlijnd door de breede gebaren van zijn gewaad. Op de vier hoeken van het tooneel gaan twee mannen staan met lange riemen, en beginnen zeer ernstig te roeien. Keurig is hun roeibeweging, waarbij zij het lijf achteruit buigen, en weer vooruit, met telkens een stap achter of voor van het been. De muziek speelt nu weer een ander motief, met lang uitgestooten, monotone horentonen, die prachtig het windgezang geven over het water.
Nu is dus het publiek door roeigebaren aangetoond, dat de spelers op de zee zijn. Als nu straks deze menschen van hunne stoelen gaan, en opeens de vijandelijke strijders komen, gebeurt dat nog alles op de zee, alleen op een andere plaats.
Nu komen de zonen van Han Hông op het tooneel, met hunne troepen. Zij zijn in blauw en groen, op dezelfde wijze beschilderd als To It Ho en Lô Tsiong. Plotseling komen de vorige spelers weêr op, met zwaaien van lansen, en oorlogskreten. Alles is nog op zee. En het gevecht, dat volgen zal gebeurt op oorlogschepen. Han Liông en Lô Tsiong raken handgemeen, en steken met hun lansen naar elkaar. Zij houden hun wapen met twee handen boven het hoofd, en vechten met prachtige bewegingen, in een bepaalden stijl, want het strijden in de oudheid was een kunst, met vaste wetten van schoonheid en gratie. Om nu de zee wat meer aan te geven, en te zeggen, dat elk strijder op zijn eigen schip is, gaat naast elk een roeier, met gebukt hoofd om slagen te vermijden, die onder de snelle uitvallen en parades altijd door zijn keurige roeigebaar maakt. Mooi zijn de rechte lijnen der lansen, die elkaar steeds kruisen, en andere figuren maken.
De muziek is nu een bommen van trommels, ál sneller en sneller, om het stijgen der woede te geven. Als eindelijk Han Liông overwonnen is, valt hij niet, maar gaat eenvoudig uit de gelederen. Ik zag hem achter bij de muzikanten kalm een kopje thee drinken, en zich in een spiegeltje bekijken, of zijn helm wel goed zat. De Chinees is door zoo iets niet geschokt en uit zijn emotie gebracht, want hij kijkt er niet naar. Hij ziet alleen naar wat voor op het tooneel gebeurt, waar de strijd nog voortduurt, en waar nu Han Ho door To It Ho wordt verslagen. De behaalde overwinning wordt nu vertoond door een omgang van de krijgers, met lansen triomfantelijk omhoog gehouden, en onder luid victoriegeschreeuw.
Dan worden plotseling twee lange stokken in de hoogte gestoken, waarover een groot zeildoek is gespannen. Wij zijn nu in een volgend bedrijf. Onnoodig te zeggen dat, daar er in 't geheel geen scherm is, de bedrijven allen met open tooneel achter elkaar worden gespeeld. De stokken met het doek stellen de stad Han Kong Koan voor. Er worden banken en stoelen achtergezet, waarop de bewoners in dreigende houding zóó gaan staan, dat ze met hunne hoofden juist boven het doek uitkomen, en lansen er over heen kunnen zwaaien. De troepen van Si Dzîn Kuì staan er tegenover. Het is heen en weêr een gedreig van woorden en gebaren. Lansen en zwaarden worden gestoken naar het stuk zeildoek. En alles steeds door met den bewonderenswaardigen ernst, die bij sommige heel romantische jongens is te zien, als zij roovertje spelen. Er wordt een verbazende kracht voorgewend om tegen het stuk doek te loopen, en met de handen worden denkbeeldige pijlen afgeschoten, terwijl de oogen eerst heel lang en ingespannen mikken. Eindelijk valt het zeildoek weg, en er is dan een uitval gedaan.
Han Lee Hoa verslaat hare verschillende vrouwelijke tegenstanders, tot ten laatste Si Ting San opkomt. Dit wordt door de acteurs eenigszins anders gespeeld dan precies in den tekst staat.
Han Lee Hoa geraakt met den held in verwoed gevecht. Maar op eens, na het felle strijden, na het stormgebom en slagroffelen van het orkest, is het heel stil, en staan zij schouder aan schouder, elk nog met de hand opgeheven, terwijl hunne oogen in eene wondere schittering elkander bestralen. Het is of zij in hun moordende driften opeens betooverd zijn geworden, roerloos geslagen door den immensen slag op hunne zielen van een als bliksem gekomen sensatie. Hunne borsten hijgen, als op den rhythmus van de woelende beweging in hunne harten. Zilver glanst op Si Ting San's borst heel zacht, en als wondere geheimen bloeien daarover de roode bloemen, wijl gouden draken bewegingloos schitteren. De lange veeren op zijn helm lijnen ver over het tooneel, en trillen zachtjes. Hij ziet met zwarte oogen naar haar, met de wildheid van een bloedlustig beest, getemd door een betoovering, waar het niet tegen in durft gaan. Maar zij ziet hem aan met den langen blik van herkenning, als een ziel een andere ziel vermoedt, uit een vorig leven. Zij tracht hem te temmen door haar oogenlicht, en staat onbewegelijk, alleen somtijds heel even spiertrillend als onder de inspanning, om al haar magnetisme en haar blik te concentreeren. Het zijn donkere oogen van noodlot, als met licht blinkend, dat niet van deze wereld is.
De muziek is stil.
Dit tooneel duurt lang. Zij staan heel lang zóó roerloos, zóó in een hoog moment van noodlot.
Totdat er een zacht zingen opklinkt van violen, wat weemoedig-blij.
En haar stem gaat tot hem uit. Hij antwoordt zingend, op rhythmus van zangmuziek. Het is of hunne zielen wiegend samenkomen, zacht samenhuwen in naar elkaar toeneigende klanken.
Maar: "Bom!" een doffe gongslag, en een woedend uitgehuil van sombere horens. Hij schreeuwt zijn oorlogskreet, en zwaait zijn lans. Wijd waaien de lange helmveeren sidderend in de hoogte. Tromgeroffel gaat versneld op, en het oorlogsmotief klinkt bommend.
De strijd is weêr begonnen. Si Ting San stormt vooruit, met woedende stappen, en fel gebaar. Han Lee Hoa draait rustig om hem heen, haar slank lijf lucht bewegend in licht wijken, en met twee zwaarden kalm de zware lansstooten opvangend. Zij strijd als een, die zeker is onkwetsbaar te zijn, en achteloos, vreezeloos in haar weten van het noodlot. Zij is in zacht en stemmig grijs als kleurloos, als in rust, wijl voor haar het schitterende goud vlamt van Si Ting San, die zoo wild stormt, dat het is of zijn gouden draken woest om Han Lee Hoa kronkelen. De strijd duurt tamelijk lang. Het publiek houdt hiervan. De muziek is onrustig stormend als de bewegingen van den held, en de kronkelingen van de gouden draken. Eindelijk geeft Han Lee Hoa een teeken met haar hand. Zij heeft een klein schaaltje daarin, waarin buskruit ontvlamt. De bovenaardsche krijgers, hiermede door haar opgeroepen, kunnen niet naar waarheid voorgesteld worden, volgens de handeling in het boek. Daar hebben de Chineezen geen middelen voor. In plaats hiervan worden dus booze demonen, "kuí", [12] op het tooneel gebracht. Een Chinees is heel bang voor kuí. Kuí zijn booze geesten van afgestorvenen, die altijd op de aarde rondwaren, en de menschen kwaad doen op allerlei lage manieren.
Heel curieus is de manier, waarop de Chinees zich zoo'n geest voorstelt. Het is als een mensch, met gewoon, klein lijf, waarop een enorm groote kop. Door de zwaarte van het hoofd beweegt het lichaam lomp en potsierlijk, zoo los alsof er geen beenderen in zitten. De kop is niet bijzonder verschrikkelijk, of duivelachtig, maar heel erg dol, een glimmend, rood gezicht, als van iemand die veel gegeten en gedronken heeft. Het heeft dikke, uitpuilende lodder-oogen.
Si Ting San wordt door vier zulke personages omringd. De geesten dreigen of slaan hem niet, maar zij dansen spottend om hem heen, met hun kleine handjes waaierend naar hun kolossaal waterhoofd. Zij loopen lustig te spelen, als dronken menschen, en maken gracieuse beweginkjes met hun waaiers, die ridicuul zijn bij hun waggelende koppen. Er is niettegenstaande het koddige iets moeilijk te beschrijven, "funèbre's" aan hen.
En Si Ting San, die niet vreest voor zwaarden en lansen, duikt in elkaar van angst. Later richt hij zich weer op en slaat met zijn strijdbijl naar de geesten, maar zij voelen het niet, bewaaieren hem spottend, en duwen hem weg met hunne hoofden. Eindelijk valt hij met een acrobatische vlugheid door één beweging languit, bonsend op de houten planken. De vier geesten dansen nu om hem heen, met hunne groote hoofden zóó waggelend, alsof die van de zwaarte straks zullen afvallen, en altijd door met hun waaiertjes wuivend. Als zij uitgedanst hebben binden zij Si Ting San vast, en trippelen weg, hoofdwiegelend en waaierend.
En nu komt Han Lee Hoa weêr aan, langzaam stappend, en met die haar eigen beweging van haar slank lijf, waardoor het ieder oogenblik lucht omhoog zou kunnen zweven. Zij buigt zich over den liggenden, gebonden man, en lacht zacht. Haar oogen lichten als in herkenning, en hoop, en liefde, en ook wel wat zachte verachting over zijn wildheid. Zij is een echt chineesch-mooie vrouw. Prachtig zijn hare wangen gekleurd met wit en rood poeder, zóó fijn saamgewreven, dat het als een teêre droom van gloed is geworden, iets mystiek zachts op haar gezicht. De lichtvolle oogen schijnen onder wenkbrauwen zóó mooi gepenseeld, met zóó'n superbe lijning, dat alleen een kunstenaar ze zoo getrokken kan hebben.
Aan hare voeten ligt Si Ting San verslagen. De draken liggen stil, als getemd, hun goud fonkelt nu niet in zijn kleed. En zijne twee lange helmveeren liggen treurig in het stof, roerloos, en zonder pracht. Zij zingt een lied boven hem, op een monotone wijs, van onregelmatigen rhythmus. Deze chineesche muziek is heel moeilijk te begrijpen, en stellig mooier dan een westerling zonder jarenlange studie kan voelen. Ik hoorde er alleen iets weemoedig-liefs in, iets van herinnering.
Maar Si Ting San begint onder haar zacht lied te bewegen. De veeren schuifelen opeens met een langen zwaai over het tooneel. De draken kronkelen weêr, en lichten. En hij uit geluiden met een hooge keelstem, en wringt zich wild onder de touwen.
Zij lachend boven hem, haar oogenlicht naar hem toe. En zij weet hem te overreden, zonder spreken, alles door gebaren en blikken, om den eed van trouw te zweren. Als hij gezworen heeft bindt zij hem los. Maar hij heft zijn lans weêr op, en de strijd begint weer. Hij weêr de wilde, met draken draaiende, zij de rustige, vlugge, de zekere. Op het laatst vlucht zij achter op het tooneel. Er komen twee koelies op, die een allerprimitiefst toestel brengen. Een lange paal, waaraan van boven een lat, met een touw. Dit stelt den afgrond voor, waarin Si Ting San terecht komt, door het schenden van zijnen eed. Si Ting San gaat daaronder liggen en bindt het touw om zijn middel. En het tooneel is klaar. Hij begint wanhoopsgebaren te maken en om hulp te roepen onder de paal, die de hooge rots met den afgrond is. En om meer waarschijnlijkheid aan de vertooning te geven, worden er boven op de lat twee houten muisjes gezet, die heen en weer kunnen bewegen, terwijl een muzikant een piepend muizengeluid maakt met twee houtjes.
Een Europeesch toeschouwer zal met veel moeite zijn lachen bedwingen bij dit tooneel. Een Chinees vindt het diep tragisch en heel ernstig. Want het houten paaltje, en het latje, en de muisjes hinderen zijne fantazie niet. En zijne spanning breekt niet bij het feit, dat Han Lee Hoa achter op hetzelfde stellinkje iets met twee eetstokjes uit een bakje zit te eten, en Si Dzîn Kuì, die nog lang niet behoeft op te komen, ergens zit te slapen, met zijn prachtige gewaad nog even mooi om zich heen. De Chinees heeft alleen te maken met wat er vóór op het tooneel gebeurt, en met de muziek. Wat er verder voorvalt, daar omheen, gaat hem niet aan, en hij kijkt er niet naar.
Het in het boek beschreven tooneel met de vreemde prinses wordt niet voorgesteld, maar na een korte poos door gebaren en geluiden zijn wanhoop te hebben weêrgegeven, wordt Si Ting San weêr losgebonden, zweert hij weêr zijn eed aan Han Lee Hoa, en begint weêr onvermoeid tegen haar te strijden.
III.
Het is niet mijne bedoeling, het geheele tooneelspel nu verder te beschrijven.
Het bovenstaande dunkt mij voldoende om een idee te geven van het wezen der tooneelspelers, hunne gewaden, hunne actie en hunne omgeving. Laat ik er toch vooral voor uitkomen, dat ik deze acteurs zeer hoog stel, dat ik ze bijna alle echte artiesten vind. Ze zijn niet ontwikkeld. Het bleek mij, in gesprek met hen, later, dat zij niet veel meer wisten dan precies wat hun tooneel aanging, dat zij noch de oude literatuur noch de philosophie van hun land kenden, voor zoover die niet direct met hun beroep in verband stond. Ze wisten ook niet te zeggen, hoeveel jaren geleden de geschiedenis van Han Lee Hoa heette voorgevallen te zijn. En ze waren over het algemeen een ruw volkje. Maar zij hebben in hun spel een statigheid van beweging, een gevoeligheid van gebaar, een artistieke manier om met hunne schitterende gewaden om te gaan, zóó dat die altijd op zijn mooist blijven, een koninklijke voornaamheid, zeg ik, hebben zij, die hen des te grooter kunstenaars maakt naarmate zij geheel instinctief en onbewust is. Vooral voor den kunstenaar, die Han Lee Hoa voorstelde, heb ik eene zeer groote bewondering. Han Lee Hoa was in 't geheel geen vrouw. Het was een man, die de vrouwenrol vervulde. Toen een Chineesche vriend, met wien ik de voorstelling bijwoonde, mij vertelde, dat er in Amoy nooit vrouwen in zulke tooneelspelen opkwamen, en Han Lee Hoa wel degelijk een man was, wilde ik hem niet gelooven.--Ik heb opzettelijk in mijne beschrijving doen uitkomen, hoe lucht en fijn vrouwelijk het lichaam van Han Lee Hoa was, en hoe al hare bewegingen dat innig teere, zachte, en rustige hadden, dat alleen sommige vrouwen, en nooit mannen hebben. Ook was haar lijf zeer tenger, slank, bijna als een bloemstengel, zoo gevoelig opgaand van den grond.--En hare oogen waren een wonder van licht.
Mijn Chineesche vriend nam mij echter na de voorstelling mede, en wees mij Han Lee Hoa, die juist haar kleed had uitgedaan, en bezig was de kleurstof van wangen en wenkbrauwen te wasschen. Zij was hij, een jonge Chinees, van gewoon uiterlijk, volstrekt niet bizonder mooi van gezicht, en zonder een wijding of een gloed op zijn gelaat, waaraan men groote kunstenaars wel eens herkennen wil. Hij geleek ook nog maar weinig op Han Lee Hoa.
Hoe hij ooit zoo absoluut superieur die vrouwenrol heeft kunnen spelen, zal mij altijd een raadsel blijven, alleen op te lossen door de stelling dat die eenvoudige Chinees, stellig onbewust van zijne grootheid, in de ure dat hij op het tooneel is, een begenadigd kunstenaar is, een van die artiesten, die altijd verborgen blijven, en ook geen naam achterlaten, maar waar degeen, die zoo gelukkig is, hem eenmaal vermoed te hebben, zijn leven lang met dankbare bewondering aan denkt.
Deze acteur is dan ook het eerste sujet van den troep. Hij is expres opgeleid voor het spelen van eerste vrouwenrollen, maar kan ook mannen-, heldenrollen vervullen.
De eenvoudige acteurs, die zoo voor het volk voorstellingen geven in Amoy--andere voorstellingen, b.v. in aparte gebouwen, zooals in Shanghai en Canton, tegen entrée, bestaan hier niet--krijgen in 't geheel het loon niet, dat hun werk verdient. Het tooneel is in handen van particuliere ondernemers, die hunne acteurs zóó afbeulen, dat zij nog juist niet sterven.
Hij engageert ze voor bepaalde tijden, meest voor een jaar, gedurende hetwelk zij hem in alles te gehoorzamen hebben. Het eerste sujet van dezen troep krijgt vijftig mexicaansche dollars per maand, wat waarlijk geen rijkdom is. De andere spelers minder, elk volgens zijn emplooi. De gewone figuranten krijgen vier en een half tot vijf dollars. De muzikanten elk vijf dollars.
De spelen worden verdeeld in regelmatige tijden, genaamd "pi."--Eén pi duurt circa vier à vier en een half uur. Men kan één "pi" laten spelen voor slechts twaalf dollars, aan den ondernemer te betalen. Hier komen gewoonlijk nog drie dollars kosten bij voor het tooneel--dat de uitnoodiger zelf moet betalen--, voor thee en wat rijst voor de acteurs, voor olie, als het avond is, en wat fakkels. Gewoonlijk zijn de avond-spelen verdeeld in twee pi. Een van twee tot zes uur, en een van negen tot half twee 's nachts. Er worden in één pi meer dan één stuk gespeeld, zonder tusschenpauze, het eene dadelijk na het andere. Men kan begrijpen, hoe moê de spelers moeten zijn, vooral als er 's ochtends óók nog gespeeld is.
Maar de drukste tijd voor de tooneelspelers is in de zevende maand van het Chineesche jaar, ongeveer van half Augustus tot half September in onze tijdrekening: de tijd der offers en ceremoniën.
Er worden in die maand niet twee pi, maar meestal vijf pi gespeeld, dat wil zeggen, dat er onafgebroken eene maand lang twee en twintig uren per etmaal gespeeld wordt. Met het lichten van den morgen begint het, om half twee 's nachts is het eerst gedaan, en dit gebeurt met tusschenpoozen van nog geen uur. De arme acteurs. Zij hebben in die dagen geen oogenblik rust. Als zij uit hun rol zijn, slapen zij even in, om dadelijk, als zij weer moeten opkomen, hard wakker geschud te worden, en direct weer met spelen te beginnen. In dezen tijd is het nooit stil in de lucht, behalve gedurende enkele nachturen. Altijd door bommen de gongen en roffelen de trommen. Hoe de muzikanten op de been blijven, die nooit aftreden of stilzitten onder een spel, is onbegrijpelijk.