Wijsheid en Schoonheid uit China

Part 3

Chapter 34,070 wordsPublic domain

In den vroegen morgen reed nu Si Ting San zelf het kamp uit. Hij was diep beleedigd door het voorstel van Han Lee Hoa, en had plechtig verklaard haar te zullen dooden. Han Lee Hoa zag dadelijk zijne wondere schoonheid en voelde zich dankbaar jegens haar Meesteres, dat zij hare onvermijdelijke verwantschap met den held vooruit had mogen weten. Maar terwijl zij hem in aanbidding aanstaarde riep hij schimpend: "barbaren-kind! kijk naar mijn zwaard!" en sloeg naar haar. Zij greep in elke hand haar korte sabel en weerde den houw af, roepende: "Mijne meesteres heeft mij gezegd, dat ik uit vorige levens de verwantschap van vrouw-en-man met u had, en ik moet met u trouwen. Als gij er in toestemt zullen mijne ouders u helpen, en zal ons rijk zich aan uw rijk onderwerpen." Si Ting San was in 't geheel niet ontroerd door deze naïeve bekentenis en schold terug als antwoord: "Schaamteloos, verachtelijk mensch, dat zelf over zoo iets durft te beginnen! Ik ben een groot generaal der Thang-dynastie, hoe zou ik ooit met een barbaren-meisje willen trouwen! Ge hoeft niet zoo verkeerd te denken, hoor." Dit gezegd hebbende stak hij weer naar haar met zijn zwaard. Zij weerde den steek af, en vocht met hem tot over de dertig parades. Toen uitte zij "de rechte woorden" van haar tooverspreuk en ziet: hemel en aarde werden duister. Han Lee Hoa riep hare krijgslieden, die in het donker den held zonder moeite grepen en vastbonden. Zij ging vóór hem staan en zeide, half-lachend: "Ziezoo Si Ting San, nu zit je daar vastgebonden, als je nu mijn man wilt worden zal ik je vergeven en je loslaten." Hij zag in, dat hem niets anders overbleef dan toe te geven, en dacht: "laat ik haar nu maar eens een keertje beet nemen," en beloofde, als hij haar losliet, naar huis te gaan, en haar dadelijk de koppelaars te sturen [5]. Maar zij glimlachte, en zeide: "Generaal Si, meent ge die woorden wel? Leg een eed voor mij af, dan zal ik u gelooven." Si Ting San dacht bij zich zelven: "laat ik voor dat meisje maar zoo'n beetje een hol eedje afleggen, waaróm niet?" en zwoer: "Als gij mij loslaat om in mijn kamp terug te keeren, en ik ondankbaar tegen u mocht zijn, moge ik halverweg tusschen Hemel en Aarde opgehangen worden, dat mijn lichaam moeilijk een veilig plaatsje kan vinden." Toen Han Lee Hoa dezen eed hoorde bond zij hem zelf los, en liet hem zijn paard terug geven. Maar vóór hij een pijlschot ver weg was keerde Si Ting San zich om in den zadel en riep schimpend: "Schaamteloos, verachtelijk wezen, ik ben daar zooeven in je duivelsche listen gevangen, en door je vastgebonden, hoe zou ik dus ooit je man willen worden. Denk er maar niet verkeerd over. Laat je paard loopen en kom er met mij om vechten!" Toen volgde weer een strijd van tallooze parades. Eindelijk sprak Han Lee Hoa weer de tooverwoorden, en vóór hen verrees een hoog gebergte. Het meisje veinsde te vluchten, en de held vervolgde haar tot in het midden van de bergen. Plotseling hoorde hij een' geweldigen donderslag. Achter en vóór hem was nergens meer een weg. Er was ook niets meer van Han Lee Hoa te zien, en Si Ting San zag dat hij beneden in eene diepe kloof was, met hooge bergen overal om hem, zoo steil, dat hij ze onmogelijk kon beklimmen. Hij was in radeloozen angst. Gelukkig zag hij héél boven op een berg een sprokkelaar aan het werk. Hij riep zoo luid hij kon om hulp, en toen hij gezegd had wie hij was, wist hij den man te overreden, om een lang touw neer te laten. Het touw werd om een boom op den berg geslagen, en Si Ting San werd door zijn redder opgeheschen, nadat hij het neêrgelaten eind om zijn middel stevig had vastgebonden. Maar juist was hij over den halven afstand van beneden tot boven opgetrokken, toen de sprokkelaar kalm heenging. In grooten angst riep de held: "Oude man, hoe laat ge mij nu zoo in het ledige hangen?" maar de sprokkelaar antwoordde: "Jonge veldheer! ge hebt zóó maar achteloos uw leven verpand door een valschen eed. Gij bedriegt anderen, laat ik u nu ook maar eens een keertje bedriegen! Dít is nu inderdaad halverweg tusschen Hemel en Aarde opgehangen zijn, en moeilijk een veilig plaatsje te vinden om uw lichaam te bewaren. Ik ga eens wat eten. Wacht dus maar een beetje!" En de sprokkelaar ging zijn weg. Tot overmaat van ramp zag Si Ting San van boven uit den pijnboom, waar het touw aan vastgehecht was, twee ratten komen, die aan de knoopen begonnen te knagen. Twee van de knoopen waren al gauw doorgebeten, en er bleef nog maar één over, die weldra ook door zou zijn. De held vreesde "tot zijn ziel niet meer bij zijn lichaam paste," [6] toen hij op eens boven op den berg een meisje zag, gevolgd door acht slavinnen. Hij riep luid om hulp. Een der slavinnen antwoordde hem, dat hij zijn naam moest noemen, en na over-en-weer gesprek bleek het dat het meisje een prinses was, en dat zij hem wel wilde redden, mits hij beloofde, elken wensch dien zij hem zou zeggen, welken ook, dadelijk te vervullen. Si Ting San beloofde gehoorzaamheid, en werd door de slavinnen opgetrokken. Boven op den berg was een bloemenprieel, waar de prinses hem opwachtte. Hij bedankte haar, en vroeg, welken dienst hij haar terug zou mogen doen. En de prinses antwoordde: "Han Lee Hoa, de discipel van de oude Moeder Lee San, heeft met u de verwantschap uit vorige levens. Hoe zoudt gij er over denken, om mij in deze zaak tot koppelaarster te nemen, of ben ik daar te min voor?" Maar hij antwoordde: "Ik ben al driemaal getrouwd. Deze zaak zal heel moeilijk gaan." Toen de prinses dit hoorde riep zij: "Ondankbaar wezen, nu ik u gered heb, wilt gij mij niet gehoorzamen! Ik zal u door mijne slavinnen laten binden!" Vóór dat de slavinnen hem konden grijpen hoorde hij echter opeens een donderslag. Het prieel veranderde in een gevangeniswagen, waarin hij zat opgesloten. Naast den wagen reed Han Lee Hoa, die haar zwaard ophief en hem toeriep: "Als gij mij nu weêr niet gehoorzaamt sla ik u het hoofd af." Toen antwoordde Si Ting San in grooten angst, dat hij berouw had, en nu stellig haar tot vrouw wilde nemen, als zij hem nog eens wilde loslaten. Hij moest eerst een nieuwen eed zweren, maar weêr bedacht hij zich, en zeide opzettelijk een valschen eed: "Als ik ondankbaar mocht zijn moge ik in den oceaan terecht komen--en toch niet sterven!" Toen werd hij losgelaten, en reed te paard weg. Nog was hij niet op een pijlschot afstands, of hij keerde zich weer om, en riep scheldend, dat hij het barbaren-meisje nooit tot vrouw zou nemen, en daagde haar weer uit te komen strijden. Zij hadden niet meer dan tien parades gevochten, of Han Lee Hoa sprak weer de tooverwoorden. Hemel en Aarde werden duister, en er verschenen vier reusachtige helden uit de lucht. Vóór Si Ting San van den schrik bekomen was en met de reuzen kon gaan strijden, lag hij plotseling midden in een grooten oceaan. Gelukkig ging er juist een schip voorbij, waarin een vreemde prins met zijn gevolg voorbijzeilde. De drenkeling werd behoorlijk aan boord geheschen en voor den prins gebracht. Deze hoorde eerst het verhaal van Si aan, hoe hij daar zoo in de zee kwam te liggen, en zeide toen, dat het onvermijdelijk en noodzakelijk was, dat de Chineesche generaal met Han Lee Hoa trouwde. Si Ting San had echter een beetje moed gekregen doordat hij er telkens zoo goed van afkwam, en antwoordde trotsch, dat hij in 't geheel niet van plan was te gehoorzamen, en dat hij een beschermgeest had, die hem in alle gevaren beschermde. De prins riep dadelijk zijne soldaten, en liet Si Ting San zonder vorm van proces, op een stuk steen gebonden, weer in zee gooien. Gelukkig voor den jongen held had hij echter van te voren in zijnen eed gezegd, dat hij in den oceaan zou mogen terecht komen, maar toch niet sterven. Hij verdronk dus niet. Door een wondere tooverij was het prinselijk schip plotseling verdwenen, en zag hij vlak vóór zich de kust, waar zijn eigen kostbaar strijdpaard op hem stond te wachten. Hij bleef echter gebonden aan den steen, en wist, dat hij nooit zijn paard zou kunnen bestijgen als er geen redding kwam. Toen zag hij in de verte een ruiter aan galoppeeren, en weldra was Han Lee Hoa zelf vóór hem op de kust. In groot berouw smeekte hij om vergeving, en beloofde plechtig, haar tot zijn vrouw te maken. Hij zwoer nu een ernstigen, en zeer zwaren eed dat, als hij weêr ondankbaar was, zijne geheele familie en hijzelf door duizend messen en zwaarden zouden moeten sterven. Han Lee Hoa bond hem zelf van den steen los. Dezen keer brak de held zijn woord niet, maar galoppeerde terug naar zijn kamp. Met groote vreugde werd hij door zijnen vader Si Dzîn Kuì ontvangen. Iedereen in het Chineesche leger was in groote vrees voor Han Lee Hoa en hare tooverkunsten, zoodat Si Dzîn Kuì dadelijk er in toestemde, dat zijn zoon het barbaren-meisje tot vrouw nam, en zóó haar geheele rijk aan de Thang dynastie onderwierp.

Ook Han Lee Hoa keerde naar hare familie terug. De oude Han Hông bewees haar groote eer, en noemde haar bij hooge eerenamen, maar toen zij hem zeide, dat zij den volgenden dag met Si Ting San zou trouwen ontstak hij in hevige woede, en sloeg met zijn zwaard naar haar om haar te dooden. Han Lee Hoa weerde behendig den slag af met hare twee korte sabels. Ongelukkig gleed de oude koning uit over een stukje glad leer van zijn schoen, en viel recht in de zwaarden van zijn dochter. Hevig kermend viel het meisje neer bij het lijk van haren vader, toen hare twee broeders, dezelfde, dien zij het leven gered had, kwamen aanstormen, met hunne zwaarden zwaaiende. Han Lee Hoa smeekte hun, toch niet met hun zuster te gaan strijden, en legde hun uit, hoe haar vader bij toeval in haar zwaard was gevallen. Maar de twee broeders luisterden niet en sloegen scheldend naar haar. Toen greep zij hare gevaarlijke twee tooverzwaarden en sloeg hare beide broeders dood. In grooten rouw kwam hare moeder aanloopen, en knielde weenend bij de lijken neder. Han Lee Hoa troostte haar met de naïeve verzekering "dat doode menschen nu eenmaal niet meer terugkomen", en raadde haar aan, liever in stilte de lijken te laten begraven, vóór deze daad bekend werd, die misschien haar huwelijk zou kunnen onmogelijk maken. De koppelaars waren ook aangekomen. Den volgenden dag ging zij met hare moeder naar het kamp van Si Dzîn Kuì, waar zij met groote praal ontvangen werd. Toen haar gevraagd werd, waarom haar vader en hare broers niet mede waren gekomen, antwoordde zij "dat deze stellig al hunne beleefdheid verloren hadden," maar dat zij ziek waren geworden, en te bed lagen. Daarop werd het huwelijk gesloten en Si Ting San met Han Lee Hoa alleen gelaten in de bruidskamer.

Tot zoover het tooneelstuk, zooals het vertoond werd. De geschiedenis zelf is nog lang niet uit. De twee jonggetrouwden zitten nog geen half uur bijeen, of zij slaan elkaar in fellen strijd met hunne zwaarden, zoodat alle vrienden en verwanten te hulp moeten komen. Er komt geen eind aan de ellende. Later wordt Si Ting San herhaaldelijk door Han Lee Hoa uit groote gevaren gered, heeft weer berouw, verzoent zich weer, en eindigt weêr met zijn zwaard tegen haar te trekken.

Eigenaardig is de verklaring, in het boek Tsing Se gegeven, waarom dit echtpaar zoo voortdurend in twist en ellende is. Dit is alweer het Noodlot, het onvermijdelijke, dat ook in de grieksche spelen zoo almachtig is. De oude Moeder Le San verklaart het zelve aan Han Lee Hoa, als deze haar komt vragen, wat toch de oorzaak van al den strijd is. Eens, op een heiligen dag, was Giók Tè, de Koning des Hemels, op zijnen troon gezeten, om de Geesten, uit alle sterren saamgekomen, van den perzik te doen eten, die onsterfelijk maakt. Naast Giók Tè stonden zijne geestendienaren Kim Tong en Giók Lú, die een bokaal moest dragen, voor den perzik. Zij stoeiden samen een beetje. Giók Lú liet den kristallen bokaal uit hare handen glippen, dat hij tot gruis verbrijzeld werd.

In groote woede wilde Giók Tè zijne dienaren straffen, toen de oude geest Lâm Kik uit het gelid der geesten trad, en eerbiedig een voorstel deed. De twee dienaren, zeide hij, hielden te veel van spelemeien, en hadden wereldsche gedachten, zoodat de schaal aan hen was ontglipt. Zij moesten beide wèl vergeven worden, maar tot hun straf--en volgens de Oorzaak [7], door hen zelven gecreëerd--op de aarde als mensch geïncarneerd worden, en weêr bij elkaar zooals in de hemelen, maar nu als man en vrouw. Dit voorstel werd aangenomen, en Giók Tè deed de beide dienaren nederdalen. Maar juist toen zij door de hemelruimte nederdaalden kwamen zij een boozen demon tegen, die er afschuwelijk uitzag. Giók Lú moest uitbundig om het leelijke gezicht van den duivel lachen. Dit had tot gevolg, dat de duivel, die als alle duivelen, heel dom en verwaand was, ging denken dat Giók Lú hem een lonkje gegeven had, en toen hij zag, dat zij op weg naar het Stof, de Aarde, was, volgde hij haar, en werd geïncarneerd als een mandarijn van koning Han Hông, genaamd Iông Hoân. Het andere gevolg van haar ondoordacht lachen was, dat Kim Tong woedend van twijfel en jaloerschheid was, zoodat hij reeds met ongeloof en wrevel jegens Giók Lú in 't hart op de aarde verscheen. Giók Lú nu was niemand anders dan Han Lee Hoa, en Kim Tong was Si Ting San. De domme duivel was Iông Hoân geworden, de vriend van koning Han Hông, die oorspronkelijk door hem als Han Lee Hoa's echtgenoot was aangewezen. Daarom weigerde haar vader ook vooral later, om haar aan Si Ting San te geven. Al de ellende was veroorzaakt door dat ééne onbezonnen lachje op hunne daling van de hemelen naar de aarde. [8]

II.

Dit--vooral wegens de plastiesche voorstelling--zeer moeielijk te spelen stuk wordt met de allerprimitiefste hulpmiddelen weêrgegeven op eene wijze, die stellig groote bewondering en hooge achting verdient. Ik heb reeds gezegd, dat het tooneel niets meer dan een houten stelling is, van alle zijden open, van achteren alleen beschut.

Op den achtergrond zitten de bij elk tooneelspel onmisbare muzikanten. Er is geen kapelmeester, en zij spelen allen uit het hoofd, zonder muziekboeken. Het orkest is samengesteld uit drie bestanddeelen: slaginstrumenten, strijkinstrumenten, en blaasinstrumenten. De eerste soort telt gewoonlijk twee groote gongen van koper, geslagen met een hamerstok; deze heeten "lô"; verder twee "poáh", koperen bekkens, die, als de europeesche, tegen elkaar geslagen worden, een "piah ko", een soort tambourijn, van paardehuid, en een grootere trommel, die van boven en van onderen is bespannen met ossehuid, "t'ong ko".

[**ERROR: Contains unhandled entity &ecibb;] De violensoort heeft één viool van hout, "kóng-á hiên", met twee snaren, en één kleinere--"ho hiên"--; twee tweede violen--"dsi hiên"--een "gi ho&ecibb;"--tokkelinstrument, gelijkende op een cither, een "sam hiên", viool met drie snaren, en een "pak pê", een zeer groot, rond, viersnarig bord, waarop met trommelstokjes wordt getokkeld. Elke vioolsnaar geeft vier tonen. De snaren zijn gemaakt van de slijmerige draden, die slakken achterlaten.

De blaasinstrumenten zijn twee dwarsfluitjes, "p'in-á", en twee lange fluiten, "tông siao", twee klarinetten, groote, "toa ts'e" en twee kleinere, "sìo ts'e"; een groot, erg gecompliceerd instrument, "sing", van meer dan twintig fluitjes, uitkomend in ééne opening; dit is het moeielijkst te bespelen van allen, en weinige longen kunnen er lang tegen. Dit en de eerste vier instrumenten zijn geheel van bamboe. De klarinetten zijn half koper, half hout. Verder is er een paar lange horens, die worden uit- en ingeschoven als schuiftrompetten, en zeer lange, donkersombere geluiden geven, "ho t'aô".

Daar er slechts acht muzikanten zijn, kunnen al deze instrumenten nooit tegelijk bespeeld worden. Verbazend snel verwisselt een muzikant dan ook midden onder het spel van instrument. Wonderlijk is het keurige in-de-maat blijven bij de begeleiding van een solozang. Dan wordt met vier kleine houtjes tegen elkaar de maat getikt.

Niet elk Chineesch tooneelspel heeft, als onze opera's, zijn eigen muziek. Maar er is muziek apart voor elke soort gebeurtenis in een spel, en deze wordt in elk spel op de behoorlijke plaats gespeeld. Een vreemdeling, die voor het eerst in China is, denkt licht, dat er zoo maar in 't wild weg lawaai wordt gemaakt door het orkest, en voelt zich alsof er iets in hem verscheurd wordt, zoo valsch klinkt de muziek in zijne ooren. Maar als men geregeld veel spelen bijwoont leert men al spoedig onderscheiden, en begint de vreemde muziek wel degelijk emoties te geven. Ik weet nog den geweldigen slag, als boven op mijn hoofd, dien ik kreeg, toen ik bij den dood van een held bij zijn fellen smak op den grond één ontzettend somberen gong-bom hoorde, en daarna alles stil totdat een clarinet en een zeer droeve fluit in zacht-klagend geween uitschreiden.

Er is voor elk geval in het spel een afzonderlijk motief. Als een civiel mandarijn opkomt is dat anders, dan wanneer er een militair mandarijn komt. Er is een vaste krijgsmuziek, een muziek van aanval, van aftocht, en een jubileerend-feestelijk keizersmotief. Een Chinees weet door de muziek al in de verte, wat er gebeurt, al kan hij het tooneel nog niet zien. Hij kan hooren, waar een leger optrekt, waar het strijdrumoer is, en waar in de verte de trommen den aftocht slaan. Hij weet, waar de muziek van liefde zingt, en de muziek van haat schettert. Mooi is het aanvallen van legers gedaan door de muziek. Dan slaan eerst even de gongen met zacht gebom, waarop de kleine trommels even roffelen, en langzaam sneller, sneller, als het aanstormen van veel soldaten, met wild paardengetrappel, en eindelijk, bij den strijd zelf, gaat het in razende vaart, zonder ophouden, met zulk een snelheid van bekkengeklang en tromgeratel, dat het op verren afstand werkelijk als het lawaai is van duizenden krijgers, in een mêlée van stormgeluid. Dán somtijds een, twee doffe gongslagen, en het is even stil. Er is een leven neêrgedonderd door het Noodlot. En als de blaasinstrumenten dan huilend klagen is dat het smartgeluid der kleine menschen, dat schreiend opkomt na het donderstormen van het Fatum.

Het is hoofdzakelijk het angstig-makende, het overspannende van de muziek, dat het tooneel zoo aantrekkelijk maakt. De Chinees is dol op lawaai van koper, en er is gloed en schittering van oogen te zien in de gezichten, die in het zachte avondlicht opzien naar het tooneel, beschenen door het fakkellicht. Vooral de strijdmuziek is overweldigend, door de stijging van het langzaam aankomen en dan razend voortratelen van trommen, dat de emotie geeft van op een wagen een eindeloozen afgrond in te rollen. Er is dan een dol verlangen, om toch eindelijk de sombere, eenzame gongslagen te hooren, die de dood zullen zijn.

Mét de muziek is de voornaamste aantrekkelijkheid het gewaad van den tooneelspeler. Wordt alles van omgeving en oogengenot volkomen verwaarloosd, aan de gewaden van de acteurs wordt de grootste zorg besteed. De gewaden zijn geen gewone kleeren meer, zij zijn een kunst apart. Si Dzîn Kuì had een lang staatsiekleed van groene zijde, wijd om hem heen, met statige plooien neerhangend. De mouwen tot over de knieën reikend, in superben val. Hij kan zich in dit gewaad alleen langzaam bewegen, met den deftigen stap, die een oud man past. Op zijn kleed een creatie van goud [9]. Om zijne voeten de zee, van dikgouden golven, die in hoogen zwaai opbruisen, met spatting van vonken. Daaruit rijzen in wilde kronkeling twee gouden draken naar gouden wolken, van prachtigen vorm, met luchtige zweving als voortgaande, zoo fijn gedaan. Op zijn borst een dikke, gouden zon, waarom weder twee gouden draken, met oogen van een groenen steen, en lange, lekkende tongen. Draken op zijne mouwen, zijn rug, om zijn hals. Het goud is als eene levende glorie, die hem met een eigen licht omstraalt. Als hij maar even beweegt, en zich wendt, zwaait het kleed met breed gebaar om hem mee, en is het of de draken zich kronkelen, licht uitstralend naar alle zijden. Ook is er zacht geruisch van goud, dat het tot iets levends maakt. De plooien van het gewaad zeggen zijn ouderdom en zijn deftigen ernst. Zijne gebaren zijn alle langzaam en kuisch, alsof ze weten, dat ze rondom zwaaiingen maken, die het karakter van den speler moeten weêrgeven.

Si Ting San is in harnas van zilveren schubben, weêrgegeven door zilverachtige zijde, met goud. Hij heeft niet een uit één stuk gemaakt wijd gewaad, maar borst-, arm- en beenstukken. Bij de schouders en de knieën twee leeuwenkoppen. Zijn zilverzijden harnas glanst maar éven heel fijnzacht door de dik-gouden draken en zonnen die een fel licht om hem schijnen. Hij is van hoog-schitterend goud, als een immense trots, met zacht-schemerend zilverlicht daaronder, als liefde. Op zijn rug een koker met vijf puntige vlaggen, die als een krans van pracht om zijn hoofd opkomen. Op zijn metalen helm twee enorme faizanten-veeren, die hoog boven alle andere spelers uitsteken, en over het geheele tooneel zweven. Als hij het hoofd maar even beweegt zwaaien de twee veeren met breed gebaar hoog achter hem.

De generaal To It Ho is in gewaad van donkerpaarsche, bijna zwarte zijde, met groote gouden bloemen. Hij mag niet de draken dragen van de hoogste mandarijnen. Maar er bloeien schitterende gouden bloemen om zijn zwarte verschrikkelijkheid. Zijn gezicht is ook geheel zwart, uit de mondhoeken komen vier witte strepen, die naar ooren en oogen gaan. Zijn zwart gezicht en zijn gewaad geven hem zooals hij in het hoogste moment van zijn rol het hevigste is. Dit karakter houdt hij het geheele stuk door, ook in vredelievend gesprek.

Zijn vriend Lô Tsiong is in helrood, waarover dezelfde gouden bloementooi, en het gezicht eveneens helrood, met zwarte beschildering. Hij is de roode, en To It Ho de zwarte, zoo zijn ze in den dichtsten strijd dadelijk te herkennen aan hunne kleur.

De andere mandarijnen zijn in blauw, in groen, in paarsch, wit [10] en weêr rood, maar allen in een glorie van goud, en met een fellen glans om zich heen, die in den avond gezien als een droom van licht is. Het goud is voor het eerst gezien in de zachte donkerheid van den avond als een immens orkest, dat luid uittrompettert uit een stilte.

Han Lee Hoa is gekleed als een jonge vrouw, die niet allereerst vrouw wil wezen, maar een leerling van een in mysterieën ingewijde toovenares, als een mensch, die weldra een Geest zal kunnen worden. Daarom is zij zonder waaiend gewaad, zonder eenig sieraad, en zonder harnas, want zij is onkwetsbaar. Zij heeft een nauw vest van eenvoudige zwarte stof, vast om het lichaam gekneld, dat daarin slank en tenger te zien is, een blinkende gordel, en een nauwe broek. Al hare bewegingen zijn uiterst gevoelig en sierlijk. Er is als een slangachtige kronkeling in haar lijf, en ze kan zóó lucht omhoog springen in het nauwe kleed, met haar zeer fijn, elastiesch lichaam, dat het is, alsof ze vanzelf, door een zachten ademtocht gedragen, omhoog zal gaan. De haren zijn heel eenvoudig op het hoofd vastgebonden in een wrong.

Het eenige uitsluitend vrouwelijk mooie is haar gezicht. Dit is teêr beschilderd en bepoederd met rood en wit, tot een superbe kleur, "als perziken" zooals een chineesch dichter zegt. Oogen, die somtijds zoo sereen-zacht kunnen zijn "als een stil water in den herfst bij avond", en wenkbrauwen, met statig gebaar opgaande, "als de omtrekken van heel verre bergen" zoo teer. De lippen wijnrood, als voor veel vurige kussen.

De meer ondergeschikte spelers, gevolg, dienaren en soldaten zijn eveneens in kleurige dracht, zonder goud, maar meestal hel rood, dat onder het fakkellicht vlamt met den glans van moord en oorlogsgeweld, die bij dit spel van strijd en doodslag behoort.

Met alléén de superbe kleuren der gewaden, en de actie der spelers als middelen, wordt het moeilijke stuk gespeeld, met een zekerheid en een aplomb, alsof de beste monteering medewerkte, om den geweldigen indruk te geven.