Part 9
Maar, o wee, wat was dat zwaar trekken met het ezelen-karretje! Doodop waren we, toen we het ding eindelijk weer op den weg hadden gekregen, en we rustten dan ook al dadelijk even uit. Puf vond het natuurlijk heerlijk; voor alle zekerheid hadden we hem de zweep maar afgenomen, toen hij, vol verrukking over zijn zegetocht, de zweep ter hand had genomen, als waren wij een heusch vierspan. En zie, terwijl we even wachtten, daar kwam Mevrouw Laura aan in haar rijtuig met twee paarden, vergezeld van Betty en Clara.
"Wij hebben ons ezeltje verloren!" riepen we haar toe. Wij trachtten in galop haar voorbij te rijden, want de weg was daar heuvelachtig, doch Mevrouw Laura hield ons staande. "O jelui dwaze kinderen," zei ze, "wat ben ik blij, dat ik niet op jelui heb te passen."
Wij vonden dat niet erg aardig van haar, omdat wij het heusch niet zoo prettig vonden om zoo met ons karretje heuvel op heuvel af te moeten sjouwen; maar het moest wel. Daan groette haar nu beleefd, door z'n pet af te nemen, en legde haar uit, waarom we zoo deden. Hij vroeg haar, of ze Andy ook ergens gezien had; zij beloofde, ons dadelijk te zullen boodschappen, als zij hem ergens zag. Betty en Clara vonden het zoo leuk, dat ze wilden uitstappen, om met ons samen een zesspan te vormen, doch ze hadden hun beste kleeren aan, en daar kon dus niet van komen.
[Illustratie]
Na deze afwisseling gingen we weer welgemoed verder, totdat wij, dicht bij ons dorp, aan een vrij steilen heuvel kwamen. Wij stelden ons voor, er in een prachtigen galop af te draven en zoo in volle vaart ons dorp binnen te rijden. Ik vermoed, dat we het wat al te haastig aanlegden, want juist voor dat we weer op gelijken grond kwamen, scheen het karretje over te hellen, Daan en Alex konden het niet meer houden, Lena struikelde, en voor dat ik goed zien kon, wat er gebeurde, lagen wij allen door elkaar in een droge sloot, waarbij Puf tekeer ging, alsof ie vermoord werd. De mand tuimelde uit de kar, en alle borden, kopjes en schoteltjes waren aan scherven.
Daan was de eerste, die overeind scharrelde. Hij scheen er goed aan toe te wezen, was alleen een beetje gekneusd, zooals hij zei. Lena had een groote buil op haar voorhoofd, zoo groot wel als een kievitsei. Alex had een zijner beenen leelijk bezeerd en zei, dat het zeker gebroken was, maar Daan betastte het eens en besliste van niet, omdat er nergens een beentje van z'n plaats was. Puf had alleen z'n knieën bezeerd, de eene bloedde vrij erg, en ik bond er mijn zakdoek om. Ik zelf had mijn elleboog aan een steen gestooten, het deed erg zeer, maar anders ook niet.
Nadat we al deze akeligheden overzien hadden, gingen we een oogenblik in een haag uitrusten. Maar wijl er niemand kwam opdagen om ons te helpen, lieten we ons karretje liggen, nam Daan, Alex op z'n rug en zoo marcheerden we als een verslagen vijand ons dorp binnen; Lena's jurk was erg gescheurd, en mijn hoed zag zwart van modder. Toen wij zoo thuis kwamen, gaf Emma een gil van schrik. Ze was echter spoedig weer bekomen, en zei Baldwin, de kar te gaan halen. Alex ging binnen op de sofa liggen, waar de keukenmeid z'n been onderzocht. Zij meende, dat het wel voldoende zou zijn, als er een koud-waterverband werd omgelegd. Het been was wel wat gezwollen, maar er was geen sprake van gebroken.
Dat we allemaal weinig opgeruimd waren, laat zich denken, maar het was natuurlijk Andy's schuld en niet de onze. Nadat we thee hadden gedronken, kwam er een jongen aan de pastorie; hij had Andy gevonden in een grasveld, waar ie met een paar veulens aan 't hollen was. Hoe hij daar terecht was gekomen, daar begrepen we niets van; hij moèst over een heg zijn gesprongen. Wij waren heel blij, dat we 'm weer hadden, maar Daan gaf 'm een flink pak slaag. Emma vond, dat het hier nu wel een hospitaal geleek, met zooveel gewonden en gekneusden.
En nu wou ik maar, dat ik hier de beschrijving van onze ellende kon eindigen, maar het ergste moet nog komen.
Ik zat in den tuin een boek te lezen; Puf was al naar bed, en Lena speelde binnen halma met Alex. Plotseling kwam Daan opgewonden naar mij toe en riep:
"Zeg, d'r staat een boerderij in brand, een halve mijl van hier! Het is de boerderij van Gaythorpe! Ik ga er heen!" "Ik ga mee!" riep ik.
't Is wel treurig voor wie 't treft, maar we houden allen van brand; dag of nacht, altijd gingen we er heen.
Vlug zette ik m'n hoed op, en rende met Daan weg. Al spoedig zagen we dikke rookwolken in de verte. Daan vermoedde, dat er hooibergen in brand stonden.
Wij holden zoo hard als wij konden door, en toen we er kwamen, bleek inderdaad een hooiberg in brand te staan, doch de vlammen waren al overgeslagen op de stallen, die vlak aan het huis grensden. Daar er geen brandspuit dichterbij te vinden was dan te Lemworth, waren er vele menschen bezig met emmers water in de vuurzee te gooien, maar dat hielp weinig, en 't stond er dus niet best voor. Daan begon dadelijk te helpen bij het redden van de meubelen uit het woonhuis; het had een rieten dak, en er was dus weinig kans, dat het gespaard zou blijven.
Gelukkig waren de kinderen van den boer al uit het huis, en ook de paarden waren al losgesneden, zoodat er geen levende ziel meer in huis was. De boer deed al z'n best, om nog te redden, wat er te redden was.
Intusschen had een der mannen een ladder tegen het woonhuis gezet, en begon nu het riet van het dak weg te snijden; doch de ladder vatte plotseling vuur, zoodat de man z'n werk moest opgeven; zóó snel schoten de vlammen toe, dat hij z'n handen er nog bij brandde. Ik wilde Daan nog helpen met het sjouwen der meubelen, maar hij stond het niet toe; dat is geen werk voor dames, vond ie.
Eensklaps hoorde ik een gejank in een schuurtje, wij liepen toe, en daar zagen we boven een der vensters een lief klein hondje staan op den hooizolder!
"O, het is Fox!" jammerde juffrouw Gaythorpe "ik heb hem opgesloten, toen ik de kinderen uitliet!"
"Ik zal hem eruit halen!" riep Daan, en hij vloog het huis binnen en de trap op. Nog geen minuut was hij weg, of daar sloeg een vreeslijke vlam uit de schuur. Juffrouw Gaythorpe zei, dat zou van een vat petroleum zijn. Tegelijkertijd zagen we Daan, die den hond voor zich uithield boven het venster.
"Zal ik hem eruit werpen?" riep Daan.
"Kom zelf er gauw uit!" riep de boer. "Het vat met petroleum is gesprongen!"
Daan verdween weer. Maar spoedig verscheen hij aan het venster en riep: "De trap staat in brand! Ik kan niet naar beneden!"
[Illustratie]
Ik stond te trillen op mijn beenen van angst. "Houdt een deken gespannen!" schreeuwde Daan. "Ik zal Fox erin gooien. Twee mannen spreidden een deken uit, en Fox werd er in opgevangen. Intusschen was Gaythorpe de ladder gaan halen, maar die was gebroken en nu te kort, om Daan te bereiken. Een andere werd gehaald, die was ook te kort. Toen werden ze aan elkaar gebonden. Ik stond doodsangsten uit, maar Daan bleef kalm.
"Schiet wat op!" riep hij; "het vuur komt hier al in de kamer!" En geen seconde daarna stond hij al in een rookwolk gehuld; het huis brandde als papier weg.
"O Daan, Daan!" jammerde ik. "Is er niemand, die hem redden kan?" En meteen hoorde ik, dat de ladders al zóó verkoold waren, dat ze niet meer te gebruiken waren. En nog verloor Daan den moed niet.
"Werpt me een touw toe!" riep hij nu weer. "Ik moèt hieruit, de vloer begint al onder mij te branden." Hij stond nu in de vensterbank; men haalde een matras, en vier mannen hielden haar gestrekt.
[Illustratie]
"Spring!" riepen ze. "'t Is je eenige kans!"
Een oogenblik aarzelde Daan .... hij keek omlaag .... hij was zoo hoog .... nog even gekeken .... daar sprong hij omlaag .... ik deed m'n oogen dicht....
Ik vrees, dat hij te wild gesprongen heeft, want ik hoorde een vreeslijk gekraak. Nooit zal ik dit ontzettend oogenblik vergeten. De menschen gilden van schrik, en toen was het ineens doodstil. Ik vloog er heen, maar boer Gaythorpe greep me bij den arm.
"Hier blijven, kind, dat is niet voor je om te zien. Arme, arme jongen!" Wat mij nog nooit overkomen was: ik viel in zwijm. En toen ik weer bijkwam, was ik in een huisje gebracht, waar een vrouw bezig was in mijn neus met verbrande veeren te kietelen. Dadelijk herinnerde ik mij alles, en vroeg verschrikt: "Waar is Daan?"
"De dokter is bij hem, lieve. Gelukkig was die net onderweg naar boer Turt, waar hij den brand zag en dadelijk naar hier kwam."
"Is hij dood?" vroeg ik schreiend. "O toe, hij kan niet dood wezen!"
"Kom, kind, we willen er 't beste van hopen!"
Ik stond op, en liep zoo snel als ik kon naar buiten, waar ik Baldwin vond. Ook de keukenmeid was hier gekomen, en stond handenwringend te schreien. Ik ging het huis binnen. Daar kwam de vrouw, die daar woonde, op mij af, en op mijn geroep van "Is hij dood?" antwoordde ze:
"Och lieve, houd moed, hij heeft gebroken beenen, maar jonge beenen genezen spoedig, zeggen de dokters! Kom, binnen twee dagen lacht ie alweer! Maar hij mag niet vervoerd worden. Ik ben verpleegster te Lemworth geweest, en ik zal hem zoo best verzorgen, als ik kan. Dat beloof ik je!"
We bleven nu in de kamer naast die waar Daan lag, op den dokter wachten.
HOOFDSTUK XIV.
Dr. Fenning is al oud, hij woont zes mijlen bij ons vandaan. Glimlachend kwam hij uit de ziekenkamer, hij bemerkte wel, hoe beangst we allen keken. "'t Zal wel gaan," zei hij, "mits hij met zorg verpleegd wordt. Maar hij moet volledig rust houden, niemand mag hem zien dan juffrouw Blatch. Zij zal hem verzorgen naar mijn aanwijzingen."
[Illustratie]
"Och dokter," smeekte ik, "zou ik hem niet even mogen zien, heel even maar? Vader is op reis. Is hij erg gewond?" "Het is een geluk, dat hij juist op het gras terecht kwam, en het is een wonder, dat hij er nog zoo goed aan toe is, als nu. Gewond? Ja, hij heeft een rib gebroken en ook een arm is gebroken, verder een leelijke wonde aan z'n hoofd, maar hij is nog jong en ik zal het wel met hem klaar spelen. Ga jelui maar gerust naar huis, hij is hier goed verzorgd."
Baldwin en de meid wilden nog weer wat aan Dr. Fenning vragen, maar hij werd ongeduldig en ging heen, zoodat wij naar huis terugkeerden. Lena en Alex wisten nog van niets af, die had ik dus al het droeve nieuws te vertellen. Wij besloten, dat ik dadelijk aan vader zou schrijven, en hem alles vertellen. Nog vóórdat ik naar bed ging, geschiedde dat, zoodat de brief den volgenden morgen nog met de eerste post wegkwam.
En toen naar bed. Voor 't eerst van m'n leven verlangde ik naar bed, om tot rust te komen na zulk een vreeselijken dag. Van oververmoeidheid viel ik dadelijk in slaap; toen ik den volgenden morgen wakker werd, was het mij, als lag er een zwaar gewicht op mijn hoofd: het was de herinnering aan Daan. Bij het ontbijt kwam er een brief van vader; hij schreef, dat grootmoe was gestorven, en dat hij niet eerder dan na de begrafenis kon thuiskomen, dat was Zaterdag. Lena en ik waren droevig gestemd; we konden maar niet gelooven, dat grootmoe werkelijk dood was.
Alex had nog veel last van zijn verwonde been, hetgeen niet opwekkend werkte op z'n humeur. Daar er dus thuis weinig aantrekkelijks te beleven viel, gingen wij maar weer eens naar juffrouw Blatch, om te hooren, hoe het met Daan ging. Zij vertelde ons, dat hij sliep, en niet gestoord mocht worden.
"Heeft hij veel pijn?" vroeg ik. "Spreekt hij ook over wat er gebeurd is?"
"Hij is niet geheel helder nog, lieve; maar dokter geeft hem wat in, om rustig te blijven. Hij zal wel voorspoedig genezen, wees daar maar niet bang voor."
"Vader komt niet vóór Zaterdag thuis," vertelde ik haar, met tranen in de oogen; "en zonder Daan is het nu thuis zoo eenzaam. Weet u zeker, dat hij niet sterven zal, juffrouw?"
"Ik heb er alle hoop op, kindlief. Als de goede God ons helpt, zal 't niet aan mij liggen."
"Toe Lena, laten we dan maar naar huis gaan en voor hem bidden; wat verkeerd van ons, dat we dat nog niet gedaan hebben!"
Zoo gingen we weer terug. Lena was ongewoon ernstig; thuisgekomen, gingen we dadelijk naar onze slaapkamer, knielden voor ons bed neer, en baden, dat Daan spoedig mocht genezen. Toen we gebeden hadden, gevoelden we ons wel moediger gestemd. We gingen vervolgens naar Alex, die nog altoos op de tot bed ingerichte sofa lag. Puf was met Andy aan 't rijden in 't grasveld.
[Illustratie]
Wij vonden Alex erg terneergeslagen. Toen we hem van Daan vertelden, zei hij: "Maar ik ben er ook leelijk aan toe, mijn been wordt al erger. Ik denk, dat er koudvuur is bijgekomen, het wordt zwart. En dan ben ik spoedig evenver heen als Daan, en dan zullen ze mijn been afzetten, en kan ik de rest van mijn leven op één been rondhinken."
Wij werden beangst door zijn spreken en vroegen hem, zijn verband eens af te doen, dat we zijn been bezien konden. Toen ik het zag, riep ik verlicht uit. "O, dat zijn de ontvellingen, dat ziet er altoos veel erger uit, dan 't is. Die heb ik ook gehad, op mijn armen."
"Ja," riep Lena, "en ik ook, kijk maar op m'n voorhoofd."
"Puh!" zei Alex. "Wat zou nu jelui gebeuzel over die ontvellinkjes te maken hebben met mijn been! Had ik den dokter maar laten roepen! Die meid denkt, dat ze heel knap is, maar zij maakt nog gehakt van me."
Wij konden niet helpen, dat we in den lach schoten, want dat zegt Mary altijd tegen tante, als ze niets weet voor 't middagmaal. "We zullen d'r maar gehakt van maken, juffrouw." Ze zou ons op die manier wel dag aan dag gehakt willen geven, als ze er ten minste vleesch voor krijgen kon.
"Het zal mij benieuwen, wat voor pijn Daan heeft," merkte ik op. "Wat een verschrikkelijke dag gisteren!"
"En daar was Andy de schuld van," mompelde Alex. "Als hij niet was weggeloopen, zou ik mijn been niet bezeerd hebben, en dan was ik met jelui naar den brand gegaan."
"En wat dan?" vroeg ik.
"Dan zou ik Daan hebben weerhouden van zijn dwaasheid, om een brandend huis binnen te rennen."
"Hij heeft den hond gered," zei ik. "Ik geloof, dat hij daarmee een goede en dappere daad verrichtte. Ik zou niet graag in zijn plaats zijn geweest, toen hij daar gereed stond, om van boven af te springen. O, wat was dat vreeselijk, om te zien. En dan die angst, om toch vooral op de matras te springen! En toch stond hij er zoo dapper en kalm bij. De lui uit 't dorp noemden hem een echten held!"
Alex zei niets meer. Wij droegen hem naar den tuin, waar hij in 't gras kon liggen, en wat met ons babbelen. Wat duurde die dag lang! Mary en Emma waren naar juffrouw Blatch gegaan, om naar Daan's toestand te informeeren; ze waren vreeselijk lang onder weg, omdat ze in 't dorp met iedereen gingen praten over de vreeselijke gebeurtenis. Juffrouw Ribbon vond, dat wij vader hadden moeten telegrafeeren over Daan; maar later zei ze weer, dat 't toch maar beter was, zooals we gedaan hadden want in een telegram kan je niet alles goed duidelijk maken.
Tegen den avond kregen we bezoek van Mevr. Rogers. Wat waren we blij, dat zij eens kwam kijken. Ik verbeeldde mij zelfs, dat ik er behoefte aan had, nu ook eens met groote menschen te praten. Zij wilde ook Daan gaarne zien, en bleef wachten, totdat dokter kwam. Ook wilde ze aan vader schrijven.
"Jelui moeten allemaal maar eens een heelen dag op de boerderij komen," zei ze, "dan kun je mijn man meteen weer eens wat opmonteren."
"Maar," merkte ik op, "wij hebben de laatste dagen niet anders gehad dan ongelukken; brand en dood en ziekte, zoodat we ons niet erg opgewekt gevoelen."
"Jawel kinderen, dat weet ik wel, maar we moeten nu niet alles van den zwarten kant bezien. Andy is weer terecht en niemand van jelui is levensgevaarlijk gewond bij den tuimel in de droge sloot. En Daan wordt alweer beter, en Zaterdag komt je vader weer thuis. Kom, kom!"
"O ik wou, dat u hier kondt komen en blijven, totdat vader weer thuis is!" riep ik zuchtend uit.
Maar Mevrouw zei, dat ze den kapitein niet alleen kon laten. We waren echt bedroefd, toen ze weer vertrok, maar wij beloofden haar toch, den volgenden dag op de boerderij te komen doorbrengen. Zoo geschiedde, en we hebben ons best vermaakt.
Intusschen kreeg ik een tweeden brief van vader, en Mary kreeg er ook een. Hij schreef, dat hij onmiddellijk naar huis had willen terugkeeren, doch dat hij eerst aan den dokter getelegrafeerd had, die hem berichtte, dat het niet noodig was, omdat Daan goed vooruitging. Verder schreef hij nog, dat hij zoo moeilijk vóór grootmoe's begrafenis kon wegkomen, omdat er nog zooveel te bespreken en te regelen was. En dan deelde vader ons mee, dat in plaats van tante Caroline, tante Marie Zaterdag met hem mee kwam. Dat was een blijde tijding voor ons! Tante Marie kan 't best geschiedenissen vertellen, beter dan wie ook. Als wij in den winter om 't gezellige haardvuur in 't schemerdonker zijn neergezeten, dan begint zij te vertellen van den burgeroorlog, die eeuwen geleden werd gevoerd. Zij vertelt ons van jongens en meisjes, die hun vaders in donkere kerkers opsloten, en waaruit ze dan weer door geheime gangen ontvluchtten. En ons hart beeft, en we houden onzen adem in, als ze vertelt van die ontvluchtingen, dat de menschen bijna weer werden gegrepen. De tijd vliegt om, en eer we 't weten, is 't bedtijd. Het is heerlijk, naar tante Marie te luisteren!
Langzaam herstelde Daan; toen vader en tante Marie thuis kwamen, kon hij nòg niet vervoerd worden; dat gebeurde pas drie weken later. Toen hij thuis kwam, zag hij er nog erg bleek en smalletjes uit; zijn arm droeg hij nog in een verband, en hij moest steeds nog in bed blijven.
[Illustratie]
Overdag gingen we veel bij zijn bed zitten, om hem op de een of andere manier gezellig bezig te houden. Den eenen keer deden wij spelletjes met hem, den anderen keer haalden wij acrobatische toeren voor hem uit. Alex beproefde, over een stok te loopen, dien hij tusschen twee stoelen gelegd had, of balanceerde een glas op z'n neus. De stok brak, en hij maakte een flinken smak. Gewoonlijk was Daan bij al deze uitvoeringen best in z'n schik, doch toen ik op een Zondagmiddag bij hem kwam zitten, vond ik hem heel ernstig.
Hij had het over mijn Zondagsschoolklas en zei: "Vader had toch wel gelijk, Griet, ik was er niet voor geschikt, die kleintjes te leeren. Ik had de taak van een dienstknecht op mij genomen, terwijl ik het nog niet eens was. Weet je wat ik dacht, toen ik daar in het venster stond te wachten op de ladder, en de vlammen reeds om mij heen lekten?"
"Neen," antwoordde ik, "ik wist wel, dat je aan iets dacht, je keek zoo ernstig en kalm. Hè, laten we daar maar niet meer over praten, 't was vreeselijk!"
"Maar ik wou er nu juist zoo graag eens over praten. Het waren de woorden van den ridder, die mij door het hoofd vlogen: Semper fidelis, semper paratus. En ik gevoelde, toen ik den dood voor mij had, dat ik niet paratus, niet bereid was. En bovendien, ik was niet fidelis, niet getrouw geweest."
"Maar je keek toch niets bevreesd," merkte ik op. "Ik dacht juist, dat je niet zag, hoe dicht het vuur al bij je was."
"Het staat niet dapper, om bang te zijn," zei Daan met z'n oude deftigheid; "het is niet in den vorm, om je gevoelens aan iedereen te openbaren." En hij vervolgde:
"Maar met dat al zat ik leelijk in de benauwdheid, en daar was reden voor, want ik was niet bereid om te sterven. Wat zou jij hebben gedaan, Griet?"
"Ik denk, dat ik het uitgegild zou hebben van angst," antwoordde ik. "Maar niet voor het sterven zou ik zoo bevreesd zijn geweest, doch voor 't vuur. Ik geloof, dat ik -- ik aarzelde even verder te gaan, want ik vind het altijd moeilijk over mezelf te spreken -- dat ik niet bang voor den dood zou geweest zijn, omdat alles daarna wel weer in orde zou gekomen zijn."
"Hoe weet je dat?"
"Dat staat in den Bijbel. Ik denk aan dat hoofdstuk over de schapen, en hoe Jezus daarvan zei: Ik geef hun het eeuwige leven, en nimmer zullen ze omkomen, en niemand zal ze uit Mijn hand rukken."
"Jawel, maar hoe weet je nu, dat jij een van die schapen bent?"
Aarzelend antwoordde ik: "Hij stierf voor mij, Hij riep mij en ik ging tot Hem. Anders kan ik er niet van zeggen." Daan was even stil, en sprak toen:
"Ik wil ook zekerheid van mijzelf hebben, voor dat ik dit bed verlaat. Ik wil er zekerheid van hebben, dat, als ik plotseling den dood ontmoet, ik zoo gerust zal zijn, als kon het mij niets hinderen. Een mensch moet geen enkele oorzaak _in_ zich hebben, om bevreesd te zijn. Ik zal paratus, bereid zijn om te sterven. Daar wil ik ernstig naar streven."
"Vader kan je daarin helpen," zei ik.
Verder spraken we niet over deze zaken, en enkele dagen daarna zei Daan tegen me: "Ik heb zekerheid nu. Of beter gezegd, God heeft mij die zekerheid gegeven. Ik heb er alle hoop op, dat ik nu nimmer meer bevreesd zal zijn voor den dood. En ik hoop ook, dat als ik paratus, bereid ben, ik dan ook in staat zal wezen, fidelis, getrouw te zijn."
Ik knikte even, en wij spraken er verder niet meer over. Toen Alex weer naar school ging, was Daan nog niet geheel hersteld. Lena en ik kregen nu les van tante Marie. Langzaam aan begon het buiten koud en nat te worden: de winter naderde, en onze kachels werden weer te voorschijn gehaald.
Als we niet buiten konden spelen, speelden we thuis veel verstoppertje en dan deed tante Marie ook mee. Ook ging zij wel met ons uit rijden in 't ezelkarretje, terwijl ook vader er af en toe al eens gebruik van maakte voor huisbezoek. Zoo begon Andy meer en meer nuttig te worden; hij bracht pakjes naar 't station, reed iedere week met mij en Annie Steel, en deed boodschappen in 't dorp. En eindelijk kon ook Daan z'n eersten rijtoer weer maken, waarna hij spoedig ook weer naar school ging.
Tante Marie veranderde de kooroefeningen van Zaterdag op Vrijdag, en dat vonden we heerlijk. Dan konden we den ganschen Zaterdag uitgaan. Regende het op Zaterdag, dan was het een allervervelendste dag. Den ganschen dag verveelden we ons dan, en meermalen werd hij besloten met een vechtpartij.
Verleden Zaterdag regende het den ganschen dag. Wij sloten ons 's morgens op in de leskamer, en bedachten allerlei raars. Alex vond, dat Andy nu toch wel eens wat kunstjes mocht leeren; 't moest zoo'n soort circusezel worden. Opzitten b.v., en aan een tafel eten, dansen op de maat der muziek, pianospelen met z'n hoeven, en meer van dat moois.
Wij staken de hoofden bijeen, bespraken fluisterend een plannetje, en Alex rende weg. Hij ging kijken of Andy in den stal was gebracht. Lena en ik gingen naar boven, naar onze "lorrendoos", dat was een doos, waar tante Caroline afgedragen kleeren in bewaarde. Wij vonden er een oude slaapmuts in, een lange blauwe jurk en een witten omslagdoek. We namen naald en draad, spelden en lint, en gingen weer naar beneden, nu naar de eetkamer; de leskamer was te hoog voor den ezel.
Tante Marie was uitgegaan, om met vader een zieke vrouw te bezoeken. Daan zette de staldeur open, en Lena en ik legden kranten op den grond, ingeval Andy vuil zou wezen. Maar Alex had vooraf zijn hoeven al geboend, zoodat Andy, met den halster om, in bijzonder goed humeur kwam aangestapt. Zoodra hij binnen was, sloten we de deur, om ongewenschte bezoekers buiten te laten.
[Illustratie]
Intusschen had Daan een bos wortels, dien hij van Baldwin had gekregen, gereed gelegd voor "de dressuur". De eetkamer leende zich daar heel goed voor, want als Andy lastig werd, konden we gauw de tuindeuren openen, en dan kon ie daardoor weer z'n stal bereiken. "Zie zoo," zei Daan, "laten we nu maar es beginnen!"
Andy kreeg de slaapmuts op z'n kop, de bandjes werden om z'n hals vastgebonden en hij keek zoo grappig, dat we 't allen uitbarstten van lachen. Vervolgens werd de blauwe jurk om z'n lijf geslagen en flink met touwen vastgesjord, en toen kwam 't moeilijkste nog aan. De witte omslagdoek werd in vieren geknipt, elk stuk om een zijner pooten gewonden en daarna aan de blauwe jurk vastgenaaid zoodat de vierpijpige broek niet kon afzakken. Alles ging goed; Andy keek wel wat vreemd om zich heen, maar hij bleef rustig.
[Illustratie]