Wij en ons ezeltje

Part 8

Chapter 84,319 wordsPublic domain

"Kijk, daar zijn heelemaal geen huizen, wat een leege plek. Dit is nu echt buiten zijn. Nooit ben ik hier geweest, voordat ik bij grootmoe kwam, en sedert ik er ben, kom ik er nooit uit.

Moeder zei altijd, dat God ook buiten leeft, niet in de stad. Moeder hield niets van Londen; zij vond het zoo'n vuile stad; de lucht zie je in Londen maar heel zelden en dan nog maar een klein stukje er van. O, juffrouw, wat is het hier heerlijk! Die velden, en die boomen en die bloemen! Ik heb wel schilderijen gezien, maar die waren niet zoo levend als dit alles."

Bij een landhek hield ik stil, om haar konijnen te laten zien, die daar aan 't spelen waren, en toen een vlinder op den rand van 't karretje kwam zitten, schreeuwde ze 't uit van pleizier.

[Illustratie]

Maar ze werd al spoedig weer vermoeid van al die ongewone opwinding en toen begon ik maar eens te praten. Ik vertelde haar, hoe we aan Andy waren gekomen, en toen ik dat verhaal ten einde had, zei ze:

"Luistert God naar alle menschen, juffrouw, of alleen naar rijke lui? Ik heb nog niets van Hem gehoord, sinds ik bij grootmoe ben. Moeder kreeg altijd bezoek van een wijkzuster, maar daar hield ik niet van; ze had altoos zoo'n haast om weer weg te komen, en ze wilde altijd maar weer, dat ik naar een gesticht of naar een hospitaal werd gezonden."

"Natuurlijk luistert God naar ons allemaal," antwoordde ik, verbaasd over zóóveel onwetendheid; "bidt je niet tot Hem?"

Ze wendde haar hoofd af. "Ik was gewoon het "Onze Vader" op te zeggen, maar ik ben nu totaal vergeten hoe het is."

"Kun je lezen?" vroeg ik.

Weer schudde ze haar hoofd.

"Ik ben begonnen het te leeren, maar moeder stierf, vóórdat ik groote woorden kon lezen, en later heeft niemand het mij geleerd."

"Arm klein schaap," sprak ik met diep medelijden; "wat doe je dan toch wel den ganschen dag?"

"Plaatjes kijken en dan naaien, naaien kan ik wel. Ik maak op 't oogenblik reepjes voor een lappendeken voor grootmoeder."

"Je moet God gaan bidden," zei ik.

"Waarom?"

"Wel, omdat Hij je liefheeft. Weet je, wie Jezus Christus was?"

"Die aan een kruis is ter dood gebracht? Ja, daar heeft moeder mij wel van verteld."

"Weet je, waarom Hij is ter dood gebracht?"

Zij schudde haar hoofd, en sprak: "Het is zoo iets van het redden der zondaars en der wereld. Maar ik ben het vergeten. Ik geloof, dat Hij zeer vriendelijk en goed was. Het is al eeuwen geleden, dat hij gedood werd, is 't niet?"

"Hij is heelemaal niet dood," zei ik, als verstomd door zooveel onkunde. "Lieve kind, jij weet nog niet eens zooveel als de kinderen uit mijn klas."

Met doffe stem sprak ze: "Er is ook niemand, die me wat leert."

En ik begon maar dadelijk te vertellen, wat Jezus voor haar gedaan had. Zij had er totaal geen besef van, dat zij ook zondaar was; maar ik geloof toch wel, dat het haar na eenigen tijd duidelijk werd. Verwonderd keek ze op, toen ik vertelde, dat Jezus nòg leefde, en dat Hij nog machtig is om ons te helpen en ons te leiden, al kunnen we Hem niet zien. Zij wist niet, dat het kruis ook voor haar van beteekenis was; met open mond en groote oogen hoorde zij alles aan wat ik vertelde, en ik wenschte soms, dat een wijzere dan ik haar vertellen kon. Meteen moest ik ook op mijn ezeltje letten; af en toe hield ik even stil, en plukte wat wilde bloemen en kamperfoelie voor haar, om mee naar huis te nemen. Toen ik meende, dat we nu lang genoeg gereden hadden, bracht ik haar weer naar huis terug; maar als we 't huis naderden, begon ze te schreien en greep mijn hand.

"Zult u terugkomen en mij weer meenemen? Zult u mij niet vergeten? Toe, beloof mij, dat u me weer spoedig komt halen!"

"Ik zal probeeren, deze week nog één keer te komen, Annie, en in elk geval zal ik hier komen, om je wat te helpen met lezen; misschien kan ik dan wel een paar boeken meebrengen." Haar grootmoeder tilde haar uit het karretje en scheen nogal in haar schik.

"Nu kind, daar heb je goed aan gedaan, hoor, en 't zal Annie ook goed doen. Arm schaap, wat zou het goed voor haar zijn, als God haar maar tot Zich nam. Ze zal toch nooit voor iemand ter wereld van nut kunnen zijn."

Ik werd boos, maar ik wist niet wat te zeggen. Ik zag, hoe Annie huiverde bij het hooren van die zelfzuchtige woorden, en meende maar het best te doen, met heen te gaan. Ik nam dus afscheid. "Vaarwel, Annie! Ik kom spoedig weer bij je terug."

In draf ging het nu naar huis, en nadat ik Andy had uitgespannen, vertelde ik vader dadelijk mijn wedervaren. "Wat spijt het mij," zei vader, "dat ik haar niet eerder gevonden heb. Ik ben wel bij juffrouw Buxton op bezoek geweest, maar die vertelde mij nooit, dat ze een kleinkind in huis had."

"Zij schaamt zich voor het kind," zei ik. "Hanna vertelde mij, dat zij denkt, dat een misvormd kind door iedereen wordt gemeden. Is dat niet wreed gedacht? Vader, denkt u, dat ik haar zou kunnen leeren lezen?"

"Zeker, kind, zeker. Ga zoo vaak als je kunt naar haar toe, maar denk er aan om juffrouw Buxton te vragen, of het mag."

Toen ik den jongens en Lena van Annie vertelde, lachten ze niet, en Lena was er zelfs mee begaan. Zij haalde een paar oude poppen voor den dag, en vroeg mij, die voor Annie mee te nemen.

Bij de thee zei tante Caroline: "Ik geloof, dat Grietje den mooisten dag heeft gehad van jullie allemaal!"

"O ja, tante," zei Alex snel, "ik weet wel wat u wilt zeggen: omdat zij meer aan anderer genoegen dacht dan aan haar eigen vermaak; maar dat doet ze niet uit haarzelf, daar is ze toe aangezet. U moet haar niet verwaand maken, ze heeft al genoeg dunk van zichzelf."

[Illustratie]

"Dat is niet waar," zei ik boos.

"Hé, hé, geen getwist nu!"

Zoo komt tante altoos tusschenbeiden en we spraken dus geen woord meer over de zaak.

Den volgenden morgen kwam er een groot pakket met de post, geadresseerd aan "de Jongeheeren Daan en Alex Marjoribanks". De jongens gunden zich geen tijd om het uit te pakken, en scheurden het eene na het andere papier eraf, niet bemerkend, dat Lena en ik in ons vuistje lachten (ik had het Lena ook verteld). Eindelijk kwam een kartonnen doos te voorschijn, en toen ze die openden, vonden ze haar vol koolstronken; op den bodem lag een klein briefje, waarop de woorden: "Met vriendelijken dank van Betty en Clara."

Inmiddels waren Lena en ik een rondedans om de tafel begonnen, waarbij we hen dapper uitlachten. Ze hadden 't ook verdiend, en ik vertelde hun, dat hun pakket nooit aan 't Huis bezorgd was. Toen waren ze woest van boosheid, en scholden ons uit, dat het een lust was.

Ik zei hun nog, dat zij altijd grapjes hadden ten koste van anderen, en nooit zichzelf eens vermaken konden. Daan beloofde wraak; maar dat doet ie wel meer als ie ten einde raad is, en later is ie 't al lang weer vergeten.

Ik ging nu zooveel belang stellen in Annie Steel, dat ik er bijna iederen dag heen ging; als ik haar bezocht, had ze een kleur van blijdschap, en ze begon er werkelijk wat opgewekter uit te zien. Elken Woensdag nam ik haar mee op een rij toer.

Intusschen waren we allen druk bezig met bijverdienen, om een zadel voor Andy te kunnen koopen. De jongens verkochten aan kapitein Rogers enorme partijen visch. Zij kunnen er gewoon niet tegen hengelen, en hij betaalt best. Zelf zend ik weer groenten en bloemen naar de markt te Lemworth, waar Bob Tapson ze wel aan den man brengt, en Lena maakt weer borstplaat zonder eind. Maar het geld komt heel langzaam bij elkaar. Mevrouw Rogers kwam gistermiddag met haar man bij ons theedrinken; de kapitein liet ons den spaarpot openen; er was nu negen gulden in.

We hadden recht veel schik dien middag. De thee werd buiten gedronken, zoodat het veel had van een pic-nic; kapitein Rogers spoorde ons aan, het geld wat vlugger te maken, anders zouden we nooit aan een zadel toekomen. We vroegen hem, of hij soms een middel wist, en hij zei van ja. Het was dit: Hij en zijn vrouw wilden een wedstrijd in het boogschieten organiseeren bij hun huis; daarbij zouden veel volwassen menschen komen, en nu wilde hij ook een wedstrijd houden voor kinderen; de beste schutter zou een prijs verdienen van twaalf gulden.

"Jelui hebt dus niet anders te doen, dan dien prijs te winnen," voegde hij er aan toe; "en dan weet ik wel een adres, waar je een flink zadel kunt koopen voor een gulden of twintig."

Met gejuich werd het plan ontvangen, het was een eenig denkbeeld. Maar wij moesten den kapitein toch vertellen, dat we geen van allen konden schieten, en dat we niet met boog en pijl konden omgaan. Hij antwoordde, dat hij ons dat wel even leeren zou, dat ging heel vlug; we moesten dan maar telkens bij hem komen en oefeningen houden in den tuin bij de boerderij.

"En we kunnen ook hier een schijf opstellen en er ons op oefenen," vond Daan. "Ik zal er wel een maken, maar dan hebben we nog geen boog en pijlen. Zijn die duur?"

"Dat zullen we aan juffrouw Ribbon vragen," zei Alex. "Maar ik wil wedden, dat ze die niet heeft."

"Nee, nee," zei kapitein Rogers, "ik zal jelui enkele van de mijne leenen tot na den wedstrijd. Laat es zien: jelui zult er vier noodig hebben, is 't niet? Ieder een."

"Ik ook!" riep Puf op dreigenden toon. "Ik wil ook schieten."

Dus beloofde kapitein Rogers vijf bogen te zullen zenden, met een bundel pijlen. En Daan stelde hem voor, om moeite te besparen, dat hij dadelijk maar even mee zou gaan, om ze te halen, dan konden wij zoo spoedig mogelijk beginnen.

"En hoe maakt Andy het tegenwoordig?" vroeg de kapitein.

"Even onberekenbaar als altoos," antwoordde ik. "Soms gaat het heel goed, maar dan eensklaps krijgt hij weer z'n oude kuur van stilstaan, en geen van ons kan hem dan weer in beweging krijgen. 't Is geen trouw dier, en dat zal ie nooit worden ook."

De kapitein lachte hartelijk en trok mij aan een haarlok. "Kom hier, oud vrouwtje, en vertel mij es, wat een trouw dier is."

"Dat is er een, waarop je rekenen kunt," hervatte ik; "een dier, dat altoos hetzelfde is en waar je op aan kunt. Dat is toch de beteekenis van trouw? Gisteren hebben we 't er nog over gehad."

"Ja," zei hij, "dat is een heel juiste omschrijving van trouw. Ik denk, dat jij dan ook wel heel trouw zult wezen, Grietje."

"O, ik wou dat ik het was. Maar ik ben het niet. Men is niet volkomen trouw, als men het niet altijd en overal is, zooals onze ridder: semper fidelis. Ik tracht een trouwe dienstmaagd te wezen, maar steeds weer vergeet ik het."

"Wiens dienstmaagd? Ik zou zoo zeggen, Grietje, je bent een trouw vriendinnetje."

"Christus' dienstmaagd," was mijn fluisterend antwoord. "Hij is in alles de eerste, zooals u weet. Maar daarom zou ik dan ook evengoed uw trouw vriendinnetje willen wezen, kapitein."

"Wij zullen een verbond sluiten. Als ik in moeite of verdriet kom, en hulp noodig heb, dan weet ik, op wie ik kan rekenen."

De beide jongens gingen met den kapitein mee naar de boerderij, en kwamen al spoedig weer thuis, o zoo verheugd met hun pijlen en bogen. Reeds hebben we een schijf gemaakt van wit calico, gespannen over een met stroo gevulde platte doos. En nu hoop ik maar dat wij den prijs zullen halen; wij hebben goede kans, omdat we met z'n vieren zijn. Betty en Clara zullen ook gevraagd worden, en nog heel wat kinderen meer. Ik geloof, dat kapitein Rogers eigenlijk hoopt, dat wij het maar zullen winnen.

* * *

Het is eenigen tijd geleden, dat ik in dit boek heb geschreven, want ik heb het verschrikkelijk druk gehad. Allereerst dien ik te vertellen van onzen hand-boogwedstrijd.

[Illustratie]

Vanaf het oogenblik, dat de schijf gereed was, hebben we ons druk geoefend. Aan het einde van de laan hadden we haar opgehangen, en gingen er dan zoo ver mogelijk van af staan, om goed te leeren mikken. Die oefeningen waren wel inspannend, maar toch ook verbazend prettig. Ik zelf had er zooveel schik in dat ik boos werd, als ik er telkens weer werd afgeroepen. Dat kwam zoo.

Emma had haar voet verstuikt, en moest dagen achtereen in bed liggen, en toen ze eruit mocht, kon ze nog heel moeilijk loopen. Tante Caroline droeg nu aan Lena en mij op, de bedden op te maken, de kamers te doen, en zooveel mogelijk in huis te helpen. Het scheen ons een uitdaging, want wij wilden zoo graag vóór alles goede schutters worden. Ik kàn niet hebben, dat we zulke dingen maar half goed doen. Lena ging er vandoor, maar dàt kon ik ook niet doen, en ik hielp dus zooveel als ik kon, maar veelal met een nijdig hoofd. Ik geloof, dat ik die gansche week niet in m'n humeur ben geweest. Toen het Woensdag werd, had ik er niet eens zin in, om Annie te halen voor een rijtoer; Betty en Clara kwamen 's middags om met ons te oefenen in 't schijfschieten. Toch reed ik met Andy uit, inwendig wenschend, dat ik haar maar nooit beloofd had, iedere week te zullen rijden. Maar toen ik haar bleek gelaat zag, dat opvroolijkte toen ik aankwam, was ik beschaamd. Ik was een half uur te laat, en ze zei:

"Grootmoe heeft al gezegd, dat u niet zoudt komen. Maar ik wist zeker dat u komen zoudt. U zult mij nooit alleen laten, wel juffrouw?"

Ik antwoordde slechts: "Ik hoop van nooit!"

Annie was zeer spraakzaam. Ze vertelde, hoe ze nu geregeld bad, en ook dankte voor al het goede, dat ze ontving. Zij begreep nu ook iets van wat Jezus voor haar aan het kruis geleden had. "O, kon ik maar wat voor Hem doen!" riep ze uit.

"Van ons, die nog kinderen zijn, verwacht Hij geen groote dingen, Annie. Maar wat wij te doen hebben, dat is zóó te spreken en te handelen, alsof Hij altoos bij ons is, in onze kamer en bij ons werk; wij zien Hem wel niet, maar toch leeft Hij dicht bij ons. Hij glimlacht als we ons best doen, en met droeve oogen staart Hij ons aan, als we ongehoorzaam zijn of toornig, zooals ik vandaag."

Het deed mij goed, haar eens te kunnen zeggen, hoe verkeerd ik vandaag gehandeld had. En ik voelde mij gelukkig, toen ik weer thuis kwam, nog vol van ons gesprek en van het heerlijk gevoel, dat ik had na het erkennen van mijn zonden.

Eindelijk kwam dan de groote dag. De tuin bij kapitein Rogers was vol volk; ook waren er vier jongens en vijf meisjes, die we geen van allen kenden; zij waren met den trein gekomen uit Tenburg en zeven mijlen hier vandaan, uit Lincoln. Twee meisjes en drie jongens waren ook uit een pastorie.

[Illustratie]

Naarmate de wedstrijd vorderde werd de pret, maar ook de spanning grooter. Toen het mijn beurt was, gevoelde ik mij erg zenuwachtig; mijn hand trilde alsof ik de koorts had. Maar het ging gelukkig nogal, hoewel ik natuurlijk den prijs niet won, dat wist ik vooruit wel. Ik geloof eigenlijk, dat wij er allemaal wel zoo'n beetje op rekenden, dat Daan de gelukkige winner zou wezen. Hij stond zoo kalm, mikte zoo vast, net een volwassen man. Later zei hij nog, dat ie een gevoel had gehad, als ging het om leven of dood.

En toen bleek, dat hij den prijs had verdiend, juichten we allen als uitgelatenen. Mevrouw Rogers overhandigde den prijs in een met kralen bezette beurs.

Innig verheugd kwamen we thuis, want nu hadden we ook het zadel zelf verdiend. En geen onzer behoefde nu ooit meer geld te gaan verdienen.

Het leek te mooi, om waar te wezen.

[Illustratie]

HOOFDSTUK XIII

En nu heb ik te schrijven over een vreeslijken dag. Onze vacantie was bijna om; het zadel voor Andy was juist ontvangen, en allen reden wij druk met hem. Hij bleef ons over 't algemeen goed voldoen, en galoppeerde soms, dat 't een lust was.

Terwijl wij bezig waren, aan 't ontbijt onze plannen voor den dag te bespreken, kwam Emma binnen met een telegram voor vader. Vader krijgt vaak telegrammen over spreekbeurten, zoodat wij er weinig notitie van namen. Maar eensklaps hoorden we hem een onderdrukten snik geven, terwijl hij het telegram aan tante Caroline overgaf. Toen die het las, begon ze te weenen, en wij begrepen nu, dat er slechte tijding was gekomen. En zoo was het: Grootmoeder was gevaarlijk ziek, en vader moest onmiddellijk overkomen.

Tante Caroline riep in haar droefheid: "Zij is stervende, Jan, ik ga met je mee."

"Er is geen trein vóór 10.30, dien moeten we hebben." Tante verliet haastig de kamer, en vader richtte zich tot ons: "Kinderen, kan ik jelui met vertrouwen alleen laten? Het zou voor tante een bittere teleurstelling wezen, als ze niet met mij mee kon gaan. Wil jelui je best doen, om je goed te gedragen? Daan, jij wordt al een groote jongen, en je kent het onderscheid tusschen goed en kwaad. Op jou reken ik, terwijl ik weg ben. Grietje, neem jij Lena onder je hoede, en laat haar geen verkeerde dingen uithalen. Ik zal even met de keukenmeid een en ander bespreken. We moeten geen tijd verliezen."

Wij beloofden, ons goed te zullen gedragen. We waren wel bedroefd om grootmoeder, maar we konden ons toch ook niet ontveinzen, dat we wel een klein beetje vermaak erin hadden, nu eens alleen te zijn, zonder eenig toezicht. Dat was nooit tevoren geschied, en vooral in de vacantie is het een heerlijk gevoel, es echt alleen te wezen, en baas over jezelf te zijn.

[Illustratie]

Intusschen ging ik naar boven, om tante te helpen bij het inpakken van haar koffertje. Tante was erg in de war; ook de keukenmeid en Emma waren zenuwachtig, zoodat ze tante met allerlei vragen en opmerkingen nog meer opwonden. Toen alles gereed was, reed Daan de bagage in ons ezelkarretje naar het station.

Daar het nu Dinsdag was, beloofde vader, zeker nog vóór Zondag weer thuis te zijn. Tante Caroline kuste mij hartelijk bij 't afscheid, en zei, dat ze wist, dat ik mijn best zou doen, en ook den anderen tot voorbeeld zou wezen, omdat zij mij kende als haar vertrouwde hulp in 't huiselijk werk. Ik was zoo blijde met deze lofspraak, dat ik bijna schreide, maar ik hield mij goed, sloeg mijn armen om haar hals, en kuste haar hartelijk ten afscheid.

Toen Daan van 't station terug was, gingen wij allen naar het priëel in den tuin, om te praten over de onverwachte verandering.

"Twee dagen geleden was grootmoe nog zoo best," zei ik; "zij schreef nog aan tante Caroline, dat zij pas een rijtoertje gemaakt had. Ik wist niet, dat de menschen konden sterven, zonder eerst ziek te zijn."

"Maar zij is ziek," merkte Alex op.

"Jawel, maar ze kan toch niet ineens zoo verschrikkelijk ziek zijn, wel?"

"Och, zeker wel; dat zie je telkens."

"En wij dan ook?" vroeg Lena angstig. "Daar zou ik heel bang voor wezen. Tante zei nog wel, dat ze zeker wist, dat grootmoe al dood was."

"In elk geval," zei ik, "zal grootmoe nog heelemaal niet graag willen sterven. Maar zij is, evenals de ridder: semper paratus. En dat behoor jij ook te wezen, Lena."

"Dat ben ik niet," zei ze. "Ben jij het?"

"O, hou toch op met dien onzin!" riep Alex eensklaps uit. "En wat zullen we nu gaan doen met onszelf?"

"Een pic-nic zou heerlijk zijn," stelde ik voor. "In het gras bij de rivier."

"En dan moesten we Andy meenemen, dan kan hij eens een flink bad krijgen. Hij ziet er zoo verschrikkelijk vuil uit, omdat ie nooit een bad krijgt."

Zoo sprak Lena. Als er één ding is, waar die verzot op blijft, dan is het water en wasschen.

"En dan zullen we een ketel water koken, dan lijken we net zigeuners," vond Alex.

"Goed zoo. Laten we eerst naar de keukenmeid gaan, en zien, of die wat rauw vleesch voor ons heeft, dan kunnen we 't zelf braden."

Daan en ik gingen dus naar de keuken en de meid vond het maar wàt heerlijk, ons een ganschen dag kwijt te wezen. Zij gaf ons wat saucijzen en een braadpan met wat vet erin om ze te braden, verder een stukje konijnenvleesch, wat koude aardappelen, appelen, een stuk brood, een flesch melk, een beetje suiker, een zakje met zout en een zakje met thee. Dan holden we naar de leskamer en haalden er kopjes en schoteltjes weg, zoomede een ketel. Vervolgens werd alles in het ezelkarretje geladen, en reden we weg, allen zóó opgewonden blij met ons mooie pic-nic-plan, dat we al spoedig vergeten waren, dat grootmoe stervende was. Zoo nu en dan, als het iemand te binnen schoot en ervan sprak, keken we wat sip. Maar dat begon Daan te vervelen en hij zei:

"Kijk es hier lui, dat gaat zoo niet langer. Wij willen hopen, dat ze nog weer beter zal worden. Dat gebeurt met zoovelen en de dokters zeggen altijd: Zoolang er leven is, is er hoop. En daarom moeten we zooveel pleizier hebben als we maar kunnen, alsof grootmoe al beter werd."

Dat woord deed ons allen weer opleven. Het was ook zooveel prettiger, vroolijke gedachten over grootmoeder te hebben, dan sombere. En ik vrees, dat wel niemand onzer veel meer aan haar zal gedacht hebben, want we waren bij de rivier gekomen, en ons plan nam alle gedachten in beslag. Daan zei tegen Lena:

"Hoor eens, als jij wasschen wilt, dan moet je jezelf maar gaan wasschen; je handjes staan er goed voor, en dan kun je ook de borden en kopjes wasschen. Maar probeer het niet met Andy, want dan zal ik je met je hoofd in 't water duwen. Ezels zijn er niet voor, om gewasschen te worden."

Lena keek erg knorrig, maar ze is bang voor Daan. De toebereiding van onzen maaltijd gaf heel wat pret. Eerst werd er een vuurtje gemaakt, daarna de ketel erop gezet, want we moesten allemaal theedrinken. Vervolgens werd de braadpan opgezet, gevuld met de saucijzen, de koude aardappelen en het stuk konijnenvleesch. Het rook heerlijk! Daan en ik waren om beurten de kok; Alex wilde zóó vaak proeven, of 't eten al goed was, dat wij bevreesd werden, dat er niet genoeg voor ons allen zou wezen. En Lena kwam er telkens zóó dicht bij staan, dat ze haar gezicht verschroeide.

Ik geloof niet, dat grooten menschen ons baksel zou gesmaakt hebben, omdat het nog al sterk rook; eenmaal zelfs helde de pan zóóver over, dat eenige aardappels er uit rolden, maar ze werden niettemin met graagte opgegeten. Na het "diner" werd de thee gebruikt, zooals we dat nu eenmaal gewoon waren. Vervolgens beproefden wij de appels te roosteren, maar dat ging heel lastig en bovendien waren we van 't koken al erg vermoeid, zoodat we ze maar rauw hebben opgegeten.

Lena en Puf en ik gingen nu de borden omwasschen en spoelen; ze werden weer ingepakt en in 't karretje gelegd, waarna we verstoppertje gingen spelen. Vlak bij was een klein bosch, zoodat we er heel wat pret mee hadden. Maar toen begon ook de eerste ellende. Wij hadden Andy afgetuigd en lieten hem gras eten, maar toen we spelen gingen, vergaten we hem geheel, en eensklaps ontdekten we, dat ie er vandoor gegaan was.

[Illustratie]

Dadelijk gingen we allen op zoek, schreeuwden en klapten in onze handen, maar er was geen spoor van hem te ontdekken. Toen werden we boos op 'm. Lena vond, dat hij zich den dag had moeten herinneren, waarop hij met Puf was weggereden. En Alex zei pruttelend: "We zullen de rest van den dag wel moeten besteden aan 't zoeken naar dat oude beest! Laten we maar naar huis gaan, hij zal zelf wel den weg naar huis vinden!"

"Maar we kunnen toch het karretje niet hier laten," zei Daan.

"Span Alex dan maar in, dan zal ik hem wel sturen," zei Lena, terwijl ze danste van pret om het plannetje.

De jongens echter hadden er geen ooren naar. Nog een uur lang zochten we naar Andy. We waren al drie mijlen van huis, en we wisten niet, wat te beginnen. Ten slotte vonden de jongens 't toch maar 't beste, om met vereende krachten het karretje naar huis te brengen. Wij juichten van pleizier, want dat leek ons bijzonder. Er werd nog lang en breed over gepraat, voordat het aan 't vertrek toe was. Op voorstel van Daan werd eindelijk besloten, dat Puf in 't karretje zou zitten (hij was erg vermoeid), en dat de anderen als vierspan er voor zouden trekken. Lena en ik vormden het eerste tweespan, Daan en Alex het tweede. Gelukkig hadden we touw bij ons; na nog eens weer overlegd en geregeld te hebben, waren we eindelijk gereed, en zette de stoet zich in beweging.

"Laten we nu zeggen, dat Puf juist gekozen is als afgevaardigde voor het graafschap, en nu hebben we de paarden voor z'n rijtuig afgespannen, en trekken nu met hem de stad rond," stelde Daan voor. Dat viel in den smaak, luidjuichend riepen we allen: "Leve Puf, de vriend der arbeiders!"

Wij wisten wel, hoe dat toeging bij die verkiezingen.