Wij en ons ezeltje

Part 4

Chapter 44,222 wordsPublic domain

Wij waschten toen een roodwollen poppejurkje; dit gaf zóó erg af in 't water, dat ik naar beneden vloog, en tante Caroline toeriep: "Kom u es gauw boven, Lena bloedt zoo." Tante Caroline liep zoo hard als ze kon de trap op, en kwam doodelijk verschrikt bij 't bad. Daar zag ze, hoe we haar voor 't lapje hadden gehouden. Clara vond de historie allerleukst.

Maar wat was ze nat geworden! Haar jurkje kon je wel uitwringen. Wij beproefden haar te drogen, doch toen we beneden kwamen, was tante Caroline erg boos, en zelfs Mevrouw Laura keek verstoord. Clara kreeg Lena's beste witte jurk aan, die haar heel goed paste; tante zei tegen Mevrouw: "Ik verzeker u, dat ik geen oogenblik gerust ben, wat er gebeuren zal. Ik kan u niet zeggen, hoe dit me nu weer spijt." Maar Clara zei dadelijk: "Och mama, ik vond het zoo heerlijk; ik kan me thuis nooit zoo vermaken." Mevrouw Laura glimlachte en sprak: "Ik kan me zoo begrijpen, juffrouw, dat u uw handen vol hebt; bij mij moeten ze maar niet wasschen, als ze op de thee komen morgen."

Mevrouw en Clara vertrokken nu per rijtuig; Lena en ik kregen droog brood bij de thee, omdat we Clara hadden laten wasschen. Ik vind die straf niet verdiend. Vader straft ons nooit onverdiend. Tante denkt altijd, dat we dan beter zullen opgroeien. Maar wij denken wel eens, dat die bijzonder goed opgevoede lui de malste menschen van de wereld worden. En daarom zijn we d'r heelemaal niet op gesteld, zoo heel best op te groeien.

HOOFDSTUK VI.

In groote spanning zagen Lena en ik de theevisite bij Mevrouw Laura tegemoet. Lang voordat tante Caroline het gewild had, waren we al in ons beste pakje gestoken. Emma bracht ons weg, en liep onophoudelijk druk te praten over het mooie, groote huis van den baron. Ik wou, dat ze allen bij ons in de kerk kwamen, maar dat doen ze niet; dichterbij hebben ze een kerk, en daar gaan ze heen. Wat zullen de jongens jaloersch op ons zijn; ik heb ze maar gezegd, dat er heelemaal geen jongens zijn, waarna Daan opmerkte, dat een visite van louter meisjes hem te min was.

Lena was gewoon wild; ik waarschuwde haar, dat, als ze wat verkeerds uithaalde, ik dadelijk naar huis terug zou keeren, om haar daar te laten. Natuurlijk werd ik weer voor verwaandheidje uitgescholden, maar dat is minder: Lena was nu niet kalm.

Toen we de groote voordeur naderden, was ze o zoo schuchter, ik denk een beetje angstig. Ikzelf eigenlijk ook wel een weinig, toen een deftige huisknecht ons in een vestibule liet, die geheel met schilderstukken en platen versierd was, en ons vervolgens langs eindelooze gangen geleidde, waarna hij een deur opende, en riep: "De jongedames van de pastorie!"

Even daarna stonden we in een allerliefste kinderkamer, en kwam Clara ons tegemoet om ons te verwelkomen. Zij bracht ons dadelijk bij 't venster, waar Betty op een sofa lag. Zij geleek sprekend op Clara, alleen haar gezichtje was wat smaller en bleeker. Dan was er in deze kamer nog een vriendelijke gouvernante, Miss Tudor.

[Illustratie]

Onmiddellijk vroeg Lena haar, of ze nog familie was van den koning Tudor. Miss scheen het nog al niet kwaad op te vatten; ze lachte althans en zei, dat ze vreesde, wel geen koning in de familie te zullen hebben.

Toen trok Clara ons mee, en liet ons al haar prachtige poppenkamers en ander speelgoed zien. Al spoedig zat Lena op den vloer en vermaakte zich met een der poppenkamers. Inmiddels was ik met Betty gaan praten.

"Clara heeft me verteld van jelui badkamer en de groote wasch," zei ze; "ik wou, dat ik er bij geweest was. Toe, vertel me d'r es wat meer van." Ik ging haar nu vertellen van ons ezeltje, en hoe wij probeerden het geld te krijgen; ze vond het allerleukst.

Clara kwam naar ons toe: "Zeg, Betty, wij hebben toch zoo'n schik met ons poppenhuis; Lena vertelt me allerlei nieuws, hoe ik er mee om moet gaan. Wij hebben inbrekers door den schoorsteen laten klimmen, en onder het ledikant verborgen, en" -- hier ging ze fluisteren -- "als Miss meteen uit de kamer gaat, gaan we een brandje voorstellen, en dan zijn wij brandweermannen; dan halen we de tuinslang en bespuiten het met water."

Betty's oogen schitterden, maar ik moest zien, dat spelletje te voorkomen. Ik vertelde haar, dat wij zooiets thuis ook eens gedaan hadden. De jongens staken toen een brandenden lucifer onder een van de poppenbedden. 't Was o zoo aardig, maar het gansche bed vatte vlam, en al onze poppen verbrandden. 't Was wel heel vermakelijk, het toen te blusschen, doch net kwam moeder binnen, en wij moesten haar beloven, zooiets nooit weer te zullen uithalen. Als we hier zoo'n rommel maken, mogen we nooit weer komen.

Lena keek me nijdig aan. "Hè, Griet, wat ben je weer vervelend, je houdt nou ook nooit es van een grapje!"

't Is wel hard, als je voor vervelend wordt gescholden, terwijl je 't goed bedoelt; maar ik zei geen woord meer, zoodat Lena al spoedig haar zinnen op wat anders zette. 't Duurde niet lang of de poppenkamer was veranderd in een kasteel, door soldaten belegerd; de poppen werden verondersteld, te worden gevangen genomen en vermoord, waarbij Clara en Lena een afgrijselijk geschreeuw aanhieven.

Inmiddels vertelde Betty mij, hoe het voortdurend liggen op de sofa haar vermoeide, en hoe zij ernaar verlangde, er af te mogen en de kamer rond te huppelen. Vervolgens toonde ze me haar boeken en speelden we een leuk spelletje, totdat de thee kwam. Wij waren toen al de beste vrinden; Clara zei, dat er in geen mijlen zulke meisjes als wij te vinden waren. Wij vroegen haar de namen van al de dominees in de buurt, en van al de baronnen, en het bleek, dat zij ze allen bij name kende.

Na de thee, toen Miss Tudor de kamer verlaten had, zei Betty tegen me: "Ik ben toch zoo blij, dat jelui niet zoo braaf bent. Ik dacht altijd, dat kinderen van een dominee zoo heel braaf waren. En als jelui dat waart, zou ik niet van je gehouden hebben."

Ik voelde me wat vernederd en zei langzaam: "Zoo. Ja, heel goed ben ik niet, maar ik tracht het toch te worden." Zij keek mij aan. "Maar het is toch veel grappiger om ondeugend te zijn."

"Dat weet ik niet," antwoordde ik. "Zoolang je 't bent, lijkt het heel dapper, maar daarna is het dat lang niet."

"Ik wou, dat er geen "daarna" bestond," zei Betty ongeduldig. "Dat ik hier op die vreeselijke sofa lig, is ook een "daarna". Je weet, ik heb mijn voet verstuikt, toen ik als een jongen in een boom wou klimmen. Miss Tudor riep me, om er uit te komen, maar ik lachte haar uit, klom hooger en -- viel."

"Verschrikkelijk," zei ik, en voegde er aan toe, terwijl ik mijn wangen voelde gloeien: "Dat is nu precies hetzelfde, wat ik zou gedaan hebben. Het is dan zoo akelig gemakkelijk, zoet te wezen."

"Ik houd ervan, flink ondeugend te wezen," sprak Betty met trots.

"Ik wou, dat je vader kende," zei ik. "Hij gunt ons zooveel mogelijk pleizier. Vaak zegt hij tegen tante Caroline: Een losse teugel, tante, voor mijn jonge wildebrassen, en zoo weinig mogelijk bevelen en regelen als 't maar kan. Dat zal ongehoorzaamheid voorkomen."

"Wat een lieve vader!" riep Betty.

En ik ging voort: "Hij zegt, dat als wij Gods geboden gehoorzamen, wij ook de zijne zullen opvolgen. Toen ik nog een klein meisje was, las ik vaak de Tien Geboden over, en ik dacht, dat ik er nooit één van overtrad. Maar nu weet ik beter. Verleden Zondag noemde vader ons drie geboden: Kom, ga, doe."

Betty luisterde met aandacht. "Toe, ga voort. Je bent een heerlijkerd; 't eene oogenblik brul je van 't lachen en 't andere hou je een preek."

Ik vertelde haar nu, zooveel als ik nog wist van vaders preek. "Zoo doet een trouwe knecht. In onze kerk ligt een ridder begraven, die altoos trouw en altoos bereid was. Vader zegt, dat hij dat ook wil wezen, en natuurlijk is hij het ook, en als ik er maar veel om denk, tracht ik het ook te wezen."

"Vergeet je het dan zoo gauw?"

"Bijna altoos," antwoordde ik zuchtend.

In dit gesprek werden we gestoord door Lena en Clara. Ze wilden zich verkleeden. Wij gingen dus naar Clara's slaapkamer en trokken allerlei malle kleeren aan. Daarna keerden we terug naar Betty. Clara stelde een oude bedelares voor; Lena moest een Indiaan verbeelden, terwijl ik een deftige Amerikaansche dame voorstelde.

[Illustratie]

Allemaal deden we verhalen aan Betty, en zeiden, uit Engeland te zijn gekomen, omdat we gehoord hadden, dat ze zoo rijk en goed was. Vervolgens kondigde Lena een Indiaanschen dans aan; zij klauterde op de tafel, en tolde als een dolle rond, zoodat Betty tranen van 't lachen kreeg.

Toen deze voorstelling was beëindigd, werd ons meegedeeld, dat Emma gekomen was, om met ons weer naar huis te gaan. Wij namen afscheid van elkaar; Clara en Betty vroegen ons, toch vooral weer te komen. Wij vonden het heerlijk, en Lena zei, toen we thuis kwamen: "Nu zie je es, hoe goed het was, dat ik er met den pony vandoor ging, want nu hebben we beste vriendjes in Clara en Betty." Toen wij thuis kwamen, vonden wij de jongens druk bezig met het tellen van hun geld. Daan had 65 cent gemaakt voor gevangen visch, die hij bij drie verschillende boeren had verkocht, en Alex had f1.80 verdiend bij Cummins; deze had hem 30 cent per dag gegeven voor zijn hulp bij 't hooien. Met de noodige plechtigheid verklaarde Alex: "'t Is verdiend in het zweet des aanschijns; maar het is ook alles, wat ik kan verdienen, want er wordt nergens meer gehooid nu. En de volgende week moeten we ook weer naar school."

Oversecuur telden we allen ons geld nog eens na; 't was nog lang niet genoeg, om er een ezel voor te koopen, maar wij hadden alle hoop, er nog heel wat bij te verdienen. Lena kon doorgaan met het maken van borstplaat, en ik met het plukken van bloemen, en het zenden van groenten naar de markt. Daan kon voortgaan met zijn visscherij. Alleen voor Alex moest fluks een ander plan bedacht worden.

"Niet noodig!" zei hij. "Ik heb harder gewerkt dan jelui allemaal samen. Ik heb mijn aandeel geleverd."

"Eén gulden en tachtig cents is niet veel," merkte ik op. Alex begon korzelig te worden en zei: "'t Zit 'm niet in de hoeveelheid, 't zit 'm in de waarde. Deze 36 stuivers vertegenwoordigen een zeer zwaren arbeid. Wat zou je meer op prijs stellen als verjaarsgeschenk: een boek, dat je zoo maar koopt en weer weggeeft, of een boek, waarvoor een jaar lang gespaard is, en de krachten van wie het kocht, bijna heeft uitgeput?"

Ik was onder den indruk van deze redevoering, maar Daan heelemaal niet. "Je bent een lui stuk mensch," zei hij; "ik weet heel goed, dat je den halven dag in 't land lag, en frissche dranken kreeg."

Maar Alex meende een week rust noodig te hebben; daarna zou hij een nieuw plan aanvatten. "Mijn lichaam is zoo vermoeid, dat ik niet denken kan; maar ik beloof je, dat mijn nieuwe plan niet minder aardig zal wezen dan dat van jelui."

De Zaterdag met z'n zangoefening in de kerk kwam weer aan. Juist was ik aan 't zingen, toen ik ineens dacht aan vaders preek: Semper fidelis, semper paratus. Ik dacht erover, wat vader nu wel van mij zou wenschen. Maar ik had den moed niet, om het te doen; Daan zou mij uitlachen m'n leven lang. Maar toen ik naar bed ging, bad ik tot God, of Hij mij zóó moedig wilde maken, dat ik het doen durfde.

Zondagmorgen vond ons allen aan 't ontbijt. Tante Caroline staat gewoonlijk al vóór ons van tafel op, omdat ze naar de Zondagsschool moet. Ook nu zou ze juist weer heengaan, toen Daan eensklaps opsprong, met rood gezicht haastig z'n kopje thee leegslurpte, en zei: "Tante, ik ga met u mee naar de school. Ik zal de klasse der kleintjes nemen." Tante nam het heel kalm op, maar voor onze ooren was het, of het onweerde.

"Ik heb al zoo vaak er op aangedrongen, dat een van jelui me helpen zou," zei tante. "De arme kleintjes begrijpen mijn onderwijs aan de ouderen nog niet."

Daan ging de kamer uit. Alex sloeg z'n oogen ten hemel, hief z'n handen op en riep: "De hemel komt naar beneden!" Lena begon te giegelen. "Stel je voor: Daan de kleintjes aan 't onderwijzen! Hij weet ze niets anders te zeggen dan "goede vormen"."

Ik gevoelde mij als aan den grond genageld. Als ik dàt geweten had! Dat was nu de jongen, van wien ik vreesde, dat hij mij uit zou lachen, als ik deed, wat hij nu doet! Ik liep den tuin in, en schreide eens goed uit. En o, hoe bewonderde ik Daan nu! Altijd doet hij de dingen zoo onverwacht. Nooit praat hij er over, en je zou denken, 't kan hem niet schelen ook, maar plotseling komt ie uit z'n rust, gaat heen, en doet het. Ik zou zoo graag als hij wezen.

"Wat zal ik een pret hebben over die zuigelinglessen," zei Alex, toen we samen naar de kerk gingen. "Neen, dat mag je niet," zei ik, "want het is heel goed, wat Daan gaat doen. Verleden Zondag heeft vader er nog over gepreekt. Ik had het ook willen doen, maar ik was bang, dat jelui me zouden uitlachen. En nu is Daan me vóór geweest. Heusch Alex, onder het ontbijt dacht ik elk oogenblik het te zullen zeggen, maar zie, ik kwam net te laat."

Alex keek me een beetje scheef aan, maar zei niets; en toen we Daan bij het middageten weer zagen, zei geen van ons wat tegen hem; wij deden, alsof er niets gebeurd was. Ik bewonder Daan, als hij zoo doet, want hij zegt nooit, dat hij iets goed doet. En om elkaar te zeggen, dat je iets goed doet, vind ik verkeerd, lijkt me zoo verwaand.

En nu moet ik vertellen van Maandagmorgen, en van de groote verrassing, welke ons toen te beurt viel. Puf had al telkens gezegd, dat hij iederen dag een brief van God verwachtte, met het geld voor een ezel erbij. Elken morgen klampte hij den brievenbesteller aan. 't Zal den man wel raar in de ooren geklonken hebben, toen Puf hem vroeg: "Weet u wel zeker, dat er geen brief voor mij bij is, want ik verwacht er een van God; het moet een heele zware brief wezen."

[Illustratie]

Dezen Maandag bracht hij de brieven weer binnen, en toen vader ze nakeek, zei deze plotseling: "Is hier een mijnheer George Marjoribanks in de kamer?" "Dat ben ik!" riep Puf, en danste in de grootste opwinding om de tafel. "Laat mij hem zelf openmaken!" Hij kreeg den brief in z'n handjes. "Maak 'm nu maar open," zei vader, ook wel 'n beetje nieuwsgierig. Puf maakte hem open: er zaten drie postbewijzen in, en een velletje papier, waarop geschreven stond:

"Van grootmoeder. Voor een ezeltje."

En elk van de postbewijzen was f12.-- groot.

Wij konden onze oogen niet gelooven. Grootmoe geeft ons zelden geld -- alleen op verjaardagen. Ik vermoedde natuurlijk al dadelijk, dat tante Caroline haar verteld zal hebben, hoe vurig Puf er om bad. Pufs gezicht was een portret waard, toen hem werd uitgelegd, hoe de zaken nu stonden. Zijn oogen straalden van blijdschap; hij zette een borst op en zei: "Natuurlijk. Ik begrijp heel goed, wat er gebeurd is. Vader zegt, dat God geld aan sommige menschen geeft, om er goed voor te zorgen. Hij heeft het Zelf te druk gehad, om het te zenden, en daarom droeg Hij oma op om het te doen."

"Ik geloof, dat je de waarheid zegt, Puf," sprak vader, terwijl hij hem kuste op z'n heerlijken kroeskop. Puf keek met verrukte blikken om zich heen. "Mijn plan is het beste geweest van ons allen," juichte hij.

Wij waren te verrast, om te spreken. Vader sprak zachtjes: "Want derzulken is het Koninkrijk Gods."

Toen, na nog even stilte, barstten we allen uit in een blij gejuich. Het ezeltje was zoo goed als gekocht, en we konden zelfs nog wel geld over houden. Daan zei al dadelijk, dat dat dan wel kon dienen voor een zadel, maar vader zei, dat we voor die 36 gulden en wat we al reeds hadden; allicht wel een ezeltje en een tweede-hands wagentje konden koopen. Maar vader schat de dingen altijd goedkooper dan ze zijn.

HOOFDSTUK VII.

En nu: waar kunnen we een ezel koopen?

Ziedaar de groote vraag, welke ons allen bezig hield, toen we op een pufwarmen middag ons hadden neergevleid onder de boomen langs het grasveld. Behalve Puf, die nog niet tot bedaren gekomen was en telkens opsprong om vlinders na te jagen.

Alex opende de debatten, kriebelde Lena met een grassprietje in haar oor en zei: "Je ziet nog wel es veel ezels zoo grazen, maar ik heb er tot nu toe nog niet zoo bijzonder op gelet."

"Laten we naar juffrouw Ribbon gaan, en haar vertellen, wat we noodig hebben," stelde ik voor, en begon alvast te zingen:

Wie hier eens komt, die komt terug, Die wordt geholpen, goed en vlug.

"Zij zal er een uit haar dierenverzameling halen," zei Daan, "en dan zal 't niet veel moois wezen, dat verzeker ik je. Neen, de eenige lui, die werkelijk goede ezels hebben, dat zijn de zigeuners, en die moeten we vóór alles zien te vinden."

"Hoera!" riep Alex uit, "we gaan een zigeunerkamp bezoeken." En Lena voegde erbij: "Juffrouw Ribbon zal ons wel zeggen, waar er een is."

"Wacht es even," zei Daan, "we kunnen het best zelf uitvinden, waar ze zitten, evengoed als de politie. Laat mij maar begaan."

"Nou ja, maar we kunnen toch evengoed eerst es bij juffrouw Ribbon gaan hooren," meende ik.

Aldus werd besloten; we sprongen allen overeind en draafden naar het "dorpsmagazijn". Er stonden juist twee vrouwen af te rekenen, maar toen ze ons zagen, gingen ze heen, en spoedig had ons clubje den ganschen winkel gevuld, natuurlijk Puf vooraan. O, wat was het er snikheet! De vliegen zaten overal op, en juffrouw Ribbon zag er uit, alsof ze zoo van een wilde vliegenjacht kwam, natuurlijk kwamen de vliegen nu ook nog op haar gezicht af, alsof het met stroop besmeerd was. Met haar zakdoek trachtte ze de lastige dieren op 'n afstand te houden. Niettemin glimlachte ze, zooals altijd en onder alle omstandigheden.

Daan nam eerst het woord en zei alsof het een bestelling gold: "Wij wilden een zigeunerkamp hebben." Juffrouw Ribbon keek hem versteld aan, maar glimlachte alweer spoedig; zij houdt van een grap, en daarom wij ook van haar.

"Hoeveel geld heb je daarvoor beschikbaar? Ze zijn duur, jongeheer Daan!"

"O, dat komt later wel terecht, als u er ons maar aan een helpt," zei Daan.

"Een zigeunerkamp is een flinke bestelling," zei juffrouw Ribbon nadenkend. "Maar je moet me eens wat nader zeggen, wat je bedoelt. Hoeveel zigeuners moet je hebben? Of is de bedoeling een kamp alleen?"

Wij zagen, hoe ze lachte. Maar Alex zei nog eens uitdrukkelijk: "Dat zou nu de eerste keer worden, dat we hier tevergeefs kwamen. Neen, juffrouw, we moeten een compleet kamp hebben, met levende zigeuners erin."

"Maar groote goedheid, kinderen, ik verkoop alleen dingen, die de menschen kunnen koopen. Levende zigeuners zijn niet te koop in dit Christelijk land."

Wij begonnen terrein te verliezen, juffrouw Ribbon is ons te knap af. Toen zei Daan met potsierlijke verontwaardiging: "Wij zullen het onthouden, juffrouw. Wat wij wilden koopen was de inlichting over een zigeunerkamp. Maar we zullen u verder niet lastig vallen."

Allen verlieten we den winkel, 't hoofd in den nek als vertoornde klanten.

"'t Zal haar wàt spijten, dat ze ons niet heeft geholpen," zei Daan. We gingen dadelijk weer naar huis. Daar schreef Daan, op een groot vel van vaders preekenpapier, zoo mooi als hij kon:

"Onmiddellijk inlichtingen gevraagd naar het naastbijgelegen zigeunerkamp. Gedurende één week in te zenden aan de pastorie. Daniël Marjoribanks."

[Illustratie]

Toen was de vraag: Waar zullen we dien brief brengen? We waren 't er allemaal over eens: niet bij juffrouw Ribbon. Daan had een mooi idee. Bij den kruisweg, juist aan 't begin van ons dorp, staat een groote mijlpaal. Wij namen een beetje lijm mee en gingen er heen. Onderweg zei ik tegen Daan: "Je zult er nog een belooning voor moeten geven." Daar had hij niet aan gedacht, maar vlug krabbelde hij nog op den brief: "De aanbrenger zal goed beloond worden." Zoo hoog als wij erbij konden, werd het papier tegen den paal geplakt, en daarna keerden we weer naar huis terug. Na de thee ging Daan nog twee keer kijken, of de lijm wel goed hield. Den tweeden keer zag hij, dat er twee mannen en een jongen bij stonden te lezen. "Ik hield me weg," vertelde hij; "ik kroop achter een heg. Zij schenen er veel belang in te stellen."

"Ik geloof, dat we beter gedaan hadden, met naar een ezel te vragen," merkte ik op. Maar de jongens moesten daar niets van hebben. "Dat zigeunerkamp is juist de grap!" schreeuwde Daan. "Misschien zijn er in Lincolnshire niet eens zigeunerkampen," zei Lena.

Dat hadden we nog niet overdacht. En dus gingen we op nader onderzoek uit. Vader werd aangeklampt om ons daar wat meer van te vertellen. Hij vertelde ons, dat hij eens zoo'n kamp had bezocht, toen daar een man ziek was geworden. Wij vertelden vader echter niet, waarom wij onze vraag deden, maar Puf wilde weten, of ze ook jongens en meisjes stalen.

Den dag daarna kwam er een jongen aan de achterdeur en vroeg Daan te spreken. Gelukkig was hij thuis, want den volgenden dag begonnen de lessen weer. Zeer gejaagd kwam Daan aanloopen. De jongen vertelde: "Ik heb dien brief gelezen. Boer Brown, aan den weg naar Lemworth, laat altijd zigeunertroepen op een stuk land bij z'n boerderij uitrusten. In deze maand komen ze gewoonlijk, omdat ze dan naar de Lemworthsche kermis gaan, en die is vandaag over een week."

"Sjonge, dat treffen we!" riep Alex. "Hoeveel heb je hem gegeven?"

"Dertig centen. Dat vond ie heel best. Ik zal het natuurlijk uit onze ezelkas betalen."

"Ik wou, dat we nu morgen dien ezel maar kochten, dat lange wachten is nergens goed voor," vond ik.

Maar de jongens vonden, dat het wel een week uitstel waard was, om een echten ezel te kiezen uit een echt zigeunerkamp. En toen begonnen de lessen; alle dagen waren de jongens weg. Lena en ik kregen 's morgens les van tante Caroline, en Puf verbeeldde zich dat ook maar. De middagen hadden we voor onszelf, maar dan was er altijd wel wat naar een zieke te brengen, of andere boodschappen.

Op zekeren dag hoorde vader mij brommen, omdat ik zoo graag een nieuw leesboek uit de school-bibliotheek wou lezen, en tante me toen een boodschap wilde laten doen, terwijl ik pas voor haar was weggeweest. Vader schudde zijn hoofd, en zei: "Semper paratus! Grietje, zoo wordt je niet een goede dienstmaagd."

"Maar ik ben de meid van tante Caroline niet," flapte ik eruit.

"Ik dacht, dat je een van Christus' dienstmaagden waart," sprak vader ernstig. "Jou kleine dagelijksche werkzaamheden zijn de plichten, die Hij je oplegt, Je kunt niet Zijn dienst scheiden van den dienst hier in huis, het zijn dezelfde plichten. Denk je wel altijd aan Zijn bevelen, kind?"

"Ik vergeet het zoo vaak," zuchtte ik.

"Een ontrouwe dienstmaagd is zulk een teleurstelling voor Jezus," sprak vader zacht.

Toen begon ik te schreien. Ik kon er niets aan doen.

"Ik geloof niet vader, dat ik ooit een trouwe, gewillige dienstmaagd zal worden."

"Waarom niet? Deze boodschap van je tante was een oproep tot _gaan_, nietwaar?"

"Ik denk van wel," fluisterde ik.

"Geloof je zelf, dat je in Christus' dienst bent?" vroeg hij me.

"Ik hoop van wel, vader. Ik wil Hem dienen, omdat Hij voor mij gestorven is, en ik heb Hem lief, maar niet zóó, als het moest wezen. Ik denk, dat het _komen_, waarover u preekte, heel wat gemakkelijker is, dan het _gaan_. En wat het _doen_ betreft, ik heb er niet eens over gedacht. En, vader, het spijt me toch zoo, dat ik die Zondagsschoolklas niet heb genomen; Daan was me net voor."

"Elken dag, Grietje, moet je zoowel komen als doen. Het eerste wat een knecht des morgens doet, is zijn heer om orders vragen. Heb je van morgen den Heer om Zijn bevelen gevraagd?"

"Neen vader," zei ik, "ik heb mijn gebed vanmorgen afgeraffeld, omdat ik te laat op was."

"O, maar dàt is de oorzaak van je ontrouw. Ik ben in mijns Meesters dienst al heel wat jaren meer, dan gij Grietje. Als ik beproef Zijn bevelen uit te voeren, zonder Hem steeds te bidden, dan geraak ik dadelijk in moeite. Den ganschen dag, en elken dag is het "komen" en "gaan"."

Vader ging heen, ik bleef in nadenken verzonken staan, en beloofde mijzelf in stilte, dat ik trachten zou, nooit meer te mopperen, al werden mij honderd boodschappen per dag opgedragen.