Wies Ongeluk

Part 7

Chapter 74,268 wordsPublic domain

Eerst werden eenige meisjes der eerste klasse binnengeroepen.

"De stumpers," dacht Wies, "dat zijn de gezakten."

Ze kwamen dan ook alle vier met bedrukte gezichten terug, één zelfs bitter schreiend.

Toen mochten de overige gelukkige leerlingen der eerste klasse binnenkomen en niet lang daarna stormde het vroolijke troepje weer naar buiten.

Nu nog de tweede afdeeling der aanvangsklasse en dan kwam de beurt aan haar. Ze zat in de tweede klasse, afdeeling A.

Daar kwam de conciërge met het noodlottige papier in de hand, hij noemde een naam, het duizelde haar, maar toch luisterde ze gespannen.

Het was de hare niet.

Toen nog een naam, weer een andere, ze ademde al vrijer, zou ze...

"Louise Schotter."

Een schok ging haar door 't hoofd, toch... toch...

"Ja," antwoordde ze machinaal en volgde de twee eerst genoemde meisjes naar binnen.

Ze hoorde vaag de leedbetuiging der directrice, dat deze drie meisjes niet konden worden toegelaten tot de derde klasse, ze hoorde maar half de woorden, die de juffrouw daarna tot haar beide lotgenooten richtte, ze was zich alleen bewust, dat alle hoop weg was, dat ze voor een feit stond, dat ze gezakt was.

Nu wendde de juffrouw zich tot haar en ze spande zich in om goed te hooren en naar de woorden te luisteren, die speciaal voor haar bestemd waren.

"Van jou, Louise, spijt 't me bizonder, dat we je moeten laten zitten, want je hadt zoo best meegekund, als je maar gewild hadt. Je kunt heel goed leeren, als je je maar belieft in te spannen. Maar je zit liever te suffen en te droomen, dan te luisteren, naar wat er behandeld wordt. In het begin van dezen cursus dachten we, dat het wel met je gaan zou, maar je vorderingen werden geringer, in plaats van grooter in den loop van het jaar en bij de laatste algemeene repetitie heb je getoond, dat het er maar droevig uitziet met je kennis. Het zal dus in alle opzichten goed voor je zijn, dat je eens een jaar blijft zitten, ik hoop, dat het je leeren zal, dat we er niet komen met slapen en droomen, maar met werken en ons aanpakken, niet met toegeven aan een neiging tot afdwalen, maar met daar tegen te vechten. Doe nu een volgend jaar eens flink je best, je kunt dan gemakkelijk tot de eerste van de klasse behooren, ja misschien wel de eerste zijn, toon, dat je wel flink kunt en wilt zijn."

Wies hoorde dit alles aan als in een droom.

Waarom zei de juffrouw, dat het haar eigen schuld was, dat ze best mee had gekund.

Dat had ze niet, zij was nu eenmaal niet zoo flink en zoo strijdlustig, de natuur had haar anders gemaakt, dat kon zij toch niet helpen. Maar, al wilde ze het zelfs niet aan zichzelve bekennen, in het diepste van haar hart gaf ze de directrice gelijk, als ze heel erg haar best gedaan had, zou ze hier nu niet zoo behoeven te staan.

Ze verliet zwijgend met de meisjes de kamer, de beide anderen liepen te schreien, maar hare oogen bleven droog, ze had iets versufts, ze liep machinaal voort, de gang door, de voorplaats der school over.

Alvorens de poort door te gaan, die haar in de drukke straat zou brengen, stond ze even stil en leunde tegen den muur. Hare beenen waren zoo zwaar en haar hart niet minder.

Nu moest ze naar huis, zoo spoedig mogelijk maar, ze moest het toch doormaken, hoe eerder het achter den rug was, hoe beter.

Toch ging ze niet weg, ze bleef daar staan leunen tegen dien muur en staarde voor zich uit.

Daar kwamen de andere meisjes aan, nu moest ze maken, dat ze weg kwam, beklaagd wilde ze niet worden, dat vooral niet en vlug liep ze de poort door en de straat op naar huis, waar Moeder zeker al naar haar uitkeek. Hé, wat was dat?

Een hand werd op haar arm gelegd en Lottie's stem zei vlak bij haar:

"Och Wies, wees maar niet meer boos."

Ze stond onwillekeurig stil en keek naar het kleine meisje, dat haar zoo smeekend met hare vochtige oogen aankeek.

"Ik ben niet meer boos," mompelde ze.

"Niet? O, gelukkig," en Lot geneerde zich niet, haar midden op straat een zoen te geven, die klapte.

Wies kuste haar terug en legde toen haar arm in dien van Lottie. Beiden liepen zwijgend eenige passen voort.

Toen begon Lottie:

"O, Wies, als je eens wist, hoe het mij spijt, was toch bij me gekomen, als je hulp noodig hadt."

"Dat kon ik immers niet."

"Waarom niet, had het toch maar gedaan."

Toen Wies' arm tegen zich aandrukkend:

"Als je wist, wat ik een spijt heb, niet gekomen te zijn, om je mijn hulp aan te bieden."

"Had je het maar gedaan," zuchtte Wies.

"Denk je, dat je dan overgegaan zoudt zijn?" klonk het benauwd.

"Misschien wel."

Lot kon zich niet langer goed houden, ze begon gewoon te schreien.

"Ik zal met je mee naar huis gaan en zeggen, dat het mijn schuld is," zei ze.

"Ssst, huil nu niet, de menschen kijken naar je."

Lottie veegde heimelijk hare oogen af en trachtte zich in te houden.

"Maar ik ga met je mee."

"Dat zou nergens toe dienen, de zaak blijft hetzelfde. Weet je wat Moeder zeggen zou? Als ik er op die manier komen moet, is het beter, dat ik zitten blijf en ze zou gelijk hebben. Maar ellendig is het."

Lottie zweeg bedrukt.

Wies zag het goed in, er was niets meer aan te doen.

"Wij hebben elkaar ten minste weer," zei ze na een poosje op hartelijken toon.

"Zoolang als 't duurt," antwoordde Wies.

"Zoolang als 't duurt? Wat meen je? Je bent toch niet meer boos? Laten we er nu niet meer aan denken."

"Zoo meen ik het niet, ik ben veel te blij, dat je naar me toegekomen bent. Maar, zie je, jij gaat nu naar de derde klasse en ik blijf achter met die kleine kinderen van de eerste. Je sluit je bij een ander aan, dat spreekt van zelf en ik heb afgedaan."

Lottie keek haar van terzijde aan.

"Zou jij zoo doen?" vroeg ze eenvoudig.

"Ik? Natuurlijk niet."

"Denk het dan ook niet van mij."

Wies voelde, dat ze een kleur kreeg. Wat was ze toch een akelig kind, Lot van dingen te verdenken, die ze zelf niet doen zou, omdat ze het leelijk vond, zoo te handelen.

Ze drukte Lot's arm tegen zich aan en zei:

"Je bent veel te goed voor me."

Nu begon Lottie te lachen en even lachte Wies mee, heel even maar, toen verstijfden hare lippen weer en versomberden hare oogen.

Ze waren nu het huis van Lottie genaderd en Wies liet haar arm los.

"Nu, adieu dan. Heerlijk, om met zulk goed nieuws naar huis te gaan. Ik feliciteer je wel, dat heb ik nog vergeten. Adio."

Met een schijnbaar luchthartig handgebaar nam Wies afscheid en liep door, zonder verder om te kijken.

Lottie keek haar na en toen de deur geopend was, liep ze hard naar binnen en begon, bij haar moeder gekomen, bitter te schreien.

"Maar Lot, wat is er? Ben je niet over?" vroeg deze verschrikt.

"Jawel," snikte Lottie, "maar die arme Wies."

Nu kreeg haar moeder het heele verhaal te hooren, van de breuk tusschen haar en Wies en hoe ze nu weer goed waren en dat die arme Wies niet over was en zoo'n verdriet had.

Lottie's moeder deed haar best, haar dochtertje te troosten. Ze behoefde er zich niets van aan te trekken, het was Wies' eigen schuld en eerlijk gezegd, kon ze niet eens medelijden met haar hebben, ze kreeg, wat ze verdiend had.

Lottie vond haar moeder hard, hoe gek toch, dat niemand begreep, dat Wies nu eenmaal anders aangelegd was, dan andere meisjes. Die volwassen menschen zeiden allemaal maar, dat het haar eigen schuld was en dat ze maar beter op moest passen. Maar zij had medelijden met haar en zou haar een volgend jaar toch helpen, als 't noodig mocht zijn, dat nam ze zich stellig voor. En nooit mochten ze weer boos op elkaar worden, nooit.

Intusschen was Wies haar huis genaderd en even bleef ze staan, diep ademhalend.

Ze zag zoo tegen die thuiskomst op, kom, ze moest door den zuren appel heenbijten, ze kon hier toch niet op straat blijven staan. Ze vermande zich dus, trok aan de bel en schrok even van den klank. Ze behoefde niet lang te wachten, Moeder deed zelf open, ze had al op haar gewacht.

Ze keek haar dochtertje gespannen aan en vroeg, hoewel ze op het sombere gezichtje het antwoord al gelezen had:

"Wel?"

"Blijven zitten," was het nauw hoorbare antwoord.

Haar moeder zei niets en ging naar de huiskamer. Wies volgde haar werktuigelijk.

Mevrouw Schotter ging kalm zitten en nam het kieltje weer ter hand, waaraan ze bezig geweest was, toen Wies gebeld had.

Wies wist niet goed, wat met haar figuur te doen, ze stond daar en speelde met een slip van haar das, die ze in en uit rolde.

Waarom zei Moeder niets?

Wat moest ze nu doen?

Kon ze heengaan, de kamer uit?

Ze had een heel andere ontvangst verwacht, ze had zich al van te voren gehard tegen den storm van verwijten, die ze zeker krijgen zou, maar dat zwijgen was nog erger, ze stond daar zoo dwaas en toch durfde ze niet gaan, het was haar, alsof ze aan den grond vastgegroeid was.

En Moeder naaide maar door.

"Mag ik gaan?" vroeg ze eindelijk zacht.

Nu keek Moeder haar aan en, zag ze dat goed, waren hare oogen vochtig?

Wies liep naar haar toe.

"Moesje," zei ze smeekend.

Haar moeder maakte een gebaar, van niet nader te komen.

"Het doet me zoo'n verdriet voor Vader," zei ze.

Nu was de spanning verbroken, Wies snikte het uit.

Ze zocht naar haar zakdoek, kon hem niet vinden, zeker verloren, en veegde toen haar gezicht met hare handschoenen af.

Haar moeder had zich hersteld. Hare oogen waren nu niet meer vochtig, maar ze hadden een harde uitdrukking en haar stem klonk scherp, toen ze zei:

"Stel je niet zoo aan, dat is weer eens het berouw, dat te laat komt. Je bent genoeg gewaarschuwd, maar je hebt niet willen luisteren. Ga je goed afdoen en je gezicht wasschen en gebruik je handschoenen niet voor zakdoek. Als je daarna je fatsoenlijk kunt houden, zal ik nader met je spreken."

Wies keerde zich om, ze was blij, heen te kunnen gaan, alleen te kunnen zijn, al was het dan ook maar voor eenige oogenblikken, maar voor ze de kamer verlaten had, kwamen Henk en Marietje binnen en onwillekeurig bleef ze staan, die moesten het ook maar ineens weten, dan was het achter den rug.

Marietje keek haar nieuwsgierig aan en zei:

"'t Is mis, dat zie ik al."

Henk's jongensgezicht stond medelijdend, hij knikte Wies eens gemoedelijk toe en klopte haar troostend op den schouder.

Toen zich omkeerend, mompelde hij tusschen zijne tanden:

"De ziel."

Wies ging naar haar kamertje, deed haar goed af en bleef daarna staan voor het portret van haar vader. Ze had hem zóó beloofd, goed op te passen.

Een nieuwe huilbui overviel haar, maar na een poosje bedaarde ze en begon haar gezicht te betten. Het koude water deed haar goed en na zich het haar wat opgekamd te hebben, besloot ze naar beneden te gaan en te dragen, wat komen zou.

Ze trad aarzelend binnen en ging uit het raam staan kijken, om zich een houding te geven. Henk en Marietje waren nog in de kamer, maar Moeder verzocht hen, weg te gaan, ze wilde Louise alleen spreken.

Wies' hart bonsde in haar keel, nu zou je het hebben.

Haar moeder legde haar naaiwerk neer en beval Louise tegenover haar te gaan zitten.

"Ben je nu bedaard en kun je naar me luisteren?" vroeg ze.

Wies knikte van ja.

Wat zou Moeder te zeggen hebben, zou ze gewoon een standje krijgen, of wat anders moeten hooren?

"Hoor eens, Louise," begon Moeder, "ik was al bang, dat het mis met je gaan zou op school en dus heb ik al vooruit over de zaak nagedacht. Je schijnt niet te kunnen leeren, wat er op die school onderwezen wordt, je bent blijkbaar niet geschikt voor dat onderwijs en dus zal ik Vader voorstellen, je maar van school te nemen."

"Me van school nemen?" vroeg Wies verschrikt.

"Ja, als ik Vaders toestemming kan krijgen, zend ik je naar een huishoudschool, misschien dat je daar beter geschikt voor zult zijn. In ieder geval zul je daar leeren, je handen te gebruiken, je hoofd schijnt niet voor studie geschapen te zijn."

Wies was een oogenblik stom van schrik.

"Maar Moeder," barstte ze toen los, "ik heb een hekel aan alles wat met huiswerk in verband staat."

"Des te noodzakelijker is het, dat je er wat van leert, een meisje is nu eenmaal bestemd, om huishoudelijk werk te doen. Je weet, hoe ik daar over denk, alleen bij grooten aanleg zou ik mijn toestemming kunnen geven tot een of andere studie. Een allesbehalve knap meisje, zooals jij, doet veel beter, haar handen te leeren gebruiken, zoodoende kan ze nog een nuttig lid van de maatschappij worden."

"Maar ik ben niet dom!"

"Niet? Je hebt er toch vandaag het bewijs van gegeven.

Je zegt altijd, dat je het niet helpen kunt, dat je slechte cijfers krijgt, dat je afdwaalt, nu ja, maar als je een flink hoofd had, en de studie je interesseerde, dan zou je er wel bij kunnen blijven. Je hebt blijkbaar zwakke hersens en dus moet het maar uit zijn met dat leeren."

Wies stond verslagen.

Het was waar, ze zei altijd dat ze het niet helpen kon, als ze hare lessen niet kende, of niet begrepen had, wat de juffrouw op school uitgelegd had, maar had ze dat wel zoo heelemaal gemeend? Was ze vast overtuigd, dat ze niet anders kon? Nu wist ze zelf niet meer, wat waar was en wat niet en met een zucht boog ze het hoofd. Ze kon Moeder niet eens tegenspreken, die had haar gevangen in haar eigen woorden.

Eensklaps ging haar een licht op.

"Vader kan uw brief pas over vier weken hebben, en dan vier weken voor het antwoord, dan zijn alle cursussen al begonnen."

"Ik heb al weken geleden aan Vader geschreven, wat ik zag aankomen en hem gevraagd, indien ik gelijk mocht hebben en je niet overging, te mogen handelen naar goedvinden. Het antwoord kan ik dus binnen een maand hebben."

"Dus weet Vader eigenlijk al, dat ik gezakt ben?"

"Dat niet bepaald, alleen, dat ik er bang voor was. Het feit moet je hem zelf schrijven."

"Och neen, Moeder!"

"Jawel, zelfs vanavond nog, morgen gaat er een mail."

"Kunt u het niet doen?"

"Kunnen wel, maar ik vind beter, dat jij het doet."

"Ik vind het zoo afschuwelijk."

"Dat is geen reden, waarom je het niet doen zoudt, je hebt wel wat verdiend, dunkt me."

Ineens kon Wies zich niet goed houden, ze moest even lachen, of ze wilde of niet.

"Maar als u vindt, dat ik dom ben en het dus niet helpen kan, dat ik ben blijven zitten, dan heb ik toch geen straf verdiend," zei ze.

Haar moeder keek haar een oogenblik verbaasd aan en zei toen op knorrigen toon, maar licht kleurend:

"Nu geen spitsvondigheden, als 't je blieft. Je schrijft vanavond aan Vader en laat me lezen, wat je geschreven hebt en daarmee uit."

Met die woorden stond ze op en verliet de kamer.

Wies lachte nog even.

"Daar zat Moeder vast," dacht ze en een oogenblik had ze pret, maar dat duurde niet lang.

De woorden van haar moeder hadden diepen indruk op haar gemaakt, van school te moeten, om zich aan huishoudelijke zaken te gaan wijden, het was het ergste, wat ze zich voor kon stellen. Ze zou vanavond aan Vader schrijven, dat ze zoo'n berouw had en best leeren kon. Maar vóór hij op dien brief zou hebben geantwoord, zou er al een besluit genomen zijn. Als hij op Moeders voorstel inging, zou ze al lang op die nare huishoudschool zitten, voor ze antwoord zouden kunnen hebben.

Had ze toch maar niet altijd zoo stellig verklaard, dat ze niet beter kon!

NEGENDE HOOFDSTUK.

NAAR GROOTVADER EN GROOTMOEDER.

"Moes, gaan we nu vandaag naar Ota?" vroeg Jantje voor de zooveelste maal in de laatste dagen.

"En naar Omoesje," voegde Stan er bij.

En vandaag behoefde Moeder niet, zooals de vorige dagen, uit te leggen, hoeveel nachtjes ze nog zouden moeten slapen, voor de gewichtige dag daar was, vandaag kon ze de kinderen verblijden met een volmondig: ja.

Wat waren ze gelukkig, de twee kleine kabouters, ze sprongen wel zes voet hoog.

Eerlijk gezegd, herinnerde Stan zich niet veel van zijn verblijf verleden jaar, hij was toen pas twee jaar, maar Jantje des te meer en door de opgewonden vreugde van zijn broertje aangestoken, verlangde hij al even hard als de anderen naar de logeerpartij bij zijn grootouders.

Alleen Wies, die anders misschien het meest van allen naar de dagen buiten verlangde, zag er nu wel tegen op.

Hoe zou Grootvader zijn? En tante Marie?

Ze schaamde zich een beetje over zich zelve en dat maakte, dat ze tegen de ontmoeting met haar grootvader opzag.

Het vertrek bracht nog heel wat drukte met zich. Op het laatst oogenblik was Stan zoek en werd gevonden met zijne armen om zijn hobbelpaard, vast verklarend niet mee te willen, als Hans niet mee mocht. Alleen de belofte, dat hij bij Ota echte paarden zou hebben, kon hem overhalen, vrijwillig mee te gaan.

Henk was nog even uitgegaan, om wat platen voor zijn kiektoestel te koopen en kwam maar niet terug en Marietje had werk om Jantje te beletten, weg te loopen, toen hij eenmaal aangekleed was. Ze zag zich genoodzaakt, het slot van de buitendeur vast te houden, hij kon er net bij en was er al eens in geslaagd, de deur te openen.

Daar riep Moeder.

"Ja, Moes, heeft u me noodig?"

"Ja gauw, kom even hier, ik moet je wat vragen."

Marietje moest het slot nu wel loslaten, ze probeerde nog, Jantje mee te trekken, maar de kleine baas was sterk genoeg om zich los te worstelen, daar riep Moeder alweer, ze scheen haar bepaald noodig te hebben.

"Ja Moes, ik kom," riep ze terug en trachtte nog Jantje te grijpen, die zich losrukte, naar de voordeur vloog, haar in een wip openhad en de straat op rende...

"Jan is de straat op," riep ze tegen Wies, die kwam kijken, waar ze toch bleef en ging toen naar haar moeder, Wies kon nu verder naar het kind kijken.

Deze liep de straat op en zag den kleinen jongen een heel eind verder stil staan en omkijken, of hij niet gevolgd werd.

Zijn zusje liep hard naar hem toe, maar toen ze hem naderde, rende hij door.

"Wil je wel eens dadelijk terugkomen," riep ze, "stoute jongen," maar Jan trok een neus en draafde verder. Wies kreeg het benauwd, wat moest ze beginnen, het was zóó tijd om te gaan, daar was het rijtuig al, dat hen naar het station zou brengen.

Wat te doen?

Ze kon het kind op die manier niet inhalen.

Daar kwam redding in den vorm van Henk.

Als hij nu Jantje maar zag.

Gelukkig, hij begreep, wat er gaande was en zijn broertje in den weg tredend, ving hij hem op en bracht het trappelende en van pret gierende kind naar het rijtuig, waar hij het maar vast inzette.

Eindelijk zaten allen goed en wel in het rijtuig en konden vertrekken. Alleen wilde Moeder nog even voelen, of het huis wel goed gesloten was, ze vond het nooit prettig, alles zoo alleen achter te moeten laten.

"Zeg, Marietje, het zolderraam is toch wel dicht? Ik heb vergeten aan Betje te vragen, of ze er aan gedacht heeft."

"Het stond nog open, maar ik heb het gesloten," zei Wies.

Haar moeder keek haar zoo verbaasd aan, dat ze een kleur kreeg.

"Jij?"

"Ja, ik," en Wies wendde haar hoofd af, Moeder behoefde niet te zien, hoe het bloed haar naar de wangen steeg, het had er iets van, alsof ze half idioot was, zoo verbaasd keek Moeder, als ze eens aan iets gedacht had.

"Wel, wel," zei Moeder en nam nu eindelijk in het rijtuig plaats.

"Het is meer dan tijd," merkte de koetsier op.

"Als we maar niet te laat komen," zei Wies.

"Dan gaan we een treintje later," beweerde Henk kalm.

"Stel je voor, en Grootvader zou het rijtuig zenden."

"Welnou, dat kan toch wachten."

"Ik hoop maar, dat we op tijd zijn," zei hun moeder zenuwachtig, "het is nog anderhalf uur rijden langs den dijk en we komen nu net tegen etenstijd aan."

"Om half vijf toch, is 't niet?" vroeg Marietje.

"Nu ja, maar een latere trein geeft zooveel vertraging."

Maar gelukkig, ze kwamen op tijd, en het was met een gevoel van verluchting, dat ze het station uitstoomden.

Er waren veel passagiers geweest voor dezen trein en de wagon, waarin ze plaats genomen hadden, was geheel vol. Het eerste kwartiertje waren de twee kleine jongens onder den indruk van de nieuwe omgeving, maar al spoedig begon het den woelwater Jan te vervelen, stil te zitten en wilde hij met alle geweld van de bank. Hij liet zich op den grond glijden en ging nieuwsgierig de tasch van een oude dame betasten, die tegenover hem zat.

"Stil blijven zitten, jongens," zei Moeder, Stan vasthoudend, die het voorbeeld van zijn broertje dadelijk volgen wilde. Henk trok Jantje weer op zijn plaats, maar het ging niet zonder tegenspartelen.

"Ik wou zoo graag weten, wat ze daarin heeft," zei hij, van zich af trappelend, waarbij hij het been van een krantenlezend heer raakte, die dat lichaamsdeel haastig terugtrok, een wat sterke uitdrukking tusschen zijn tanden brommend.

Jan hield ineens op met trappelen.

"O, wat zeg je daar?" vroeg hij, zijne groote oogen op zijn slachtoffer vestigend, "wat leuk woord, zeg het nog eens, als 't je blieft, anders kan ik het niet onthouden."

De heele coupé begon te lachen, zelfs de mishandelde, hoewel zijn lachtje wel wat gedwongen was. Wies trachtte Jantje af te leiden, door hem de koetjes te wijzen in de weide, waar ze langs spoorden.

Maar Jantje gaf het zoo gauw niet op.

Een oogenblikje zat hij stil, als in gedachte, toen liet hij zich onverwachts weer afglijden en zijn handje op den nu weer in zijn lectuur verdiepten heer leggend, vroeg hij vriendelijk, maar dringend:

"Toe, zeg nog eens wat leuks."

Voor hij antwoord kon krijgen, zat hij in 't verst verwijderde hoekje van den waggon naast Moeder, die hem stevig vasthield.

"Dat's flauw," beweerde hij en ziende dat zijn moeder ontevreden haar hoofd schudde, kroop hij op haar schoot en haar ongerust aankijkend, vroeg hij:

"Waarom kijkt u nou zoo zuinig. Vindt u dien meneer niet leuk, bent u boos op hem?"

Lachend, maar wat verlegen keerde zijn moeder hem naar het raampje en maakte hem attent op een varken met jongetjes in de wei.

Dat vond hij aardig.

"Stan, kom ook hier, dat moet je zien, die varkensmama heeft een hoop kindertjes, kom gauw, gauw dan."

Stan gaf dadelijk aan die oproeping gehoor, maar te laat, er was niets meer te zien.

"Hoe flauw, dat we niet wat langzamer rijden," vond Jantje en Stan wilde nu ook bij Moeder op schoot en poogde Jantje van zijn plaats te dringen, wat in een klein vechtpartijtje ontaardde.

Een knorrige oude heer, die dit tooneeltje vlak tegenover zich had, beweerde, dat men met zulke lastige, kleine kinderen niet reizen moest, ze deden de medepassagiers te veel overlast aan.

Wat dat laatste betreft, had hij niet geheel ongelijk, de nu met geweld gescheiden broertjes schreeuwden het beiden uit en geen aanbod van chocolaadjes hielp en evenmin het dreigement van Henk, dat hij ze uit het raampje zou gooien en pas na een flink schreeuwduo gelukte het aan de vereende krachten, hen tot bedaren te brengen.

"Ze zijn anders nooit zoo," zuchtte hun moeder.

"O neen, dat spreekt vanzelf," merkte de oude heer sarkastisch op, "kinderen zijn altijd engelen, als er niemand bij is," en het in zijn lectuur gestoorde jongemensch, bromde vrij duidelijk: "Beroerde bengels."

Nog een kwartiertje van onrust en tot hare niet geringe vreugde bemerkte mevrouw Schotter, dat ze het doel van hun reis naderden en niet lang daarna waren allen veilig geborgen in het Utrechtsch wagentje, dat hen kwam halen, met Piet, den ouden getrouwen koetsier van Grootvader op de voorste bank.

Henk was dadelijk naast hem gaan zitten en Jantje smeekte zoo, tusschen hen in te mogen, dat men hem zijn zin maar gaf. Dat viel natuurlijk niet in den smaak van Stan, die ook bij Piet wilde zijn, maar de belofte, dat hij op het achterste bankje vlak bij mocht zitten, ja, als hij wilde, op zijn knietjes mocht gaan liggen, zoodat het net zou zijn, of hij er ook bij zat, troostte hem. Hij voelde van tijd tot tijd aan het fluweelen jasje van Piet en verklaarde, dat hij het een mooi jasje vond.

Over de paarden was hij verrukt. Mocht hij er straks eens eventjes op zitten? Hij zou ze niet moe maken, hij was niet zwaar.

Piet beloofde het hem en verzekerde lachend, naar het tengere ventje kijkend, dat het paard niet onder zijn last bezwijken zou.

"Ik op het andere paard," viel dadelijk Jantje in.

"Goed hoor," beloofde Piet, "maar dan nou stilzitten, anders rol je er uit."