Wies Ongeluk

Part 6

Chapter 64,306 wordsPublic domain

"Ja, ziet u, u hebt gelijk, maar het kan toch niet. U kunt dat zoo niet begrijpen, er zijn er zoo licht bij, die je voor schijnheilig houden, of denken, dat je in een goed blaadje wilt komen. Neen echt, Moes, ik zou geen raad weten, als de zaak verder uitgeplozen werd."

"Nu goed dan, ik zal je je zin geven. Ga nu maar mee naar beneden, het is bijna etenstijd."

"Zeg u beneden ook niets?" vroeg Wies.

"Neen, dat kan ik niet beloven."

"Toe, zeg u dan alleen, dat alles opgehelderd is en ik geen schuld heb. Doet u het?"

Dat wilde haar moeder dan wel beloven en tot niet geringe verwondering van de reeds in de eetkamer verzamelde kinderen, kwamen moeder en dochter gearmd binnen en verklaarde de eerste, dat alles in orde was en het geval op een misverstand berust had.

ZEVENDE HOOFDSTUK.

HENKS GEHEIM.

Wies kreeg haar zin, op school werd verder over de zaak gezwegen.

Wel moest ze den eersten ochtend de vragen der meisjes beantwoorden, omtrent het wegzenden door de directrice en wat of ze er thuis van hadden gezegd, maar daar ze er weinig antwoord op gaf, zwegen ze er al spoedig over.

In de eerste les van juffrouw Faber, na het gebeurde, was iets pijnlijks. Noch de onderwijzeres, noch de leerling voelde zich op haar gemak, maar ook dat sleet met den tijd.

Toch had de zaak één zeer onaangenaam gevolg gehad: er was een verkoeling ontstaan in de vriendschap tusschen Wies en Lottie. Toen ze dien eersten morgen weer samen naar school gingen, had Wies aan haar vriendinnetje gevraagd of ze haar verdacht, van die spin expres in de rozen gezet te hebben.

Lottie had een kleur gekregen, eerst iets onverstaanbaars gemompeld en toen gevraagd, daar nu maar niet verder over te praten.

Maar Wies had aangedrongen, ze moest weten, wat ze aan Lottie had, zei ze.

Nu moest het hooge woord er uit, ja, Lottie dacht, dat ze zich op die manier op juffrouw Faber had willen wreken. Ze had immers zelf tegen haar gezegd, dat ze dat doen wilde.

"Je zei het op een manier, dat ik er eng van werd," voegde Lottie er bij.

"Je gelooft dat dus nog?" vroeg Wies.

"Ja, hoe kan ik anders, is het dan niet waar?"

Wies aarzelde.

"Neen," zei ze toen, kortaf.

Lottie keek haar aan, een en al verbazing.

"Niet? Waarom heb je dan die bloemen aan juffrouw Faber gegeven?"

Wies antwoordde niet.

Het was weer de oude geschiedenis, ze wilde haar weer dwingen, alles te vertellen en zich zelve in de hoogte te steken, maar ze kreeg het niet meer uit haar, het was nu mooi geweest. Als Lottie haar zoo weinig kende, dat ze van haar dacht, dat ze iemand wilde plagen, onder den schijn van een vriendelijkheid te bewijzen, dan moest het maar uit zijn tusschen hen, dan was er geen vriendschap mogelijk, tenminste niet, wat zij onder dat woord verstond.

Ze waren, beiden zwijgend, verder naar school gegaan en om twaalf uur was Wies haastig naar huis geloopen en had de verbaasde Lottie met een genadig knikje laten staan.

Dat was in geen jaren gebeurd, altijd hadden ze op elkaar gewacht na schooltijd en waren ze samen naar en van school gegaan.

Lottie kreeg tranen in hare oogen, toen ze Wies nakeek, maar ze knipte ze haastig weg en ging ook naar huis, zorgend eenigen afstand te bewaren tusschen Wies en haarzelve.

Als Wies zoo akelig wilde doen, best, ze had ook haar trots.

Dien middag kwam Wies haar niet afhalen, ze had dat wel verwacht, maar toch had ze lang getreuzeld, voor ze wegging, je kondt toch niet weten, en warm van het harde loopen, bang te laat te zuilen komen, was ze op haar plaats gaan zitten. Ze keek heel even naar Louise's bank om te zien, of ze er was.

Ja hoor, ze zat er, druk met Rie pratend en zelfs niet even in de richting van haar plaats kijkend. Om vier uur gingen ze ieder haars weegs, zonder elkander zelfs goedendag te zeggen.. en daarna bestonden ze niet meer voor elkaar.

Zoo dacht ten minste de buitenwereld, de schoolmeisjes en de huisgenooten. Deze laatsten waren erg verwonderd geweest, dat de onafscheidelijken, zooals ze genoemd werden, niet meer bij elkaar kwamen, maar toen ze er niets anders uit konden krijgen, dan dat ze niet meer met elkander omgingen, hadden ze de zaak maar op haar beloop gelaten, dat kwam vanzelf wel terecht.

Bestonden ze werkelijk niet meer voor elkaar, de twee onafscheidelijken?

Als men in de harten der beide meisjes had kunnen lezen, dan zou men wel tot een andere meening gekomen zijn.

Och, ze misten elkander zoo!

Ze zouden niets liever gedaan hebben, dan weer goed worden, maar ze vonden dat een onmogelijkheid. Hoe kon Wies nu vriendschap voelen voor iemand, die haar zoo miskende. Hoe kon Lottie nu verlangen naar genegenheid van iemand, die haar zoo beleedigd had, door niet meer met haar te willen omgaan.

Neen, het moest maar blijven, zooals het was, het kon nu eenmaal niet anders.... maar ze misten elkander toch zoo!

Telkens kwam het voor, dat Wies de kleine gebeurtenissen van het dagelijksch leven op de tong brandden, ze was gewoon, alles met Lottie te bespreken en telkens moest Lottie zich bedwingen om niet even naar Wies te rennen, om haar wat te vertellen, nu eens van een nieuw japonnetje, dat toch zoo beeldig werd, dan weer van de heerlijke manier, waarop ze de zomervacantie zouden doorbrengen.

Bijna iederen ochtend dacht Wies: zou Lot die moeilijke les kennen, of die sommen gevonden hebben en bijna iederen avond dacht Lottie: als Wies voor morgen haar lessen maar geleerd heeft, haar werk gemaakt, nu ze er heelemaal niet meer eens met mij over praten kan. Hoe dikwijls was het niet gebeurd, dat Wies niet geluisterd had naar hetgeen de juffrouw er bij verteld had en altijd was ze dan bij Lottie gekomen, wetend dat deze haar wel zou kunnen en willen helpen.

Als Wies nu op school met haar mond vol tanden zat en blijkbaar heelemaal niet op de hoogte was, trok Lot zich de harde woorden, die dan volgden, net zoo goed aan, als haar gewezen vriendinnetje. Ze had Wies er immers aan gewend, dat ze bij haar altijd terecht kon, als ze niet opgelet had. Ze had zoo'n medelijden met haar en zou haar zoo dolgraag geholpen hebben, maar ze kon toch niet het eerst naar Wies toe gaan.

En Wies?

Och, die zou wel het eerst naar haar vriendinnetje hebben willen gaan, ze was bij nader inzien tot de conclusie gekomen, dat de schijn wel erg tegen haar geweest was en dat het Lottie niet zoo kwalijk te nemen was, dat ze haar verdacht had. Ze had haar toch ook geen verklaring willen geven, hoe alles gegaan was. Wel had ze gezegd, toen Lot, na gehoord te hebben voor wie die bloemen waren, haar gevraagd had, hoe ze dat in haar hoofd kreeg: "dat is nu mijn wraak," maar Lot had de bedoeling van de woorden niet begrepen en ze letterlijk opgevat. Ze zou dus desnoods alles wel weer goed gemaakt willen hebben met Lot, als ze deze maar niet zoo noodig had gehad.

Maar Lottie wist best, hoe ze altijd van haar hulp had afgehangen, hoe ze gewoon die vreeselijke sommen niet alleen kon maken en wat was natuurlijker, dan dat ze denken zou, dat Wies het daarom weer goed wilde maken, vooral nu ze druk in de repetities zaten en alles er zoo op aankwam, met het oog op het overgaan.

De groote vacantie naderde en daarmee het tijdstip, waarop ze zouden hooren, wie overging en wie bleef zitten en Wies was zich maar al te goed bewust, dat de zaak niet heel gunstig voor haar stond. Het angstzweet brak haar uit, als ze er aan dacht. Ze had Vader zóó beloofd, goed op te passen, hij zou het zoo naar vinden, als ze bleef zitten. Moeder zou heel boos zijn, dat wist ze wel, maar Vader was zoover weg, ze vond het zoo vreeselijk, hem nu verdriet te doen.

Had ze daar maar wat eerder aan gedacht, ze deed nu haar best, werkelijk, ze werkte soms tot 's avonds laat, maar ze begreep zooveel niet, waar ze maar overheen geloopen was, het hielp haar alles niets, of ze al haar best deed, het was nu te laat.

Wat was ze toch een ongelukskind, nu juist de hulp van Lottie te moeten missen.

"Wies Ongeluk," dacht ze bitter.

Ze voelde zich zenuwachtig en gedrukt, ze stond op met de gedachte aan dat blijven zitten en aan haar breuk met Lottie en ze ging er mee slapen. Ze zag er niet goed uit, haar moeder had haar al eens gevraagd, of er iets aan scheelde. Bleef ze misschien te laat op 's avonds? Waarom teutte ze ook altijd zoo met haar werk.

Maar Wies beweerde zich best te voelen, ze kon niet eerder naar bed. Ze had het zoo druk met die repetities en haar moeder liet haar maar haar gang gaan, blij, dat ze eindelijk tot ernstig werken scheen gekomen. Ze ergerde zich wel, dat Wies nu letterlijk niets meer in de huishouding deed en nooit een steek meer uitvoerde, maar ze had haar man beloofd, het schoolwerk vóór alles te laten gaan en dus schikte ze zich. Als het maar eenmaal vacantie was, zou alles wel weer terechtkomen en Wies weer haar gezonde kleur terugkrijgen.

Henk ook, die zag er ook al zoo weinig fleurig uit en was bepaald gedrukt.

Van hem begreep ze dat heelemaal niet, hij was vlug van leeren en er was geen twijfel aan, of hij zou overgaan. Hij werkte ook niet bizonder veel, overspannen deed hij zich zeker niet, wat hem dus zoo stil en gedrukt maakte, was haar een raadsel.

"Wat scheelt Henk tegenwoordig," dacht ook Louise.

Het antwoord op deze vraag kreeg ze op een avond, toen ze al op haar kamertje was en nog even een les nakeek voor den volgenden dag.

Terwijl ze al haar best deed, om haar aandacht te bepalen bij de onregelmatige Duitsche werkwoorden en niet afgeleid te worden door de plek op den vloer, zoo aardig verlicht door de maan en hare ooren met hare vingers dichthield om te trachten niet te luisteren naar de geluiden van den zomernacht, die door het open venster binnendrongen, werd er op de deur geklopt. Het geluid drong vaag tot haar door en eerst toen ze Henks stem hoorde vragen, of ze nog op was, begreep ze, dat ze goed gehoord had en het kloppen op haar deur geweest was.

"Ben jij het Henk? Kom maar binnen."

Open ging de deur en Henk trad over den drempel.

Wat zag de jongen er raar uit.

Bleek en wat verlegen, maar toch druk in zijn bewegen, Wies wist niet, hoe ze het met hem had.

"Wou je iets?" vroeg ze.

Henk draaide wat in het kamertje rond, nam een lijstje met het portret van Vader op, keek er verstrooid naar, zette het weer neer en ging voor het open raam staan, met zijne handen op zijn rug, schijnbaar verdiept in den aanblik der door de maan verlichte tuintjes.

Wies keek naar hem, en dacht: hij heeft zeker wat op het hart, er is iets, dat hem hindert en dat hij vertellen wil.

Ze ging naar hem toe en haar hand op zijn schouder leggend, vroeg ze zacht:

"Wat scheelt er aan, Henk?"

Henk schudde haar hand van zich af en antwoordde niet. Hij had het uiteinde van het gordijnkoord tusschen zijn tanden gestoken en beet er zachtjes op.

Wies werd angstig.

Er moest wel iets heel bijzonders gebeurd zijn, om den joligen Henk zoo te veranderen.

"Toe jongen, zeg nou, wat je mankeert," drong ze aan.

Een oogenblik nog zweeg Henk. Toen barstte hij los:

"Wat me mankeert? Geld!"

Wies keek hem aan, alsof ze hem niet goed begreep.

"Geld?" herhaalde ze.

"Ja, geld, geld, geld, nou weet je 't."

Toen zachter:

"'k Heb schulden."

"Schulden? Jij?"

Wies' oogen werden rond van verbazing.

Henk lachte bitter.

"Kijk nou maar niet, of ik je de grootste onmogelijkheid vertel. Ik heb je de waarheid gezegd, ik heb schulden."

Wies had zich hersteld.

Die jongen had misschien van een vriend een paar kwartjes geleend en werd daar nu om gemaand, dat zou het wel zijn.

"Kom," zei ze, "doe zoo gek niet. Als je wat van iemand geleend hebt en het niet terug kunt geven, kan ik je misschien wel helpen. Hoeveel is het?"

Henk aarzelde.

"Het is zooveel," mompelde hij.

"Zooveel?" vroeg Wies verschrikt. "Hoeveel dan wel?"

"Je zult het zelf niet hebben."

"Dat denk ik wel, ik kreeg den laatsten tijd nog al eens wat van Vader. Maar jij toch ook, waar is dat geld dan gebleven? Ik begrijp er niets van, zeg dan toch wat."

Henk keek somber voor zich uit. Hij stond nu met zijn rug tegen de vensteromlijsting geleund, met beide handen in zijne broekzakken en keek naar den grond, alsof hij het niet waagde, zijn zusje aan te zien.

Wies voelde zich bepaald angstig worden, wat kon er toch gebeurd zijn?

"Aan wien heb je dan schulden?" vroeg ze.

"Aan een paar lui van school."

"Van hen geleend?"

Henk schudde van neen.

"Niet? Dat is toch de eenige manier om schulden te maken," beweerde Wies.

Haar broer lachte weer bitter.

"Zoo, denk je? Jullie meisjes zijn toch onnoozel.--Ik wou, dat je gelijk hadt," voegde hij er met een zucht bij.

Wies werd hoe langer, hoe zenuwachtiger. Ze greep Henk's arm en schudde dien heftig.

"Schei uit met je geheimzinnigheden en zeg me, wat er gebeurd is. Je bent natuurlijk bij me gekomen, om mijn hulp te vragen. Hoe kan ik je die geven, als ik nergens van af weet."

Henk liet zich schudden, alsof hij een stuk hout was en keek strak voor zich op den grond. Hij voelde dat het hooge woord er nu uit moest, Wies had gelijk, hij was gekomen om haar hulp te vragen en dus moest hij haar zeggen, wat hem tot stikkens toe benauwde.

"Het zijn speelschulden," fluisterde hij, nauw hoorbaar.

Maar Wies had die woorden toch opgevangen en staarde hem aan, verstijfd van schrik.

"Speelschulden?"

Het scheen alsof met het uitspreken van dat woord het leven in Henk was teruggekeerd. Hij duwde de hand van zijn zusje, die nog altijd op zijn arm lag, van zich af en liep van het venster weg naar een stoel bij de tafel, waarop hij zich liet neervallen, zenuwachtig op zijn bovenlip bijtend.

Wies volgde hem en zette zich tegenover hem neer.

"Hoeveel?" vroeg ze benauwd.

"Tien pop."

"Tien? Mijn hemel, Henk!"

Henk trommelde met zijne vingers op tafel.

"Kun je ze me geven, of niet?" vroeg hij, wat ruw en toen Wies aarzelde, het was alles, wat ze op het oogenblik bezat, voegde hij er bij:

"Je krijgt ze natuurlijk terug, later, als ik ze weer eens bezit. Maar ik moet ze dadelijk hebben, als ik morgen niet betaald heb, ben ik voor goed mijn naam kwijt onder de lui, ik heb mijn eerewoord gegeven, dat ik morgen op zijn laatst betalen zou."

Wies aarzelde nog steeds. Ze vond het eigenlijk niet noodig, dat hij het geld betaalde, verbeel' je, zoo'n jongen nog, ze moesten dat alles liever als gekheid beschouwen.

"Ik begrijp niet, dat je zooveel verliezen kondt," zei ze "ik begrijp eigenlijk heelemaal niet, hoe of jullie er toe gekomen bent, om geld te spelen."

Henk lachte schamper.

"We hadden zeker om kaakjes moeten spelen, hè?"

Wies keek boos.

"Zeg, je hoeft mij niet voor den gek te houden, dat komt nu heelemaal niet te pas. Ik vind het schandelijk, dat jullie jongens om geld spelen. Ik begrijp natuurlijk best, dat jullie niet om wat lekkers kunnen spelen, maar je hadt het heelemaal moeten laten. Wat hebben jullie gespeeld?"

Henk haalde zijne schouders op.

"Een hazardspelletje, niets ergs."

"Een hazardspelletje! Dat is het ergste van alles, hoe krijg je het in je hoofd. Wanneer en bij wien doen jullie dat?"

"Nou, zoo eens een vrijen middag bij... enfin, dat komt er nu niet op aan, daar begrijpen jullie meisjes toch niets van."

Toen van toon veranderend, bijna smeekend:

"Toe, help me voor dezen keer. Ik moet betalen, waarachtig, het moet, toen ik gewonnen had, heb ik het ook opgestoken."

Wies zuchtte.

"Doen jullie dat al lang?"

"Een paar maanden. Eerst had ik zelf geld van Vader en won er nog bij ook, maar ineens is de kans gekeerd en nu verlies ik steeds. Je kunt je niet voorstellen, wat het is, dat spelen," voegde hij er opgewonden bij, "de spanning, de verluchting, als je wint, het is iets heerlijks!"

"En de angst, als je verliest," zei Wies.

Henk haalde zijne schouders op.

"Dat's natuurlijk een beroerd gevoel."

"Ik vind het heelemaal een schandelijk iets," zei Wies, nu ook opgewonden, "ik kan je niet zeggen, hoe vreeselijk ik het vind, dat jij je hebt laten overhalen tot zoo iets gevaarlijks. Oneerlijk vind ik het ook van je, want je wist niet, of ik je helpen kon en je zegt zelf, dat je eerst het gewonnen geld hebt opgestoken."

Toen Henk niets antwoordde, ging ze door:

"Hoor eens, Henk, ik zal je dan mijn geld maar leenen, niet geven, begrijp dat goed."

Henk keek verlucht op.

"Dat 's kranig van je," zei hij, haar een hand toestekend.

Maar Wies legde de hare daar niet in.

"Ik heb één voorwaarde, je moet me op je woord beloven niet meer te spelen."

Henk beet op zijne nagels.

"Ja, ik geloof zelf, dat het beter zou zijn, den heelen rommel er aan te geven, maar hoe kan ik je dan ooit terugbetalen. Het beetje zakgeld, dat ik krijg, moet ik zelf gebruiken."

Weer aarzelde Wies.

Het beste zou zijn, als ze hem het geld schonk, maar dan had ze voorloopig zelf niets. Ze had het zoo zuinig opgespaard om er eens iets moois voor te kunnen koopen. Maar als ze het niet gaf, zou Henk het spelen niet laten.

"Weet je wat," zei ze eensklaps, "ik zal je het geld cadeau doen, je hoeft het me niet terug te geven, maar beloof me dan, niet meer te spelen. Doe je het? Je hand er op?"

Henk greep de hand, die zijn zusje hem toestak en schudde die krachtig.

"Je bent een goeie zus, hoor, een bovenste beste. Kun je me nu het geld dadelijk geven?"

Wies knikte van ja en ging naar haar kastje, waar ze in een mooi doosje haar schat bewaarde. Het waren bijna allemaal nieuwe guldens, die ze nu en dan van Vader gekregen had en ze kon niet helpen, dat ze niet erg vroolijk keek, toen ze de mooie geldstukken in Henk's hand legde. Deze liet ze in zijn zak glijden en stond op. Hij zag er nu heel anders uit dan straks, blijkbaar erg verlucht.

"Dank je nog wel hartelijk, hoor," zei hij, nogmaals haar hand schuddend. "Als ik je ook eens van dienst kan zijn, graag, onthoud dat."

"En je hebt me beloofd, niet meer te spelen, vergeet dat niet."

"Wel neen. Het is nu bijna vacantie, dan zie ik de lui vanzelf een poos niet en daarna qui vivra, verra."

Met deze woorden verliet hij de kamer, vroolijk lachend.

"Maar Henk, het is slecht om op die manier te spelen," riep Wies hem nog na, maar hij hoorde het blijkbaar niet meer en zijn zusje liet zich verdrietig op den stoel bij de tafel neerzakken.

Hare ellebogen op tafel en haar gezicht in hare handen dacht ze na.

Had ze goed gedaan?

Mocht ze Henk helpen?

Als hij zijn belofte eens niet hield, hij scheen haar zoo luchtig op te vatten. Moest ze eigenlijk Moeder niet waarschuwen?

Maar Henk had haar vertrouwd, ze kon hem toch niet verraden.

Wat was dat toch vreeselijk, als je eigenlijk niet wist, of je nu goed gedaan hadt, of niet en met een bezwaard hart ging ze naar bed en sliep heel onrustig, droomend van Henk, die alles verspeelde, wat hij bezat, en van Vader, die haar verweet, dat ze hem niet gewaarschuwd had.

ACHTSTE HOOFDSTUK.

OVERGAAN OF BLIJVEN ZITTEN?

De groote vacantie naderde en met haar de dag, waarop de meisjes zouden hooren, wat de vergadering der onderwijzeressen over hen besloten had, of ze geschikt geoordeeld werden om een volgende klasse te kunnen volgen, of dat ze gewogen waren en te licht bevonden. De meesten wisten wel, wat hun lot zou zijn, de rapporten hadden dat uitgewezen, maar enkelen, en daaronder Louise Schotter, hadden, wat ze een twijfelachtig rapport noemden en leefden dus die laatste dagen in groote spanning.

Veel hoop had Wies niet, ze was zich maar al te zeer bewust, dat er heel wat mankeerde aan haar kennis, ja, als ze alles eens goed naging, was ze er wel haast zeker van, dat het mis zou zijn, maar toch.... zoolang er leven is, is er hoop en aan die hoop klemde ze zich vast.

Het zou al te vreeselijk zijn, als het anders was.

Niet meer met dezelfde meisjes samen te zijn, waarvan velen jonger waren dan zij, weer van voren af aan al die saaie boeken te moeten doorwerken, te vervreemden van hare oude kennisjes, zoo echt uitgestooten te worden, niet mee te kunnen.

O! 't zou afschuwelijk zijn.

En dan met die tijding naar huis te moeten, Moeder zou zoo boos zijn en haar zooveel verwijten doen en Marietje zou schijnbaar deelnemend kijken, maar inwendig op haar neerzien, die had natuurlijk een mooi rapport en ging schitterend over.

En Henk ook, maar die zou haar enkel een beetje goedmoedig bespotten, wat ze toch ook niet uit kon staan. Ze hoorde hem al vragen, of de feeën haar dan heelemaal in den steek gelaten hadden en zoo al meer, o, ze zou dat niet allemaal kunnen verdragen.

En dan zou het natuurlijk aan Vader geschreven moeten worden en iedereen zou beweren, dat het haar eigen schuld was en wat kon ze er eigenlijk aan doen. Ze had toch nooit expres niet opgelet, of hare lessen niet geleerd, het ging altijd zoo vanzelf, ze begreep nooit goed, hoe de tijd toch altijd zoo ineens voorbij kon zijn, als ze dacht, nu eens goed te gaan opletten, was de les meestal om en als ze juist al haar aandacht bij haar boek wilde bepalen, moest ze naar bed, of was het etenstijd of iets dergelijks.

Haar heele vacantie zou er door bedorven worden.

Ze had er zich zoo op verheugd bij hare grootouders buiten te gaan logeeren, bij die lieve, blinde grootmoeder en bij grootvader, met wien ze zulke heerlijke wandelingen kon doen, Vaders ouders, van wie ze zooveel hield. Hare grootouders van Moeders kant had ze nooit gekend, die waren al lang geleden gestorven, maar zoolang ze zich herinnerde waren ze zomers in de vacantie bij Vader's ouders geweest, op het dorpje aan de rivier. De menschen vonden het algemeen geen mooi plaatsje, maar zij vond het het er heerlijk.

En nu zou dat uitstapje haar ook vergald worden, want Grootvader was niet iemand, die van achterblijvers hield, hij had zelf zijn heele leven lang hard gewerkt als notaris in die streek en tante Marie was net als hij, een flinke vrouw, zei Moeder. Ze was Marietjes petetante en Moes zei altijd, dat ze hoopte, dat het kind net zou worden als haar tante.

Het was waar, tante Marie was heel flink, ze bestuurde het heele huis en de daarbij behoorende boerderij van haar ouders, wist zich overal te doen respecteeren en gehoorzamen, maar ze vond haar niet lief, te hard, te gedecideerd, ja, dat was het woord, te prozaïsch.

Ze woonde daar bij die prachtige rivier, en merkte niet eens, hoeveel heerlijks daar altijd te zien was. Ze had geen tijd om sentimenteel te zijn, beweerde ze lachend.

Ze leefde, als 't ware, op het land, ze had gelegenheid planten en bloemen in hun ontluiking en groei te bespieden en het interesseerde haar alleen, of de grond veel zou opbrengen en of de oogst goed zou zijn.

Eens had Wies in Mei eenige dagen bij haar grootouders gelogeerd en toen de appelboomen in bloei gezien. Ze had geen woorden weten te vinden, om haar verrukking uit te drukken en toen had tante heel kalm opgemerkt, dat ze liever de boomen zag, als de vruchten zich goed gezet hadden, van al die bloesems kwam soms maar een handjevol appelen, als het weer tegenwerkte.

Grootvader was ook van dat oordeel, bij hem kwam het ook alleen aan op het nut der dingen, Grootmoedertje alleen zou in staat geweest zijn, om te genieten van al dat moois en de arme lieveling kon niet meer zien, sinds drie jaren was ze volslagen blind, na een lang ooglijden.

Grootmoeder was een schat, Vader had wel wat van haar, maar Vader was een man en natuurlijk kon die niet net eender denken en handelen, als een oude vrouw. Vader zei eens, toen Moes verklaarde niet te begrijpen, naar wie Wies die afwijkende karaktereigenschappen toch had, "naar mijn moeder." Hij had er toen dadelijk bijgevoegd, "als ze overigens ook op haar lijken gaat, ben ik tevreden."

Zou Grootmoedertje ook in haar teleurgesteld zijn, als ze niet overging? Och zeker wel, ze zou er ook verdrietig om zijn en moeite hebben, haar partij te kiezen, zooals ze anders meestal deed.

Het was vreeselijk, alles, wat haar te wachten stond.

Maar misschien maakte ze zich wel voor niets ongerust, misschien kwam alles nog wel terecht, voor ze zekerheid had, wilde ze de hoop niet opgeven, ze had toch in den laatsten tijd wel haar best gedaan.

Zoo brak eindelijk de lang gevreesde dag aan en Wies stond met de andere leerlingen van de school te wachten op haar vonnis.