Part 5
Ons plan, om op de kermis van Lemworth te gaan kijken naar een ezeltje, vond vader niet goed. De jongens vroegen hem toen, of we Zaterdag een langen dagmarsch mochten gaan maken; we zouden dan ons twaalf-uurtje meenemen, en zien, of er ook zigeuners te vinden waren, die een ezel voor ons te koop hadden.
Vader vond dit goed, maar zei erbij, dat we slechts inlichtingen mochten vragen; het koopen van een ezel moesten we aan hem overlaten.
Wat duurde het lang, voor 't Zaterdag was! Eindelijk was de langverwachte dag er, en dadelijk na 't ontbijt gingen we op weg. Puf ging te keer als een wanhopige, omdat hij niet mee mocht, en tante Caroline trachtte hem met allerlei schoone beloften tot bedaren te brengen.
[Illustratie]
Wij begonnen met twee mijlen te marcheeren langs den kalen, stoffigen weg; daarna klommen we over een schutting en gingen dwars over de landerijen. Drukke gesprekken en allerlei verhalen maakten de wandeling kort. Daan vertelde van een jongen op zijn school, met wien hij altoos aan 't vechten is. Hij komt uit Londen, heeft een verbeelding, alsof z'n vader hertog is, en ziet met minachting neer op "dat gewone volk", zooals hij het noemt.
"Ik vind het niet erg "in den vorm" voor zoo'n heertje om te vechten", merkte ik op. Ik houd er van, om Daan met z'n eigen woorden te bekampen.
"Ik heb 'm als een worst in mekaar gedraaid," zei Daan. "Ik had er zin in, met mijn vuisten er nog eens goed op te beuken. Maar ik laat hem nog liever heelemaal links liggen, omdat hij gewone menschen minacht."
Lena vroeg: "Zouden we de zigeuners wel thuis vinden? Ze zullen allicht naar de kermis te Lemworth zijn." Daar hadden we zoowaar nog niet aan gedacht. We hielden even stil, om de zaak te overdenken; inmiddels werd de lunch in 't gras gebruikt.
"Alle ezels zullen toch niet naar de kermis zijn," zei ik. "Hebben zigeuners wel altijd ezels?" vroeg Lena. "Och, hou toch op en doe niet van die malle vragen," zei Daan verstoord.
Na nog een heelen tijd te hebben geloopen, kwamen we bij de boerderij van Brown, en daar vonden we tot onze blijdschap een kamp, een vuile tent, en een troep kinderen, die er bij speelden. Een zwart-uitziende vrouw was bezig met kleeren wasschen in een groote braadpan. Maar ezels waren er niet te zien; slechts een oud wit paard liep er te grazen.
"Ik vrees, dat ze naar de kermis zijn," fluisterde Alex. "Toe Daan, ga es heen en groet die vrouw es."
Daan kan dat altijd heel netjes; de lui op 't dorp mogen hem graag, omdat hij zoo netjes z'n pet kan afnemen. Hij ging recht op de vrouw af, en groette met z'n stroohoed.
"Morgen juffrouw, mogen wij het genoegen hebben, enkele minuten met u te spreken?" Zij trok haar handen uit de braadpan en staarde ons aan, of we wilde dieren waren. Daan ging voort: "Ik weet niet wie de .... baas van dit kamp is, maar ik zou hem graag over zaken spreken."
"Houdt je me voor den mal?" vroeg de vrouw ruw.
"We meenen het allemaal ernstig," zei Daan. "U moet weten, wij willen een ezel koopen, en wij meenden, dat u er wel een te koop zoudt hebben."
De vrouw lachte, en riep daarna: "Jim! Kom es hier en vertel dien jongens es, dat ze aan 't verkeerde adres zijn voor ezels."
Een man, een echte zigeuner, kwam langzaam aanslenteren. Hij droeg groote blinkende knoopen aan jas en vest en broek, had een grooten geelrooden zakdoek om z'n hals en een zwaren ring aan een der vingers.
[Illustratie]
"Wij doen niet in ezels!" zei hij, terwijl hij aan een groote pijp trok en ons met loerende oogen bekeek. "Hoeveel heb je er voor over?"
"Dat zal vader wel behandelen," zei Daan met beslistheid. "We moeten een goeden, vluggen ezel hebben, een die loopt als de wind, en wij wenschen hem Maandagavond na zes uur aan de pastorie te Warlington te hebben, om 'm te bezien. Kan ik daarop rekenen?"
Daan doet altijd zaken, als was hij een koopman van zessen klaar. Maar wij waren toch allen teleurgesteld, dat wij nu niet één ezeltje te zien kregen. Intusschen sloop Lena wat verder het kamp in, kwam weer terug en vroeg aan de zwarte vrouw: "Laat mij eens uw woning van binnen zien; ik zou ook wel in zoo'n kamp willen wonen."
De vrouw vond het goed en ging ons voor; Alex ging mee, en Daan bleef met den man praten. De wagen zag er van binnen wat aardig uit. Aan den wand hingen schilderijtjes, platen en helder geschuurde pannen; maar lekker rook het er niet. Lena vond het er verrukkelijk en zei: "Zeg u es -- we zullen 't aan niemand verklappen -- maar is het waar, dat jelui kleine kinderen stelen, of staat dat alleen in de boeken?"
De vrouw moest hardop lachen. "Wou je een tijdje met ons mee op reis, juffie?"
"O, dolgraag, maar slechts voor een paar weken, in de vacantie. Ik geloof, dat het heerlijk is, gestolen te zijn!" De vrouw schudde haar hoofd. "Kinderen geven meer kwelling, dan ze waard zijn; die wij hebben, zijn al meer dan genoeg," zei ze.
Lena was geheel uit 't veld geslagen. Alex vroeg haar, of ze wel waarzeggen kon. Ze schudde van neen. Maar -- zeiden we haar -- dan kun je ook geen echt zigeunerkind wezen.
Toen we den wagen weer verlaten hadden, riep Daan ons. "De zaak is al in orde," zei hij; "wij zullen eenige ezels thuis krijgen, om uit te kiezen. Overmorgen komen ze; zoolang zullen we moeten wachten."
Alex vroeg hem toen, of hij den zigeuner wilde vragen, dat die ons zou verzoeken om op een avond een echt zigeunermaal te komen bijwonen.
Daan vroeg het en antwoordde ons, dat we er zelfs aan mochten deelnemen, voor twintig cent de man. De man verzocht ons te komen den eerstvolgenden Dinsdag, 's avonds om 9 uur. Toen zeiden we hem goeden dag, en vertrokken.
Ik weet niet, hoe dat kwam, maar we waren allemaal een beetje teleurgesteld. Wij hadden verwacht een prachtigen ezel te zullen zien, en met een mooi-gezadeld exemplaar thuis te zullen komen; wij hadden gedacht, een groot, dichtbevolkt zigeunerkamp te zullen aantreffen, met een waarzegster er bij, met mannen er bij, die ringen in hun ooren droegen, die dansten en feest vierden, en een of ander gestolen kind, dat achter een boom stond te huilen. Maar van dat alles niets; niet één ezel, één kermiswagen maar, geen gestolen kind, één man maar en ééne vrouw.
Intusschen vertelde Daan ons, dat de man iemand wist, die ezels verkocht, en dat die persoon op de kermis was. Maar hij zou hem wel vertellen, wat wij wenschten, en dan zou die koopman ze wel brengen. "Ik heb hem den tijd gegeven tot Maandagavond," zei hij deftig, "en ik heb er nog een mooi plan bij bedacht. Wij zullen op den mijlpaal aan den kruisweg een nieuw briefje plakken, waarop te lezen staat, dat iedereen die een ezel te koop heeft, er dienzelfden avond mee aan de pastorie moet komen." "Dat wordt een ezelen-revue!" juichte Alex, en sprong in 't rond.
Met groot verlangen zagen we Maandagavond tegemoet. Wij houden er erg van, iets lang vooraf te weten, dan heb je altijd schik vooruit en je wordt niet zwartgallig. Betty en Clara zeggen, dat ze haast altoos somber gestemd zijn, daarom heb ik ze gezegd, dat ze vooral veel plannetjes moeten maken.
In een tevreden stemming naderden we ons dorp weer. Bij het spreken over de avondpartij in 't zigeunerkamp, liet ik Daan merken, dat ik vreesde, dat vader ons geen toestemming zou geven, om er heen te gaan. "Nu ja," zei hij, "jelui -- Lena en jij -- doen ook beter met niet te gaan. Alex en ik wel, omdat vader het ook wel eens gedaan heeft; vader zei, dat sommigen van die zigeuners heel nette menschen zijn."
"Maar wij zouden toch graag meegaan," zei ik wat ontevreden. "Alles wat lekker is, is nog niet verkeerd!"
"Wees toch zoo'n kwast niet," zei Alex. En Lena voegde er nijdig aan toe: "Ik ga toch, 't kan me niet schelen, wat ouwe Griet doet; als ik er voor gestraft word, heb ik het toch al gehad!"
HOOFDSTUK VIII.
Puf was danig verstoord, toen we zonder ezeltje thuis kwamen. Dadelijk na de thee ging Daan het nieuwe briefje aan den mijlpaal hechten. Allen gingen we mee en hielpen hem. Hij schreef er op:
"Gevraagd een eerste-klas ezel. Op bezien te zenden Maandagavond 6 uur aan de pastorie." Erboven schreef hij nog: "Belangrijk en spoed-eischend."
Toen dat afgeloopen was, gingen we weer naar huis, en hielp ik tante Caroline met opruimen, want het was Zaterdagavond. De zangoefening had ze ons ditmaal geschonken, omdat we uit waren geweest; doch voor we naar bed gingen, nam ze ons mee naar de piano in de zitkamer, en zongen wij de gezangen nog eens, die we voor Zondag moesten kennen. Daarna zei tante Caroline tot Daan: "Kom je morgen naar de Zondagsschool?" Daan antwoordde erg ruw: "Ja, ik denk 't wel."
Toen zei ik: "Tante, ik wou wel een klas nemen, als u nog een andere had."
"Ik denk, Grietje, dat er daarvoor niet genoeg kinderen zijn. Lang geleden heb ik het je al gevraagd."
"Wat leer je hun toch, Daan?" vroeg Lena. Maar Daan ging de kamer fluitende uit, en zei geen woord. Ik was er ook zeer benieuwd naar, wat hij ze leerde, maar toen ik het tante vroeg, zei ze: "'t Is jammer, dat jongens altijd denken, dat ze hun gevoelens onder zich moeten houden. Hij weet uitnemend de orde te bewaren, leert ze hun tekst en versje, en vertelt hun heel aardig een Bijbelsch verhaal." Ik zuchtte, want ik wou zoo graag hetzelfde werk doen.
Maandagmiddag kwam Lena naar me toe rennen: "O Griet! ik ben bij juffrouw Ribbon geweest, en zij zegt, dat ze een prachtigen ezel weet, en dat had ze ons allang kunnen zeggen, als we 't haar maar verteld hadden, en we niet naar die zigeuners waren gegaan. Zij zegt, dat ie aan een boer behoort, en dat die 'm verkoopen wil.
"Wel," zei ik, "zeg haar, dat ze hem bericht den ezel vanavond opzicht te zenden."
"Dat heb ik haar gezegd, maar zij zei dat ze niemand had om hem die boodschap te brengen."
"Waar woont hij?"
"Dat weet ik niet."
Ik ging dadelijk naar juffrouw Ribbon, en kwam te weten, waar de boer woonde. Het was wel een heel eind, maar ik dacht, als tante Caroline me maar even vrij liet, kon ik wel even heengaan. Tante zou juist met vader uitgaan. Ze gingen naar een vergadering in Lemworth, en vader zou er spreken. Zij vonden goed, dat ik ging, en zeiden meteen, dat we met de thee niet op ze behoefden te wachten. Ik vroeg angstig: "Maar u zult toch tijdig genoeg terug zijn, vader, om ons ezeltje uit te kiezen?" Hij glimlachte: "Ik vrees, dat we zullen moeten adverteeren, kind; ik twijfel er aan of je hier wel ezels heen zult krijgen."
"Wij verwachten wagenladingen vol!" riep ik uit, en rende heen.
Lena wou meegaan, en samen staken we dus de velden dwarsover. 't Rennen hield spoedig op, want het was o zoo warm; wij plukten bladen van zuring en varenkruid om ons te verkoelen. Eindelijk waren we aan de boerderij. Een prachtige tuin lag vóór de groote boerderij; in dien tuin lag een heer in een rieten stoel, en daarbij zat een dame. Ik vreesde, dat we verkeerd waren, maar we moesten den tuin door, om bij de voordeur te komen. Ik vroeg hun, of daar Mr. Donnyball woonde. De dame glimlachte: "Ja zeker, ga maar naar het huis, daar zul je zijn vrouw wel vinden. Wij zijn maar logé's."
Ik liep door, maar Lena bleef achter, zij mag graag met vreemde menschen praten; ik niet. Ik belde en een boerenmeid kwam voor; zij riep dadelijk de boerin, die heel blij was, toen ze hoorde wie ik was. Ik herkende haar dadelijk; zij en haar man komen elken Zondagmorgen bij ons in de kerk en zitten in de middelste banken.
Zij zei: "Kom binnen, lieve. Jan en ik zeggen altijd tegen mekaar, jelui zitten als engelen in het koor, en het is een genot, jelui te hooren zingen, en jelui goeje lieve vader preekt als een apostel. Kom, ga binnen, dan zal ik je een stuk van mijn eigengebakken koek geven, en een glas melk. En wat is nu de boodschap, kind?"
Zij sprak zóó snel, dat ik er geen woord tusschen had kunnen krijgen. Toen ik haar het doel van mijn komst verteld had, zei ze:
"Ja, jelui hebt een ezel noodig, hé? Kijk es wij hebben logé's, kapitein en mevrouw Rogers. Zij komen uit Londen; zij hebben familie te Lincoln. Hij is sedert den oorlog kreupel, en wij dachten, dat onze Nell hem heel zacht in een rieten wagentje zou kunnen trekken, maar hij ziet het ding niet, of maakt rechtsomkeert, en is niet tot kalmte te krijgen. Wij hebben er toen over gedacht, een pony te nemen. Mijn mans broer heeft er een; en zoo is het gekomen, dat ik tegen juffrouw Ribbon zei, dat we Nell niet wilden houden. Mijn kleine jongen reed er altijd op" -- ze begon eensklaps te schreien; ik begreep, dat haar kind was overleden en betuigde haar mijn deelneming daarover. Vervolgens zette ze mij in een heerlijk koele serre, riep Lena ook, en beiden kregen we toen een glas melk en een stuk gebak. Ze beloofde, dat de ezel dien avond door een der knechts zou gebracht worden. Ik was wat in m'n schik; we wilden nog graag den ezel zien, maar men was met 'm naar den molen om meel te malen. We namen nu afscheid en bij 't heengaan hielden de heer en mevrouw Rogers ons nog aan.
[Illustratie]
Lena had hun natuurlijk alles al verteld; de kapitein vroeg lachend: "Wat geven jelui voor den ouden knol?" Ik vertelde hem, dat we een ezelen-revue zouden hebben, en daaruit kiezen zouden.
"O!" riep hij uit, "daar moet ik bij wezen." Lena klapte in de handen en liet hem beloven, dat hij komen zou. Maar Mevrouw Rogers was er niet voor; hij was niet erg sterk, vertelde zij. Toen zei Lena: "Ik zal u een brief sturen, als u 't goed vindt, en daarin van de revue vertellen. Tante Caroline laat ons brieven schrijven, om te leeren stellen." Mevrouw Rogers vond het heel aardig, en wij vertrokken.
Lena begon te rammelen: "Wat zijn ze lief hé? Ik geloof, dat kapitein Rogers vergeten heeft te groeien, hij praat net als de jongens; Mevrouw Rogers keek hem onophoudelijk aan, en zei een keer: "Charles, breng het kind nu niet in de war." Ik zei, dat ik nooit in de war kwam. Toen fluisterde hij: "Als je met je hoofd omlaag slaapt, hou je ook op met groeien."
"Hij spreekt net als tante Marie," merkte ik op. "Ik hoop, dat hij bij ons zal komen."
"Ik zal hem een brief schrijven en vragen, om toch vooral te komen," zei Lena.
Toen wij thuis kwamen, was het theetijd, en waren de jongens juist uit school terug. Zij spotten met ons ezeltje. "Als de ezel van juffrouw Ribbon komt, zullen we 'm slaan, waar de anderen bij zijn," dreigden ze. Wij vertelden hun, dat het niet juffrouw Ribbon's, maar boer Donnyball's ezel was.
En zoo naderde het met spanning verwachte oogenblik van de ezelen-revue.
Toen 't zes uur was, stonden we allen aan 't hek; Puf was op 't poortje geklommen, om toch vooral de eerste te wezen, die hen zag komen. Wij wachtten, wachtten tot bijna halfzeven, toen Nell kwam opdagen. Hij zag er prachtig uit, dik en helder, en met een mooie grijze kleur; de jongen, die hem bracht, scheen ook zeer met hem ingenomen. Terwijl we ons om den aankomeling verdrongen, kwamen, in een stofwolk gehuld, vier leelijke, ruwe beesten aangedraafd, begeleid door een man en een jongen. En toen begon de revue.
[Illustratie]
Ik wenschte, dat vader er nu maar was, maar Daan meende zelf de keuze wel te kunnen maken. Nog waren we bezig, van alle kanten het vijftal te bekijken, toen een oude vrouw kwam opzetten, ook met een ezel, en werkelijk een aardig beest.
Het begon nu vermakelijk te worden; een troep kinderen stond om ons heen, en nog meerderen kwamen erbij kijken. Wij hadden nu zes ezels, en nog was vader er niet.
De vier magere ezels behoorden aan onzen vriend den zigeuner, en de mooie zwarte behoorde aan een vriendin van juffrouw Tapson. Daan deed heel gewichtig; hij fluisterde Alex wat in, waarna deze z'n pet in de lucht wierp en uit alle macht Hoera! riep. Onmiddellijk daarna nam Daan het woord en schreeuwde: "Kijk hier, we moeten een ezel hebben, die goed kan loopen, en nu willen we uit deze zes den besten kiezen. Daarvoor zullen we een wedstrijd houden; wie van de zes het vlugst een afstand van één mijl loopt, is ons."
De dorpskinderen juichten bij het hooren van deze afkondiging, en wij niet minder. De man met de vier magere exemplaren keek niet bijzonder opgewekt. En hij mopperde: "Ik heb deze puike beestjes 10 mijlen moeten laten loopen, om ze hier te brengen, en ik heb er niet op gerekend, dat ze nu ook nog een wedstrijd moeten meemaken. En dat op zoo'n heeten dag!"
"Wel," zei Daan, die altijd rake opmerkingen heeft, "we zullen ze een voorsprong geven. Op den hoogen weg zal de wedloop plaats hebben; tot den ouden eik, waar de bliksem is ingeslagen, is het een halve mijl, ik heb het opgemeten. Nu zullen we ze tot daar laten rennen; de start is bij ons hek."
Vervolgens vroeg hij aan juffrouw Tapson's vriendin, die Rowe heette, hoe ver haar ezel had geloopen; 5 mijlen, was het antwoord. Bob Tapson had ons briefje aan den mijlpaal gelezen, en toen haar gewaarschuwd. Zij was nu met het ezelkarretje hierheen gekomen.
Daan begon nu den wedstrijd te regelen. "Wij moeten jockeys hebben," vond Alex, en voegde er meteen bij: "ik zal den grijzen berijden." Toen deed Daan ook maar eerst een keus, en bestemde den zwarten voor zich. Dit was de ezel van juffrouw Rowe.
Maar de jongen van boer Donnyball zei, dat hij zelf z'n ezel moest berijden, want hij kende z'n eigenaardigheden. Alex koos zich dus een van de vier zigeuner-ezels; dan nam de jongen, die erbij was, een tweeden van 't viertal, de man wilde dan den derden nemen. Maar Daan vond hem daar te zwaar voor. Lena en ik vroegen hem, ook een ezel te mogen berijden, maar hij wou 't niet hebben. Hij vond, dat wij moesten post vatten bij de start. Twee jongens uit 't dorp bestegen toen de twee andere zigeuner-ezels. Zij moesten alle vier zonder zadel bereden worden.
Het begon nu te spannen; iedereen wond zich op, en toen we de ezels alle op den hoogen weg brachten, en ze daar op een rij plaatsten, scheen het heele dorp wel uitgeloopen, om er naar te kijken.
Daan gaf den 10-mijlen-ezels 200 meter voorsprong, dien van juffrouw Rowe 100 meter, en de grijze, die maar een mijl geloopen had, vertrok bij ons hek. Het kostte heel wat tijd, voordat alles in orde was. Als vertreksein vind Daan een pistool heel geschikt, maar we hadden geen bruikbaar exemplaar meer; dus werd de tafelbel gekozen. Hiermee liep ik tot midden op den weg, en luidde haar toen uit alle macht. De zes harddravers zetten zich in beweging, maar ook de gansche troep kinderen rende er achter aan, schreeuwend en juichend, dat je hooren en zien verging. Lena en ik hadden graag evenzoo gedaan, maar wij hadden de wacht bij het eindpunt, en hielden ons dus gereed voor een nauwkeurige opname van den tijd der terugkomst.
Een van de bruine ezels wilde niet; hij struikelde over een kuiltje, en bleef bewegingloos staan. De man, die hem en z'n 3 makkers gebracht had, begon te vloeken en hem te slaan. Lena en ik werden beangst, en we vroegen Baldwin, er heen te gaan, en hem te vragen, maar op te houden. Natuurlijk waren de keukenmeid en Emma en Baldwin ook komen kijken.
Het duurde lang, eer ze terugkwamen, maar eindelijk hoorden we juichkreten en zagen we Daan op den zwarten ezel in draf aanrijden. Met een galop sprong hij het eindpunt binnen. Van de anderen was nog niets te zien. Eindelijk verscheen ook Alex; hij was twee keer afgeworpen; hij zei, dat zijn ezel kuren had, en terwijl hij ons daarvan vertelde, nam het dier juist weer een sprong, en buitelde Alex over z'n kop in een bed brandnetels. Ik kon m'n lachen niet houden, hoewel ik het voor Alex jammer vond. Vervolgens verscheen de boerenknecht; zijn ezel lag aan den weg, en had hem enkele oogenblikken geleden afgeworpen.
[Illustratie]
De andere ezels waren geen van alle goed, zij kwamen niet eens tot aan den eikeboom, ze stonden koppig op den weg, en wilden niet voort, waarop Daan den man te kennen gaf, dat we een loopenden, geen stilstaanden ezel moesten hebben. De man was verre van prettig gestemd en raasde van belang. Hij wilde voor z'n vergeefsche reis betaald worden, en ging naar de herberg om vaders thuiskomst af te wachten. Natuurlijk waren we 't allen eens over den winnaar, en juffrouw Rowe was wàt in haar schik. Zij prees haar ezel als een eerste-klas-harddraver en wilde er haar karretje en het tuig bij verkoopen voor een prijsje. Nu kwam het belangrijkste nog: de koopsom. Zij zei, dat ze den ezel en het karretje niet meer noodig had, omdat ze te Lemworth ging wonen, en daarom zou ze 't ons voor een prijsje laten: voor de gansche verzameling vroeg ze 54 gulden. 't Scheen goedkoop, maar ... wij hadden het niet! Daan telde onze kas na; er was slechts 10 gulden en 20 cent in, en daar kwam dan bij grootmoeders 36 gulden. Terwijl we hierover nog aan 't onderhandelen waren, kwamen vader en tante Caroline van 't station.
Hoewel vader zeer vermoeid was, kwam hij ons dadelijk helpen. Hij deed eenige vragen over den ezel, hoe oud hij was, en hoe lang ze hem had gehad, en of ie ook rare kuren had, en hoe snel of ie loopen kon; wij vertelden hem dadelijk van den wedstrijd, en toen wilde vader ook de andere zien.
Te midden van deze nieuwe drukte riep tante Caroline Lena en mij naar binnen, om naar bed te gaan. Toen ze was thuisgekomen, had ze Puf al naar bed gestuurd. We moesten dus van al dat moois scheiden, doch waren er zeker van, dat vader Andy, den ezel van juffrouw Rowe, zou kiezen.
Zoo gebeurde het ook, en Alex kwam ons nog even vertellen, toen we al in bed lagen, dat vader ook het karretje gekocht had; wij moesten hem ons verdiende geld geven, en hij zou de rest er bijvoegen. Juffrouw Rowe had den ezel met toebehooren voor 48 gulden achtergelaten.
Lena en ik waren verschrikkelijk verdrietig, dat we den intocht van ons ezeltje in den stal niet konden bijwonen. Den volgenden morgen had Baldwin hem al in 't grasveld bij de keuken gelaten. Wij gingen naar 'm toe en Lena gaf hem een wortel. Hij kwam dadelijk op ons af, en at 'm op. Maar toen we op z'n rug wilden klimmen, sprong ie weg.
Na het ontbijt gingen vader en tante hem bekijken. Vader vond, dat de jongens best zelf het karretje konden opschilderen.
Na school gingen we allen, verheugd over onzen nieuwen makker, naar den stal, en beproefden het karretje. Het bleek ons alle vijf best te kunnen houden.
Daarna gingen we Andy vangen, zetten Puf op z'n rug, en maakten een plechtigen rondgang over het grasveld. Vervolgens maakte ieder van ons een rijtoer, totdat Andy zóó vermoeid was, dat ie op z'n voorknieën ging liggen, zich tuimelen liet, en in 't gras lag te rollen.
Wij gingen in huis, en Alex fluisterde mij in: "We gaan morgenavond naar 't zigeuner-feestmaal!"
HOOFDSTUK IX.
Het is zoo angstig, als je met heel je hart het goede wilt doen, en je ontdekt dan, dat je toch eigenlijk bezig bent om te doen, wat niet goed is. Alle mooie dingen schijnen dan verkeerd te zijn. Dat feestmaal bij de zigeuners b.v. leek mij toch wel een der heerlijkste zaken, waarvan ik ooit gehoord had. Den volgenden dag na theetijd wandelde ik in den tuin rond en overdacht deze dingen. Ik wist heel wel, dat ons niet zou worden toegestaan, er heen te gaan, en in elk geval ons meisjes niet. Maar wij bleven altoos tot beddegaanstijd in den tuin, en het zou dus niet moeilijk vallen, in 't duister te ontsnappen. Zoo'n wandeling in 't donker en zoo'n feestmaal in 't zigeunerkamp scheen wàt avontuurlijk. En dan de terugtocht bij maanlicht!
En toen begon ik over mijzelf te denken. Als ik een trouwe dienstmaagd wilde wezen, mocht ik natuurlijk niet gaan naar een plaats, waar mijn Meester mij niet wilde hebben en dus moest ik Hem daar eerst over vragen. En nu hoop ik, dat ge het niet verwaand zult vinden, als ik vertel, dat 'k naar het struikgewas bij de kerk ging waar niemand me kon zien. Daar vertelde ik alles aan Jezus, en ik vroeg hem, om mij thuis te houden, als het verkeerd was er heen te gaan. Toen ik opstond, gevoelde ik met groote zekerheid dat ik niet mocht gaan, en ik wist ook, dat ik moest trachten, Lena eraf te houden.
Ik ging haar dus zoeken. En ik was allesbehalve op m'n gemak, toen ik zag, dat de jongens al den weg op slopen. Ik vloog ze achterna en vroeg:
"Gaan jelui?"