Wij en ons ezeltje

Part 6

Chapter 64,300 wordsPublic domain

"Ja zeker," zei Daan. "Je deedt beter met wat haast te maken, als je meewilt."

"Ik ga niet mee," zei ik. "Waar is Lena?"

"Die probeert even braaf te worden als jij," zei Alex mopperend. De tranen kwamen mij in de oogen.

"O, ik wou, ik wou dat ik mee mocht!" riep ik uit, en liep toen naar huis terug zoo hard als ik kon, want het trof mij, dat ik anders net zou doen als Bileam, die wilde doen, wat God hem had verboden. Maar ik was blij, dat Lena ten minste ook niet meegegaan was.

In huis ging ik haar overal zoeken, maar ze was nergens te vinden. Toen schoot mij te binnen dat ze misschien Andy goedennacht was gaan zeggen. Ik ging dus den tuin weer door en vroeg aan Baldwin en Emma en de keukenmeid, of ze haar ook gezien hadden. Niemand had haar gezien. Terwijl ik nog druk zocht, kwam tante Caroline naar buiten, zei me dat het bedtijd was en vroeg, waar Lena zat. Ik vertelde haar, dat ik overal naar Lena gezocht had, maar ze nergens kon vinden. Tante vond, dat ik dan maar vast naar bed moest gaan, Lena zou dan wel volgen. Ik zei vader, die in z'n studeerkamer was, dus goedennacht, en ging de trap op. Ik gevoelde mij verdrietig, en begon weer te wenschen, dat ik toch nog maar met de jongens was meegegaan. En ik herinnerde mij nu ook, hoe Lena gezegd had, dat ze toch zou meegaan, hoe ze er ook later voor gestraft zou worden.

Ik lag juist in bed, toen tante Caroline boven kwam. "Griet, waar is Lena toch? Emma zegt, dat ze nergens te vinden is, en de jongens, waar zitten die?"

[Illustratie]

Ik zweeg; het is bij ons niet "in den vorm", te klikken. Dat doen we nooit. Maar tante wou me aan den praat hebben. Zij dreigde, vader te zullen halen, als ik niet antwoordde. Ik zei toen: "Ik weet, waar de jongens zijn, tante, maar ik wil het liever niet zeggen, en ik weet niet, of Lena ook met hen mee is." "Maar je moèt zeggen, waar ze heen zijn, Griet; het is heel leelijk van ze, om zoo weg te snappen." "Ze zullen niets geen verkeerds uithalen, maar het zal wel laat worden, eer ze thuis zijn." "Ik zal dadelijk met vader er over spreken," zei tante; zij wist wel, dat we nooit van elkaar zouden klikken; 't speet mij wel voor haar, want ze zag er zoo bezorgd uit. Na eenigen tijd kwam vader boven, en toen ik hem hoorde komen, stopte ik m'n hoofd goed onder de dekens en deed alsof ik sliep. Maar dat lukte niet best, want hij legde zijn hand op mijn hoofd, en dat is als een kus, en dan gevoel ik, dat ik hem alles kan vertellen. "Wel, kind, is Lena nog niet boven water? Wat zijn jelui toch lastig. Tante is er heelemaal van in de war."

"Het spijt mij vader, maar Lena heeft mij niet gezegd, dat en waar ze heenging, en ik heb haar ook niet zien heengaan."

"Weet je, waar de jongens zijn?"

"Ja, vader."

Hij zweeg even, en zei toen: "Je moet me alles zeggen. Ik kan niet hebben, dat een van m'n kleintjes zoo laat op den avond de deur uit is, zonder dat ik weet, waar ie zit."

Ik vertelde hem nu de geschiedenis, en hij zuchtte. "Het is heel ondeugend van ze, en dat zullen ze weten ook. Daan heeft mij zeer teleurgesteld."

"Och vader," zei ik, zijn hand grijpende, "als u nog een jongen was, dan ben ik er zeker van, dat u het ook zoudt gedaan hebben. Denk u eens in: Zij mogen rond een kampvuur zitten en konijnenvleesch eten, en dan worden er zigeunerliederen bij gezongen. Wat is daar nu voor verkeerds in?"

Vader glimlachte. "Wel Grietje, het zal de jongens geen kwaad doen, maar zigeuners zijn geen goede vriendjes voor mijn volkje, en Daan had beter moeten weten. En dan, Lena is nog een popje!"

Hij ging naar de deur, knikte mij toe, en zei: "Goed kind." Even daarna hoorde ik de huisdeur toeslaan, en ik begreep, dat hij hen ging halen. Ik trachtte wakker te blijven, maar 't lukte mij niet, en gewoonlijk sliep ik in eens door tot het uur van opstaan. Toen ik wakker werd, keek ik allereerst naar Lena's bed, en zag, dat ze er weer was. Toen ze wakker werd, zag ze er nog erg slaperig en hangerig uit. "Toe, vertel me es gauw," zei ik. "Ben je met de jongens meegegaan?"

"Natuurlijk, domme meid. Ik heb je toch gezegd, dat ik het zou doen. Ik ben nog vóór hen weggegaan, in geval je mij hadt willen tegenhouden; op de stoep bij juffrouw Ribbon wachtte ik ze op." Op boosaardigen toon vervolgde Lena: "Daan wou me terugsturen, maar ik zei hem, dat ik niet een van z'n Zondagsschoolkinderen was. Maar hij vond 't niets prettig, en dreigde, mij niet te zullen helpen, als ik achter raakte!"

"Vertel me nu van het feestmaal," drong ik nieuwsgierig aan. "Dat was er niet," zei Lena boos. "We hebben heelemaal tevergeefs geloopen, en mijn voeten gingen zeer doen. Toen wij er kwamen, was alles donker; het gansche kamp was verdwenen, en er was geen mensch meer te zien. Maar aan een boom was een briefje gespijkerd, en daar stond met vreeselijk slechte letters opgeschreven:

"Zigeuner-feestmaal Eerst den haas vangen, dan braden."

[Illustratie]

Daan vond het een heel knappen zigeuners streek, maar zij waren met dat al heel boos, en ik niet minder."

Wat was ik blij, dat ik niet was meegegaan! Ik had nu niets gemist. Maar die blijdschap was weer niet goed, ik had even blij moeten wezen, als ze een heerlijken maaltijd hadden genoten. "'t Is wat moois," bromde Lena. "Nu krijgen we allemaal straf voor niets. En we hebben niet eens den maaltijd gehad." Bij het ontbijt waren de jongens o zoo kalm. Vader had hun een flinke bestraffing gegeven, en na theetijd mochten ze, evenmin als Lena, in den tuin. Vader straft ons heel weinig, maar wij hebben altijd meer verdriet van zijn boosheid dan van de straf zelf.

Voordat de jongens naar school gingen, zei Daan tegen me: "Ik verwonder me er niet over, dat wel-opgevoede lui zeggen, dat de wereld steeds slechter wordt. Dat heb ik nu weer aan de zigeuners gezien!" Dat was alles, wat hij ooit nog weer over het mislukte zigeuner-feestmaal zei.

[Illustratie]

De volgende dagen werden besteed aan het schilderen van het karretje; de jongens vonden helgroen de beste kleur. Vervolgens werd onderhandeld over den aankoop van een zadel voor Andy. Ook hiervoor gingen we weer, ieder op z'n vroegere manier, aan 't verdienen; Daan werd weer vischboer, Alex voor ditmaal ook, Lena ging weer borstplaat verkoopen, en ik gaf Bob Tapson weer wat groenten en bloemen mee voor de markt.

[Illustratie]

Te midden van al deze bezigheden kwam ons jaarlijksch schoolfeest, dat hier meest op een der landerijen of in het park van Mevrouw Laura wordt gehouden. Ditmaal ontving Mevrouw Laura de kinderen in haar park; wij marcheerden er, allen met vlaggen gewapend heen, en onderweg voegden zich ook de kinderen van het naaste dorp er bij, zoodat het een groote optocht werd.

Den dag vóór het schoolfeest kwam Daan thuis met een blauw oog en een snede er boven. Hij vertelde me, dat hij aan 't vechten was geweest met den "wilde", dat is die vuile jongen met z'n dikke beenen. Vader ondervroeg Daan terstond, en deze vertelde: "Ik heb hem al te lang gespaard, vader. Hij meende alles maar tegen mij te kunnen zeggen.

Hij zei b.v., dat in de gevangenis haast allemaal domineeszoontjes zitten, omdat hun vaders allen huichelaars zijn. Ik eischte van hem, dat ie z'n woorden zou terugnemen, maar hij keek me brutaal aan en zei: Jou lieve papa mag de lui van den preekstoel de les lezen, maar zijn brave zoon heeft mij niets te vertellen, begrepen? En toen vloog ik op 'm los, hij rende weg, pakte een steen op en slingerde dien naar mij toe. Dat ie me z'n vuist onder de oogen zou geduwd hebben, alla, maar een steen! Wij vlogen allen op 'm aan, en hij vluchtte in een der schoollokalen, maar spoedig hadden we hem daar weer uit; terwijl de jongens hem stevig vast hielden, heb ik hem een flinke aframmeling gegeven. Het was goed, dat ik het deed, en niet een van de andere jongens, want ik weet, wanneer ik moet ophouden; als de jonge Gray hem te pakken had gekregen, wel ik geloof, dat ie 'm half dood had geslagen."

[Illustratie]

"Ja," voegde Alex er bij. "En toen ging ie huilend naar meester, maar die zei 'm, dat ie gekregen had, wat ie verdiende."

Vader zei niet veel. Hij verstaat jongens zoo goed. Net voor we naar bed gingen, kwam Daan naar me toe, en zei: "Hoor es, Griet, ik wil je de kleine Zondagsschoolklas overdoen. Ik kan het niet meer doen. Ik kan die kinderen niet verbieden te vechten, als ik het zelf doe. Gisteren heb ik in 't dorp nog twee vechtende jongens gescheiden. Het was eigenlijk verkeerd zoo op te treden, maar ik dacht aan het _gaan_, dat ons geleerd is. En dan dat geval met Lena. Neen, ik kan die klas niet meer houden."

"Goed," zei ik, "maar ik vrees, dat ik 't niet veel beter zal maken. Mag je nooit iets verkeerds doen, als je aan de Zondagsschool bent?"

"Ik wil geen huichelaar wezen," zei Daan en ging weer weg. Toen vader te hooren kwam, dat de klas aan mij was overgedaan, riep vader Daan bij zich. "M'n jongen, weet je wel, waarin je verkeerd hebt gedaan? Je hebt het paard achter den wagen gespannen; je begon al te gaan nog vóór je was gekomen."

Daan kleurde, en zweeg even. Toen: "Hoe bedoelt u dat, vader?"

"Je gelijkt op een burger, die met de soldaten mee wil om te strijden en zichzelf als soldaat beschouwt, maar hij heeft zich nooit geoefend en kan niet eens de wapenen der soldaten hanteeren en hun gewoonten volgen."

Daan zei niets meer; ik zag, dat hij ernstig nadacht. Ik deed evenzoo, en ik meen vaders bedoeling te begrijpen. Hij heeft ons wel meer gezegd, dat, hoewel hij ons in den doop aan God heeft gewijd, om Zijn dienstknechten te worden, de tijd komt, dat we dat ook zelf moeten doen. En daarmee moeten we niet wachten, tot we onze belijdenis doen. Heb ik nu mijzelve aan den Heer gewijd, dan zal Hij me ondersteunen in alles, wat ik noodig heb.

Het lachte Daan niet bijzonder toe, om met z'n blauwe oog aan het schoolfeest deel te nemen. Vader zei, dat hij daar blij om moest wezen, want als hij thuis bleef, mocht hij met den ezel naar Relton rijden. Dat is vijf mijlen van hier, vader had er een boodschap voor een boer. Dat leek Daan en om dat te bewijzen, deed hij een sprong in de lucht.

Zaterdagmiddag te twee uur gingen we allen, behalve Daan, naar 't schoolfeest; zelfs Puf was van de partij. Toen we aan 't Huis kwamen, stonden Clara en Betty op 't bordes, en toonden zich zeer verheugd, toen ze ons opmerkten tusschen de lange rijen schoolkinderen. Betty was nu aardig beter, en kon met behulp van krukken goed vorderen. Wij bleven even met ze praten, terwijl de andere kinderen verder trokken.

In het park werden allerlei spelletjes en wedstrijden gehouden, waarna we op thee werden onthaald, waarbij heerlijk geboterde koeken werden opgediend. Tante had mij opgedragen, goed op Puf te letten, want die is nog al gemakkelijk van innemen.

Intusschen hadden we met Clara en Betty een afspraakje gemaakt, dat ze met hun ponyrijtuigje bij ons zouden komen. Wij zouden dan onze équipage ook voor den dag brengen en er zou weer een wedstrijd worden gehouden. Ik denk, dat Andy wel even vlug zal loopen, als hun pony.

Terwijl we zoo aan 't praten waren, kwam Mevrouw Rogers op me toe; zij nam me even mee, om haar man te groeten, die onder een boom zat met verscheidene heeren en dames. Wij hadden 't zóó druk gehad, dat Lena geheel vergeten had, haar brief aan den Kapitein te schrijven, en deze vroeg dus, of wij al een ezel hadden gekregen. "Wij hoorden al, dat de ouwe Nell niet best heeft voldaan," zei hij; "dat verwondert me niet."

Ik vertelde hem van de proefritten, van het schilderen van ons karretje, en van onzen arbeid om nog een zadel te verdienen. Toen hij hoorde, dat de jongens uit visschen gingen, vroeg hij, of ze elken morgen versche visch voor z'n ontbijt konden brengen. Ik haalde Alex en zei hem, dat ik een goeden afnemer voor hem gevonden had. Toen hij vernam, wie, kwam hij dadelijk, en was spoedig druk aan 't praten met den Kapitein.

Deze vertelde hem, dat hij vroeger een renpaard hield, maar nu in een mandewagentje moest voortsukkelen.

[Illustratie]

"Daar kunt u ook in meedoen," vond Alex.

"Ja," voegde ik er aan toe, "de volgende week hebben we een wedstrijd. Betty en Clara komen met hun rijtuigje, en als u nu met uw wagentje kwam, dan hebben we al drie deelnemers.

"Het lijkt me wel," zei de Kapitein, "maar jelui hebt toch zoo'n breeden weg niet."

"Neen," zei ik, "maar ik dacht om het te doen op een groot veld, en dan in de rondte, net als de Romeinen in een ampi... hoe heet zoo'n ding ook?"

"Heb je lauwerkransen?"

"Jawel," zei ik opgewonden, "we hebben wel laurierbladeren in den tuin, en daar zullen we wel kransen van maken."

"Och Karel, wat praat je toch een nonsens," zei Mevrouw Rogers lachend, maar haar oogen stonden droevig. Ik trok een lip, bang, dat er nu weer niets van komen zou, en ik vroeg Mevrouw nog eens, ons vooral te helpen. Zij antwoordde: "De dokter verbiedt mijn man, te loopen, lieve, hij mag geen opwinding hebben."

"Dat is nòg niet erg," zei de Kapitein vroolijk, "dan zal ik de keizer wezen, en de lauwerkransen uitreiken."

"We zouden ook een schildpadden-wedstrijd kunnen houden," vond Alex; "dat zou voor u nog wel te doen zijn, meneer."

"'t Is het beste, dat jelui maar allemaal hier naar de boerderij komen. Boer Donnyball heeft al gehooid, en dus ligt er een groot stuk land beschikbaar."

"Dat zou heerlijk zijn," zei ik. "Als u een dag zoudt willen vaststellen, dan zal ik er met Betty en Clara over spreken. Zaterdag is voor ons de beste dag, dan hebben we vacantie."

"Goed, aanstaanden Zaterdag dan, precies om twee uur."

"Maar de zangoefening dan?" fluisterde Alex me in. "Die missen we telkens. Ik wou, dat tante die maar op een anderen dag zette, 't is onze eenige vacantiedag."

Alex' opmerking deed me aarzelen. Vader had ons al eens gezegd, dat we tegenwoordig aan niets anders dan aan pleizier schenen te denken. Maar ik wou toch ook niet graag den wedstrijd afbestellen. Kapitein Rogers, onze aarzeling bemerkende, vroeg: "Wanneer begint jelui zomervacantie?"

"Den laatsten van deze maand," antwoordde ik, "tenminste voor de jongens. Ik denk, dat tante Lena en mij nog wat na-lessen zal geven, omdat wij met het verhuizen nog al achterop zijn gekomen."

"Wel, laten we den wedstrijd dan verdagen tot 1 Augustus," stelde de Kapitein voor; "dat valt op een Donderdag." "Best, dat zullen we doen!"

Ik ging gauw naar Betty en Clara, die het plan heerlijk vonden. Thuisgekomen, vertelden we het plan aan Daan, die het ook best vond. Lena en ik maakten vervolgens plannen, om ons karretje met bloemen te versieren. En zoo zagen we allen met verlangen den eersten Augustus tegemoet.

HOOFDSTUK X.

Ik zag er erg tegen op, om Daan's Zondagsschoolklas te gaan onderwijzen, maar tante ried mij aan, om den Bijbel te nemen. Ik las de geschiedenis van Samuel over, totdat ik ze van buiten kende, en den volgenden morgen ging ik met tante naar het lokaal, mij gelukkig voelende in het besef, dat het nu eindelijk aan _gaan_ was toegekomen.

[Illustratie]

Mijn klas bestond uit 4 jongens en 3 meisjes, geen ouder dan 6 jaar. Zij riekten erg naar zeep en pomade, en hun gezichten glommen van 't wasschen. Een van de jongens, Freddy Salt, kon of wou niet stilzitten, en de drie meisjes hadden daar zooveel belangstelling voor, dat zij niet eens naar mij luisterden. Eerst probeerde Freddy een vlieg te vangen, en toen ie 'm had, werd het diertje van hand tot hand doorgegeven. D'r was geen orde in te krijgen, en ik zei eindelijk boos tegen 'm: "Freddy, als je niet stil kunt zitten, zal ik je als een popje op mijn schoot nemen."

Hij staarde me angstig aan, eindigde met z'n vliegenjacht, en bleef verder rustig zitten. Ik vertelde de geschiedenis van Samuel en merkte op, dat God van ons allen gehoorzame dienstknechten wil maken. Eensklaps zei een jongen, Bertie geheeten: "Ik hoor God nooit roepen, als ik in bed lig." "Neen," antwoordde ik, "maar als je iets verkeerds van plan bent, dan spreekt Hij in je hart, dat je 't niet doen moogt." Ze schenen dit te begrijpen, en toen zei er een: "God kan ons niet iets zeggen, Hij is veel te ver weg." Ik vertelde hun toen, hoe dichtbij Hij was, en hoe lief Hij ons heeft, zoodat we, niet uit vrees voor straf, maar alleen om Hem te believen, ons best moeten doen. Maar ik weet niet, of ze 't begrepen; voor hen was de eenige reden, om gehoorzaam te zijn, gelegen in de vrees voor straf. Hoofdschuddend zei een der meisjes: "Ik heb Jezus altijd lief. Als ik zoet ben evengoed als wanneer ik stout ben."

"Je kunt Hem niet liefhebben, als je verkeerd doet," antwoordde ik. "Je doet Jezus verdriet aan, als je ongehoorzaam bent." Ze herhaalde: "Dan heb ik Hem evengoed lief." Ik gevoelde, dat ik het haar niet goed duidelijk had gemaakt.

Toen de les ten einde was, ging ik vermoeid en ook dankbaar, dat ik er doorheen was gekomen, naar huis. Na kerktijd vertelde ik vader een en ander, en zei hem, dat het verbazend moeilijk was, om kleine kinderen te leeren. Hij vroeg mij, wat we besproken hadden, en toen ik het hem verteld had, zei hij: "Denk eens aan de gelijkenis, Griet; het uitgezaaide zaad komt na vele dagen op. Vertel den kleintjes van hun Verlosser, Die voor hen stierf en Die nu zoo dicht nabij hen leeft, dat Hij ze elk uur van den dag zal helpen. Als je hart vol is van Hem, kind, zal het je gemakkelijk vallen, anderen van Hem te vertellen."

"Maar," zei ik, "mijn hart is zoo vol van allerlei andere dingen, en ik weet niet, wat ik er aan doen moet."

"Heb je den Heere lief?"

"O, ik hoop van wel, en ik geloof ook van wel, maar ik doe zoo vaak, wat verkeerd is."

"Zie niet altoos op jezelf, maar zie op Hem!"

Meer zei vader niet. Met de jongens had ik toen nog een gesprek over het trouw blijven ... in het ezelkarretje. 't Was gisteravond, toen we na de thee een ritje gingen maken. Daan stuurde en Puf zat naast hem op het voorbankje; Lena, Alex en ik waren achterin gekropen. 't Was een heerlijke tocht; overal keken de lui ons na om de nieuwe équipage van den dominee te zien. Zoodra we buiten de huizen waren, begon het gesprek, eerst over Andy.

"Ik zou wel es willen weten, of ie ons nu al kent," zei Lena. "Hij zou wel een ezel moeten zijn, als ie dat nu nog niet wist," vond Alex en wij lachten dat we schaterden!

"'t Is een ezel," zei ik, "dat is 't 'm juist, als 't een hond was, zou ie wel slimmer wezen."

"Ja maar alle honden zijn niet slim," zei Daan.

"Maar ze zijn trouw," merkte ik op. "Je hoort altijd van trouwe honden, nooit van trouwe ezels."

"Wat beteekent dat eigenlijk, trouw?" vroeg Lena.

"Ik denk," antwoordde ik, "dat trouw beteekent: altoos dezelfde zijn en nimmer veranderen. Houdt je eenmaal van iemand, dan ook voorgoed."

"Een trouw ridder," zei Daan, "is iemand, die nooit z'n vrouw in den steek laat, zij is altijd zeker van hem."

"En wat is dan een trouwe dienstknecht?" vroeg Lena. "Iemand, die nooit z'n werk in den steek laat," antwoordde Daan.

"Ik geloof niet, dat je trouw kunt zijn zonder lief te hebben," merkte ik op.

"Juist, dat is de zaak," zei Alex. "Als een hond z'n baas niet liefheeft, kan hij ook niet trouw zijn. Evenmin kan een dienstbode trouw zijn, als ze niet van haar meesteres houdt. Dat moet altoos samengaan."

"Semper fidelis," fluisterde ik.

"Doe nou niet, alsof je Latijn kent, Griet; je hebt dat gelezen op de graftombe in de kerk."

"Ja, dat is ook zoo. Maar wat is het ook moeilijk, om zóó trouw te zijn, en altoos zóó lief te hebben, als die ridder."

"Och," zei Daan, "ik geloof, dat als je werkelijk iemand lief hebt, dan doe je dat zonder erbij te denken, net als een hond."

Hier brak Puf eensklaps de debatten af, door met uitgelatenheid af te kondigen, dat ie een heerlijken verjaardag tegemoet zag, en dan een completen ezel zou krijgen. Want -- zei hij -- van dezen heb ik maar een stukje. Waaraan Daan toevoegde:

"Hij heeft er een vijfde van. Maar vertel ons es, Puf Dikkert, wie zal je d'r een geven?"

"De Heer," zei Puf, terwijl hij hoogst ernstig keek. "Het zal geheel m'n eigen ezel zijn en ik zal 'm zóó voeden, dat ie dikker wordt dan ons huis." Op dit oogenblik reden we een oude vrouw voorbij, die een bos takken op haar rug meevoerde.

[Illustratie]

"Hé!" riep Daan, "moet je nog ver? Willen wij je vrachtje overnemen?"

Zij wou dat wàt graag, en overlaadde ons met dankbetuigingen. Ze zei, dat haar hut nog een heel eind verder stond; zij had hout gesprokkeld. Daan beloofde haar, dat we den bos bij haar voor de deur zouden neerleggen, en toen reden we door.

"Toen ik dien dag, dat jelui naar het schoolfeest waren, naar Relton reed," vertelde Daan, "bood ik iedereen, dien ik voorbijreed, een plaatsje in de kar aan, en zoo had ik twee oude vrouwen en een jongen aan boord, toen ik in 't dorp kwam."

"Dat zullen we nu weer zoo doen," riep Alex geestdriftig uit.

"Ja maar, we hebben geen plaats meer," merkte ik op. "We zitten hier als haring in een ton."

"Dan moeten jelui d'r maar uitgaan, en loopen," vond Daan. "Hè, als we es een rijtuig tegenkwamen, dat niet meer voort kon, of een verongelukte auto met een dame er in, die de handen wrong om redding, dàt zou nog es "in den vorm" zijn."

Maar zulke ontmoetingen hadden we niet, en we kwamen zonder eenig avontuur thuis. Daar ging ik over denken. Het was heel leuk, om uit rijden te gaan in een ezelkarretje, maar daar deed je toch nog maar weinig goeds mee. Toen we langs den mijlpaal reden, waaraan we onze advertenties geplakt hadden, zei ik: "Hoor es! Als onze vacantie begint, moeten we om beurten den ezel sturen. Ik kan dat evengoed als jij, Daan. Ik zou zeggen, minstens één keer per week moest ik 'm hebben."

"Wel," zei Daan, "d'r zijn zes dagen in een week, den Zondag erbuiten gerekend. Als wij nu ieder een dag nemen, blijven er nog twee voor vader en tante en Puf." Dat was heel aardig berekend van Daan. En Alex voegde erbij: "En dan zullen we de beurten naar ouderdom regelen. Daan op Maandag, ik op Dinsdag, Griet op Woensdag en Lena op Donderdag."

Het plan werd algemeen toegejuicht.

Inmiddels had ik een plannetje bedacht, dat de jongens niet weten mogen. Het is dit. Ik heb een briefje geschreven, en dat wil ik aan den mijlpaal plakken; er staat op:

"Iedereen, die zelf of voor anderen vrij vervoer wenscht, vervoege zich bij Grietje Marjoribanks, elken Woensdagmorgen aan de pastorie."

Aan Lena vertelde ik het dien avond nog. "Je lijkt wel koetsier te willen worden," zei ze, "ik heb liever zelf het genot er van."

"Neen," zei ik, "vader zegt, dat z'n tijd en z'n kracht altoos ter beschikking van de gemeenteleden staan. En dat moet Andy nu ook. Hij moet een echte gemeente-ezel worden, en dan zal ik 'm zelf besturen."

"Ik zal er eens over denken, wat ik met 'm doen zal," zei Lena. Daar heb ik geen al te beste verwachtingen van.

Het scheen wel of de vacantie nooit komen zou. En toen ze eindelijk aanbrak, had Daan al menige oefening met Andy achter den rug; 't ezeltje was voor 1 Augustus al goed gewend, den weg langs te rennen. Men vond, dat het dier bovendien nog op diëet moest, om z'n gewicht te verminderen. Nu is 't waar, Andy wordt erg dik, want hij eet den ganschen lieven dag maar gras, behalve dan, als ie met ons uit moet.

Maar wat moesten we hem geven? Haver kost veel geld. Lena vond bouillon heel geschikt, maar bouillon is ook duur, en zoo is ten slotte alles, wat versterkt. Andy loopt uitstekend en heeft geen kuren, behalve deze, dat ie zoo nu en dan plotseling stilstaat, om dan na een of twee minuten weer door te draven. Ik heb gezegd, dat hij dat doet, om even uit te rusten en op krachten te komen. Daan meent, dat ie dan even staat te denken. En Alex denkt, dat ie dat doet, om ons te toonen, dat ie een eigen wil heeft, en dien op z'n tijd wenscht te gebruiken.

Intusschen waren Lena en ik druk bezig met het vlechten van laurierkransen en het bijeenzoeken van bloemen om ons karretje te versieren.