Wij en ons ezeltje

Part 7

Chapter 74,356 wordsPublic domain

Den dag voor 1 Augustus waren we van 's morgens vroeg tot 's avonds laat in de weer; wij hadden rosetten van fel-roode geraniums gemaakt, om die aan Andy's oogkleppen te hechten; dan hadden we varenkruid en madeliefjes langs de buitenzijde van het karretje gehangen en verder nog slingers van madeliefjes om den disselboom gestrengeld. Baldwin wilde niet toestaan, dat we de mooiste bloemen plukten, maar we hebben toch, toen hij even weg was, eenige fijne bloempjes om de zweep weten te vlechten. Ik heb al zoo vaak mee helpen versieren in de kerk, dat ik de goede soorten wel wist te kiezen, tot groote tevredenheid dan ook van de jongens, die op dit gebied toch maar weinig te vertellen hebben.

[Illustratie]

Om half één zaten we al aan ons middageten. We kleedden ons allen op z'n Zondagsch, en wisten Baldwin nog enkele mooie rozen af te bedelen, die we om onze hoeden vlochten. Toen we uitreden, liep het halve dorp uit, om ons bloemenrijtuig te zien; ze vonden het allemaal even prachtig. Ik hoorde nog, dat een vrouw tegen haar buurvrouw zei: "Wat beleven we toch wondere tijden, mensch! Wie had dat nou ooit kunnen denken, hè? Altijd bedenken ze maar weer wat nieuws."

Met groot gejuich reden we het dorp door, en toen het veld in, een prachtig ruim en effen veld, terzijde waarvan onder een boom Kapitein Rogers in z'n mandewagentje al zat te wachten. Toen hij en zijn vrouw ons zagen naderen, herkenden ze ons nauwelijks, zóó was ons karretje veranderd door de bloemen.

Na vijf minuten kwamen ook Betty en Clara aangereden, en toen zaten we al voor de eerste moeilijkheid. Zij dachten er niet aan, Alex als koetsier bij zich te nemen, wilden bepaald zelf sturen. Alex was er leelijk door in z'n wiek geschoten; gelukkig had kapitein Rogers een goeden inval. Hij rees moeilijk uit z'n wagentje op, en liet zich met behulp van Mevr. Rogers in z'n badstoel neer; toen zei hij tegen Alex, dat hij op de boerderij den pony mocht gaan halen, dien voor het wagentje spannen, en dan daarmee deelnemen aan den wedstrijd. Wij juichten van blijdschap, want nu hadden we drie mededingers. Er werd nu afgesproken, dat Daan en ik in ons karretje zouden plaats nemen, Alex en Lena in het mandewagentje van den kapitein -- er was net genoeg plaats voor twee -- en Puf wezen we een plaats aan als controleur bij het eindpunt. Dat beviel 'm slecht; hij begon hard te huilen, en jammerde, dat hij het ezeltje had gekregen, en dat hij er mee wilde rijden. Daan zeide hem, dat hij de gansche onderneming in de war bracht, maar Puf bleef te keer gaan, en we konden zoo niet beginnen. Ik stelde hem ten slotte voor, met Daan te gaan, inplaats van mij, want het was toch ook wel hard, hem alleen te laten staan. En Daan was dat voorstel al heel welkom, want hij had liever het lichte gewicht van Puf, dan mijn gewichtigheid. Mevr. Rogers vroeg mij nog, of ik het niet akelig vond, maar ik zei haar van niet, want ik kreeg nu de gelegenheid, de drie mededingers bij den eindpaal te zien aankomen.

[Illustratie]

"Ik ben niet zoo kinderachtig, om te gaan huilen, als ik niet mee mag rijden," zei ik, terwijl ik Pufs tranen van z'n bolle wangen veegde. Hij was spoedig weer in z'n hum en klom zoo vlug als ie kon, in ons karretje. Betty vond ons wagentje heel lief. Zuchtend zei ze: "Ik wou, dat Clara en ik ook zulke aardige ideetjes hadden. Maar als jelui d'r niet bij zijn, voelen we ons lang niet zoo pleizierig."

Ik keek naar haar keurig rijtuigje met de blauwe kussens, naar het nikkelen beslag van het paardetuig, naar den prachtigen pony, en schudde het hoofd. "Jawel," zei ik, "maar wij moeten onze armoede achter bloemen verbergen, en dat behoeven jelui niet." Ze lachten luid en vonden ook, dat dàt het wel zou wezen.

Kapitein Rogers had den weg bepaald; een boerenknecht had hij hier en daar steenen laten opstellen, en toen onze kibbelpartij was beëindigd, stelde hij ons op een rij naast elkaar op. Hij had ook een echt pistool bij zich, om het vertreksein te geven. 't Was eenig!

Tweemaal moest het veld worden rondgereden, en toen ik bij het eindpunt gereed stond, leek het mij nog wel zoo aardig buiten dan in de wagentjes. Eerst scheen het, of Betty en Clara 't zouden winnen, maar langzamerhand begon Daan ze in te halen, en toen Andy ze achter zich liet, gaf ik een schreeuw van vreugde. In de tweede rondte begon de pony met het mandewagentje, die eerst een heel eind achter was geweest, steeds harder te rennen, en haalde eindelijk Daan in. Maar Daan begon Andy zóó onbarmhartig te slaan, dat zij een tijdlang gelijkop reden.

[Illustratie]

Zelfs haalde hij den pony weer in, en ik dacht werkelijk, dat hij 't nog zou winnen, toen Andy, dicht bij het eindpunt plotseling stilhield, en zóó hardnekkig, dat er geen beweging meer in te krijgen was.

Daan schreeuwde en sloeg er op los, maar Andy bleef staan, koppig en tot geen toegeven geneigd. 't Was verschrikkelijk, ik schreide haast. Al spoedig kwamen Alex en Lena aanrijden, en precies gelijk met Clara en Betty reden ze het eindpunt binnen. Zij wonnen dus beiden, en niet zoodra hoorde Andy hen hoerah! roepen, of hij zette eensklaps weer aan, en draafde naar het eindpunt, maar natuurlijk te laat nu.

Wat waren we boos op 'm! Behalve natuurlijk Alex en Lena, die 't nu gewonnen hadden; zij schenen wel heelemaal te vergeten, dat het ook hun ezel was, die verloren had. Mevr. Rogers wist niet, wie ze nu den lauwerkrans moest geven, en dus stelde de kapitein voor, dat de twee pony's nog eens tegen elkaar moesten draven; ditmaal echter maar een kleineren afstand. De pony van de boerderij won het nu gemakkelijk. En zoo kreeg Lena den lauwerkrans. Ze was er zóó verheerlijkt mee, dat ze haar hoed afwierp en den krans op haar hoofd zette.

Na afloop van den wedstrijd zochten we allen een rustig plekje aan de rivier, en bepraatten daar nog eens druk de gebeurtenissen van den heerlijken middag. Er werd een vuurtje gemaakt, en thee gezet, en rondom 't vuurtje gezeten, konden we ons heel wel verbeelden, in een zigeunerkamp te zijn aangeland.

Vervolgens werden allerlei spelletjes gedaan, vooral ook die, waarbij we konden blijven zitten, omdat Betty nog niet vlug loopen kon. 't Speet ons, toen we naar huis moesten. Naast elkaar reden wij, te weten Clara en Betty in haar, en wij allen in ons wagentje, naar huis.

Eigenlijk waren we allemaal ook nog 'n klein beetje uit ons humeur; Clara en Betty, omdat ze 't niet gewonnen hadden; Daan en ik, omdat Andy ons door z'n malle kuren had doen verliezen. Kapitein Rogers zei, dat je zooiets nu eenmaal van een ezel moet verwachten, daar zijn 't ezels voor.

HOOFDSTUK XI.

We zijn deze week begonnen met het op beurten rijden met Andy. Afgesproken is, dat we, als het onze beurt is, niet bepaald alleen behoeven te gaan, we mogen ook wel anderen meenemen; maar wiens beurt het is, die stuurt, daar gaat niets van af.

Maandagmorgen vóór 't ontbijt nog bevestigde ik mijn briefje aan den mijlpaal. De jongens wisten er niets van, en bemerkten het pas 's middags, toen er enkele menschen naar stonden te kijken; ze kwamen naar huis en vroegen mij lachend: "Wou je de menschen op je rug dragen, Griet? Dat lijkt wel zoo, want er staat op dat briefje niets van Andy."

"Dat is mijn zaak," gaf ik ze terug, "als ze d'r verstand gebruiken, zullen ze dat wel snappen." Het hinderde mij, dat ze me alweer uitlachten, want ik was zoo echt in m'n schik met het plan van personenvervoer per open équipage. Ook vader had mijn briefje gelezen, en zei tot me: "Dat vind ik best, Grietje, je lijkt in dat opzicht op je moeder. Ik ben er blij om, dat je er iets voor voelt, om je genoegens te deelen met hen, die minder gelukkig zijn dan jij."

Daan bleef den heelen dag met Alex weg; zij hadden hun boterhammen meegenomen, en kwamen laat thuis. Alex scheen zich bij dien rijtoer door de omliggende dorpen zóó ingespannen te hebben, dat hij den volgenden dag niet in staat was, zelf goed te sturen. Maar 's middags knapte hij op en reed met Lena weg; ik merkte, dat zij wat in 't schild voerden. Voor den armen Andy was 't een zware dag. Er stond veel wind, en Alex nam twee groote vliegers mee, die Daan en hij den vorigen winter gemaakt hadden.

[Illustratie]

Hij en Lena lieten de touwen geheel vieren en bonden de uiteinden elk aan een kant van 't karretje. Zij reden het dorp uit, en trokken de vliegers mee, die door den flinken gang mooi hoog stonden. Zoodra ze echter een hoek omreden, rukten de vliegers een anderen kant op, dan Andy trok. Lena vertelde mij later, dat ze gehoopt had, dat de vliegers hen hadden voortgetrokken. Andy deed z'n best ze mee te trekken, maar spoedig gaf hij het op, en bleef ineens koppig staan. Een half uur lang trachtten ze hem vooruit te krijgen; Alex liet hem keeren, en sleurde hem een eindje mee. Toen brak een vliegertouw en een vlieger verdween als de wind; de ander kwam in een boom terecht en bleef daar vast zitten; Alex klom in den boom, en kreeg hem zoo terug. Vrij tijdig kwamen ze weer thuis. Daan vroeg Alex belangstellend, waarom of ie zoo dom gedaan had. Hij had gedacht, dat Alex de vliegers had willen gebruiken als zeilen op het karretje, dan hadden ze dubbel zoo snel gereden. Maar Alex was boos op Andy en mopperde: "Ik vind 'm niet half zoo aardig meer als eerst."

"Och kom," zei ik tot hem, "je moet er eerst eens gewoon mee gaan rijden. Jij en Daan hebben zoo graag een ezel willen hebben, om je naar school te brengen, maar daarvoor heb je hem nog niet één keer gebruikt."

Alex keek zuur en zei: "Weet je waarom niet? Dat is het begin van Daan's ruzie met Sausaye geweest. Toen Sausaye hoorde, dat wij een ezel hadden, ging hij staan dansen en zong een spotliedje op vader. Daan liep dadelijk op hem toe; hij hield niet op en kreeg toen een opstopper van Daan. En als Daan 't niet had gedurfd, had ik het wel even opgeknapt."

Ik keek hem aan en zei: "Was het wel goed om zoo te doen? Sausaye mag z'n spotlust botvieren, maar de kinderen van iemand als vader moesten dat niet zóó beantwoorden."

"Sta toch niet zoo mal te preeken," zei Alex, en toen ik nog wat zeggen wou, stopte hij z'n vingers in z'n ooren en rende weg. Nu begrijp ik, waarom de jongens niet met Andy naar school willen rijden: ze zijn bang, dat ze uitgelachen zullen worden. Ik denk, dat jongens daar banger voor zijn dan meisjes.

De dag van Lena's beurt eindigde niet best. Pas na den middag reed ze uit, want we hadden tante Caroline geholpen met pruimen plukken voor jam. Zij wil altoos de jam zelf maken. Wij wilden haar allen eerst helpen, maar werden vrij moe; Lena werd stekelig, omdat zij niet vóór 't middageten met Andy kon wegrijden. "Ik zal zien, dat ik Puf mee krijg; ik heb het 'm ook beloofd."

"Zal ik ook meegaan?" vroeg ik.

"Neen, dank je, jij speelt toch maar den baas over mij. Hè, laten we die akelige jam toch laten zitten, waarom doet de meid het niet? Vader heeft tante geroepen, die zal dus zoo gauw wel niet terug zijn."

"Je behoeft niet te wachten," zei ik; "ik zal tante wel helpen; de meid moet de provisiekasten schoonmaken."

"Maar 't is veel te laat, om Andy nu nog te halen, 't is wat moois!"

Zij vloog de keuken uit; toen tante terugkwam, was het juist etenstijd.

"Ik hoop, dat er nu maar niet meer jam behoeft gemaakt te worden," zei ik. "Ik heb er zoo 'n hekel aan, en het is hier zoo heet."

"Het is heel goed voor kinderen, om te doen, wat ze niet graag doen," zei tante ernstig. "Het leven is je niet alleen gegeven, Grietje, om het voor jezelf te hebben."

Ik voelde mij beschaamd, ook omdat wij een groote vacantie hebben, en Lena en ik juist deze eerste twee weken niets aan de lessen doen. Maar tante ging voort: "Ik vind het ook zoo pleizierig niet, Griet, om in een heete keuken jam te maken, maar ik doe het, omdat het gedaan moet worden."

Ik antwoordde: "Ik dacht, dat volwassen menschen alles prettig vonden. Als zij niet willen, dan doen ze 't niet, niemand, die hen beveelt."

"Het plichtsgevoel beveelt hen," zei tante. "Als je grooter wordt, zul je soms bemerken, dat je gansche leven bestaat uit dingen, waarvan je niet houdt, en die toch gedaan moeten worden."

Dat was wat nieuws voor me. Ik dacht altijd, dat volwassen menschen alleen doen, wat ze prettig vinden. Misschien vindt tante Caroline 't ook wel niet prettig, om altijd op ons te passen; wellicht zou ze veel liever thuis zijn. Ik geloof, dat ik goed zou doen, haar beter te helpen. Ik loop altoos weg, om te spelen, als zij wat van mij verlangt. Ik denk, dat het bij het _doen_ behoort, om haar beter te gaan helpen, en ik zal het ernstig gaan beproeven.

Den ganschen middag speelde ik cricket met de jongens. Zoowat 4 uur verscheen Lena, met loshangend haar en angstige blikken. Zij riep Daan toe: "Kom gauw, Andy is gewoon woest en ik vrees, dat Puf verdrinken zal."

[Illustratie]

Wij vlogen allemaal met haar mee, terwijl zij, geheel buiten adem, haar wedervaren vertelde.

Hortend en stootend kwam het er uit: "Ik wou met hem de sloot doorrijden, juist bij de doorwaadbare plaats. Ik stuurde hem het water in, maar toen, in plaats van recht door te stappen begon hij rond te draaien, zoodat de kar ten slotte tegen een steen terecht kwam. Toen was er geen beweging meer in te krijgen; uren lang heb ik er mee getobd, en eindelijk ben ik uit de kar geklommen en ben door het water gewaad. Ik trok mijn kousen en schoenen uit en beval Puf, stil te blijven zitten, totdat ik terug kwam, en nu moeten we gauw doorloopen en zien, hem eruit te krijgen."

Verschrikt riep ik uit: "Heb je Puf midden in de sloot laten staan?" En Daan vroeg: "Waarom heb je niet dadelijk den eersten den besten man, dien je tegenkwam, om hulp gevraagd?" "Ik kwam niemand tegen," zei Lena, "en bovendien was ik veel te bang, dat ze 't aan vader zouden zeggen, daarom ben ik dadelijk hierheen gekomen."

[Illustratie]

Gelukkig was het niet ver weg, maar hoe Lena op 't idee was gekomen, om de sloot door te gaan, daar begreep ik niets van. Ik zou het nooit gewaagd hebben; had Daan nog pas niet verteld van een man, die daar met z'n wagen verdronken was? Toen wij bij de rivier kwamen, was er geen spoor van Puf meer te zien. Lena ging vreeselijk te keer en jammerde: "Ze zijn allebei verdronken, en ik zal vermoord worden, omdat het mijn schuld was!"

Wij gingen een beetje verderop een brug over; Daan begon te gelooven, dat Andy weer was doorgeloopen en hier of daar heen gedraafd. Alex en hij gingen toen plat op den grond liggen, net als detectives of Indianen, om eenig spoor te ontdekken. "De wielen waren natuurlijk nat, en moeten dus in het gras een spoor hebben gemaakt," zei Alex en keek er heel geleerd bij. "Kijk, hier bij m'n hand is een heel nat spoor!"

"Ja, en de grassprietjes zijn plat gereden," voegde Daan eraan toe; "nu moeten we dat spoor volgen. Hadden we maar een bloedhond!"

Lena fleurde wat op. Wij volgden het spoor, maar het grasveld was niet lang, en we waren spoedig bij een weg aangeland. We begonnen nu een soort springpas te maken, dat is een manier van loopen, waarbij je nooit moe wordt, omdat het je nooit buiten adem brengt. Maar wij zagen, hoe nauwkeurig we ook tuurden, geen wielsporen. We kwamen nu aan een hoogen weg, en wisten niet, wat nu te doen, verder of terug. Maar daar stond een huisje vlak bij; fluks daarheen gerend, vroegen we aan de vrouw, of ze ook een ezelkarretje gezien had met een jongetje erin. Zij opende haar huisdeur, en daar zagen we Puf aan tafel zitten, kalm aan 't oppeuzelen van een appel! Wat waren wij blij! Andy had een plekje op haar grasveld gekregen. Zij vertelde ons, dat zij het karretje had zien aankomen, en dat Puf zoo hard als ie kon had geschreeuwd: Ho! Ho! Zij was naar buiten gevlogen, had de zaak tot staan gebracht, Andy vastgebonden, en Puf, die huilde van angst, in huis gehaald en tot bedaren gebracht. Natuurlijk was Andy, zoodra Lena verdwenen was, er vandoor gegaan; het was maar een geluk, dat Puf stil was blijven zitten.

Wij bedankten de vrouw vriendelijk, haalden Andy uit het grasveld en reden tezamen naar huis terug. Vader bromde erg op Lena, dat zij zulk een gevaarlijke poging had gewaagd. Zij zal zulke fratsen nu voorloopig wel uit haar hoofd laten. Puf deed natuurlijk net, of ie het heerlijk had gevonden. "Ik stuurde zelf, en we reden als een sneltrein!" "Ja," zei Alex, "en je huilde van geweld!"

"Ik heb alleen gehuild, toen ik die vrouw zag," zei Puf, die nooit verlegen is met een antwoord; "ik wist, dat ze ons zou tegenhouden, daarom huilde ik."

"Jij mag niet liegen, Puf," kwam ik tusschenbeiden, "dat is niet "in den vorm", behalve als je een boosdoener bent."

"Ik was zoo bang met Andy, en als ik bang ben dan huil ik altijd!" verdedigde zich Puf. Hij moet altijd 't laatste woord hebben, en ik zweeg dus maar.

Toen het mijn dag was, ben ik 's morgens om 10 uur al op rit gegaan. Vlak bij ons hek vond ik een heel groot pak, waarop geschreven was: "Wil zoo goed zijn, dit te bezorgen bij Mejuffrouw C. Londesburg te Cross Clen." Het was heel leelijk en fout geschreven, en ik dacht dus, het zal wel van een der dorpsbewoners zijn. Het was een verbazend zwaar pak, en ik kon het haast niet in de kar tillen. Maar ik was wat blij weer eens op 't Huis te mogen komen, want ik was er sinds onzen wedstrijd niet weer geweest. Langzaam reed ik het dorp door met mijn zware vracht. Toen juffrouw Ribbon mij zag, kwam ze even aan het hek en zei:

"Beste Griet, wil je heusch vrachtrijdster worden? Kijk es, lieve, ik heb aan de oude Suze Combe beloofd een zak steenkolen te sturen. Aan het station zul je 't vinden; Tom moest al vroeg naar Lincoln en ik heb het ook zoo druk, het goeje mensch heeft geen brand meer om haar middagmaal gereed te maken."

"Goed, ik zal 't doen, ik zal 't dadelijk gaan halen."

Wat was vrouw Combe blij, toen ze me zag komen. Maar we konden geen van beiden de zak uit het karretje krijgen; ze haalde de steenkolen er dus bij beetjes uit, en dat kostte heel wat tijd. Terwijl wij nog bezig waren, kwamen juist Clara en Betty in haar ponykarretje voorbijrijden. Ze keken gek op, toen ik haar vertelde, waaraan ik bezig was. "Ik ben vandaag vrachtrijdster," vertelde ik, "en ik heb ook een vrachtje voor jelui!"

Dat vonden ze heerlijk. "Voor ons? O, zeg, laat es gauw kijken! Wat eenig!" Zoodra vrouw Combe al haar steenkolen eruit had, klommen ze op ons karretje en bekeken het pak van alle kanten. Wij maakten het open in de kar, want het was ons te zwaar, om het er uit te lichten. Toen het papier er af was, vonden we .... een ouden emmer vol steenen! Clara was heel boos. En ik begreep dadelijk, dat het een grap van de jongens was. Ik trachtte Clara dat aan 't verstand te brengen, maar zij zei: "'t Zijn ruwe, leelijke jongens, ik zal 't moeder eens vertellen."

Zij sprong weer van de kar af en ging naar Betty, om het haar te vertellen. Deze lachte; zij kan beter tegen een grapje dan Clara, en ik stelde haar voor, dat ze den jongens ook weer een pak moesten zenden. Dat vonden ze beiden best, en beloofden, het per post te zullen sturen. Wij haalden de steenen en den emmer uit de kar en gooiden ze in een sloot. Ik reed fluks naar ons dorp terug, nieuwsgierig of er nog iemand een boodschap voor me zou hebben. En zie, daar zag ik kreupele Hanna, die onze kleeren verstelt en ook in 't koor zingt; zij stond bij haar hek, en keek naar mij, alsof ze mij wat zeggen wou.

[Illustratie]

Ik hield stil en zei: "Kan ik iets voor je doen, Hanna?"

Zij kleurde en sprak aarzelend: "Ik moet naar boer Luscombe, kind, en het is een lange weg voor mij met zoo'n hitte, en nu dacht moeder, toen we u zagen aankomen ... en omdat we uw briefje hadden gelezen...."

"O, ik begrijp je al," zei ik, "je wou, dat ik je daarheen bracht? Stap maar in Hanna, dat zal ik graag doen."

Zij steeg in, en vertelde mij, dat haar been zooveel pijn deed, als ze ver moest loopen, maar zij had een japon voor juffrouw Luscombe moeten maken, en nu moest die toch weggebracht worden. Ik zei haar, dat ik Andy elke week een dag voor mij had, om er boodschappen mee te doen voor wie ik wilde. Toen we zoo een tijdje gepraat hadden, zei ik tot haar: "Na dezen rit moet ik naar huis, want dan moeten we eten. Maar vanmiddag kom ik weer terug. Weet je dan nog iets te doen, Hanna?" Zij antwoordde, na even te hebben nagedacht:

"Ik weet niet, Grietje, of je de kleine Annie Steel kent. Zij komt uit Londen, en woont bij haar grootmoeder, juffrouw Buston; zij is geheel kreupel en kan niet loopen. Omdat ik zelf kreupel ben, spreek ik nog al eens met haar, want juffrouw Buston en haar man zijn erg streng en lastig voor haar. Zij vinden het een grooten last haar te helpen, omdat ze zelf ook haast niets hebben, en dan zit ze daar maar troosteloos in dat donker keukentje. Nooit komt ze er uit, ze zit zelfs niet eens aan de deur; ze is ook misvormd, heeft een bochel, en de oude vrouw schijnt zich te schamen voor zulk een kleindochter. Je zoudt het kind in 't paradijs brengen, als je haar eens liet meerijden."

"O, prachtig, dat zal ik doen!" riep ik uit. "Maar zou 't rijden haar niet te veel schokken?"

"Neen, dat gaat best; als je een paar kussens neemt, en je zet haar op den bodem der kar, dan zal 't best gaan."

"Ik zal dadelijk na 't eten haar gaan halen," zei ik verheugd. Toen ik thuis kwam, vroegen ze allen, wat ik gedaan had. De jongens spraken geen woord over hun grap, en ik natuurlijk ook niet. Tante vond het heel mooi van me, dat ik Annie Steel eens liet meerijden. Vader ook, maar die waarschuwde ons, dat we Andy door al die drukke ritten niet moesten afjakkeren, en Daan zei, terwijl we Andy weer inspanden: "Overdrijf nou niet, barmhartige Samaritaansche, anders loopt het nog op schade uit."

"Ik doe het alleen, omdat ik ervan houd, en ik zal er mee voortgaan, omdat vader gezegd heeft, dat moeder het zou goedgekeurd hebben."

Daan zei niets meer, want Daan hield zoo van moeder, gelijk wij allen.

HOOFDSTUK XII.

Toen ik naar juffrouw Buston ging, vond ik haar in den tuin, bezig met groentenplukken. Zij was meer verbaasd dan verblijd, toen ik haar vertelde wat mijn plan was. En ze zei dan ook eerst, dat ze de kleine Annie niet wilde meegeven.

"Ik zou haar nooit hier gehad hebben, als ik geweten had, dat ze zoo hulpeloos was. Haar moeder, die reeds op 20-jarigen leeftijd weduwe was, stierf plotseling, en Annie moest toen in een weeshuis. Maar mijn man wilde daar niet van weten, en ik eigenlijk ook niet. Zoo namen we de kleine dan in huis, en sedert is ze er gebleven, totaal krachteloos, alsof ze geen ruggegraat heeft. Ze doet zoowat niets anders dan in elkaar gedoken zitten huilen. Loopen kan ze geen stap. Maar kind, als je er nu bepaald op staat, haar mee te nemen, kom dan binnen, dan kunnen we haar samen gemakkelijk genoeg in 't karretje tillen."

[Illustratie]

Ik bond Andy aan den muur vast en ging het huisje binnen. De keuken was klein en het rook er duf; in een laag stoeltje zat Annie. Werkelijk, ze zag er uit als een afgeleefd oud vrouwtje; alleen het haar was nog blond, maar kort geknipt. Toen ik haar meedeelde, wat mijn plan was, glimlachte ze zoo hartroerend, dat ik bijna begon te weenen. Ze zag er even bleek als haar schortje uit; ze is pas negen jaar oud, evenals Lena. Ik had vier kussens en een deken meegebracht en maakte het haar zoo gemakkelijk mogelijk; haar Grootmoeder plaatste haar zoo in de kussens, dat ze rechtop zitten kon. Bovendien zette ze haar nog een katoenen mutsje op, en daarna reden we weg.

Heel langzaam reed ik de laan af, om het schokken te voorkomen. Al vrij spoedig begon ze te praten. Eerst had ze doodstil liggen staren in de blauwe lucht, terwijl haar mond open en dicht ging als die van een visch. Toen ik haar vroeg, waarom ze zoo deed, zei ze: "De lucht, juffrouw. Sinds ik bij grootmoe ben, krijg ik haast geen frissche lucht. Voordat moeder stierf, zat ik altoos aan 't open venster, maar grootmoe doet haar ramen nooit open."

Zij vertelde mij verder, dat zij veel van Hanna hield, en al meer begon ze los te komen, er blijkbaar schik in krijgende, allerlei prettigs te vertellen.