Wies Ongeluk

Part 9

Chapter 94,152 wordsPublic domain

Het ergste was, dat ze de twee andere sommen ook niet kon geven, want op hetzelfde blad had ze aan den achterkant haar vers geschreven.

In de huiskamer gekomen, legde ze haar boek haastig in de vensterbank en nam haar plaats aan tafel in.

Henk vertelde van een bezoek, dat hij bij een bevrienden boer had afgelegd en Marietje, hoe ze voor de kippen had mogen zorgen en Tante geholpen had met erwtjes doppen.

"En jij, Wies?" vroeg Grootvader, "eerst je sommen gemaakt en toen nog wat rondgedwaald zeker, je scheen tenminste de gong niet kunnen hooren."

Wies zag er verlegen uit.

"Ik ben niet klaar gekomen," zei ze zacht.

Grootvader keek verwonderd.

"Niet klaar gekomen. Met die gemakkelijke sommetjes? Och kom, het was het werk van een half uurtje, of drie kwartier. Enfin, dat moet je me straks maar eens laten zien," en hij begon over iets anders.

Toen ze gereed waren met hun maal stond Grootvader op.

"Ga even mee met je werk, Wies," zei hij.

Wies nam haar boek en het ledige papier en volgde hem schoorvoetend.

"Zie zoo," zei hij, op zijn opgewekten toon, "laat me nu maar eens zien. Misschien toch een kleinigheid niet begrepen, dat maken we wel samen in orde. Geef me maar, wat je gedaan hebt."

Wies wist geen raad. Het leege papier geven, dorst ze niet, en het beschrevene nog veel minder.

Grootvader keek werkelijk verwonderd naar haar.

Wat had het kind, ze had toch zeker wel iets uitgevoerd.

"Kom dan, je werk," en hij stak zijn hand uit.

Wat moest ze doen?

Het papier geven met de twee sommen, waarop het versje stond, dat nooit, ze zou zich doodschamen, dan nog liever Grootvader in den waan laten, dat ze niets had uitgevoerd.

Maar ze dorst dat niet te zeggen, ze durfde hem nauwelijks aankijken, Grootvader was degeen, voor wien ze van alle menschen het meest respect had, ze kampte met hare tranen, maar durfde ook niet huilen, daar kon hij heelemaal niet tegen, dat schreien om alles vond hij zoo laf.

Grootvaders geduld was blijkbaar op, hij nam haar boek en papier uit de hand.

Hij vouwde het blad open, het was blank en onbeschreven.

"Je wilt toch niet zeggen, dat je niets hebt uitgevoerd," en zijne anders zoo vroolijke oogen keken haar streng aan. Ze durfde niet ja zeggen, ze had ook wel wat uitgevoerd, maar voor de waarheid kon ze niet uitkomen. In haar verlegenheid nam ze haar toevlucht tot een leugentje.

"Het blad is weggewaaid."

"Weggewaaid, er is haast geen wind, hadt je het dan niet kunnen grijpen?"

Dat was waar, dat zou ze zeker gedaan hebben, hoe kwam ze er nog uit.

"Ik was even opgestaan," fluisterde ze.

"O zoo, zeker weer eens afgedwaald en naar iets anders uitgekeken. Nu, kijk maar niet zoo benauwd, het is geen doodzonde. Hoeveel hadt je er al af, allemaal?"

"Neen, ik moest er nog een paar maken."

"Nog twee?"

"Neen, drie."

"Kon je ze niet vinden?"

"Ik weet het niet, ik heb ze nog niet allemaal doorgezien."

Haar grootvader schudde afkeurend zijn hoofd.

"Kind, Kind, het is nog erger met je gesteld, dan ik dacht. Je moet het zelf maar weten en de gevolgen dragen, in je verder leven worden je ook de gevolgen van je daden niet gespaard. Ik ga vanmiddag voor zaken met het wagentje naar een der dorpen in de buurt en ik had jullie drietjes willen meenemen, het is een mooie rit. Dat heb je verspeeld, je blijft thuis en maakt je werk. Je blijft hier zitten en waag het niet de kamer uit te gaan, vóór je klaar bent. Als je met alle geweld niets aan je vacantie hebben wilt, moet je het zelf weten."

Daarna verliet hij de kamer en liet Wies in een zeer verslagen toestand achter.

Daar zat ze nu, opgesloten in huis, in plaats van een heerlijk ritje te kunnen doen.

Henk en Marietje genoten van hun vacantie en zij!

"Wies Ongeluk, Wies Ongeluk," zuchtte ze.

Toen begon ze een deuntje te huilen en na een poosje, weer wat gekalmeerd, besloot ze van haar middag te redden, wat ze kon. Ze zou voortmaken, dan kon ze nog een poosje met Grootmoedertje alleen zijn, want Moes ging met Tante en de kleintjes een bezoek brengen bij oude kennissen van moeder. Ze draaide haar stoel zoo, dat ze met haar rug naar het raam kwam te zitten, zoodat ze niet naar buiten kon kijken en begon ijverig de reeds gemaakte sommen over te schrijven. Daarmee klaar, probeerde ze de andere vraagstukken op te lossen. Ze hield haar eene hand als een scherm boven hare oogen, om toch maar niets anders te zien en deed een wanhopende poging om haar geheele aandacht bij haar werk te houden.

En het gelukte.

Binnen het uur had ze alle vraagstukjes opgelost en netjes overgeschreven en met een sprongetje van plezier liep ze de kamer uit en naar de serre, waar ze wist haar grootmoeder te vinden.

"Ik ben klaar, grootmoeder, nu kom ik bij u zitten."

"Hoe gezellig," en grootmoeder beantwoordde hartelijk haar kus.

Wies schoof dicht tegen haar aan.

"Verveelt u zich niet, als u zoo alleen zit?"

"Niet erg, ik brei, zooals je ziet. Tante laat me nooit lang alleen, ze zullen wel weer gauw terugkomen."

"Ze mogen gerust nog een poosje wegblijven," zei Wies.

"Dat vind ik ook," lachte Grootmoeder, haar tegen zich aandrukkend en nu volgde een van die heerlijke gesprekken, waar Wies het heele jaar naar verlangde.

Toch liep er een klein zwart draadje door het genoegen, dat het samenzijn met haar grootmoeder haar gaf.

"Zeg, schatje," vroeg ze eensklaps, "vindt u jokken altijd even erg?"

"Jokken? Ja, dat vind ik een van de leelijkste dingen, die men doen kan."

"Altijd?"

"Ja, altijd."

"En een leugentje uit nood?"

"Daar houd ik ook niet van. Ik zie niet in, dat het ooit noodig is, te jokken."

Wies zweeg een oogenblik.

"Je kunt het soms niet laten," zei ze toen.

"Dat is een gevaarlijke theorie, kindje. Maar zeg me eens, jij hebt toch niet gejokt?"

Wies liet zich op haar knieën glijden en legde haar hoofd op haar grootmoeders schoot.

"Dat heb ik wel," fluisterde ze.

Grootmoeder streelde zwijgend eenige oogenblikken het gebogen hoofdje.

"Dat spijt me erg," zei ze toen.

"Het was maar een klein leugentje," beweerde Wies zacht.

"Die bestaan er niet. Een leugen is een leugen. Tegen wie heb je gejokt?"

"Tegen Grootvader."

"Tegen Grootvader? Maar Wiesje?"

Nu vertelde Wies van de benauwdheid, waarin ze geweest was en hoe ze niet had durven zeggen, dat ze op het papier een versje geschreven had.

"U mag het ook niet vertellen," voegde ze er dringend bij, "als 't u blieft niet."

"Ik zal het niet vertellen, maar me dunkt, dat je het zelf nog wel doen zult."

"Ik? Nooit. Dat is niets voor Grootvader. Maar ik dacht wel te zeggen, dat ik op het papier geknoeid had en het hem daarom niet geven kon."

"Een halve waarheid," vond Grootmoeder.

"Ik zeg veel liever heelemaal niets. Weet u wat zoo gek is? Ik schaamde me tegenover u veel meer over dat jokkentje, dan tegenover Grootvader. Het is toch wel een beetje zijn eigen schuld, dat ik niet voor de waarheid durfde uitkomen."

Grootmoeder liefkoosde het naar haar opgeheven gezichtje.

"Wies, Wies, je bent op den verkeerden weg. Zeg Grootvader eerlijk de waarheid."

Wies aarzelde.

Ze stelde zich voor, hoe ze voor haar Grootvader zou staan, hoe ze stotterend haar leugen bekennen zou, hoe hij het vers zou willen lezen, ze zag den spottenden glimlach, die om zijn mond verschijnen zou, de manier, waarop hij haar aan zou kijken en ze zag al te veel op tegen dat alles. Ze besloot maar liever niets te zeggen.

"Ik kan niet, Grootmoesje," zei ze, "heusch, ik kan niet."

ELFDE HOOFDSTUK.

HET SPROOKJE.

Ze zouden allen een uitstapje maken naar een groote boerderij, die wel een uur rijden van het dorp verwijderd lag. Ze hadden vroeg gegeten en zouden pas tegen den avond thuiskomen. De kleine jongens mochten ook mee en waren een en al opgewondenheid bij de gedachte, dat ze pas 's avonds, als het donker was, naar huis zouden rijden.

Allen verheugden zich op dat uitstapje, het weer was prachtig, de rit er naar toe mooi, de boer en de boerin de gastvrijheid zelve, ze waren er van overtuigd, dat ze het er heerlijk zouden hebben.

Toch was er iets, dat voor Wies de pret niet heelemaal onvergald liet, iets, waarover ze tobde, wat haar niet met rust wilde laten.

Bij uitzondering zouden tante Marie en Grootvader beiden mee gaan, Grootmoeder wilde dat zelf zoo, maar nu moest die al dien tijd alleen blijven, met geen andere zorg, dan die van de dienstmeisjes.

"Het zal best gaan," verzekerde Grootmoeder, "ik kan immers bellen, als ik iets noodig heb."

"U zult voorzichtig zijn, niet waar, Moeder?" vroeg tante Marie dien morgen, "u blijft in huis en gaat niet naar buiten, belooft u het me, er is zooveel water in de buurt."

"Ik beloof het," zei Grootmoeder, maar verbeeldde Wies het zich, of lag er op haar lief gezicht een weemoedig trekje, een verlangen om ook mee te kunnen gaan en te genieten op dezen mooien zomerdag?

"Waarom gaat Grootmoedertje eigenlijk niet mee?" vroeg ze.

Tante Marie keek verwonderd.

"Grootmoeder mee? Hoe zou dat nu kunnen."

"We kunnen haar toch geleiden."

"Maar we zullen al genoeg te doen hebben, met op de kleintjes te passen en daarenboven zou het te druk voor Moeder zijn en te vermoeiend. Zoudt u graag meegaan?" voegde ze er aarzelend bij, zich tot haar moeder wendend.

"Neen, neen, ik blijf thuis," haastte deze zich te zeggen, "zoo'n tocht zou te veel voor me zijn. Maar een van de meisjes kan me toch wel in den tuin brengen, het weer is wel bijzonder mooi vandaag."

Tante Marie keek ontevreden.

"Kunt u nu voor dien eenen dag niet eens in huis blijven. In den tuin bent u zoo buiten het bereik van de meisjes, ze zouden u misschien niet hooren, als u belde, neen, dan blijf ik maar liever bij u, ik zou geen oogenblik rust hebben."

Grootmoedertje zag er wat verdrietig uit.

"Goed dan, ik zal in huis blijven, ik beloof het."

Wies had dit gesprek aangehoord en een hevige tweestrijd ontstond in haar binnenste.

Zou zij thuis blijven bij het arme, blinde Grootmoedertje, de anderen stilletjes laten weggaan, want anders zou Grootmoeder toch niet willen, dat ze een pretje misliep. Als allen dan weg waren, zou ze te voorschijn komen en Grootmoeder verrassen. Dan kon ze met haar naar buiten gaan en haar bezig houden en voor haar theeschenken.

Zou ze het doen?

Het zou wel een heerlijk tochtje zijn, verleden jaar hadden ze op dezelfde boerderij zoo'n dolle pret gehad, het was wel hard, daar afstand van te moeten doen.

Grootmoedertjes gezicht stond melancholiek, ze zag er blijkbaar tegen op, zoolang alleen te blijven, maar wilde Tante en Grootvader hun genoegen niet vergallen.

Arm Grootmoesje.

Ze keek naar het lieve, meestal zoo geduldige gezicht, dat nu een verdrietigen trek niet onderdrukken kon en nam haar besluit--ze zou bij haar blijven.

Op het laatste nippertje, toen het rijtuig al voor stond, verklaarde ze, niet mee te gaan, ze bleef bij Grootmoeder. Tante Marie, die wat last had van haar geweten, zei scherp, dat het niet noodig was, als er iemand had moeten blijven, was zij de aangewezen persoon geweest. Wies moest niet voor slachtoffer willen poseeren. Grootvader was blijkbaar van een andere meening, hij knikte haar vriendelijk toe en zei, dat ze een beste meid was en Moeder keek een beetje, alsof ze haar ooren niet gelooven durfde.

Henk klopte haar hartelijk op haar schouder en verklaarde, dat hij het allemachtig aardig van haar vond en Marietje mompelde zoo iets, van ook wel thuis te willen blijven.

Ze reden weg en Wies keek hen na. Met een zucht keerde zij zich om, toen ze uit het gezicht waren, het was geen geringe opoffering, die ze zich daar opgelegd had.

Al gauw klaarde haar gezicht weer op, Grootmoeder zou zoo blij zijn!

Nu voorzichtig naar haar toe, om haar niet te laten schrikken, ze had het rijtuig natuurlijk hooren wegrijden en dacht dus, dat allen vertrokken waren.

Ze deed heel zacht de kamerdeur open en begaf zich naar de serre, waar Grootmoeder op haar eigen plaatsje zat. Haar breiwerk lag op haar schoot, aan hare vingers ontgleden en met het hoofd op haar hand gesteund, zat ze daar als een beeld van melancholie, met dien droeven mond en gesloten oogen.

Wies trad voorzichtig nader.

"Is daar iemand?" vroeg Grootmoeder, het hoofd opheffend.

"Ja, Grootmoesje, ik ben het, Wies."

"Jij? Ben je daar nog? Heb ik me dan verbeeld, dat het rijtuig wegreed?"

Wies boog zich over haar heen en kuste haar teeder.

"Neen, lieveling, u heeft goed gehoord, het rijtuig is weg, maar ik ben niet meegegaan, ik blijf bij u."

"Bij mij?"

Grootmoeders lippen begonnen te beven.

"Ja, lieveling."

"Wil je zeggen, dat je dat prettige uitstapje hebt opgegeven om mij gezelschap te blijven houden? Och, kindje, dat hadt je niet moeten doen."

Tranen rolden uit haar doffe oogen, en met bevende hand zocht ze het hoofd van haar kleindochtertje, om het naar zich toe te trekken.

"Dat hadt je niet moeten doen," zei ze nog eens, het gezichtje kussend, dat zich tot haar overboog, "ik had werkelijk best alleen kunnen blijven."

Wies veegde hare oogen af. Ze waren ook vochtig geworden bij het zien van de aandoening, die haar daad bij Grootmoeder verwekt had.

"U vindt het toch gezellig, niet waar, dat ik bij u blijf."

"Heerlijk, kindje. Ik heb juist vandaag een slechten dag, dat overvalt me soms, dan drukt mijn toestand me veel meer dan gewoonlijk en komt de melancholie me besluipen. Het is lief van je, aan de oude vrouw te denken, kind, het bewijst me weer eens, dat mijn oudste kleindochter een goed, liefhebbend hartje heeft, welke andere gebreken ze dan ook hebben mag. Ik ben heel blij, alleen spijt het me, dat je nu je prettig dagje mist."

"Dat behoeft niet, we kunnen samen ook wel een prettig dagje hebben. Willen we in den tuin gaan, het is zulk heerlijk weer."

"Ja graag, breng me maar naar mijn lievelingsplekje bij het rozenperk."

Grootmoeders stem klonk vroolijk en ze zag er veel opgewekter uit.

Wies nam haar arm en bracht haar naar buiten, in de warme zomerlucht, vervuld van geuren en van aardige geluiden.

"Zoo goed?" vroeg ze, een kussen, dat ze had meegebracht in haar grootmoeders rug plaatsend.

"Heerlijk kind, ik ben je heel dankbaar, dat je zoo voor mij zorgt, heel dankbaar."

Wies kreeg een kleur.

"Zeg u er niets meer van, als 't u blieft," en op een voetenbankje aan hare voeten plaats nemend, vroeg ze:

"Grootmoeder, mag ik u eens wat vertellen, wat ik een poosje geleden gedroomd heb?"

"Gedroomd, beste meid?"

"Ja, zoo noem ik het, maar ik sliep niet, ik zat nog even voor het raam, 's avonds, voor ik naar bed ging en keek naar de maan, die dien avond zoo prachtig scheen en ik dacht er over, hoe heerlijk het in zulk een nacht moest zijn in een bosch. Ik was nog thuis, ziet u en het was een nare dag voor me geweest, alles was me weer eens tegen geloopen, ik had mijn werk niet af, ik was zoo vreeselijk afgedwaald, en ik was met een doodongelukkig gevoel naar mijn kamertje gegaan. Ik was te verdrietig om dadelijk naar bed te gaan, maar ik was heel moe en onwillekeurig sloot ik mijn oogen en genoot van het nachtwindje, dat zacht om mijn gloeiend gezicht streek. Ik dacht na over de schoonheid van zoo'n zomernacht en toen ik mijn oogen weer opende en uit het raam keek, zag ik niet meer de tuintjes van onze buurt en niet meer den achterkant van de huizen, met hun verlichte vensters, neen, wat ik zag, was heel wat anders.

Ik verbeeldde me in een bosch te zijn, in een groot bosch. Ik had dat bosch meer gezien, dat wist ik zeker, maar niet zóó, het was, alsof er een vreemde toovermacht over de boomen hing, de bladeren hadden een zilveren kleur en de takken staken daar tegen af, als kronkelende, donkere, spookachtige armen.

"Maaneffect," dacht ik, "gewoon de werking van het maanlicht, maar toch.... ik voelde, dat er iets bijzonders gebeuren ging en ik tuurde en tuurde op het hier en daar door de witte stralen verlichte boschpad. Daar zag ik tusschen de boomen de half vergane bladeren, die den grond bedekten, bewegen en een rood puntje werd zichtbaar. Het was de puntmuts van een kaboutertje, toen volgde het hoofdje met een langen witten baard en daarna het heele lichaampje. Het ventje rekte zich uit en schudde zijn armpjes. Het keek naar den stand der maan, knikte goedkeurend en floot toen zachtjes. Daar begon overal de aarde te bewegen en van alle kanten kwamen de kaboutertjes te voorschijn en kropen langs de hooge wortels der boomen en krioelden door de half vergane bladeren en de groene planten daartusschen. Ze hadden allen een brandend lantaarntje bij zich, maar toen ze zagen, hoe helder de maan alles verlichtte, bliezen ze dat uit. Toen gingen ze allen in een kring staan rond het eerste kaboutertje, dat hun aanvoerder scheen te zijn en vroegen zijne bevelen. Ziet u ze niet voor u, Grootmoeder, de kleine kereltjes met hun roode mutsen en lange, witte baarden?"

"Ja kindje, ik zie ze, de maan werpt juist een straal op den baard van het middelste ventje en doet die als gesponnen glas schitteren."

Wies durfde nauwelijks ademhalen, bang de betoovering te verbreken.

Ook zij hield hare oogen gesloten, om zich alles beter voor den geest te kunnen halen.

"Kinderen," sprak het mannetje, "er is van avond veel werk te doen. Een paar van jullie moeten naar de stad."

"Is het daarvoor niet te vroeg, vóór twaalf uur 's nachts kunnen we ons niet aan de menschen vertoonen," vroeg een bijzonder klein ventje.

"Natuurlijk niet, kleine wijsneus," antwoordde de aanvoerder, "dat behoef je me niet te vertellen. Ben ik niet je aller koning? Schittert mijn kroon niet in de maneschijn?"

En echt, toen ik goed naar hem keek, zag ik dat zijn mutsje verdwenen was en hij nu in de plaats daarvan een goud kroontje droeg.

"Eerst zal ik je zeggen, wat je doen moet," ging het koninkje voort, "en dan kunnen jullie tot twaalf uur pret maken. Ik weet, dat er in de stad een meisje woont, dat veel verdriet heeft buiten haar schuld. Dat meisje kan nooit haar aandacht bepalen, bij wat ze op het oogenblik doen moet en daardoor beleeft ze veel naars, ze wil wel, maar ze kan niet. Ook vanavond heeft ze weer haast niets uitgevoerd en toen ze eindelijk naar bed gestuurd werd, was het met de bedreiging, dat, als ze niet zorgde, morgenochtend vroeg op te staan en alles klaar te hebben, vóór ze naar school ging, ze den volgenden Zondag niet naar het partijtje zou mogen gaan, dat een van haar vriendinnetjes gaf. Nu verslaapt dat meisje zich heel dikwijls en als ze vroeg op is, komt er toch altijd iets tusschen, waardoor ze niet klaar komt. Ze heeft dus veel kans, haar partijtje te verspelen en zou daar weer veel verdriet over hebben. Nu wilde ik jullie opdragen, dat werk voor haar te maken en netjes in haar eigen handschrift te schrijven, zoodat ze er op school niets van merken. Begrepen?"

De kaboutertjes bogen toestemmend, zoodat de punten van hun mutsjes de aarde aanraakten.

"Is het geoorloofd een opmerking te maken, o koning," vroeg een hunner met een fijn stemmetje, dat klonk, alsof men met een mes tegen een dun glas tikte.

De koning glimlachte; het was alweer het heele kleine ventje, dat sprak.

"Wel ja, Goliath, laat eens hooren, wat je te zeggen hebt."

Het mannetje keek zoo verbaasd, dat zijn oogjes heelemaal rond werden.

"Goliath," herhaalde hij, "wie is dat?"

De koning lachte.

"Dat is er een van het reuzengeslacht, je weet toch wel, dat er wezens bestaan, veel grooter nog dan de menschen."

Het kaboutertje keek omhoog naar de toppen van de hem omringende boomen.

"Zoo groot wel, als die eik?" vroeg hij rillend.

"O, nog veel grooter. Met hun voeten kunnen ze ons fijn trappen, zooals de menschen het met de kleine insecten doen, die zich op hun weg bevinden. Ze komen gelukkig hoogst zelden in deze streken, kijk dus maar niet zoo benauwd. In het ergste geval zou ik er toch zijn, om je te beschermen."

Het ventje lachte witjes.

De koning zag dat en werd rood van boosheid.

"Jou kleine schelm," riep hij uit, met zijn voetje op den grond stampend, "geloof je me niet? Waarvoor heb ik een zwaard, als het niet is, om er onze groote vijanden mee te steken? Ze denken dan wel, dat een of ander insect ze bijt, maar ze zijn er heel bang voor en gaan dadelijk op de vlucht, als ik mijn legers op hen afzend."

"En in hun vlucht trappen ze het grootste deel dood," waagde het ventje aan te vullen.

De koning fronste zijn wenkbrauwen.

"Bind hem aan den steel van dien opgeschoten paddenstoel vast," beval hij, "hij mag vanavond niet mee feestvieren. Dat zou wat moois worden, als de kleinste van mijn onderdanen aan de macht van mijn zwaard zou mogen twijfelen."

Dadelijk traden een paar kaboutertjes uit den kring en bonden het ventje met taaie grashalmen stevig vast aan den steel van een mooi gekleurden paddenstoel.

Het kereltje schreeuwde luidkeels, maar zijn stemmetje was zoo fijn, dat het nauwelijks te hooren was.

"Stel je voor, ik bang voor een reus," bromde nog de koning in zijn baard.

Toen bedacht hij zich opeens, dat het mannetje voor den twist iets had willen zeggen en daar hij wist, dat uit dat kleine hoofdje soms heel wat wijsheid kwam, zei hij op hoogen toon:

"En nu wil ik je toestaan te zeggen, wat je daar straks vragen wilde."

"Niets," piepte het ventje.

De koning fronste alweer zijn witte, borstelige wenkbrauwen en zijn oogjes keken zoo boos daaronder uit, dat het kereltje bang werd en graag onder den grond gekropen zou zijn. Alleen het kon niet, het was vastgebonden en hoe meer het zich bewoog, hoe pijnlijker de banden knelden.

"Laat me dan eerst vrij," smeekte het.

"Eerst moet ik hooren, wat je wilde."

"Mag ik dan daarna los?"

"De koning aanvaardt geen voorwaarden. Nog eens, spreek, of het zal je slecht bekomen."

Het uiterlijk van het kabouterkoninkje was nu schrikwekkend. Hij hield in zijn hand zijn groot zwaard, dat hem op een gegeven teeken gebracht was en zijn oogen stonden zoo dreigend, dat de kleine Goliath het geraden vond, zijn spel niet verder te drijven.

Hij begon dus te spreken.

"Als de kaboutertjes het werk van het meisje maken, is er natuurlijk geen enkele fout in."

"Dat spreekt vanzelf."

"En denkt u dan niet, dat ze dat op school vreemd zullen vinden? Ik geloof niet, dat zoo'n meisje geen fouten in haar werk maakt."

"Daar had hij gelijk aan," merkte Grootmoeder glimlachend op.

Wies lachte ook.

"U ziet, dat zoo'n kaboutertje de plank niet ver mis slaat," zei ze.

Toen vervolgde ze:

"De koning stond in gepeins verzonken, alsof hij een zeer diepzinnig vraagstuk op moest lossen.

Al zijn onderdanen hielden den adem in, in spanning, wat de hooge wijsheid beslissen zou.

"Natuurlijk heb ik al lang de oplossing van die moeielijkheid gevonden, maar ik zou graag weten, of een mijner onderdanen in staat is, een uitweg te vinden."

Ze legden allen hun wijsvinger op het voorhoofd en dachten na, met gebogen hoofden en neergeslagen oogleden.

Niemand zei echter iets.

Het gezicht van den koning klaarde op.

Niemand, och dat had hij ook eigenlijk vooruit geweten, het oplossen van moeielijkheden was de taak van den koning. Alleen zei hij, er ook nog eens goed over te willen nadenken, voor hij zijn meening openbaar maakte.

Wat piepte daar zoo?

Het geluid kwam van onder den paddenstoel.

"Ik weet de oplossing."

"Jij? Wil jij wel eens zwijgen, jij bent vanavond een gestrafte, jij hebt dus alleen te luisteren en je mond te houden."

"Goed, ik zal zwijgen, maar ik zou zeggen...."

"Wat zou je zeggen?"

"Laten de kabouters, die het werk maken, er een paar fouten in laten."

Een licht verscheen in de oogen van de kleine majesteit.

Daar hadt je de oplossing, waarnaar hij tevergeefs gezocht had. Toen fronste hij zijn wenkbrauwen sterker dan ooit, blies zijn lichaampje op, alsof hij barsten wilde en riep schel:

"Hoe durf je, hoe waag je het, mijn eigen gedachte uit te spreken, mijn koninklijke gedachte, jou aardworm, jou larf. Geef hem dadelijk twaalf slagen met den steel van een kamperfoelieblad, dat zal hem leeren te durven twijfelen aan mijn vindingrijkheid, na eerst mijn moed...."