Wijsheid en Schoonheid uit China

Part 2

Chapter 22,700 wordsPublic domain

Het is mij een genoegen dit alles te kunnen schrijven zonder vrees, dat het een slechten indruk van het Chineesch tooneel zal geven, want juist het primitieve van de samenstelling geeft aan de voorstellingen iets aantrekkelijks en weldadig-poëtisch, dat ik nog nooit bij eenige uitvoering in Holland heb genoten. Vooral bij avond doet een Chineesche tooneelvoorstelling op zijn mooist. In de zoele lucht zitten de in lichtblauw of groen gekleede Chineezen zoo mooi van kleur onder de majestueuse takken van den grooten banyan-tree,--anderen staan gracieus geleund tegen de pilaren van den tempel, met die gemakkelijke losheid, die elk gewoon oosterling iets schilderachtigs geeft. Prachtig doen de zachte kleuren van hunne gewaden in het avondlicht, en somtijds vlamt er de weerschijn over van de helle fakkels op het tooneel. Er is een eerbied en een stilte onder de honderden toeschouwers, bijna ongeloofelijk voor een westerling, die nergens politie of soldaten ziet. Er wordt niet eens geapplaudisseerd, en als men beweegt, of van zijn plaats gaat is dat bedaard, met zachten stap. Er is een eerbied en een liefde voor het tooneel in China, die bewijst, dat zelfs in dezen laatsten, verdorven tijd der Tai Ts'ing dynastie het kunstgevoel van het volk nog even levendig is als in den gouden eeuw, toen de groote tooneelspelen werden geschreven.

De voornaamste klassieken, waaruit de spelen zijn getrokken, zijn de Tong Tsiu Liet Kok, de Sam Kok Tsi--of Annalen der drie Rijken--, de Tông Su, of Dingen der Thang-dynastie--, de Se Iû, of Reizen in het Westen, de Tsing Tong, of de Strijd in het Oosten, de Tsing Se, Strijd in het Westen, en anderen, te veel om op te noemen.

Deze--klassieken en legenden--zou men de romantiek der allereerste Chineesche middeleeuwen kunnen noemen. Dit was de tijd der groote oorlogen, toen de Chineezen de veroveraars van bijna geheel Oost-Azië waren. Men vindt er dezelfde wonderen in terug als die uit de Nibelungen--en andere liederen. Er zijn helden, die onoverwinlijk zijn, die beroemde zwaarden hebben, waarmede zij zelfs duivels en geesten weêrstaan, er zijn wonderkappen, die onzichtbaar maken, wonderspreuken, die legers demonen te hulp kunnen doen roepen, en bokalen, waaruit een groot vuur wordt getooverd, dat de vijanden bij duizenden verbrandt. Er zijn vrouwen, die onverwinlijke krijgshelden zijn, en hun geliefde met geweld van zwaard, en met duivelskunsten veroveren. Doodsvijanden vervolgen elkaar onder de zee, in de lucht, en tot in het binnenste der aarde. Er komen wereld-branden, die de legers verdelgen, maar goede Geesten laten hemelwolken neêrvallen, om ze weer te blusschen, en den lievelings-held te redden uit het vuur. Wonderpaarden vliegen sneller dan met tooverkracht geworpen speren, en er zijn pijlen, die tot in de wolken gaan.

Er is al het kinderlijke, onware, onbeholpene in van alle romantiek, maar ook al het geweldige, reusachtig schoone, dat Heine de Nibelungen-liederen deed vergelijken bij een strijd, in eene eindelooze vlakte, tusschen immense domtorens, om de ontzaglijke Nôtre-Dame.

En deze kinderachtige, maar imposante romantiek wordt in het tooneel voorgesteld op een even kinderachtige, imposante wijze, die een indruk op mij maakte, zooals ik die van ons zoo beschaafd en geavanceerd Tooneel nooit heb gekregen. De Chineesche tooneelspelen missen het begoochelende, gemakkelijk makende van onze monteering en décors, maar er is dat machtig-sterke in, dat grootsch-eenvoudige, dat een stuk tot groote kunst maakt. En dat de gewone Chinees uit den lageren stand zóóveel moois voelt van een zoo primitief voorstellen, dat hij er uren lang in stille aandacht voor in de nachtlucht staat, na zijn beestachtig zwoegen van dag aan dag, is een bewijs, dat in het Chineesche volk onder deze treurige regeering nog een intuïtief gevoel voor kunst sluimert, een gelukkig teeken voor een te herwinnen beteren tijd, èn voor het volk zelf, èn voor zijn kunst.

Er is toch stellig wel niets primitievers denkbaar dan een tooneel, waarop de acteur, nadat hij "àf" is, kalm terzijde gaat staan, en een kopje thee drinkt, of zijn pijp aansteekt, en met een der figuranten, die "gevolg" voorstelt, een praatje begint. Ook wordt van gewaad verwisseld op het tooneel, zelfs vlak achter een held, die nog in de rol is. Men kan, zonder dat dit eenigszins wordt bedekt gehouden, een acteur zijn gelaat zien beschilderen, of zijn baard vastplakken, voor een spiegeltje. Als twee lange stokken worden opgericht, en daartusschen een stuk zeildoek, stelt dit een stadsmuur voor. Als er met de handen roeigebaar wordt gemaakt, stelt het tooneel een zee voor, en zijn de spelers op schepen. Een klein kruitvlammetje is een wereldbrand, en wat neêrgegooid water is een wolkbreuk. Een bijna onmerkbare houding van de handen bewijst, dat de speler te paard zit, en als men de voeten op-en-neer stampt, heen en terug, trekt men een wagen voort. Een plank, waarlangs men voorzichtig vooruitgaat is een gevaarlijke brug over een zee, en een kleine sprong òp is hoog wègvluchten in de wolken.

Maar het mooie hiervan is, dat het niet belachelijk wordt gevonden, en dat de ernst van den toeschouwer niet breekt bij zulke vreemde voorstellingen. De aandachtige Chinees is zóó in beslag genomen door de schoonheid in het spel, dat hij het leelijke er vlak bij niet ziet, zijn fantasie is vlug en gewillig en volgt met wonderlijke snelheid de bedoeling van een gewichtig feit door het slechts éven aanstippen er van. Hij is nooit vermoeid, en laat zich door niets van zijn stuk brengen. De Chinees beschouwt al de primitieve voorstellingen als heldere symbolen, en hij verlangt volstrekt niet meer dan de schoonheid van het stuk zelf als geschiedenis. Hij wil alleen de bewegingen en het stemgeluid der levende menschen vóór hem, begeleid door den maatgang der muziek.

I.

Om een goed denkbeeld te geven van een Chineesche tooneelvoorstelling zal ik er een uit velen beschrijven. Een der populairste is wel het stuk, waarin een vrouwelijk krijger, Han Lee Hoa, de heldin is.

Dit stuk is getrokken uit het zoo populaire boek Tsing Se,--en speelt ten tijde van keizer T'ai Tsung van de Thang dynastie, dus ongeveer in de eerste helft der zevende eeuw na Christus' geboorte. In deze periode was de beroemde veldheer Si Dzîn Kuì over de Westersche grenzen van het rijk aan het oorlogen met de Se Liông en andere barbaren. Hij had onder zijne bevelen den grijzen generaal T'ia Kao Kim, die "de pilaar des rijks" werd genoemd, en den titel van koning voerde, benevens de hooge militaire mandarijnen Lô Tsiong en To It Ho. De held van het stuk is Si Ting San, de zoon van den opperbevelhebber Si Dzîn Kuì. Na een reeks van schitterende overwinningen behaald te hebben trekken deze veldheeren met een groote vloot op naar de vijandelijke provincie Hân Kong Koan. Op dezen tijd--in het vierde deel van den Tsing Se--begint het tooneelstuk, dat gewoonlijk Han Lee Hoa wordt genoemd.

Ik zal eerst den loop der gebeurtenissen beschrijven, en vervolgens het spel der acteurs verklaren.

In de te veroveren stad Hân Kong is bevelhebber de oude Han Hông, die den titel van koning had, een beroemd wijze en tacticus. Hij zendt zijne twee zonen met een groote vloot uit, den Chineeschen vijand tegemoet. Deze twee, Hân Liông en Han Ho, vallen de Chineesche vloot aan. De slagen in die oude tijden werden niet geleverd, zooals nu de gewoonte is. Het ging in de oude Chineesche oorlogen als in de oude grieksche. Meesttijds daagden de opperhoofden elkander uit, terwijl de legers lijdelijk toezagen. De twee zonen van den ouden Han raakten slaags met de Chineesche generaals To It Ho en Lô Tsiong, elk op hun schuit. De Chineezen bleven overwinnaars, en Han's zonen, beide gewond, vluchtten in allerijl, gevolgd door hun vloot, waarvan het grootste gedeelte veroverd werd door de Chineezen. Nu was de zeeslag gewonnen, maar de stad Hân Kong nog niet ingenomen. Deze stad lag bijna onneembaar, op hooge rotsen. De bewoners vluchtten binnen de muren, en wierpen van daar groote rotsblokken en brandende palen naar beneden. Toen Si Dzîn Kuì dus zag, dat de stad moeilijk door bestorming te veroveren was, besloot hij haar te omringen, en sloeg een kamp van tenten op in de vlakte. Inmiddels was in de stad de oude koning Han in groote rouw, toen zijne twee zonen, de beste krijgers die hij bezat, gewond en verslagen waren teruggevlucht. Hij zat in diepe droefenis verzonken, toen zijne vrouw hem kwam vertellen, dat hun dochter Han Lee Hoa juist denzelfden dag was teruggekomen. Dit meisje is de heldin van het stuk. Zij was op achtjarigen leeftijd door een oude toovenares, genaamd de oude moeder Lee San, gestolen, en opgevoed op een verren berg. Deze toovenares was ingewijd in alle mysteriën van leven en dood, kon van gedaante veranderen, en beschikte over alle krachten in de natuur. Zij had Han Lee Hoa van jongs af aan van hare tooverkunsten en wonderkruiden geleerd. De oude koning Han voelde de hoop herleven, toen juist in dezen uitersten nood zijn dochter was teruggekomen, liet haar dadelijk roepen, en vroeg haar, of zij niet door wondere geneesmiddelen haar zwaar gewonde broeders kon genezen. Dit was voor Han Lee Hoa een kleinigheid. Zij bestreek de wonden met een tooverkruid, en de beide krijgshelden waren weer even gezond als te voren.

Han Lee Hoa had nog wel erger tooverkunsten tot haar beschikking. Zij had onder anderen de macht om geheele bergen te verzetten waar zij maar wilde, van de zee boven het land uit te storten; zij bezat wonderboonen, die, als zij ze om zich heen strooide, in onoverwinlijke helden veranderden. Zij had een knots, waarmede zij geesten kon verslaan, een tooverspreuk, op een amulet, waardoor zij een tweede lichaam kon aannemen, een wonderring om vijanden in te vangen, en een discus, die na den worp weer bij haar terugkeerde.

Koning Han vertelde haar, hoe de Chineesche veldheer Si Dzîn Kuì en zijn zoon Si Ting San de stad belegerden, na zijn vloot verslagen te hebben, en smeekte haar, hem met hare geestenmacht te helpen, en hare broeders te wreken. Toen Han Lee Hoa dit hoorde, was er heimelijk groote vreugde in haar hart. Zij wist meer dan gewone menschen konden weten. Hare Meesteres, de oude Moeder Lee San, had haar namelijk van tevoren gezegd, dat zij met den held Si Ting San "verwantschap-uit-een-vorig-leven had", dat is, dat hun vorige levens zóó waren geweest, dat zij in dit leven onvermijdelijk man-en-vrouw moesten worden. Zij was dus niets verwonderd, dat Si Ting San de stad van haar vader belegerde. Het heel natuurlijke Noodlot had hem zoo vlak bij haar gebracht, opdat hij haar op den vooraf vastgestelden tijd zou ontmoeten. Han Lee Hoa zeide hiervan voorloopig niets aan haren vader, en verklaarde zich bereid, om met het leger een uitval te doen op de Chineesche belegeraars.

Het was in dien tijd volstrekt niet bijzonder merkwaardig dat vrouwen krijgshelden waren. Vóór Si Ting San tegen Han Kong optrok had hij juist de koningin So overwonnen, van het Se Liông volk, een heldin, die door middel van tooverkunsten door vuur al hare vijanden kon verbranden. Si Ting San was in den strijd tegen haar verslagen, en vluchtte te paard door de bergen. Toen hij op het punt was door de koningin achterhaald te worden, zag hij een gewoon boerenmeisje, dat zich bezig hield tijgers dood te slaan met een knots. Dit zonderlinge meisje wees hem een schuilplaats aan in een boschje, en toen de koningin hem wilde vervolgen, gooide het sterke kind haar met een dooden tijger van het paard. Si Ting San snelde toe, en hieuw zijne vijandin het hoofd af. Uit dankbaarheid moest hij het vreemde meisje wel tot zijn vrouw maken. Dit was Tân Kim Ting. Zij was, evenals haar heer en meester, een beroemd krijgsheld.

Den volgenden dag trok Han Lee Hoa met haar leger uit de poorten van Hân Kong Koan om slag te leveren met den vijand. Volgens oorlogsgebruik werden donderbussen afgestoken, en op zware trommels geslagen. De legers kondigden meestal hun komst ridderlijk aan, om den vijand tot het gevecht op te roepen. Han Lee Hoa, die in smachtend verlangen was om te zien wie Si Ting San was, reed te paard buiten de gelederen, en riep uitdagend, dat Si Ting San uit het vijandelijk leger moest treden, om met haar den eersten kamp te strijden. De oude veldheer Si Dzîn Kuì, die een trotsch en hooghartig man was, voelde zich echter beleedigd, dat een barbaren-vrouw zóó zijn eigen zoon durfde bevel te geven, en verbood hem, gehoor te geven aan de uitdaging. Hij gelastte zijn' mandarijn To It Ho om het meisje te grijpen. To It Ho zag, hoe verleidelijk schoon Han Lee Hoa was, zooals zij, in volle wapenrusting, te paard gezeten in fiere houding tusschen de beide legers alleen stond, en antwoordde met graagte aan het bevel, zeggende, dat hij haar als vrouw zou houden, als hij haar kon gevangen nemen. De mandarijn Lô Tsiong was even getroffen van hare schoonheid als To It Ho, en vroeg Si Dzîn Kuì verlof, om ook uit de gelederen ten strijde te mogen treden, wat toegestaan werd. Beide mandarijnen reden het meisje tegemoet. Hoe dichter zij haar naderden, des te schooner zagen zij de begeerde vrouw. Han Lee Hoa ontving hen met scheldwoorden, en riep: "Jelui twee mannen met die verschoten gezichtskleur, barbaren, hoe durf je hier te komen! Je hadt beter gedaan met mijn zwaard te vermijden, dat je tot een vleeschbrij zal maken. Ik heb Si Ting San geroepen." Lô Tsiong greep zijn lans, en To It Ho zijn geelgouden strijdhamer, en zij riepen spottend: "Zijn wij dan soms óók geen mannen? Als gij ons eerst overwint, kunt gij Si Ting San roepen." Han Lee Hoa riep in woede: "Wil jelui wel eens ophouden zoo onbeleefd te zijn?" greep haar twee zwaarden, en viel aan. De lans en de hamer van hare vijanden werden naar haar hoofd gezwaaid, maar zonder zich verschrikt te toonen gaf zij een teeken met haar zwaard. Toen kwamen op dit tooverteeken van alle zijden reusachtige strijders opdagen met groene gezichten en lange slagtanden, in gouden harnas, en gewapend met zwaarden en bijlen. De twee mandarijnen schrikten "tot hun ziel niet meer paste bij hun lichaam" en vluchtten. Het geheele Chineesche leger in paniek hun achterna. Zóó kwam het verslagen leger weer in het versterkte kamp, waar Si Dzîn Kuì op den uitslag van den strijd wachtte. Deze was woedend over dezen vreemden soort veldslag en zeide: "Dit verachtelijke meisje heeft in 't geheel geen beleefdheid [4]. Zij heeft heksenkunsten." Toen wees hij To Sien Tong aan, om uit de gelederen te treden, want het paste niet aan Si Ting San om met zulk een vrouw te gaan strijden.

Het ging To Sien Tong niet beter dan de twee mandarijnen, want zij werd gewond door de knots van Han Lee Hoa, die met dit wonderwapen zelfs Geesten kon verslaan. Aan den schouder gewond vluchtte zij terug in het kamp. Nu zond Si Dzîn Kuì Si Ting San's vrouw Kim Ting uit, dezelfde, die als meisje Si Ting San gered had, door koningin So met een dooden tijger van het paard te gooien. Tân Kim Ting was een gevaarlijke vijand voor Han Lee Hoa, want zij was ook bedreven in tooverkunsten, en zou stellig de middelen van hare vijanden onschadelijk kunnen maken. Toen Han Lee Hoa haar tooverspreuk zeide, en de bovennatuurlijke krijgslieden met de slagtanden om Tân Kim Ting verschenen, uitte deze haar eigen tooverspreuk, waarvoor de monsters in angst weêr wegvluchtten. Han Lee Hoa was echter sterker, want met een wonderzwaard, van hare leermeesteres gekregen, wist zij Tân Kim Ting aan den schouder te wonden, en op de vlucht te jagen. De oude Si Dzîn Kuì bleef hardnekkig weigeren om Si Ting San uit te zenden, en beval zijn eigen dochter Kim Liên een laatste poging te wagen. Toen de beide heldinnen elkander zagen, werden zij echter beide zoo getroffen door elkanders schoonheid, dat zij geen vijandschap, maar sympathie voor elkaar voelden. Han Lee Hoa vertelde nu openlijk, dat hare Meesteres haar bevolen had, Si Ting San's vrouw te worden, omdat zij in een vorig leven daar onvermijdelijk voor bestemd was. Zonder te strijden beloofde Kim Liên, aan haren vader deze gewichtige mededeeling over te brengen. Er werd een wapenstilstand gehouden tot den volgenden dag.