Wij en ons ezeltje

Part 11

Chapter 114,215 wordsPublic domain

Eenigen tijd leefde hij nu rustig thuis, doch op zekeren dag werd zijn kasteel overvallen door Baron Dacre en een troep handlangers, tegen wie hij een harden kamp te strijden had, om zijn bezittingen te behouden. Middenin het gevecht kwam een renbode op het kasteel door de geheime onderaardsche gang, die een mijl lang was en midden in het bosch uitkwam. Hij had opdracht van den koning, om Sir Roger tot een samenspreking op te roepen. Eén oogenblik aarzelde de dappere Roger; hij wist, dat als hij heenging, zijn huis zou verwoest worden. Hij keek zijn vrouw angstig aan en sprak: "Lieve, ik moet naar den koning, hij laat mij roepen." Zij sprong overeind als door een plotseling besluit aangegrepen: "En ik zal met je trouwe dienaren het huis verdedigen, totdat je terugkomt."

"Bravo!" schreeuwde Daan ertusschen in.

Sir Roger gespte z'n zwaard aan en vertrok met den renbode door de onderaardsche gang. Hij had vooraf aan zijn vrouw gezegd, dat, als het haar te benauwd werd, zij daar ook in moest vluchten; aan het eind zou zij wel een verblijfplaats vinden, waar zij veilig zijn komst kon afwachten.

Bij den koning gekomen, vond hij dezen omringd van zijn edelen, sprekende over een belangrijke zaak, waarover de koning ook Roger's meening wilde hooren. Sir Roger gaf zijn oordeel over de zaak te kennen, en toen de koning zijn oogen opsloeg en naar buiten keek, zag hij boven Roger's kasteel zware rookwolken opstijgen. Hij vroeg naar de oorzaak ervan; toen rees Roger op en sprak met van aandoening trillende stem:

"Sire, dat is mijn kasteel; in mijn afwezigheid heeft mijn vijand het verwoest."

"Wist gij dit, voor ge hier kwaamt?"

"Midden in het gevecht kwam uw boodschapper."

"En liet ge toen uw vrouw alleen achter in zoo groot gevaar?"

"Zij zou het zoo goed als zij kon verdedigen, en ik zei haar, te gaan vluchten, zoodra haar leven dreigde gevaar te loopen."

"Sir Roger," zei de koning, "dezen avond zal ik nimmer vergeten. Ga nu heen, en moge God uw dappere vrouw van den dood hebben gered."

Dadelijk verliet de ridder het paleis, en vond zijn vrouw in den geheimen kelder, omgeven van enkele gewonde getrouwen. Doch toen haar man haar in zijn armen drukte, zeeg ze als dood terneer. Hij ontdekte, dat een pijl haar linkerarm had doorboord, en haar ontzettende pijnen had veroorzaakt.

"O tante, laat haar niet sterven," riep ik uit.

Lang duurde het, eer de ridder weer een goed kasteel had, doch de koning schonk hem er een, nog grooter dan wat hij bezeten had. Zoo gingen de jaren voorbij. Hij had inmiddels een zoontje gekregen, dat de vreugde van z'n leven was; ook zijn kind wilde hij eens zien dienen in de gelederen van zijn koning.

Toen op zekeren dag Sir Roger met zijn mannen terugkeerde van een gevecht in het buitenland, bracht hij de vreeselijke ziekte, zwarte pest geheeten, in zijn kasteel over. Eerst werd één bediende ziek, toen een tweede, spoedig tastte de ziekte ook zijn gade en zijn zoontje aan. De ridder zonk op z'n knieën en smeekte God om uitredding.

Juist op dit oogenblik verscheen weer een boodschapper van den koning, die hem opdroeg, zijn koning te vergezellen op een veldtocht naar een ver land. De ridder liet niet den minsten angst blijken; hij verliet vrouw en kind, en pas na twee weken vernam de koning zijn toestand. Een harde strijd stond hem te wachten. Sir Roger redde op het meest spannende oogenblik des konings leven, en daardoor wist hij een dreigende nederlaag om te zetten in een prachtige overwinning. Zelf echter werd hij gewond, en toen het gevecht geëindigd was, sprak hij tot zijn page:

"Vervoer mij naar huis; mogelijk zijn mijn vrouw en kind nog hersteld. Ik zou ze nog zoo gaarne zien, vóór ik sterf."

[Illustratie]

Men vervoerde hem naar huis, en wonder boven wonder kwam hij er nog levend aan. Toen hij de hal binnengedragen werd, waren daar zijn vrouw en kind, die hem met open armen verwelkomden. Dank zij een ervaren kruidenlezer, waren zij geheel hersteld.

Weken lang lag de arme ridder tusschen leven en dood. Wel werd hij eindelijk iets beter, maar zijn gezondheid was voorgoed geschokt en zijn kracht was weg. Nog enkele jaren leefde hij gelukkig, en zag zijn zoontje opgroeien tot een dapper soldaat.

Toen, op een stormachtiger avond, hoorde hij aan zijn deur kloppen. Verouderd en vermagerd als hij was, strompelde hij naar de deur. Het was zijn koning! En opgewonden riep hij uit: "Laat mij hem waardig ontvangen en de eer geven, die hem toekomt!"

Zijn bedienden trachtten hem uit de koude voorhal terug te dringen, maar hij wilde erheen. "Mijn koning! Mijn koning!"

De koning was verraden, en vluchtte nu, om zijn leven te redden. Hij wist, dat er één onderdaan was, die hem van harte zou ontvangen, en daarom was hij naar Sir Roger gevlucht. Toen de ridder hem in zijn goed verwarmde kamer had genoodigd, viel hij zijn koning te voet.

"O, sire! Ik heb wel gedroomd van deze eer, maar nooit had ik durven denken, dat ze mij te beurt zou vallen. Wees welkom binnen deze woning, die immers de uwe is, wijl ze aan uw nederigen onderdaan toebehoort; al wat hij bezit, bezit ook zijn koning!"

Toen de koning zich neerbukte, om zijn trouwen dienaar op te richten, zag hij met grooten schrik, dat hij dood was neergezegen. 't Waren zijn laatste woorden geweest, en zijn laatste gedachte was een gedachte van trouw en aanhankelijkheid voor zijn koninklijken meester.

Toen besloot de koning, dat op het wapen der Derekers voor altoos zou gegrift staan: "Semper fidelis, semper paratus"."

[Illustratie]

Toen tante Marie haar verhaal had geëindigd, waren we eenige oogenblikken stil. Mijn hart klopte van de inspanning van 't luisteren.

Daan en Alex riepen als uit één mond: "Hè, leefden we nog maar in die tijden!" Lena schreide en zei: "Arme ridder, de koning had hem moeten omarmen en kussen!"

Ik kon geen woord uitbrengen. Tante Marie keek me strak aan en vroeg: "Vindt je 't mooi, Griet?"

Ik knikte en zei even later zacht: "Wij moeten evenzoo worden, en ik zal het beproeven," "En ik ook," zei Daan, mij ernstig aankijkend. Wij begrepen elkaar. Tante Marie zegt nooit iets over de moraal [1] van haar geschiedenissen, daarom houden we er zoo van. Dat moeten we zelf maar uitmaken. Ik was zóó van het verhaal onder den indruk, dat ik mijn werk neerlei, de kamer verliet, en naar m'n slaapkamer ging. Daar viel ik op m'n knieën, en sprak tot mijn Koning. En Hem bad ik, dat Hij mij, door voor- en tegenspoed heen, een trouwe dienstmaagd wilde maken. En ik meende oprecht, wat ik bad.

Ook Daan had tante's verhaal gepakt. Toen ik den volgenden dag -- Zaterdag -- de kerk binnenging, om vaders toga te halen, die versteld moest worden, vond ik tot mijn verbazing Daan geknield liggen bij de graftombe van den ridder. Hij sprong op, alsof hij gestoken was, maar ik deed net, of ik hem niet bemerkt had. Ik liep op de graftombe toe, en beschouwde het beeld van den ridder.

Om maar wat te zeggen, zei ik tot Daan: "Was je bezig om te vergelijken, of hij goed lijkt op den ridder van tante Marie?"

Langzaam antwoordde hij: "Ik was bezig een belofte af te leggen." Belangstellend vroeg ik hem: "Toe, zeg mij, welke, ik zal het niemand vertellen."

Hij wees naar het motto op het schild. "Ik heb beloofd, zoo te zullen worden en God zal mij helpen." Dadelijk daarna liep hij de kerk uit. Ik was besloten, niet bij hem achter te blijven. Weer knielde ik neer, gelijk den vorigen avond, en in weinige woorden deed ik een belofte gelijk de zijne. Toen stond ik op en ging welgemoed heen; ik voelde mij als tot alles bekwaam.

[Illustratie]

Inmiddels begonnen de toebereidselen voor het Kerstfeest. Elken dag nog hoopten wij wat van Andy te zullen hooren, maar er kwam geen tijding en we bleven hem zeer missen. Vader meende zeker, dat hij was gestolen. Toen wij op zekeren avond bij elkaar zaten -- Lena en ik bezig aan kleeren voor Annie, en de jongens met het maken van Kerstkaarten -- teekende Alex een ezel op een zijner kaarten en zoo kwam het gesprek al spoedig op Andy.

Alex begon: "Het zou mij niets verwonderen, als die zigeuners weer hier geweest zijn en hem gestolen hebben. Juffrouw Ribbon vertelde mij, dat er tegen Kerstmis nog een soort markt te Lemworth is, en als we daar nu eens heen gingen, wie weet of we Andy er nog niet zouden vinden."

"Zoo dwaas zijn ze niet," vond Daan. "Ze zullen er dan heusch niet mee in de buurt komen. Als ze hem gestolen hebben, is ie natuurlijk allang weer verkocht."

"Weet je, wie ik denk, dat hem gestolen heeft?" vroeg ik. "Niet die zigeuners, maar die man met de vuile ezels, die zoo vreeselijk vloekte bij de keuring. Van Bob Tapson heb ik gehoord, dat hij iederen zomer naar een badplaats gaat, hier niet ver vandaan, en daar de ezels verhuurt."

De jongens schenen voor deze voorstelling veel oor te hebben. "Dan moeten we dat heerschap zien te vinden. Waar woont ie?" Ik antwoordde: "Ergens aan de andere zijde van Lemworth. Vraag maar aan Bob, die weet het wel."

Er werd een plan gemaakt, hoe we zouden handelen. "Ik vermoed," zei Daan, "dat, als Andy daar al is, de schurk hem met een andere kleur zal hebben geverfd, en hoe zullen we hem dan herkennen? Natuurlijk zal hij volhouden, dat het _zijn_ ezel is."

Wij bedachten, of Andy geen bijzondere kenteekenen had, en herinnerden ons, dat in zijn eene oor een klein spleetje zat.

"Ik hoop, dat dàt bewijs genoeg zal zijn," hernam Daan. "Anders zullen we 't nog door een rechter moeten laten uitmaken."

"Andy is zoo dom," voegde Alex er aan toe. "Als hij z'n naam hoort, zal ie heusch niet opkijken. Hij zal even hard naar den dief als naar ons loopen, als hij geroepen wordt."

Daan vervolgde: "En misschien moeten we wel een lang proces ervoor voeren, dat ons hoopen geld kost. Het zal 'De ezel-zaak' heeten, en de bladen zullen er kolommen vol van hebben."

Bij dat denkbeeld schaterde Lena van 't lachen. En ik trachtte zijn gedachten wat te kalmeeren: "Als je nu rustig kon uitvinden, waar Andy is, en je wist dan zeker, dat ie 't was, kun je hem dan niet terug stelen? Dat zou toch niet verkeerd zijn, wel?"

"Nee, natuurlijk niet. We konden hem 's nachts ontvoeren. Maar als ie dan maar mee wil!" zei Daan.

"Och kom, dat zal wel lukken. In elk geval, we kunnen 't probeeren!" moedigde Alex aan.

En zoo dachten we er ten slotte allemaal over.

[1] beteekenis, strekking ten goede.

HOOFDSTUK XVII.

Ik begin nu te gelooven, dat dit mijn laatste hoofdstuk wordt. Misschien schrijf ik een volgend jaar weer een boek, maar dit moet naar Kapitein Rogers. Ik heb nu nog te verhalen vanaf den dag, dat we over Andy aan 't spreken waren.

Nog vóór het ontbijt was Daan naar Bob Tapson gegaan, en kwam hij terug met het adres van den vermeenden roover. Vader scheen niet erg hoopvol gestemd, toen we hem ernaar vroegen. Hij stond den jongens echter toe, dat zij den eersten den besten vacantiedag met den trein naar Lemworth mochten gaan. De man woonde 3 mijlen van Lemworth verwijderd. Lena en ik wilden ook graag mee, maar dat verbood vader. Den 20sten December begon de vacantie. En dus gingen zij den volgenden morgen dadelijk naar Lemworth. Ten afscheid riep ik ze toe: "Denk erom, we willen je niet terug zien, dan met Andy!"

Het was een drukke week nu; tante Caroline zou de Kerstdagen bij ons komen doorbrengen. Ik denk, dat tante Marie dan ook blijft, en dat zou allerprettigst wezen; tante Caroline zorgt dan voor de huishouding en tante Marie voor ons.

Lena en ik moesten helpen bij 't halen van de pitten uit de rozijnen voor de Kerstpudding, verder moesten we pakjes thee en suiker maken voor eenige van vaders oudste gemeenteleden en dan nog hadden we allerlei versieringen te maken voor den grooten Kerstboom, die in de school wordt opgericht voor alle schoolkinderen.

We hadden 't met al deze dingen zóó druk, dat we nauwelijks den tijd hadden, om onze eigen geschenken gereed te maken. En het was toch sinds jaren onze gewoonte, om elkaar met het Kerstfeest cadeautjes te geven. Nooit koopen we die, dat is juist het aardige. Dezen keer zullen Lena en ik een omslag maken voor vaders preekbundel; hij wordt van zwart fluweel, met zwart zijden strooken afgezet. Lena maakt het omslag en ik borduur in goud-kleurige zijde vaders voorletters er in; tante Marie heeft ze voor mij geteekend.

Voor tante Marie maak ik een nachtzak, terwijl Lena voor haar waschtafel onderlegkleedjes maakt. Voor Puf vlechten we roode teugels met bellen er aan; voor Alex overtrek ik een kartonnen doos voor z'n postzegels met sterk, mooi gekleurd linnen, zoodat de doos lang goed blijft; Lena maakt voor hem een portretlijstje met denneappels er in; worden ze in de lijst gezet, dan gaat dat met zegellak, dat dadelijk stolt, zoodat ze goed vast zitten; een beetje vernis er over, en 't lijkt prachtig!

Mijn geschenk aan Daan blijft een zwaar geheim, zelfs Lena mag het niet weten.

Dit alles neemt veel tijd in beslag, en als ik dan gestoord werd, was ik erg boos. Maar ik trachtte toch telkens mij weer te herinneren, dat het 's Konings bevel was, om anderen te helpen. En dan gevoelde ik weer duidelijker, dat het er niet op aan kwam, hoe vaak ik gestoord werd, omdat Hij het is, die mij noodig had.

Den ganschen morgen konden Lena en ik ongestoord aan onze geschenken doorwerken. Na het middagmaal nam tante Marie ons en Puf mee naar het bosch, waar wij klimop en mos bijeenzamelden voor de versiering der kerk. Het was er zoo stil en rustig, maar erg koud.

Vóór 't theedrinken waren we weer thuis en werkten we weer door aan onze geschenken. Het werd inmiddels 8 uur, half 9, 9 uur, doch geen jongens te zien! En 8 uur kwam de laatste trein aan! Lena en ik moesten naar bed. Tante Marie zei, dat ze heelemaal niet angstig was, maar vader wel. Natuurlijk dachten Lena en ik, dat hun iets overkomen was. Lena meende, dat de man ze vermoord zou hebben en hun lijken onder den grond gestopt. Ik veronderstelde, dat ze Andy gevonden hadden, en dat de man toen naar den dichtstbijzijnden politiepost was gegaan, om te zeggen, dat de jongens den ezel gestolen hadden. En dan zouden ze niet worden geloofd, en in de gevangenis komen, totdat ze bewezen hadden, dat Andy hun eigendom was. 't Kon ook wezen, dacht Lena, dat ze de jongens ergens hadden opgesloten, om zich met Andy uit de voeten te maken. Wij spraken zoo druk over al die mogelijkheden, dat we ten slotte van vermoeidheid in slaap vielen.

Toen wij den volgenden morgen van Emma hoorden, dat de jongens nòg niet terug waren, werden wij zeer beangst en opgewonden. Vader en tante Marie keken bij 't ontbijt ook erg somber; vader zei: "Ik had ze niet moeten laten gaan; ik moet zelf maar even naar Lemworth gaan." En tante Marie voegde eraan toe: "We zullen nog wachten tot vanavond. Ik geloof zeker, dat ze den trein gemist hebben, en nu tot vanmorgen ergens geslapen hebben."

Lena en ik, we wisten niet, wat te beginnen. Ontelbare keeren liepen we naar 't hek, en keken den weg op, of ze nog niet kwamen. En zie, toen we juist weer in huis waren gegaan, en aan onze cadeautjes begonnen, daar kwamen ze binnenvallen. Wat waren we blij! Lena danste de kamer rond en riep: "Wij dachten, dat jelui vermoord waren!" En ik vroeg ademloos: "Waar is Andy?" "Raad maar!" zei Daan kalm. Wij werden weer angstig, omdat de jongens zoo ernstig keken. En toen zei Daan plechtig:

"In den stal beneden!"

Wij juichten van blijdschap en renden naar beneden, om hem te zien; ook vader en tante Marie kwamen aangeloopen, zelfs Emma en de keukenmeid. Puf vonden we al in den stal, zijn armen geslagen om Andy's nek, en den ezel kussende, als deed hij het tante Marie.

[Illustratie]

Wij konden haast niet gelooven, dat het Andy was. Hij zag er zoo vuil, vermagerd en vermoeid uit. Even keek hij ons aan en vrat toen weer verder van het hooi, dat Baldwin hem gebracht had. Dat is het akeligste van ezels; ze schijnen zoo kalm en onverschillig. Hij begreep niets van onze blijdschap. Ik had gewild, dat ie met ons had rondgedanst, om te bewijzen, hoe blij hij was met zijn thuiskomst.

Met allerlei vragen overstroomden wij de jongens. "Wie had 'm? Waar vond jelui hem? Hoe ben je naar hier gekomen? Waar hebben jelui geslapen? Waarom ben jelui gisteren niet thuis gekomen?" Doch vader bedaarde ons een beetje; hij was even blij als wij, maar de jongens hadden fermen honger. Zoo gingen we dus met hen naar de eetkamer, waar ze ons onder een stevig ontbijt hun wedervaren vertelden.

"Wij hebben toch zulke groote avonturen gehad!" zei Alex; "het was wel goed, als je alles in je dagboek opschreef, Griet, want het is grappig genoeg, om het later nog eens te lezen."

[Illustratie]

"Ik zal beginnen bij 't begin," zei Daan, en begon.

"Wij kwamen veilig te Lemworth aan, en gingen van daar uit loopend naar het huis van Jem Harvey, zoo heet de kerel. Het was een heel eind, en zeker wel langer dan 3 mijlen. Aan de grens der gemeenteweide vonden we een soort schuur, waaromheen ezels liepen te grazen. We overlegden nog eens rustig, hoe we doen zouden, en gingen toen aan den slag."

"Net alsof wij roovers waren, die op dieren af sluipen," viel Alex Daan in de rede. "Wij kropen voort in de schaduw van een heg, en konden toen al de ezels overzien, zonder dat iemand ons bemerkte."

Daan vervolgde weer: "Wij telden 5 ezels, maar Andy was er niet bij; maar natuurlijk dachten wij, dat hij ergens was opgesloten. Wij moesten dus eerst de schuren en hokken onderzoeken, en dat was verbazend moeilijk, want toen we wat dichterbij kwamen, zagen we een man, die daar stond hout te hakken."

"Maar ten slotte hadden we ons plan toch gereed," viel Alex weer in. "Vertel jij nou verder, Daan, maar niet zoo langzaam."

"Met flinke stappen gingen we op hem af.

[Illustratie]

Goeden middag! zei ik. We zijn gekomen, om met u over zaken te spreken. Onderwijl nam Alex hem eens goed op. Hij keek ons achterdochtig aan en zei toen, dat we hem dat al eens meer gezegd hadden. Ik zei: Wij hebben onzen ezel verloren, en komen nu eens hier, om te zien of we van u een anderen kunnen koopen. Hij antwoordde: Maar mijn ezels zijn niet goed genoeg voor jelui bleekneuzen. En hij lachte daarbij zoo akelig, dat ik dadelijk vermoedde, dat hij er meer van wist. Misschien hebt u toch nog wel een paar mooie beesten, zeiden we; toen klopte hij z'n pijp uit en ging met ons een der stallen binnen. Ik zal misschien nog wel wat goeds voor jelui hebben, een aardig beest, loopt als de wind, en behaalde een prijs te Lincoln.

Hij schuifelde het schuurtje binnen, en zie, daar stond een kleine grijze ezel. Wij keken scherp rond...."

"Ik zag hem het eerst," viel Alex uit. "Met mijn scherpziende detective-oogen had ik hem onmiddellijk herkend." Daan ging voort, als had hij Alex niet gehoord: "In den hoek hing aan een spijker Andy's blauwe kleed."

Wij waren allen onder den indruk van de spannende oogenblikken, en tante Marie was zóó meegesleept, dat ze gejaagd vroeg: "En wat zeiden jelui?"

"Eerst zeiden we niets, we deden, alsof we niets gemerkt hadden, praatten over den grijzen ezel, en zeiden, dat we bevreesd waren, dat ie te klein voor ons zou wezen. Och, wat keek die man leelijk, hij grijnsde ons aan en stonk naar den drank. Ik gaf Alex een knipoogje, zich stil te houden; toen wij overal goed hadden rond gekeken, zoodat we goed wisten, dat Andy nergens kon verborgen worden, vertrokken we. Maar terwijl we wegliepen begon ik eensklaps tegen den kerel uit te varen:

"Waar haal jij dat blauwe kleed in je schuur vandaan? En wie heeft den zwart-witten omslagdoek in stukken gesneden? En denk nu maar niet, dat wij zulke melkmuilen zijn, want wij gaan regelrecht naar de politie, en die zullen we je hier op je dak sturen. Eén kans is er, om je te redden: onmiddellijk Andy losmaken, hem brengen op de markt te Lemworth, en hem daar vastbinden aan een lantaarnpaal. Wij geven je den tijd tot 4 uur namiddag, en we beloven je tot zoolang te zullen geduld hebben. Is ie er om 4 uur niet, dan sturen we je dadelijk de politie, en dan ben je er gloeiend bij."

Natuurlijk was ie woedend. Hij raasde en vloekte, en zei, dat ie dat blauwe kleed aan den weg had gevonden, en dat hij ons zou aanklagen wegens laster. Wij vertelden hem, dat dat alles tevergeefsch zou zijn, want alle veldwachters in den omtrek wisten al van onzen verdwenen ezel en het blauwe kleed.

Daarna verlieten we hem, en liepen zoo vlug mogelijk naar Lemworth."

"Toe laat mij nu ook eens vertellen," zei Alex, die zich nooit rustig kan houden, als een ander vertelt. Daan hield zich stil, en Alex vertelde verder:

"Toen we te Lemworth terug waren, hebben we eerst broodjes met melk genomen, en vervolgens onze plannen verder besproken. Natuurlijk was het dom geweest, om dien kerel te zeggen, dat wij hem tot 4 uur ongemoeid zouden laten, want in dien tusschentijd kon ie al lang ontvlucht wezen. Maar nu komt het mooiste nog aan.

Nadat we gegeten hadden gingen we, vermoeid door het straat-slenteren, een buitenweg op. Ongeveer een mijl waren we dien opgeloopen, toen we plotseling een jongen zagen, die in een droge sloot getuimeld was en te keer ging als een mager varken. 't Was een echte landlooper, en eerst zei ik: Kom, laten we maar doorloopen. Maar dat vonden we toch ook weer al te hard; als hij eens gewond was! We gingen dus naar hem toe en vroegen wat hem scheelde. Hij toonde ons zijn been, dat leelijk verwond was. Uit zijn verhaal echter konden we totaal niet wijs worden. Hij zei, dat z'n baas hem afgeranseld had, en toen was hij van de kar gevallen; hij was er nog suf van in z'n hoofd. Hij had z'n been een beetje verbonden, maar het had vreeselijk gebloed, wij namen dus onze zakdoeken en verbonden hem wat steviger, waarna we zeiden, hem naar huis te zullen brengen. Waar hij woonde? Bij m'n baas! zei ie. Maar waar die woonde wilde hij niet zeggen, want hij wou nooit meer naar 'm terug. Toen zeiden we, dat we hem naar 't hospitaal zouden brengen, daar kon z'n been goed worden nagekeken. Dat leek hem goed toe, maar om hem te dragen, dat was geen grapje. Daan zei tegen me: Wat is het jammer, dat we Andy niet bij ons hebben. Toen de jongen dit hoorde, spitste hij plotseling de ooren, keek ons verwonderd aan, en in 't volgende oogenblik hadden we elkaar herkend. Het was de jongen van Jem Harvey. We zeiden tot hem: "Wees maar niet bevreesd. Wij zijn op jou niet boos, omdat jelui onzen ezel gestolen hebt. Maar je baas zal er voor boeten. Wij hebben alles al ontdekt."

Hij keek verschrikt op. "O, ik wist wel, dat er iets niet in den haak was!"

"Waar heb je onzen ezel 't laatst gezien?" vroeg Daan. Toen vertelde hij ons alles. Zij waren Andy tegen gekomen toen hij langs den weg rende; de baas had hem opgevangen en vastgebonden. Zoo moest Andy achter hun wagen aan loopen, tot ze aan een groot bosch kwamen. Toen het donker was, werden Andy's kleeren afgetrokken, en zoo gingen ze met hem naar huis. Den volgenden dag moest de jongen hem naar een stal te Taunerton brengen. Daar moest een kooper voor hem gezocht worden. De jongen vertelde ons tegelijk, welk een hondenleven hij bij dien baas had gehad, en dat hij daarom was weggeloopen. Hij was wees, en Jem had volstrekt geen rechten op hem.

Wat waren we nu in spanning, om Andy terug te krijgen! Maar die jongen moest eerst naar 't hospitaal. Wij vernamen, dat Taunerton 5 mijlen daar vandaan was, te ver dus om nu nog te gaan loopen. Gelukkig was er een bakkerswagen, die er heen moest, en de bakker stond ons toe, mee te rijden. Wij vertelden hem al ons wedervaren. Hij kende den man, dien we zochten. Het was een messenslijper en tinnegieter; hij leefde met een vrouw, zoo mogelijk nog slechter dan hij. "Maar jelui moet er niet heengaan," zei de bakker, "het zijn gevaarlijke lui."

"Het was bijna donker, toen we te Taunerton aankwamen en toen schoot ons met schrik te binnen, dat we den laatsten trein zouden missen, maar wij konden toch ook niet teruggaan, nu we zoo vlak bij Andy waren. Ga jij nou maar weer verder, Daan."