Part 2
Lena kwam juist naar me toe en zei: "Griet, raad eens, hoe ik dat kwartje heb verdiend." Ik zei haar, dat het een geheim moest blijven. "Jawel," zei ze, "maar jij kunt toch wel een geheim bewaren, is 't niet?" "Ik weet, dat je je borstplaat hebt verkocht, maar ik weet niet, aan wie. Misschien aan Emma, zij is dol op zoet goed." "Emma! Alsof ik van haar een kwartje zou aanpakken! Neen, niemand hier in huis gaf het mij, maar een heel voornaam persoon." Dit maakte mij nieuwsgierig, doch ik wou het haar niet laten merken. "Vader wil niet hebben, dat je je suikergoed aan vreemden verkoopt," zei ik. "'t Is geen vreemdeling," en toen, fluisterend aan mijn oor: "mejuffrouw Ribbon. Zeg het niet tegen de jongens."
Ik schrok. Mej. Ribbon is een beste vriendin van ons, hoewel we haar nog niet lang kennen. Zij is eigenares van den dorpswinkel, en is heel dik en heel vriendelijk. Zij heeft een grooten zoon, die dikke vrienden is met Emma. Hij heeft een paar dichtregels geschilderd buiten de winkeldeur, een heel aardig versje:
Wie hier eens komt, die komt terug, Hij wordt geholpen goed en vlug.
Mejuffrouw Ribbon heeft van alles in haar winkel. Alex ging naar haar toe, en vroeg een Braziliaanschen postzegel, hij verzamelt postzegels. Zij zei, dat ze hem binnen een week zou hebben, er waren postzegels besteld. Wij geloofden haar niet, doch op een Dinsdag, als het marktdag te Lemworth is, stuurde ze haar zoon naar een grooten boekwinkel daar, en hij kwam terug, niet alleen met een Braziliaanschen postzegel, maar ook met vele andere, zoodat Alex langen tijd keuze had. Later ging Daan er heen en vroeg naar een witte muis. Zij ging naar de stad en bracht er een voor hem mee; ik zei hem, dat ze een gewone muis had gevangen en die wit geverfd had. Maar hij geloofde het niet; 't eenige lastige was, dat zij er meer geld voor vroeg, dan hij bezat. Later merkten we, dat Tom, zoo heet de zoon van juffrouw Ribbon, een groote menagerie in den tuin had: duiven, kanarievogels, honden, katten enz.
In juffrouw Ribbon's winkel hangt zoo'n heerlijke geur. Van alles ruik je er; Daan zegt, dat het een mengsel is van zeep, uien, stroop en koffie. Ik vind het meer een mengsel van zwavel, spek, appels, en kaas. Alex vindt het meer ruiken naar suiker, kool, vet en leer. Altoos helpt juffrouw Ribbon met een vriendelijken glimlach haar klanten, nooit verliest ze haar hoofd bij de zoo verschillende boodschappen. Deze moet pepermunt hebben, die worst, een ander zes el katoen, weer een ander een kookpan, kopjes en schoteltjes, dan weer touw, veters, inkt, huismiddeltjes, rapen, bisquit, te veel om op te noemen; altoos weet ze het precies te vinden. Ik zei haar eens, dat winkel houden mij een heel zenuwachtig werkje leek, want je krijgt zooveel menschen, die zelf niet weten, wat ze moeten hebben. "Niets erg," zei ze, "ik weet beter wat ze noodig hebben, dan zij zelf." Daaruit blijkt, dat ze een knappe vrouw is.
"Kocht juffrouw Ribbon je borstplaat?" vroeg ik aan Lena. "Ja, ik gaf het haar, en vroeg, of ze 't niet kon gebruiken; ik vertelde haar, dat ik wat geld moest verdienen. Dat vond ze heel lief; ze kocht het van me en beloofde Woensdag nog meer van me te zullen koopen."
Ik werd een beetje jaloersch. Wij hebben van jongsaf altoos zelf onze borstplaat gemaakt. Lena heeft het van mij geleerd. Natuurlijk was het slim van haar, om er aan te denken, het te gaan verkoopen; maar toen juffrouw Ribbon het eenmaal wilde koopen, was er voor haar geen kunst meer aan. En als ik er nu aan denk, wat mijn plannen zijn .... maar ik zeg er niets van, want de jongens mochten dit dagboek eens in handen krijgen.
"Ik weet niet, of tante Caroline wel goed vindt, dat jij alle boter en suiker daarvoor gebruikt," zei ik een beetje gemelijk.
"O, dat maakt de keukenmeid wel in orde, zij heeft al gezegd, dat zij er voor zorgen zou. Van elke 25 centen, die ik verdien, geef ik er haar vijf en zij kan er meer boter voor koopen, dan zij noodig heeft!"
"Ik geloof er niets van, dat zij jou elken dag in de keuken wil hebben," zei ik.
"Dat zal ook niet elken dag gebeuren, maar de keukenmeid heeft gezegd, dat zij, zoo dikwijls als ik het maken wil, me zal helpen."
Ik wist, dat dit waar was, want Lena speelt het met iedereen klaar door haar mooipraterij. Ik begrijp niet, hoe ik zoo verkeerd kwam, maar 't was nu eenmaal zoo, en toen werd ik nijdig op mij zelf, dat ik zoo nijdig was, en werd dus nog nijdiger. Lena was zóó akelig met zichzelf ingenomen, dat zij d'r mond er niet over kon houden.
"Niemand van jelui is nog begonnen met wat te verdienen," zei ze, "ik ben jelui allemaal voor."
"Ga toch naar bed," schoot ik uit, "je bent zoo lastig en druk, dat ik niet eens rustig kan schrijven."
Zij liep de kamer uit en schold mij uit voor zeurkous. Ik zal ook maar naar bed gaan; toch ben ik een beetje huiverig om zoo boos in te slapen. Wij hebben eens een verhaal gehoord van een jongen, die z'n zuster niet wou vergeven, voor zij ging slapen; maar zij werd niet weer wakker: zij stierf van hartzeer.
Ik ben blij, dat 't morgen Zondag is; dan kan niemand van ons geld verdienen, en dus behoeven we elkaar daarover dan ook niet in 't haar te vliegen. Daar houd ik trouwens toch niet van; wij hebben allen noodig, dat we vrede met elkaar houden.
HOOFDSTUK III.
Een gansche week lang heb ik niets geschreven, dus mag ik nu wel eens spoedig aan 't werk. 'k Zal eerst maar eens wat vertellen van verleden Zondag.
Bij het ontbijt krijgen we Zondagsmorgens allemaal een gekookt ei; dat is het eerste pleizier van den dag, ongerekend nog het genot der Zondagsche kleeren. Lena en ik zijn dol op witte jurken, en daar we nu juist uit den rouw zijn, kunnen we ze mooi dragen. Ook onze hoeden zijn wit, met witte linten. Lena lijkt Zondags wel een engel; als ze vleugels had, zou ze er bepaald een wezen. En het dragen van Zondagsche kleeren stemt je ook zoo opgewekt.
[Illustratie]
We moeten Zondags heel vlug ontbijten, omdat tante Caroline naar de Zondagsschool moet. Nog vóór kerktijd is ze terug, om met ons ter kerk te gaan. Verleden Zondag was het verschrikkelijk warm, en de brandende zonnestralen door de groote kerkramen maakten het daarbinnen benauwd. Leuk was het, toen de zon het kale hoofd van een boer ging plagen; hij sloeg met z'n zakdoek over z'n hoofd, als zaten er vliegen, eindelijk spreidde hij z'n zakdoek geheel over z'n hoofd uit, en had toen zóó 'n koddig voorkomen, dat ik 'n vreeselijken toer had, om niet in lachen uit te barsten. Ten slotte kon ik het niet meer uithouden, en proestte het zóó hard uit, dat vader ophield met preeken en mij strak aankeek. Wat had ik het toen te kwaad; m'n oogen stonden vol tranen, en ik kon het toch heusch niet helpen, ik had alles gedaan om niet te lachen. Eindelijk ging vader weer voort, en luisterde ik met aandacht naar hem. Want vader preekt heel mooi, altijd vertelt hij wat nieuws uit den bijbel.
Hij begon met de geschiedenis van den hoofdman over honderd, en sprak daarbij over deze woorden: "Ik zeg tot dezen: ga, en hij gaat, en tot genen: kom, en hij komt, en tot een anderen: doe dit, en hij doet het." Vader zei, dat dit het voorbeeld was voor een goeden dienstknecht. En toen zei hij, dat Jezus Christus ook tot ons die drie woorden spreekt, maar dan in deze volgorde: Kom, ga, doe. Zoo is ons Christelijk leven. Wij moeten komen, vóór wij kunnen gaan, om te doen. Wij moeten komen, en onszelf als dienstknechten van Jezus opgeven, opdat Hij onze zonden vergeve en ons tot Zijn eigendom make; en wij moeten gaan, om anderen van Hem te spreken, eerst onze vrienden, en dan hen, die Jezus niet kennen. Sommigen moeten daarvoor ver van huis, en vader vertelde hierbij van de zendelingen; anderen moeten in hun eigen omgeving doen, wat Jezus hen geboden heeft.
Elk woord van de preek heb ik begrepen, en zelfs de jongens zaten te luisteren, omdat vader het een preek over soldaten noemde, en de jongens zijn dol op soldaten.
Toen we uit de kerk kwamen, was ik heel stil. De jongens vroegen, of ik aan 't tobben was over mijn geheim, maar ik zei hun van niet.
Na het middageten gingen we allen naar het veld, om er de vragen en antwoorden uit onzen catechismus te leeren. Tante Caroline ging weer naar de Zondagsschool, maar vader kwam naar ons toe, ging in een gemakkelijken stoel onder de olmen zitten, en overhoorde ons de geleerde vragen. Toen dat afgeloopen was, gingen de jongens weg, en Lena ook, maar ik bleef, want ik hoopte, dat vader nog wat over zijn preek zou zeggen. Hij deed het al dadelijk; hij legde zijn hand op m'n schouder, en vroeg: "Heb je naar de preek geluisterd, Grietje?"
[Illustratie]
"Ja, vader." "En welke van de drie bevelen heb je nu gehoorzaamd? Ben je op weg, om een van Christus' trouwe volgsters te worden?" Ik antwoordde beschroomd: "Ik denk _komen_." Vader zei niets. En ik vervolgde: "Maar ik begreep niet goed het _gaan_. Ik kan toch niet de geheele wereld doorgaan, en het Evangelie brengen!" Vader sprak: "Ik heb gehoord, dat tante je gevraagd heeft, of je haar niet kunt helpen in de Zondagsschool; ik dacht, je zoudt daarheen kunnen gaan." "Maar vader," riep ik uit, met verbaasde oogen hem aanstarende, "daar ben ik toch veel te jong voor; de jongens zouden zeggen, dat ik dan nog verwaander was dan ooit, ze noemen me nu al altoos verwaand."
"De vraag is maar, waar je 't meeste om geeft: het bevel van Jezus of de jongens." Ik liet mijn hoofd hangen; toen opeens viel ik uit: "Een kwast te heeten, is niet in den vorm." Vader lachte luid. En ik voegde er haastig aan toe: "Ik vind zelf, dat zulk werk voor mij te verwaand zou staan." "Heel wel," zei vader, "ik zal er niets meer over zeggen."
Ik voelde mij ver van gelukkig. Net kwam Puf aan en klom op vaders knie; ik ging weg, liep naar de leerkamer en nam een boek uit onze "Zondagsche" verzameling. Ik las door tot theetijd. Werkelijk, ik kàn nog geen klas onderwijzen. Ik zou niet weten, wat ik zeggen moest; bovendien, de kinderen kijken je zoo aan, en Daan zou me maar uitlachen.
Na de thee gingen we naar de avondkerk, maar ik was al bang, niet veel aandacht voor de preek te zullen hebben. En toen wij den avondzang gingen zingen, voelde ik de tranen opkomen, omdat ik wist, dat ik een lauw hart heb.
Ik was maar wat blij, toen 't weer Maandag was, omdat ik dan heel wat te doen had voor onze vergadering op Dinsdag. Alex vroeg vader bij het ontbijt, of hij den ganschen dag mee uit hooien mocht met Cummins, dat is de boer, die vaders land verzorgt. Als Cummins hem mee hebben wou, vond vader 't goed.
Ik beneed Alex, omdat ik er ook zoo van houd, om mee uit hooien te gaan. "Je maakt er een mooi lui dagje van, terwijl je zorgen moest om je plan uit te voeren," zei ik hem. "Sluit je op, ouwe Griet!" riep hij, en rende lachend weg. Daan keek hem een oogenblik na, alsof hij ook mee wou. "Ik ga hard aan 't werk," zei hij, "mijn plan is rijp om vandaag uit te werken."
"Morgen zal 't mijne rijp zijn," zei ik, en ging den tuin in, om met den ouden Baldwin te praten. Dat is onze tuinman. Vroeger hadden we geen tuinman, eenvoudig, omdat we geen tuin hadden. Het is een alleraardigste oude man, maar hij wil van niemand bevelen hooren, zelfs niet van vader.
"De tuin is mijn werk," zei hij eens tot vader, "en preeken maken is uw werk, en het is niet goed ze door elkaar te halen. U is er op berekend om te preeken, ik om te tuinieren, en zoo weten we zelf onze zaken het best."
Altijd is hij gereed voor een praatje, en het spijt mij daarom eigenlijk een beetje, dat ik hem iets van mijn plan heb verteld. Nu weten vader en hij er allebei iets van; maar dat moet toch ook wel, want anders kan ik het niet uitvoeren.
Tegen etenstijd zei tante Caroline tegen me: "Griet, je moet eens even soep brengen naar een arme vrouw, die een halve mijl buiten het dorp woont. Je kunt Puf meenemen, een wandeling zal hem goed doen."
"Och tante," riep ik teleurgesteld uit, "moet ik nu vanmiddag uit, ik wou zoo graag wat in den tuin gewerkt hebben."
"Ik heb gemerkt, Grietje, als ik je wat vraag voor mij te doen, dat je dan altijd wat anders hebt te doen. Zoo vreeslijk is dat toch niet, even een halve mijl te loopen, om soep bij een arme vrouw te brengen! Ik kan zelf niet gaan, want ik heb met je vader nog een en ander te bespreken."
Ik trok een lip, en toen dacht ik in eens: dat kon nu wel dat "gaan" zijn, waarvan vader sprak. In elk geval was 't prettiger dan het onderwijzen in de Zondagsschool. Ik trachtte dus opgeruimd te kijken, ging Puf halen, en begaf mij met hem op weg. Lena kwam net het hek uit en riep juichend: "Hoera! Ik ga nog meer borstplaat maken! Ik zal 't van jelui allemaal winnen, wat zijn jelui ook voor langzame kinderen!" Terwijl ze dit zei, wond ze zich zóó op, dat ze van het hekje, waarop ze was gaan staan, plat op den grond viel.
"Hoogmoed komt voor den val," riep ik haar na, terwijl ze overeind krabbelde en haar elleboog wreef. Toen rende ik met Puf weg.
Hij was natuurlijk weer druk als twee. "Ik wil de volgende week het ezeltje naar de wei brengen," zei hij, "en ik wil er den eersten keer op rijden."
"Wanneer komt het dan?" vroeg ik hem.
Hij keek even voor zich, en zei toen: "Ik heb al gezegd, dat het een mooie ezel moet wezen, niet zooals ze die aan 't strand hebben, maar een met blauwe oogen en die niet bijt. Ik verwacht hem binnen 5 dagen."
Ik moest lachen; hij keek zoo ernstig en babbelde maar weer verder: "Het zal de beste ezel van de heele wereld wezen, omdat ik den rijksten man van de wereld gevraagd heb, hem te geven." "Ik vind, dat je niet zoo oneerbiedig over God spreken mag, Puf." "Ik heb niet gezegd, wien ik bedoelde, stoute meid, je hebt mijn geheim geraden." Puf stond het huilen nader dan 't lachen, en midden op den weg stilstaande riep hij: "'t Kan me ook niet schelen, ik vertel het aan niemand anders!" Toen begon ik hem maar een verhaal te vertellen, om zijn aandacht af te leiden.
Het was een lange warme wandeling naar juffrouw Tapson; 't leek mij meer een mijl dan een halve mijl, maar ten slotte kwamen we er dan toch! 't Was een aardig klein huisje met een tuintje, vlak aan den weg. De deur stond open, ik liep dus binnen, en zag daar een man, bezig met het vuur op te poken.
[Illustratie]
"Soep voor moeder?" vroeg hij, terwijl hij zich omdraaide en van mij gehoord had, wat ik kwam doen. "Ik ben er zoo dankbaar voor. Boven ligt ze te bed met pijnlijke rheumatiek, en ik verzorg haar zoo goed als ik kan. 's Morgens moet ik naar Lemworth, en pas 's avonds 7 uur kom ik weer in 't dorp terug." Hij had inmiddels het pannetje van me aangenomen en keek er in. "Daar is genoeg in voor vandaag en morgen," zei hij. "Vriendelijk bedankt hoor kind. Wil je niet even naar boven gaan, om moeder te groeten? Ze houdt zoo van gezelligheid."
Ik klom de nauwe trap op, en Puf stommelde achter mij aan. Ik ben gewoonlijk bang voor zieke menschen, maar van deze oude vrouw hield ik. Een helder mutsje had ze op en ze lag onder een lappendeken. Haar gansche gezicht helderde op, toen ze ons zag komen. Zij zei, dat ze al van ons gehoord had, en of ik nu dat meisje was met het mooie haar? Ik lachte terwijl ik mijn roode lokken naar achteren schudde, en vertelde haar, dat dat Lena was. Toen begon Puf met haar te praten, en natuurlijk vertelde hij haar ook van het ezeltje. Daar was hij nu eenmaal vol van.
"Puf begrijpt nog niet, wat bidden is," legde ik haar uit. "Hij denkt, dat hij zeker alles krijgt, waar hij God om vraagt. Hij vraagt b.v. om z'n speelgoed heel te maken, maar gewoonlijk doe ik het maar, anders gaat hij nog rekenen op wonderen."
"Och lieve kind," zei juffrouw Tapson, "de Heere hoort gaarne het gebed der kinderen! 't Is net als met mijn Bob; wat die vroeg, kon ik niet half geven, toch luisterde ik geduldig naar al zijn wenschen. Maar bid, bid gerust; veel gebed maakt je ziel sterk, en zoo ben je ons ouderen nog ten voorbeeld."
Puf begreep er niets van. Hij liep wat heen en weer, en ging toen de trap af. Ik keek hem na, en zag, dat Bob Tapson met hem spelen wilde. En toen heb ik juffrouw Tapson mijn geheim verteld; ik gevoelde, dat ik het nu toch aan iemand moest vertellen, en zoo stortte ik mijn hart voor haar uit. Zij luisterde met ingehouden adem, en beloofde mij, dat haar zoon voor mij zou uitzien, en een plekje in z'n kar voor mij zou openlaten.
Ziedaar het geheim! Vader had mij aangeraden, om uit onzen tuin bloemen en groenten te verzamelen, die te Lemworth ter markt te brengen, en ze daar te verkoopen. Met den trein er heen gaan, was veel te duur, en daarom had ik gevraagd, op Baldwins groentenkar te mogen meerijden. Maar die gaat 's morgens om 8 uur al heen, en komt 's avonds 7 uur pas terug, en ik ben dus bang, dat tante, als ze er achter komt, het mij zal verhinderen.
Ik wandelde met Puf naar huis terug en gevoelde mij verdrietig. Als ik ging, zou ik het ontbijt moeten missen, want voor 8 uur ontbijten we nooit. Ik kon wel gemakkelijk zoo vroeg weg gaan, maar zouden ze dan thuis niet denken, dat me wat overkomen was? Maar dan kon ik toch een briefje voor vader achterlaten, en hem vragen, er niets van te zeggen!
Ik leefde weer op, en zoodra we thuis waren, holde ik den tuin in, om mijn mand te gaan inpakken. Toen we kwamen theedrinken, vertelde tante ons, dat vader verzocht was, om in een naburig dorp een begrafenis te gaan bijwonen, omdat de predikant daar uit was. "En hij zal daar den nacht overblijven," voegde zij er bij. "Hij zal niet voor morgenavond terugkomen, want morgenochtend is er ook nog een huwelijk te bevestigen."
Zoo zou dus mijn brief aan vader weinig geven. Ik zat leelijk in de war, en peinsde, wat ik doen moest. 't Beste leek mij toe, dan maar voor tante Caroline een briefje achter te laten. Ik schreef nu, voor ik naar bed ging, dit briefje:
Lieve tante Caroline,
Als ik den ganschen dag weg blijf, dan is er niets met mij gebeurd. En vanavond om 7 uur zal ik thuiskomen, het dient om mijn plan uit te voeren, dat echter een geheim is.
Uw liefhebbende nicht Grietje.
P. S. Het is geen verkeerde zaak, maar een goede.
Tante Caroline zei, voordat we naar bed gingen, dat zij vandaag nauwelijks een van ons gezien had, en dat zij hoopte, dat wij geen van allen verkeerde dingen in 't schild voerden. Alex werd zoo rood als een pioen, en zei, dat hij vreeselijk moe was, en Daan zag er moedeloos uit, als had hij al z'n geld verloren.
"Ik heb hard genoeg gewerkt, om 10 kwartjes te verdienen," zei hij, "en ik durf zeggen, dat ik dat al lang gedaan heb."
"Kinderen," zei tante, "ik houd niet van al dat gepraat over geld. Het schijnt, dat jelui aan niets anders denkt tegenwoordig. Het staat zoo onkinderlijk!"
"Maar het is om een ezel te krijgen," riepen we allen uit. Toen zei tante Caroline niets meer. En wij gingen naar bed; ik vol van de plannen voor morgen.
HOOFDSTUK IV.
Den volgenden morgen was ik al om 4 uur wakker; den ganschen nacht had ik gedroomd van juist voor m'n neus vertrekkende treinen, en van al de moeite, die ik hebben zou, om mijn plan voor tante Caroline geheim te houden. Ik was dan ook wat blij, toen het eindelijk begon te lichten en ik kon opstaan; erg gejaagd kleedde ik mij aan, want het was een heerlijk avontuur, en wij houden allen van avonturen.
Overal had ik voor gezorgd. Voor niemand wilde ik weten, waar ik was heengegaan, en ik had dus een heel oud katoenen jurkje aangetrokken, met een boezelaar er over, denzelfden, dien ik altoos in den tuin draag. Mijn haar vlocht ik in een paar dichte vlechten, en daarover ging een groote zomermuts, die ook achterhoofd en hals bedekte. Tante Caroline vindt dat soort zoo geschikt voor onzen tuinarbeid, maar wij houden er niet van, om juist als de dorpskinderen gekleed te gaan.
Heel stil moest ik me aankleeden, om Lena niet wakker te maken; eindelijk stond ik gereed, en legde het briefje op Lena's tafel dan kon zij het aan tante geven. Voorzichtig sloop ik de trappen af, opende de deur en liep op m'n teenen de stoep af. Den vorigen avond had Baldwin de groentenmand al in den stal gezet, de eenige kunst was nu nog, om ze daar vandaan en het hek door te krijgen.
't Viel niet mee maar ten slotte gelukte het toch; ik moest ze langs den grond sleepen, en angstig keek ik naar boven, of niemand mij zag. Buiten het hek liet ik ze staan, want de groentenwagens komen hier altoos langs, en toen liep ik zoo vlug ik kon naar het huis van juffrouw Tapson. Bob had mij gezegd, dat als ik wat vroeg kwam, ik een mooi plaatsje op zijn wagen kon krijgen. Toen ik het huis bereikt had, was Bob aan 't schoonmaken van zijn paard. Hij keek verwonderd op toen hij me zag, en herkende me niet in mijn groote muts.
"Ik wil niet, dat ze in 't dorp weten, wat ik ga doen," zei ik. "Je zult er toch niets van zeggen, wel? Mijn mand staat vlak bij ons hek. Ik dacht, je rijdt er toch langs, en dan kunnen wij haar zoo meenemen."
"'t Komt in orde, hoor," zei hij hartelijk. "Jij bent een vlug vogeltje, heb je al wat gegeten?"
Ik haalde twee dikke boterhammen uit m'n zak, die de keukenmeid mij den vorigen avond had gegeven, toen ze dacht dat ik ergen honger had. Bob verraste me met een heerlijken kop thee. Toen ging hij naar boven, om z'n oude moeder goeden dag te zeggen, en vroeg mij, of ik haar ook nog even wilde groeten. Ik ging naar boven, en de oude vrouw schudde mij glimlachend de hand. "Je bent een dapper meisje," zei ze, "om er zoo op uit te trekken, en ik zal je eens zeggen, wie je wel zal willen helpen. Vraag maar naar Marie Dutton, ze is een eigen zuster van me en woont twee mijlen van Lemworth. Zij zal je graag helpen, en Bob zal je wel bij haar brengen."
"Ik ben nog nooit op een markt geweest," zei ik haar, "Ik ben heel blij, dat er iemand is, die mij helpen wil."
En toen gingen we naar beneden, en ik klom op den volgeladen wagen, die in den tuin te wachten stond. Die Bob is toch zoo'n goeie jongen: hij had een stoof in den wagen gezet, zoodat ik zoo echt gemakkelijk kon zitten.
[Illustratie]
En daar ging het; mijn hart klopte van blijdschap en spanning. Nog drie vrouwen met boodschappen voor Lemworth reden mee; bij ons hek zette Bob mijn mand in den wagen; terwijl keek een der vrouwen mij aan en vroeg: "Wat is dat voor een kleine meid?" Ik draaide mijn hoofd niet om en Bob antwoordde kortaf: "Zij is met mij mee gekomen." Verder zei ze niets, want ze praatte zóó druk met de andere vrouwen, dat ze mij geheel vergat. Doodstil zat ik op den wagen, die zóó langzaam reed als duurde de tocht een jaar. Ik kreeg ten slotte kramp in mijn beenen, en werd moe ook. Zoo vroeg ook op geweest! Toen wij Lemworth naderden, zat ik al te knikkebollen! Het scheen een heel groote stad, en ik voelde me wat beangst toen we naar de markt reden; wat een menschen, en wat een drukte! Toen de vrouwen waren uitgestapt, en Bob z'n paard had afgespannen, nam hij mijn mand op z'n schouder, en zei me, hem te volgen.
De markt was alleraardigst; er waren gansche rijen kuikens en eenden, vruchten en bloemen, boter en eieren, en iedereen schreeuwde zoo hard als ie kon. En wat waren daar grappige oude boerinnen bij, en druk-lachende kinderen, net als op de schilderijen, die ik wel eens gezien heb.
Bob trok me mee naar een hoekje, waar een vriendelijke oude vrouw zat. Zij leek veel op juffrouw Tapson, maar haar gezicht was heel wat dikker. Bob vertelde haar, wie ik was; zij lachte en vroeg mij, haar alles van mijn plan te vertellen. Dat deed ik; terwijl pakte zij m'n mand uit, en maakte ruimte op een hoek van haar stalletje, om mijn koopwaar daar neer te leggen. Ik begon er schik in te krijgen, en had wat graag gewild, dat de jongens mij zoo even hadden gezien. En mijn bloemruikers waren veel mooier dan alle, die ik zag; ik had ze dan ook met zorg gerangschikt.