Part 8
Janneman had blijkbaar respect voor Piet, tenminste hij zat nu doodstil en trok zijn handje dadelijk terug, waarmee hij even aan de leidsels wilde trekken, toen Piet het hem verbood.
Mevrouw Schotter kwam wat tot rust.
"Wat waren ze lastig," zei ze, zich behaaglijk in haar hoekje schikkend.
"Opgewondenheid," beweerde Marietje wijs, "er is veel te lang van te voren over de reis gesproken."
Henk lachte witjes.
Ze had wel gelijk, maar het was toch grappig, zoo'n klein wijs nest.
Wies genoot.
Met verrukking zag ze de rivier, glinsterend in de zomerzon, als bestrooid met schitterende diamanten.
Ze werd er stil van.
Ze vergat geheel, dat ze wat had opgezien tegen de ontmoeting met Grootvader, en ging op in het aanschouwen van wat de rivier haar bood. Er waren verscheidene stoombootjes op, één groote zelfs en eenige zeilschepen schoten vooruit, hunne zeilen als vleugels uitgespreid. Kijk dat kleine bootje daar in de verte, was het niet net een groote witte zwaan, met bol opstaande vlerken? Daar hadt je Woudrichem.
"Schilderachtig plaatsje toch," merkte ze hardop aan.
"Een broeinest van besmettelijke ziekten," antwoordde Moeder prozaïsch.
Henk lachte.
"Dat kan Wies niet schelen, als het er maar schilderachtig uitziet," zei hij.
"Maar als ze er zelf een ziekte opdeed, zou ze het mooie er gauw genoeg van vergeten," beweerde Marietje.
Wies zuchtte.
De anderen dachten ook altijd aan de keerzijde van de medaille, wat had dat hier nu mee te maken, of het er gezond was, mooi was het toch.
"Kijk, Loevenstein," wilde ze zeggen, maar ze hield de woorden in.
Voor haar had dat slot iets geheimzinnigs; van alles wat daar binnen was voorgevallen, was toch iets blijven hangen tusschen deze muren, zoo dik, als ze er nog nooit gezien had. De anderen beweerden, dat er niets meer aan was, het was ook waar, de kamers waren alle kaal, ongemeubeld, alleen in het kerkje stonden nog de banken en was de oude, veel gebruikte bijbel te zien, maar die holle vertrekken waren voor haar bevolkt, ze hadden een deel der geschiedenis mee gemaakt, ze waren getuigen geweest van wanhoop en tranen, maar ook van groote plannen, van hoop en gespannen verwachting.
"Loevenstein, Wiesje," plaagde Henk, toen ze zweeg, "krijgen we nu geen geestdriftig verhaal van de interessantheid van dit geschiedkundig slot, dat daar zoo poëtisch...."
"Schei toch uit," zei Wies knorrig en verzonk weer in gedachte.
Straks kwamen ze aan den molen, die zoo gevaarlijk vlak aan een bocht van den dijk lag en waarbij eens een ongeluk gebeurd was door het schrikken van de paarden.
"Heb je het fluitje wel, Piet?" vroeg ze, "om den molenaar te waarschuwen."
"En of ik," en Piet haalde een, aan een koord zittend, fluitje uit zijn jasje.
"Een fluitje," riep Jan verheugd en Stan herhaalde: "Een fluitje."
"Mag ik ook eens," smeekte Jantje, zijn handje uitstekend.
"Ikke ook," vroeg Stan.
"Nou even dan, maar niet te hard, dan schrikken de peerden."
Natuurlijk blies Jan zoo schel mogelijk en daar de paarden even te hard aanzetten, werd het hem gauw afgepakt.
"Nou ikke," vroeg Stan.
"De peerden schrikken er van, jong."
"Ik zal 't heel zachtjes doen."
"Nou, vooruit dan," en Stan blies even nauw hoorbaar op het fluitje en gaf het toen tevreden aan Piet terug.
Daar was de molen, nu naderden ze het huis, waar ze wezen moesten, nog een klein poosje en de kinderen begonnen te juichen en te dansen, zoodat het niet veel scheelde, of ze waren uit het rijtuig gerold.
Ze hadden hunne grootouders in het oog gekregen, die voor het huis naar hen stonden uit te kijken.
Dat was me een vreugde, Grootvader tilde de kleine jongens juichend in de hoogte en hield ze toen hun grootmoeder voor om hen te kussen. Deze betastte de krullekopjes en kuste hartelijk de haar toegestoken gezichtjes.
Toen volgden nieuwe begroetingen, tante Marie kwam ook aangeloopen en voerde allen naar de serre, waar de thee nog op hen stond te wachten.
"We eten een kwartiertje later vanmiddag," zei tante Marie, "Moeder dacht, dat jullie na de reis graag eerst een kopje thee zouden willen hebben."
Ze zaten nu allen gezellig bij elkaar. Wies naast Grootvader, die heel vriendelijk tegen haar geweest was en niets gezegd had van haar niet overgaan.
Jantje liep rond, die had lang genoeg naar zijn zin gezeten, hij onderzocht, waar hij zich eens mee zou kunnen amuseeren, maar Stan was stil bij Omoesje op schoot gekropen en keek wat schuw, maar zeer belangstellend naar hare gesloten oogleden.
"Slaapt Omoesje?" vroeg hij, met zijn handje over haar wang streelend.
Een weemoedige glimlach gleed over het gezicht der oude dame.
"Neen, lieveling, ik ben klaar wakker."
"Waarom houdt Omoesje haar oogjes dan dicht?"
"Omdat ze toch niet zien kan."
Een oogenblik zat het kind in gedachte.
Hij kneep zijn oogjes stijf dicht en spalkte ze daarna wijd open. Een vroolijk lachje verscheen op zijn gezichtje.
"Als Omoesje haar oogjes maar open doet, dan kan ze wel zien. Stanneman kan ook niet met dichte oogjes zien."
Zijn grootmoeder kuste hem en trachtte hem af te leiden met een koekje en een kopje melk, waarin een onmerkbaar scheutje thee, maar het kind bleef afgetrokken.
Na een poosje vroeg het:
"Wil Omoesje liever niet zien?"
Zijn moeder, die dacht, dat al dat gevraag de blinde zou hinderen wilde hem bij zich nemen, maar haar schoonmoeder drukte het ventje vaster tegen zich aan en wilde het niet afgeven.
"Laat hem bij mij," zei ze, "hij is zoo lief."
Zich toen tot het kind wendend:
"Omoesje wil wel zien, lieveling, maar ze kan niet. Haar oogen zijn ziek geweest en nu kan ze er niet meer mee zien."
"Heelemaal niks?" vroeg nu Jantje, die, aangetrokken door het in zijne oogen belangwekkend gesprek, zich ook tegen zijn grootmoeder aandrong.
"Neen, niets, mijn jongen."
"Mij ook niet?"
"Kom hier, Jan," riep zijn moeder, "kijk eens gauw, wat een aardig hondje daar loopt."
Jan keek even in de richting, die zijn moeder hem wees en drong aan:
"Mij ook niet?"
"Neen ventje."
"En Stan niet, en Moes niet en Ota?"
"Neen, niemand."
Jantje werd er stil van, zijn bewegelijk lichaampje scheen voor ééns eenige oogenblikken rust te hebben gevonden.
"Vindt u het naar?" vroeg hij heel zacht.
Zijn grootmoeder trok hem naar zich toe.
"Neen, niet erg, denk daar nu maar niet meer aan. Ik zie een boel mooie dingen niet, maar ook geen leelijke, dat is wel prettig, begrijp je?"
Jantje gaf niet dadelijk antwoord, hij was in gedachte.
Toen uitte hij het resultaat van dat nadenken.
"Als ik dus uit den suikerpot snoep, dan kunt u dat niet zien?"
"Schaam je," riep Wies, en Henk zei: "wat een aap."
Moeder keek bepaald boos en Marietje verontwaardigd, maar Grootvader glimlachte en tante Marie antwoordde in plaats van haar moeder:
"Maar Grootmoeder zou het wel hooren, probeer het dus maar niet, hoor."
Jantje keek heel onschuldig.
"Ik vroeg het zoo maar eens," zei hij.
Daarna was het tijd om aan tafel te gaan en na het eten werden de kleintjes naar bed gebracht, en ging Marietje haar moeder helpen met uitpakken, terwijl Henk met Grootvader nog een loopje ging doen.
"Zal ik ook helpen?" vroeg Wies.
Maar haar moeder zei, dat ze liever beneden moest blijven, ze liepen anders elkaar maar in den weg.
Nu, Wies deed niets liever, tante Marie had ook nog wat te doen, zoodat ze een poosje alleen met haar grootmoeder kon zijn, wat ze heerlijk vond.
Deze stak haar arm door dien van haar kleindochtertje.
"Breng me nog een oogenblikje in den tuin," zei ze, "ik wil graag een kwartiertje rond loopen."
Zwijgend voldeed Wies aan dit verzoek en langzaam liepen ze samen langs de paden.
Hoe heerlijk was het hier, hoe rustig, hoe prachtig lag de tuin daar, bestraald door het geheimzinnige licht der avondzon.
Toch kon Wies er niet van genieten, zooals andere jaren, ze had iets onrustigs, ze wilde eigenlijk, dat Grootvader maar iets gezegd had van haar blijven zitten, dan had ze geweten, hoe hij het opvatte; nu liep ze met het gevoel rond, dat het nog komen moest, dat er iets tusschen hen was, dat eerst tot klaarheid moest zijn gekomen, voor ze geheel zichzelve kon zijn.
Zou ze er Grootmoedertje naar vragen? Ze durfde haast niet, ze was zoo bang, ook haar verdriet te hebben aangedaan, ze schrok er van terug, uit dien vriendelijken mond woorden van verwijt te moeten hooren.
"Wat ben je stil, Wiesje," zei Grootmoeder eensklaps, "je bent toch wel goed?"
Wies trok het bezorgde gezichtje, dat zich naar haar toewendde, alsof het aan haar wilde zien, hoe het er mee stond, naar zich toe en kuste het met vochtige oogen. Grootmoeder voelde met haar hand over haar kleindochters wangen.
"Tranen?" vroeg ze.
Wies veegde ze haastig af.
"Neen heusch niet, er is niets, ik ben heel wel. Alleen een beetje zenuwachtig," voegde ze er aarzelend bij.
Grootmoeder had haar begrepen.
"Grootvader zal nog wel eens met je spreken," zei ze, "en dan beloof je vast, beter op te passen, nietwaar?"
Wies knikte onwillekeurig van ja, er niet aan denkend, dat haar grootmoeder haar niet zien kon.
"Niet waar, kind?" herhaalde deze, "je zult het morgen aan Grootvader beloven?"
Wies kreeg een kleur.
Grootmoeder dacht zeker, dat ze nog weerspannig was ook, omdat ze niet antwoordde.
"Ja zeker, Grootmoesje, zeker," haastte ze zich te zeggen, "u begrijpt toch wel, dat ik het niet expres gedaan heb, ik kon het eigenlijk niet helpen."
Haar grootmoeder glimlachte.
"Dat is iets, waar wij het nog wel eens samen over zullen hebben," zei ze, de hand van Wies drukkend.
"Is Grootvader erg boos op me?" vroeg deze benauwd.
"Erg boos niet, maar je bent ons wel tegengevallen."
"Ons zegt u, U ook?".
De vraag kwam er op angstigen toon uit en haar grootmoeder aarzelde.
"Wel een beetje," zei ze toen zacht.
Wies keek bedroefd naar het lieve gezicht met de gesloten oogen.
"Dat is haast nog het ergste. Maar, lieveling, ik kon het heusch niet heelemaal helpen."
Haar grootmoeder schudde het hoofd.
"Niet heelemaal misschien, je moet er me een anderen dag maar eens alles van vertellen, dan bespreken we dat eens samen. Willen we nu naar binnen gaan, de thee zal wel klaar zijn."
"Daar is Grootvader ook," zei Wies en keek een beetje schuw naar den krachtigen, ouden man, die daar naast zijn kleinzoon kwam aanstappen.
In de serre stond de thee klaar, een gezellig lichtje onder den trekpot. Tante Marie schonk dadelijk in en Moeder zat met een tevreden gezicht uit te rusten van de vermoeienissen van den dag. Grootmoeder ging op haar vaste plaatsje naast haar zitten en Marietje zat zoowaar te haken, maar Wies wierp zich met een zucht van tevredenheid in een gemakkelijken stoel.
De laatste stralen der dalende zon vielen in de wat lager gelegen tuin, een heerlijke geur van rozen steeg op, in de verte hoorde men de geluiden op de rivier, een enkele stoomboot, die het water nog deed opbruischen, anders niets.
Wies vouwde hare handen in zalig nietsdoen en genoot.
Ze wilde nu genieten, aan niets anders denken, vergeten, wat ze pas beleefd had en wat haar nog te wachten stond, opgaan in de heerlijkheid van het oogenblik.
Straks werd het nog verrukkelijker, dan kwam de maan op en misschien zou ze den nachtegaal weer hooren slaan, die verleden jaar in den tuin zijn nestje had. Ze was geheel weg, hoorde niet het gezellige gepraat om haar heen, hoorde zelfs niet, dat Tante haar vroeg, of ze nog een kopje thee wilde.
"Ze is weer bij haar feeën op bezoek," spotte Henk.
"Dat is nog zoo'n kwaad gezelschap niet," vond Grootmoeder.
TIENDE HOOFDSTUK.
ZOO'N ZWAK WILLETJE!
Den volgenden morgen, na afloop van het ontbijt, vroeg Grootvader aan Wies, eens even met hem naar zijn kamer te gaan.
"Daar zal je 't hebben," dacht ze en met kloppend hart volgde ze hem naar zijn studeerkamer, waar hij haar verzocht tegenover hem te gaan zitten.
"Je begrijpt zeker wel," zei hij, "waarover ik het eens met je wilde hebben. Het viel me erg tegen, dat je moeder me schreef, dat je niet was overgegaan. Vertel me eens, hoe dat gekomen is."
Wies keek strak voor zich, ze werd verlegen onder den vragenden blik van haar grootvader.
Ze had haar gewoon excuus van het niet te kunnen helpen, op hare lippen, maar vreemd, ze durfde daar hier niet mee aankomen.
"Nu, Wies," drong haar grootvader aan.
"Ik weet het niet," stotterde ze.
"Weet je dat niet, dat is een gemakkelijk antwoord, maar daar ben ik niet tevreden mee. Kijk eens kind," vervolgde hij, wat dichter bij haar schuivend en haar met zijn potlood op den arm tikkend, "de zaak is zoo. Je moeder beweert, dat je het onderwijs niet volgen kunt, want dat ze je genoeg gewaarschuwd heeft, en zelfs gestraft, dat je herhaaldelijk beloofd hebt, beter op te passen, maar die belofte niet gehouden hebt. Nu zegt ze, dat ze niet gelooven kan, dat het louter, nu ze noemt het ondeugendheid, onwil van je is en dus komt ze tot de conclusie, dat je niet goed kunt, wat je trouwens zelf beweert, volgens haar. Is dat zoo? Voel je 't op school niet te kunnen volgen, al span je je in?"
Wies schoof onrustig op haar stoel heen en weer.
"Ik weet het niet," fluisterde ze alweer.
Grootvader maakte een gebaar van ongeduld.
"Nu niet altijd datzelfde antwoord. Zeg me nu eens ronduit, kun je beter werken of niet, ja of neen."
Wies zweeg een oogenblik.
Toen mompelde ze:
"Ja, geloof ik."
"Dus ja. Waarom heb je dan van 't jaar zoo slecht opgepast?"
Wies speelde zenuwachtig met haar zakdoek.
"Ik dwaal zoo gauw af."
"Dat weet ik en ik weet tevens, dat het een lastige eigenschap is, maar een, die men overwinnen kan. Dat begrijp je zeker zelf ook, niet waar?"
Wies ging wat rechter zitten en keek haar grootvader aan.
"Neen, Grootvader," zei ze beslist, "ik geloof niet, dat ik daar iets aan doen kan, het gaat altijd vanzelf."
Grootvader streek met zijn hand over zijn mond om den glimlach te verbergen, door haar woorden te voorschijn geroepen. Ze was blijkbaar volkomen ernstig.
Daarna zei hij verwijtend:
"Wat ben je nog kinderachtig, heb je het spreekwoord wel eens gehoord, "willen is kunnen?"
Wies haalde hare schouders op.
"Dat kunnen ze gemakkelijk zeggen, maar wat kun je er aan doen, als je aan wat anders denken moet. Ik neem me dikwijls genoeg voor, om op te letten, maar ineens merk ik dan, dat ik met iets heel anders bezig ben."
"Waarmee alzoo?"
Wies kleurde hevig.
Voor niets ter wereld zou ze aan een man als Grootvader vertellen, dat ze soms sprookjes verzon en versjes maakte.
"Aan van alles," zei ze nauw hoorbaar.
"In ieder geval aan dingen, waaraan je op dat oogenblik niet denken mag. Je hebt blijkbaar een heel zwak willetje en dat moet dan maar gesterkt worden door prikkels van buiten af. Je moet leeren, men komt er niet met droomen en suffen, maar met flink werken en zijn best doen. Ik ben niet voor dat plan van je moeder, om je van school af te nemen."
"Gelukkig."
"Neen, daar ben ik niet voor. Je moet eerst als ieder meisje in de gelegenheid zijn, te leeren en je te ontwikkelen, daarna kan je moeder je thuis nemen, als je wilt, om een flinke huishoudster van je te maken."
"Ik een flinke huishoudster!"
"Ook al niet? Wat moet je dan worden, een onmogelijk wezen, dat nergens nut voor is?"
Grootvader sprak wat driftig en Wies durfde niet te zeggen, dat ze zoo graag in de letteren zou gaan studeeren en dan later probeeren te schrijven.
Ze zweeg dus maar.
"Je slechtste vak is wiskunde, nietwaar?"
"Ja, vooral vraagstukken, die vind ik gewoon nooit."
"Neen, natuurlijk niet, daar moet je je hersens voor bij elkaar hebben. Nu zal ik je eens wat zeggen. Je maakt iederen dag vijf vraagstukken voor me, zoolang je hier bent. Ik zal je gemakkelijk werk geven, je desnoods nu en dan iets uitleggen, maar je zoekt de oplossing zelf."
Wies' oogen vulden zich met tranen. Zoodoende werd haar heele vacantie bedorven.
"Maar Grootvader," protesteerde ze.
"Zoo gebeurt het," zei haar grootvader streng.
Toen voegde hij er op opgewekten toon bij:
"Je zult eens zien, wat een plezier je er in krijgen zult, als je, na wat moeite, de oplossing vindt. Niets is zoo goed om de aandacht te leeren concentreeren, dan het oplossen van vraagstukken, dat is echte hersengymnastiek. En niets zoo prettig, dan na moeite en inspanning beloond te worden door goede resultaten," voegde hij er vroolijk bij.
Wies zuchtte.
"Dan kan ik wel den heelen dag aan die vraagstukken zitten," zei ze, "want ik kan ze toch niet vinden."
"Kom, kom, dat zal zoo'n vaart niet nemen, ik zal je wel eens op weg helpen. Om te beginnen zal ik je zulke gemakkelijke sommetjes geven, dat je ze in een half uurtje af hebt. Kijk eens hier, dit is een boekje, dat ze in de eerste klasse gebruiken, terwijl jij al in de tweede een jaar hebt doorgebracht. Die zul je wel kunnen, de eenige eisch is, dat je ze aandachtig naleest en even met je zelf uitmaakt, hoe je ze op zult schrijven. Voor vandaag dus de eerste vijf. Ik zou maar dadelijk beginnen, hier is papier, zoo ben je er het vlugst af."
Met deze woorden verliet Grootvader de kamer en Wies bleef achter met het boekje in haar hand en een gemengd gevoel van verluchting, dat dit gesprek achter den rug was en van landerigheid over het bederven van haar vacantie, zooals ze het noemde. Die afschuwelijke sommen, ze kon ze immers nooit vinden en nu zou ze er alle dagen aan moeten gaan blokken.
Ze zette beide ellebogen op de vensterbank, waar ze voor zat en begon nijdig tegen het houtwerk te schoppen.
Daar zat ze nu, buiten was het prachtig weer, heerlijke lokkende zonneschijn, weer om zalig niets te doen en te genieten en zij moest die lamme sommen maken. En dat iederen dag, iederen dag van heel de lange vacantie.
Dat ze die vervelende dingen toch niet kon vinden, begreep Grootvader niet, die dacht maar, dat ze niet wilde en zou in staat zijn, haar den heelen dag er over te laten tobben.
Grootvader had mooi praten, dat het zoo prettig was, om de oplossingen te vinden, dat wilde ze graag gelooven, maar dan moest je dat toch eerst kunnen.
Onwillig las ze het eerste vraagstuk door.
Nu gemakkelijk was het wel, daar had Grootvader gelijk aan, ze geloofde wel, dat ze het zou kunnen uitrekenen. Als ze allemaal zoo waren, zou het misschien wel gaan en wat getroost ging ze aan de schrijftafel zitten en begon te werken.
En werkelijk, het ging.
Het eerste vraagstuk was al spoedig opgelost en netjes overgeschreven. Met een zucht van voldoening keek Wies er naar. Dat was er tenminste één.
Wat een heerlijke lucht kwam er door het geopende venster.
Kijk wat een leuk zonnestraaltje net op het papier.
En wat een mooie bonte vlek op het behang, door welk kristal zou die straal vallen?
Ze rekte zich eens uit.
Zonde toch om hier in de kamer te blijven zitten.
Waarom zou ze eigenlijk niet in den tuin gaan. Grootvader had niet gezegd, dat ze hier moest blijven, weet je wat, ze zou het heele boeltje bij elkaar nemen, den inktkoker ook mee pakken en dan op die leuke bank gaan zitten achter in den tuin, onder den lindeboom. Daar stond een stevig tafeltje voor, daaraan kon ze best werken.
Zoo gezegd, zoo gedaan.
Vijf minuten later was ze druk bezig aan haar tweede vraagstuk, nu zat ze tenminste buiten, dat was op zichzelf al een genot.
Het tweede vraagstukje lukte ook en Wies begon zich behagelijk te voelen. Wat rolde daar op haar schrift?
"O, een rups, zoo'n ruwe, groene, met een staart."
Wat een leuk beest.
Het viel uit de linde boven haar hoofd, dat was zeker die rups, waar Grootvader verleden jaar van vertelde, dat zij zoo'n schade deed aan de lindeboomen, lindenpijlstaart noemde hij haar, meende ze.
"Welzoo, jongejuffer, ben jij zoo'n vraatzuchtig beest, daarom ben je zeker zoo dik," zei Wies, de rups op haar hand zettend, om haar eens goed te bekijken. Aardig toch, als je bedacht, dat zoo'n groene, kruipende rups later een vlinder moest worden, een witachtige vlinder met donkere vlekjes.
Als ze een vlinder zag, moest ze altijd denken, dat het eigenlijk geen beestje was, maar een heel klein elfje, met dat fijne lijfje en die groote teere vleugels.
Wat een benijdenswaardig schepsel, zoo'n vlinder, altijd in de zon te kunnen fladderen en spelen, mooi en zorgeloos.
Ze keek weer naar de rups, die al een eindje weggekropen was.
"Nu moet ik je, volgens den tuinman, doodmaken, maar ik doe het niet. Eet jij je buikje maar vol, er zijn lindeblaren genoeg," en ze nam het rupsje op en zette het op een der lagere takken van den boom.
Kom ze moest werken.
De derde som begreep ze niet dadelijk, ze was er ook zoo uit, ze kon hare gedachten bijna niet bij dat vraagstukje bepalen.
Wat scheen de zon mooi door het bladerdak boven haar hoofd, hoe leuk al die lichtkringetjes op haar papier.
Eensklaps hief ze het hoofd op. Wat was dat voor een vogel, die daar zoo aardig zong?
Een vink? Neen, nu klonk het het weer heel anders. Het geluid kwam uit dien sering, ze moest even kijken, welke vogel dat zijn kon.
Voorzichtig stond ze op en liep zacht naar den seringeboom, waaruit het geluid haar tegenklonk. Nu leek het, of er al weer een andere vogel zong.
Zoo voorzichtig mogelijk boog ze een paar takken op zij en daar, dicht bij den top, zag ze een geel buikje schitteren tusschen de groene bladeren.
Wat een snoezig vogeltje.
Maar ze zag er maar een en ze had toch duidelijk verschillende vogels hooren zingen.
Daar klonk weer een andere slag en toch zat dat vogeltje daar alleen.
"De spotvogel," schoot het eensklaps door haar brein, "die is het. Grootmoeder heeft verteld, dat die alle vogels na kan doen, wat een eenig beestje! Hij houdt je dus gewoon voor den gek."
Zacht, als ze gekomen was, ging Wies weer van den sering weg en nam haar potlood op.
Ze moest nu werken, hoe laat zou het wel zijn?
Daar begon die vogel weer te zingen, ze moest er naar luisteren, het klonk zoo aardig.
Toen gleed haar potlood over het papier, ze scheen eensklaps ijverig geworden te zijn, maar toen ze ophield, stond daar geen oplossing van het vraagstuk, waarin ze bezig was, maar een gedichtje, dat ze lachend overlas.
Spotvogel, spotvogel, oolijke guit, Spotvogel, spotvogel, lach je me uit? Jij kunt wel vroolijk en blij kwinkeleeren, Jij hoeft geen sommen te repeteeren. Spotvogel, spotvogel, 't staat je niet mooi, Als men jou eens sloot in een kooi, Dan zou je 't spotten wel verleeren, En hartelijk je vrijheid begeeren. Aardig geelbuikje, wees maar niet bang, Ga gerust door met je lustig gezang, Houd ze maar allemaal voor den mal, Niemand, die dat deren zal. Spot er maar lustig op los, kleine vent, Mij hindert het niet, ik ben dat gewend. Moet ik niet dragen gespot en geplaag, Omdat ik 't nu en dan eens waag, Aan iets anders te denken, dan aan aardsche zaken, Aan elfen, kabouters en zulke snaken, Aan nimfen, aan rupsen en kapellen Aan 't water juffertje, de sierlijke libelle, Aan.....
Ja, aan wat nog meer. De inspiratie scheen haar plotseling verlaten te hebben en voor zich uitturend, zat ze op haar potlood te knabbelen en te denken, hoe ze een eind aan dit versje zou maken.
Lottie zou het wel leuk vinden, maar ze moest het afmaken, zoo was het niets.
Eensklaps schrok ze op.
Wat hoorde ze daar?
Dat was de gong, die allen samenriep voor de koffietafel.
Verschrikt keek ze naar haar werk, twee sommen had ze af en ze moest er vijf maken.
Ze dorst haast niet naar binnen gaan. Grootvader had gezegd, dat ze zoo gemakkelijk waren en dat was ook zoo, ze had bepaald wel gekund, als ze maar niet zoo afgedwaald was.
"Wies, Wies, waar zit je, heb je de gong niet gehoord?"
"Ja, ik kom," en haastig stak ze het beschreven blad in haar zak, nam boek en overig papier bij elkaar in de eene hand en greep met de andere naar den inktkoker.
"Geef maar hier," zei Marietje, "je laat je pennehouder liggen en je potlood moet dat niet mee? Ben je klaar?"
Wies schudde van neen.