Wij en ons ezeltje

Part 10

Chapter 104,201 wordsPublic domain

Totdat Daan wilde beproeven hem te laten opzitten en pootjes geven. Daan had een wortel aan een stok gebonden, en hield hem nu heel hoog den ezel voor. Maar terwijl wij met alle moeite bezig waren, hem op z'n achterpooten te doen zitten, rukte hij zich plotseling los en begon de kamer rond te rennen. Onmiddellijk gooiden we de tuindeuren open, en hij vloog er uit. Het regende hard, maar Daan en Alex holden hem na. En nu had die domme Baldwin het hek open laten staan! Natuurlijk rende Andy er door, en holde het dorp in! Daan zei later, dat hij haast niet meer had kunnen loopen van 't lachen, zoo koddig als Andy er uit zag in z'n galakleed. Enkele menschen, die van hun werk kwamen, konden van 't lachen ook al geen hand uitsteken, en zoo rende ons ezeltje maar voort.

Toen vader en tante thuis kwamen, vroegen zij ons, waar de jongens waren; wij vertelden hun alles, en vader was erg boos. Als Andy weer thuis kwam zou hij hem onmiddellijk wegsturen. Tante schudde van 't lachen. Kort na 't middageten kwamen de jongens terug; ze waren Andy weer kwijt, ze hadden hem niet kunnen vinden. Maar vader zei ernstig: "Jelui moet dan maar weer op pad gaan, en net zoo lang zoeken, tot je hem vindt. Jelui verdiende, dat ie nooit terugkwam."

Nu, dat leek den jongens wel, om er weer opuit te gaan. Ze bleven nu weg tot theetijd, maar .... hadden Andy nog niet ontdekt! Vader zond Daan regelrecht naar bed, en vroeg tante, hem wat warms te drinken te geven, want hij was na dien brand nog niet geheel de oude.

Het werd nacht en het werd Zondag en het werd Maandag: geen Andy te zien. Dien Zondagmorgen was Mevrouw Rogers in de kerk, en wij vertelden haar alles. En zij vertelde ons, dat zij spoedig de boerderij zouden verlaten, om naar Londen terug te keeren. Wat speet ons dat! Wij hielden allen zoo van den kapitein, en gingen zoo vaak op de boerderij spelen.

"Heusch, ik weet niet wat wij moeten aanvangen zonder jelui," zei Mevrouw. "Wij houden zoo van jelui en van dien armen Andy."

En ik pruilde: "Altijd moet ons wat naars overkomen. Nauwelijks hebben we een week, dat er niet wat droevigs geschiedt."

Zij lachte en sprak: "Ik zou er alles voor over hebben, om jelui narigheid te besparen."

Toen zij was vertrokken, voelde ik mij droef te moede. Het leelijke is, dat de dingen die wij doen, pas verkeerd lijken als ze gedaan zijn; ik dacht niet dat het verkeerd was, Andy te dresseeren, maar nu blijkt het, want wij hebben hem verloren, door dat te doen.

HOOFDSTUK XV.

Den Maandag daarna plakten we weer een briefje op den mijlpaal, waarop deze woorden:

"Verloren, verdwaald of gestolen: Een zwarte ezel. 't Laatst gezien in blauwe jurk, wit-zwarte broek en witte slaapmuts. Luistert naar den naam van Andy. Wie hem aan de pastorie te Warlington brengt, krijgt een flinke belooning."

Vader vond, dat Daan beter gedaan had, met even aan te loopen bij den veldwachter, om hem een en ander mee te deelen. Na de lessen ging tante Marie met Lena en mij aan den wandel, terwijl we iedereen, dien we tegenkwamen vroegen, of hij Andy niet gezien had. Maar niemand wist er wat van. Teleurgesteld en weinig hoopvol kwamen we weer thuis, en toen de jongens uit school thuis kwamen, ook al uit hun humeur, was 't één groote treurpartij.

Nijdig zei Alex: "Als die veldwachter hem niet weet uit te vinden, dan gaat z'n hoofd eraf."

"Wat wou hij doen?" vroeg ik.

"Moet je hooren, hij praatte eerst, alsof Andy een meneer was. Hij vroeg of ie een ring droeg, of z'n zakdoek geparfumeerd en wie z'n barbier was. Toen heeft Daan 'm gezegd, dat dat zijn zaken waren, om uit te visschen, en dat hij, als hij den ezel niet vond, geen knip voor z'n neus waard was." "Ik vrees," hernam ik beklemd, "dat Andy een ongeluk is overkomen; misschien is die jurk wel om z'n nek geschoven en heeft ie zich geworgd, misschien is ie wel over die lange broekspijpen gestruikeld en in een gracht getuimeld. Ik geloof niet meer, dat hij leeft."

"Goed, maar dan is z'n lichaam toch nog ergens te vinden! Zoo klein was ie toch niet!"

"Ik vermoed," zei Lena half-huilend, "dat ie zich half dood gejaagd heeft, en toen in de struiken gekropen is, om daar te sterven. Arme Andy!"

Toen ik een dergelijke veronderstelling maakte, waarbij ik een soortgelijk gezicht trok, schoten de jongens in den lach. Maar dat duurde niet lang, en spoedig zaten we allemaal weer in zak en asch.

De dagen gingen treurig voorbij. Op een Dinsdag ontmoette ik kapitein Rogers, en vertelde hem van onze ellende. "Kom, kom!" riep hij uit, "ezels en honden komen altijd weer terug."

"Ja," zei ik, "maar morgen is 't al Woensdag, en dan rekent Annie er op, om met hem uit rijden te gaan. Nog niet één keer heb ik haar overgeslagen, maar nu weet ik heusch niet, wat ik met haar beginnen moet. En als Andy voor altoos weg is, zal zij nooit meer met hem kunnen rijden. O, het is verschrikkelijk!" Ik trachtte mijn tranen in te houden, maar 't lukte niet.

"Hoor es hier, beste meid," zei kapitein Rogers, "a.s. Maandag vertrek ik van hier. Hoe zou je er over denken, je kleine patient in mijn rijstoel mede te nemen? Hij rijdt o zoo licht, je zoudt hem zelf best kunnen voortduwen. Ik zal hem dan aan jelui huis laten brengen en dan kun je elken Woensdag het arme kind erin rondrijden."

Ik deed een sprong van blijdschap en bedankte hem driemaal. "Ik was zoo bang, dat ze nu nooit meer naar buiten zou kunnen, en nu kan ik haar gaan zeggen, dat ze Maandag weer kan rijden. O, wat vind ik dat vriendelijk van u, meneer, maar het spijt me zoo, dat u ons verlaten gaat. Wij houden allemaal zoo van u."

[Illustratie]

"Ja kind, het gaat mij evenzoo," zei hij lachend, "en ik hoop, dat je mij eens schrijven zult, Grietje, al is 't maar eens in de maand. Of kun je niet es een mooi boek schrijven en het mij sturen, als 't klaar is? Een dagboek bijvoorbeeld?"

"Nu," antwoordde ik, "ik zal hier spoedig een einde aan maken, en dan aan deel II beginnen. Zoudt u 't werkelijk graag eens lezen?"

"Ja, heusch."

"Maar ik vrees," hernam ik spijtig, "dat het een heel treurig slot zal worden, want alles gaat tegenwoordig verkeerd. U gaat weg, en Andy is weg, en de winter komt, en het doet niets dan regenen. Als we veel thuis moeten zitten, vervelen we ons en dan gaan we verkeerde dingen bedenken. Zelfs tante Marie speelt tegenwoordig niet zooveel meer met ons, zij heeft het te druk met ziekenbezoek."

"Nu, in elk geval houd ik je aan je belofte, om mij je boek te zenden, als 't klaar is."

"Ja, dat zal ik doen. En hoort u es, kapitein, zoudt u 't goed vinden, als ik uw rijstoel ook nog voor andere doeleinden gebruikte dan voor Annie? Ziet u, ik breng soms boodschappen van onze dorpsgenooten naar Cross Glen, ik ben dan zoo'n soort vrachtrijdster."

"Maar hoe ter wereld kom je dáár nu toch bij?"

"Och, daar houd ik van. Vader zegt, je moet nooit iets beginnen, of je moet er een nuttige oorzaak voor hebben. En vindt u dat dan geen nuttige zaak?"

"Wat voor oorzaak hadt je daar dan voor?"

Ik wou het hem eerst niet zeggen, maar dat leek me toch weer laf ook, en ik antwoordde: "Ik wil graag een dienstmaagd van Jezus Christus zijn, Die gezegd heeft: Ga en help uw naasten. Dus dan heb ik te gaan. Dat noem ik mijn _gaan_." Kapitein Rogers lachte niet, moedigde mij aan, meer ervan te vertellen, en ik vervolgde: "Ik geloof, dat ik mijn _gaan_ beter waarneem dan mijn _doen_. Thuis moet ik tante Marie helpen, kousen stoppen, enz., en dat gebeurt haast nooit met graagte. Heb ik u niet eens verteld van die woorden op de graftombe van den ridder in onze kerk: Semper fidelis, semper paratus? Hij was een uitnemend dienstknecht, en ik wenschte te zijn als hij."

"Juist," zei de kapitein, terwijl hij mij ernstig aankeek, "en daar zul je zeker in slagen. Maar kind, ik moet weg. Vaarwel hoor! Ik zal je den rijstoel zenden. En Zaterdag moet jelui allemaal bij mij op een afscheidsfeest komen. Ik zal een deftige uitnoodiging zenden."

Verheugd riep ik uit: "Dat 's heerlijk!" Toen ging ik regelrecht naar Annie en vertelde haar alles van ons verdwenen ezeltje en van den rijstoel. Zij had reeds van Andy's vlucht gehoord, en had ook reeds verwacht, dat het rijden nu wel uit zou zijn; maar ik had haar betere dingen te beloven. Dien middag bleef ik meteen maar bij haar en gaf haar les in 't lezen. Op Zaterdagmorgen gingen we allen op pad om nog eens een onderzoekingstocht naar Andy te doen. Puf ging niet mee, om niet vermoeid te zijn vóór de partij bij kapitein Rogers. De kapitein had ons genoodigd om 3 uur.

[Illustratie]

Toen we aan den kruisweg kwamen, stelde Daan voor, dat we ieder een weg zouden inslaan, en dien zoo ver mogelijk oploopen. Mij leek het plan niet goed; Lena zou zoo ver toch niet kunnen loopen. Toen haalde Daan een kaart uit z'n zak. "Kijk hier," zei hij, "al die wegen hier leiden naar een dorp of stad; als we nu de volgens deze kaart dichtsbij gelegen plaats nemen, kunnen we daarheen wandelen." Na een langdurige studie op, en breedvoerig debat over de kaart, werd besloten, naar de stad Rockwell te loopen, die op 5 mijlen afstands was gelegen. Aldus geschiedde.

Al wandelend, bespraken we verdere plannen. Daan vond, dat we nu den volgenden Zaterdag weer een andere plaats in een andere richting nemen moesten. We zullen zoowat drie mijlen geloopen hebben, toen Alex in een heg klom, om eenige braambessen te plukken. Terwijl hij daarmee bezig was, gaf hij eensklaps een schreeuw, die ons allen op hem deed toeloopen. Daar in de sloot, bijna verborgen onder doode takken lag een stuk zwart-wit omslagdoek!

[Illustratie]

We haalden den lap er dadelijk onderuit, en jawel, het waren de vier broekspijpen, nog met mijn garen erin! We keken elkaar verstomd aan, niet wetend wat we doen moesten: verheugd zijn of huilen! "Nu hebben we eindelijk z'n spoor!" riep Daan uit.

"Laten we dan es even gaan zitten, en overdenken, wat we nu doen moeten," stelde ik voor.

"De vraag is: hoe komen die lappen daar," zei Alex.

"Misschien," zei Lena en bibberde van angst, hoewel 't klaarlichte dag was, "misschien is ie een moordenaar tegengekomen, die z'n kleeren wou hebben, en heeft die hem vermoord en hier ergens begraven."

"Ja, en toen zal Andy in z'n laatsten doodstrijd die broekspijpen hebben losgescheurd," zei Daan, "en toen is de moordenaar, gekleed in blauwe jurk en slaapmuts, heen-gewandeld. Dat is wel een aannemelijke voorstelling."

"Ik geloof niet, dat Andy zelf die broekspijpen kon afscheuren," merkte ik op, "daar heb ik ze veel te stevig voor vastgenaaid. Bovendien, kijk hier, ze zijn afgesneden."

Daan bekeek het afgesneden stuk met detective-oogen en zei toen plechtig: "Ja, dat is ook een verschijnsel, waar we terdege op moeten letten. Het is inderdaad het werk van een mes, dat we hier voor ons hebben."

"En als er een mes is," besloot Alex, "dan moet er ook een man in 't spel zijn."

Waarop ik half-wanhopig uitriep: "Hij is zeker gestolen! Nu moeten we 't spoor van den dief uitvinden!" Ik sprong op en wilde dadelijk maar weer verder. Doch de jongens hadden er nog geen plan op. Zij doorzochten nog eens nauwkeurig de sloot, zij klommen weer over de heg, en zie, eensklaps vonden ze een stuk oranjeschil.

"Zie hier," zei Daan, "nu kunnen we er zeker van zijn, dat hier een landlooper of zoo geweest is, die Andy heeft meegenomen. Alleen zulke lui eten oranje-appels."

Ik was het niet met Daan eens, maar Alex wilde voortmaken en zei: "Toe, laten we nu verder gaan. Wij weten nu in elk geval, dat Andy hierlangs is gekomen. Ik geloof zeker, als we nu dezen weg volgen naar Rockwell we hem nog wel zullen vinden."

[Illustratie]

Met nieuwen moed gingen we weer op pad. Toen we te Rockwell aankwamen, waren we allen vermoeid. Het was een flink dorp, met wel tien winkels in de hoofdstraat. We gingen een melksalon binnen en dronken limonade; meteen vroegen we aan de vrouw, die ons bediende, of er ook iemand in de buurt ezels op na hield. Het scheen een domme vrouw; eindelijk begreep ze ons en vertelde, dat de dominee er een had, een heel oude; in de 40 jaren, dat ze daar woonde, had ze nooit een anderen ezel gezien.

Daar schoten we dus weinig mee op, en we gingen weer verder. Daan ontdekte het bureau van politie, waar hij lange onderhandelingen voerde met een agent. Deze schreef alles op, wij gaven onze namen en adres op en toen ging 't weer verder. Nog niet tevreden, gingen we alle vier in verschillende richtingen nog even het dorp door, en kwamen na een kwartier weer in den melksalon bijeen. Iedere man, vrouw, jongen of meisje, die we tegenkwamen, werd gevraagd, of ze ook een zwarten ezel gezien hadden. Ik was eerst wel wat verlegen, om iedereen zoo maar aan te spreken, maar ik deed het ten slotte zoo beleefd mogelijk: "Och, neem u me niet kwalijk, hebt u soms kort geleden een zwarten ezel gezien? Een week geleden hebben we hem verloren, en hij is hierlangs gekomen."

Soms keken de lui ons verbaasd aan, soms ook lachten ze hartelijk. Eén keer zei een ruwe jongen: "Ja, als je naar huis gaat, en je kijkt in den spiegel, dan zul je een zwarten ezel met rood haar zien." Dat sloeg op mij, want ik draag na grootmoe's overlijden zwarte kleeren. Maar geen onzer kreeg een bevredigend antwoord.

En zoo werd de terugreis weer ondernomen, in een ver van prettige stemming. Toen we thuis kwamen en de vier broekspijpen op de tafel uitlegden, schoot tante Marie erg in den lach, hetgeen Daan zeer verstoord deed opmerken: "Het moge voor u, tante, een blijspel wezen, voor ons is het een treurspel." Toen vroeg ze ons vergiffenis voor haar lachbui.

Werkelijk, het wàs een treurspel; hoewel we niettemin naar het thee-partijtje van kapitein Rogers gingen en er volop pret hadden, hing het verlies van Andy ons als een donkere wolk boven het hoofd. Of, zooals Alex het uitdrukte: "Het is erger dan de dood, want het is een niet-eindige onzekerheid." Bovendien was het verlies dubbel hard, omdat we het onszelf te wijten hadden. De arme Andy was altoos geduldig en lijdzaam geweest, zoolang we hem hadden. Of wij al elken dag met hem reden, hij klaagde nooit. Maar toen we hem gingen uitdossen met een slaapmuts en een blauwe jurk, en toen we hem wilden doen opzitten en pootjes geven, toen had hij er genoeg van en ging er vandoor; ik geloof heusch, dat hij bepaald bedoeld heeft, ons te verlaten en nooit terug te keeren.

En nu kwam nog de treurigheid van het vertrek van kapitein en Mevrouw Rogers. Van andere groote menschen dan hen hielden we niet. Ik ben beslist van plan, den kapitein dit boek te sturen, als het af is; hij heeft gezegd, dat hij probeeren wil, het voor mij te laten drukken. Maar nu moet ik zien, dat het boek wat vroolijker eindigt, dat hoort bij een goed boek. Boeken met een treurig einde vind ik verschrikkelijk; als er verteld wordt van kinderen, dan gaat gewoonlijk de liefste van hen dood.

En dat is vreemd, want de Bijbel zegt ons, dat het niet zoo vreeselijk is om te sterven; het is "verre te verkiezen". En de hemel is een heerlijke plaats, onze kerkliederen zingen daarvan. Maar mij maakt een verhaal over 't sterven van kinderen altoos verdrietig, tot schreiens toe. Ik weet dat nog best uit de dagen, dat Daan ziek was; o, als er toen een van ons gestorven was, zelfs al waren we er bereid voor geweest, ik had het niet uitgehouden. Ik geloof wel, dat moeder blij zou wezen, als ze ons weerzag. Voor hen, die heengaan is het ook zoo erg niet, maar voor hen, die achterblijven, is het zoo vreeselijk.

Den volgenden Maandag ging ik naar Annie en reed haar in den rijstoel. Wij brachten meteen een paar pakjes voor juffrouw Ribbon weg, omdat Tom met een zeeren voet te bed lag. Ik kreeg steeds meer te doen met Annie; zij scheen veel last van de kou te hebben en ik ben er zeker van, dat ze geen kleeren genoeg had; haar grootouders zijn ook zoo arm. Ik sprak er met tante Marie over en die opperde het denkbeeld, dat Lena en ik een wollen jurk en een dikken rok voor haar zouden maken, om die dan als kerstgeschenk te geven. Ik voelde er niet heel veel voor, omdat ik niet van zulk werk houd, maar bij de gedachte aan Annie joeg ik die leelijke luiheid op de vlucht en beloofde tante, er onverwijld aan te zullen beginnen. Tante vond 't best, dat we er 's avonds na de thee aan werkten, dan zou ze ons komen helpen, en tegelijk geschiedenissen vertellen. Nu, dat leek mij, en gelukkig Lena ook; gisteravond zijn we eraan begonnen. Ook de jongens zaten erbij; terwijl ze bezig waren met het roosteren van kastanjes. "Ik zie niet in, waarom jongens ook niet zouden kunnen naaien," zei Lena. "Als ik jongens had, dan liet ik ze hun eigen kleeren maken. Waarom moeten dat altijd hun moeders en zusters en tantes doen?"

"Als ik meisjes had," zei Alex, die bijzonder van redetwisten houdt, "dan zou ik ze de deur uit sturen, om hun eigen brood te verdienen. Waarom moeten hun vaders en broeders en ooms ze altijd thuis houden voor een oortje?"

"Wel," zei tante, "de wereld is tegenwoordig erg aan 't veranderen. Tegenwoordig verdienen meisjes ook al buitenshuis. Maar ik denk, dat jelui vader nog van de ouderwetsche leer is, dat wij vrouwen thuis behooren te blijven en naaien, terwijl de jongens zich moeten bekwamen, om later geld voor ons te verdienen. Maar wat zal ik jelui nu eens vertellen?"

"Iets over tooverpaleizen!" vroeg Puf.

"Gevechten en ontvluchtingen," stelden Daan en Alex voor.

"Een prinses in de gevangenis," vroeg Lena.

"Zoudt u ons niet eens kunnen vertellen van dien ridder in onze kerk?" vroeg ik.

"Semper fidelis, semper paratus," zei tante Marie nadenkend. "Jawel, dat kan wel."

Wij wilden allemaal die geschiedenis wel graag eens hooren. Maar tante Marie wilde eerst vijf minuten hebben, om zich te bedenken; terwijl rustten Lena en ik even uit van ons naaiwerk. Even liepen we naar de kachel, en aten wat van de kastanjes. Heerlijk brandde het vuur, en wij gevoelden ons allen zóó prettig en gezellig thuis, dat we onwillekeurig weer aan Andy moesten denken, die daar buiten in regen en wind liep te dolen, of afgejakkerd werd door een dronken landlooper.

[Illustratie]

"Was hij maar weer hier!" zuchtte Lena. "Dat kan niet," zei Alex. "Hè, wat is het toch een ellendige zaak. Daar hebben we nu een kar, en een zadel, en mooi tuig, en niet eens een ezel, om ze te gebruiken."

"God weet, waar ie is," riep Puf eensklaps uit. "Ik verwacht hem spoedig hier. God heeft mij vanmorgen gezegd, dat Hij hem de volgende week thuis zou sturen, als ik goed oppaste."

Wij lachten niet om Puf. Waarom zou God ook zijn gebedje niet verhooren? Ik geloof, dat hij grooter geloof heeft dan wij.

Nadat het kastanje-maal was verorberd, verklaarde tante zich gereed om te beginnen. Terwijl ze bezig was met het stoppen van Daan's kousen, begon ze het verhaal, dat ik in het volgende hoofdstuk heb oververteld.

HOOFDSTUK XVI

HET VERHAAL VAN ONZEN RIDDER

"Lang geleden leefde er een ridder, Sir Roger Dereker geheeten. Reeds van zijn veertiende jaar af was hij met z'n koning op het oorlogspad, daar hij 's konings page was. Hij was de dapperste der ridders aan 's konings hof; vrees scheen hij niet te kennen, en iedereen, die hem kende, hield van hem.

[Illustratie]

Wel was hij dapper en streng, maar jegens vrouwen en kinderen was hij de zachtheid zelve; wie hem om hulp vroeg, ging nooit teleurgesteld heen.

Hij woonde in een groot kasteel, dicht bij den koning en had een jonge vrouw, die hij innig lief had...."

"O tante!" riep ik uit, "dan moet u ons eerst vertellen, hoe hij haar kreeg. Toe, dat moet u vooral heelemaal vertellen!"

"Wel, op een bitter-kouden winteravond reed hij, met z'n page bij zich, naar huis.

[Illustratie]

Regen en wind stormden hem tegemoet, en zijn handen waren zóó koud, dat hij nauwelijks meer de teugels kon vasthouden; z'n paard, een goed dier, kon slechts stapvoets gaan, daar zij door een zeer donker bosch reden, dat vol struikgewas stond. Eensklaps hoorde hij een gekraak in de struiken achter zich, en geen seconde later verscheen voor zijn verbaasde blikken een wit paard, dat als dol voortrende, en op welks rug hij de gedaante van een vrouw ontwaarde. Zij was geheel gewikkeld in een donkerblauw kleed, en scheen tevergeefs te trachten haar paard tot staan te brengen.

"Er achteraan!" riep Roger zijn page toe. "Zij wordt tegen haar wil ontvoerd!"

Hij gaf ook z'n eigen paard de sporen, en beiden joegen ze het witte paard na, totdat ze aan den rand van het bosch kwamen. Er lag daar een groote open vlakte voor hen, en heel in de verte zagen ze de lichtjes van 's ridders kasteel. Het paard met de dame was zóó snel over de vlakte gerend, dat zij haar pas inhaalden vóór de valdeur van 't kasteel. Met schuim bedekt, stond daar het paard stil; de dame was buiten adem en uitgeput van inspanning. Sir Roger reed op haar toe en begroette haar.

"Mevrouw, het is een verschrikkelijke avond, en u is hier voor mijn deur, die altoos open staat voor wie in nood verkeert. Wilt u mij het genoegen doen, van mijn gastvrijheid gebruik te maken?"

De dame wikkelde zich dichter in haar rijkleed en sprak zoo zacht mogelijk: "Ik ben u zeer dankbaar. Ik ben zeer ver van huis en inderdaad in nood. Waar mijn bedienden zijn, ik weet het niet. Men vervolgt mij; iemand heeft mijn vader vermoord en ons huis verbrand. Ik heb hulp noodig."

Sir Roger blies op zijn hoorn; de valdeur werd opgetrokken en nauwelijks waren zij binnengereden, of met vreeselijk geweld beukte iemand op de poort, met woedende stem uitroepende: "Die dame behoort mij. Zij is mijn beloofde vrouw!"

Sir Roger verwaardigde zich niet, een antwoord te geven. Hij bracht zijn bezoekster naar de appartementen van zijn moeder, en zag haar niet vóór het avondeten.

Haar vervolger trok na nog eenig gebeuk op de poort onverrichterzake af. Toen Sir Roger zijn gast bij het avondeten ontmoette, was hij verrast door haar schoonheid.

[Illustratie]

Zij scheen nog jong en droeg een wit, met goud-borduursel omzoomd kleed. Dichte strengen donkerbruin haar golfden om haar bleek gelaat; diep-blauwe oogen keken hem aan met een uitdrukking van onschuld en reinheid; toen ze hem aankeek, vloog een lichte blos over haar wangen. Zwijgend nam ze haar zetel aan tafel in, en toen de maaltijd ten einde was, ging hij met haar naar zijn eigen kamer, waar zij hem haar geschiedenis vertelde.

Met oogen vol tranen vertelde ze, hoe haar vader gevallen was in een gevecht met zijn aartsvijand, Baron Dacre, die haar hand had gevraagd, en was afgewezen. Zij vertelde hem, hoe de baron door het verraad van een der bedienden den toegang tot hun tuin vond, waar een vreeselijk gevecht plaats had. En toen eindelijk ook hun huis in vlammen opging, was ze op haar schimmel gevlucht, achtervolgd door den baron en z'n handlangers.

Terwijl ze hem dankbaar aankeek, zei ze: "Hoe zal ik u naar waarde danken voor wat ge deedt aan een meisje, dat thans wees is, en alleen staat."

En het ernstige antwoord van Sir Roger was: "Als u mij het recht geeft, u voortaan te blijven beschermen en helpen." Zoo kreeg hij z'n bruid."

Wij klapten allen in onze handen van blijdschap, waarna tante vervolgde:

"Er kwamen moeilijke tijden voor onzen dapperen ridder. Zijn koning was omringd van onbetrouwbare hovelingen. En diezelfde Baron Dacre liet hem niet met rust, verzamelde zich ontevreden mannen, en een burgeroorlog was 't gevolg.

Op den avond van Sir Roger's huwelijk met Gravin Gwendolina kwam een renbode aan zijn poort, om hem tot den oorlog op te roepen. Roger scheurde zich los van zijn jonge vrouw, en toen zij even haar bekommering daarover uitsprak, zei hij: "Lieve, ik ben aan mijn koning verbonden met mijn eerewoord en mannentrouw. Desniettemin bemin ik jou evenzeer. Maar ik mag mijn riddereer niet aanranden, door hem te verlaten, als hij mijn diensten vraagt."

Zoo reed hij heen, en bleef vier lange maanden weg. Toen keerde hij terug, bedekt met wonden, maar ook beladen met roem.