Part 5
Zoo stond ze daar nog een poosje, overweldigd door bittere gedachten en ze merkte nauwelijks, dat de tijd verstreek, totdat ze de deur tegenover haar hoorde opengaan en juffrouw Faber's stem vernam, die verwonderd zei:
"Sta je daar nog, waarom ben je niet naar de directrice gegaan?"
Wies keek haar even aan, met hare betraande oogen, maar antwoordde niets.
"Neem die bloemen op en volg me," beval de juffrouw.
Wies deed, wat haar gezegd werd en met de rozen in haar hand liep ze achter juffrouw Faber aan, die zich regelrecht naar de kamer der directrice begaf. Daar gekomen sprak ze haar beschuldiging uit en Wies sloeg hare oogen neer onder den verwijtenden blik van het hoofd der school.
"Hoe kon je zoo iets verzinnen," zei ze op verdrietigen toon, "ik had je niet tot een dergelijke lafhartigheid in staat geacht."
Lafhartigheid, de directrice beschuldigde haar van lafhartigheid!
"Maar ik heb het niet gedaan," riep ze hartstochtelijk.
Verwonderd keek de directrice juffrouw Faber aan.
"Ze stelt zich weer aan," zei deze, "ik behoef u toch Louise Schotter niet te leeren kennen. Ze ontkent, dat is waar, maar alles wijst er op, dat ze zich op deze manier heeft willen wreken, over het standje van gisteren."
"Maar een schoolmeisje wreekt zich niet over een standje voor een niet gekende les."
"Het was geen standje, ze bespotte me," viel Wies heel onvoorzichtig uit.
Juffrouw Faber glimlachte triomfant.
"Dat is zoo goed als een bekentenis. Ze zegt zelf, dat ze mijn woorden als een bespotting opgevat heeft en verklaart daarmee, waarover ze zich heeft willen wreken."
De directrice keek ernstig.
Juffrouw Faber had gelijk, die woorden en de toon waarop ze geuit waren, namen elken twijfel aan haar schuld weg.
"Ik vrees, dat u gelijk heeft," zei ze, "maar ik begrijp zoo iets niet van Louise."
Wies schreide niet meer. Ze hield haar hoofd nu rechtop en om haar mond lag een bittere trek.
"Dus u gelooft, dat alles een opgemaakt stukje was?" vroeg ze.
"Ik moet het wel gelooven."
"Goed, geloof u het dan maar," en met moeite het beven van hare lippen bedwingend, stond ze daar doodstil, alleen haar wat diepere ademhaling bewees, dat innerlijk niet alles rustig was.
De directrice had de bloemen, door Wies op tafel gelegd, in de hand genomen en bekeek ze nu.
"Er is nu geen spin meer in," zei ze.
"Is die er uit," vroeg juffrouw Faber angstig, hare rokken bij elkaar nemend, "als het beest maar niet op me gekropen is. Was de spin er straks nog in, Louise?"
Wies knikte onverschillig van ja, niets kon haar meer schelen, ze gaf zich aan het noodlot over.
"Je hebt vlak achter me geloopen daar straks, misschien is ze op mijn rug gekropen."
Rillend keerde ze haar rug naar de directrice.
"Och toe, kijk u eens, of u haar niet ziet. Ook niet in mijn hals? Ik voel daar zoo'n gekriebel. Heusch niet, kan ik er van opaan?"
Toen het vreemde lachje ziende om den mond van de directrice, voegde ze er wat verlegen bij:
"U vindt me misschien kinderachtig, maar ik heb nu eenmaal zoo'n griezel van spinnen."
"Dat komt meer voor," zei de directrice rustig. "Ik wil Louise nog wel even alleen spreken."
Juffrouw Faber begreep den wenk en nam hare boeken op, om weg te gaan.
"Ik kan Louise niet meer in mijn les nemen, voor ze me excuus gevraag heeft," zei ze nog.
"Je hoort het, Louise, wil je dat nu dadelijk even doen?" vroeg de directrice. "Dat zou, dunkt me, het beste zijn."
Wies antwoordde niet, ze klemde hare lippen nog wat vaster opeen en schudde van neen.
Juffrouw Faber verliet daarop de kamer.
De directrice hield zich een oogenblik met iets anders bezig, gezeten aan haar schrijftafel. Toen riep ze Wies bij zich.
"Kijk me eens aan, Louise, zoo, vlak in mijne oogen. Blijf je er bij, dat je geen schuld hebt?"
"Ja, juffrouw."
"Hoe kwam je er dan toe, die rozen aan juffrouw Faber te geven? Ik heb tot mijn spijt meermalen gemerkt, dat juffrouw Faber en jij nu juist niet zulke groote vriendinnen zijn."
Wies kleurde.
Het was haar onmogelijk te zeggen, dat ze het als een edele wraak bedoeld had. De juffrouw zou dan natuurlijk weer aan aanstellerij gelooven.
Ze zweeg dus.
De juffrouw schudde met een verdrietig gezicht haar hoofd.
"Het spijt me meer, dan ik zeggen kan, kind, dat je nu je schuld nog verergert, door zoo koppig te blijven ontkennen, wat toch zoo duidelijk blijkt, niet anders dan waar te kunnen zijn. Als je me niet verklaren wilt, waarom je juffrouw Faber zoo ineens bloemen gegeven hebt, na pas onaangenaamheden met haar gehad te hebben, na pas woorden van haar gehoord te hebben, die je zelf verklaart, als een bespotting te beschouwen, dan kan ik niet anders denken, dan dat je werkelijk schuld hebt. Ga nu maar naar huis en zeg je moeder, dat ik je voor dezen verderen dag verwijderd heb."
Wies schrok.
"Stuurt u me voor den heelen dag weg?"
"Ja, morgen kun je terugkomen, behalve voor de les van juffrouw Faber."
"Daar hebben we morgen geen les van."
"Nu, dan kun je morgen weer den heelen dag komen."
Wies stond daar met gebogen hoofd, aarzelend om weg te gaan.
De directrice vatte haar neerhangende hand.
"Heb je me nog iets te vertellen, kind, doe het dan. Het zou me zoo'n pleizier doen, als je je onschuld bewijzen kondt."
Weer aarzelde Wies.
Zou ze vertellen, waarom ze die bloemen gegeven had?
Maar neen, neen, een totaal valsche schaamte belette haar gehoor te geven aan den drang van haar hart, dat haar aanspoorde, zich van blaam te zuiveren tegenover de juffrouw, van wie ze zooveel hield.
Langzaam keerde ze zich om en verliet de kamer, deed in de gang haar goed aan en liep de straat op, niet wetend waarheen, niet goed naar huis durvend, waar ze zeker ook verkeerd begrepen zou worden.
In de kamer der directrice lagen de prachtige rozen vergeten op de tafel en weefde het spinnetje lustig haar net tusschen tafelkleed en vloer, vlug aan den steeds langer wordenden draad neerglijdend.
ZESDE HOOFDSTUK.
VALSCHE SCHAAMTE.
Toen Wies de deur der school achter zich had dichtgetrokken, liep ze eenigen tijd als versuft door.
Weggestuurd voor den geheelen verderen dag.
Waar nu heen?
Naar huis en Moeder alles vertellen?
Ze zag daar zoo tegen op, ze was zoo bang, dat Moeder aan haar schuld gelooven zou; het was zoo vreeselijk van iets laags verdacht te worden en dat nog wel, nu ze het zoo goed bedoeld had.
Zou ze aan Moeder vertellen, waarom ze juffrouw Faber die bloemen gegeven had?
Dat zou misschien het beste zijn, maar ze was bang, de woorden niet te kunnen uitspreken, het zou er iets van hebben, alsof ze eens wilde doen uitkomen, hoe edelmoedig ze was, hoe ze kwaad met goed had willen vergelden. Dat had ze ook eigenlijk wel en natuurlijk behoefde ze zich daarover niet te schamen, integendeel, maar om dat nu zelf te vertellen, dat was toch iets, dat ze niet zou kunnen.
Hoe laat zou het zijn? Als ze nog anderhalf uur ronddwaalde en dan naar huis ging, zou niemand er iets van merken, dat ze weggestuurd was en als ze dan vanmiddag van twee tot vier weer uitging, behoefden ze er thuis misschien wel nooit iets van te weten.
Ze liep maar voort, waar hare voeten haar heendroegen, al maar voort, tot ze bemerkte, dat ze een heel eindje afgedwaald was en zich heelemaal buiten de stad in het bosch bevond.
Nu dorst ze niet verder gaan, ze had geen horloge, wist dus niet, hoe laat het was, ze zou maar weer naar de stad terugkeeren, dan zag ze allicht een klok, die haar op de hoogte van den tijd kon brengen.
Ze stond een oogenblik stil en keek rond.
Wat een heerlijk weer was het, hoe mooi dat lichteffect van de zon door de bebladerde boomtakken en die zonnevlekken op haar pad. Net weer, om je heel gelukkig en vroolijk te voelen. Wat zou ze genoten hebben, als ze nu vandaag vacantie gehad had en hier had kunnen ronddwalen, zonder gekweld te worden door akelige gedachten.
Ze was toch een recht ongelukskind.
Hare oogen vulden zich met tranen uit louter medelijden met zichzelve.
Nu had ze toch heusch haar best gedaan om goed te zijn en nu had ze meer verdriet dan ooit.
Ze ging een oogenblik op een bank zitten, ze voelde nu pas, dat ze moe was, ze had ook al een heel eindje geloopen.
Zou ze een oogenblikje durven blijven zitten, of zou ze dan te laat thuiskomen?
Even maar, ze was zoo moe en zoo warm.
Ze droogde hare tranen af en staarde voor zich uit.
Wat zongen de vogeltjes mooi in de takken boven haar hoofd, heerlijk om daar naar te luisteren.
Ze moest er eigenlijk over nadenken, hoe ze zich nu houden zou, als ze thuis kwam, alles vertellen, of maar net doen, of er niets gebeurd was, maar ze kon niet nalaten naar dat liefelijk gekwinkeleer te luisteren en hare gedachten namen vanzelf een heel andere richting.
Een roodborstje wipte over den weg en bleef vlak voor haar staan, haar met zijne zwarte kraaloogjes aanstarend. Ze hield zich doodstil, durfde haast niet ademhalen, ze zou zoo dolgraag willen, dat het nog wat nader kwam. Vlak bij haar lag een stukje brood, dat wilde het zeker zien te pakken, maar aarzelde, omdat het dan zoo dicht bij haar komen moest.
Onbeweeglijk zat ze daar en weer tripte het lieve vogeltje nog een beetje nader. Nu had het zijn doel bereikt, nog een paar pasjes.... daar kwam opeens een groote zwarte kraai, die zich zonder bedenken op het stukje brood wierp en het roodborstje vloog verschrikt weg.
Met een bitter lachje keek Wies het na.
"Hier ook al het recht van den sterkste," dacht ze, "zoo is het overal. Juffrouw Faber kan me beschuldigen van wat ze wil, zij wordt geloofd, omdat ze de macht in handen heeft, het recht van de sterkste."
Kom, nu moest ze gaan, ze zat hier haar tijd te verknoeien en wie weet hoe laat het al was.
Wat zou ze nu thuis zeggen?
Ze kon maar geen besluit nemen.
Toen ze de stad weer bereikt had, zag ze, dat het al over twaalven was.
Ze zette het op een draf, ze kwam bepaald te laat thuis, zou dan een verklaring moeten geven van haar lang wegblijven en wist nog altijd niet, wat ze doen zou.
"De waarheid zeggen," drong haar geweten aan.
"Doen alsof er niets gebeurd is, dat is het gemakkelijkst," ried haar verstand.
Zoo kwam ze thuis, gewoon buiten adem van het harde loopen en zag dadelijk, dat het mis was, ze hadden blijkbaar al op haar gewacht.
"Kind, wat zie je rood, en je bent heelemaal buiten adem," zei haar moeder, "waar kom je zoo laat vandaan, heb je weer moeten schoolblijven?"
Onwillekeurig knikte Wies van neen, ze kon toch zóó niet jokken.
"Niet? Waar ben je dan geweest, je weet, dat ik er zoo op gesteld ben, dat je op tijd thuis bent voor de koffie."
Wies had intusschen haar hoed afgezet en op een stoel gelegd.
"Dat is geen plaats voor je hoed, hang hem aan den kapstok en vertel me dan, waar je vandaan komt."
Wies bracht haar hoed weg en ging op haar plaats zitten.
"Neen, dat gaat zoo maar niet. Antwoord me eerst, waar kom je vandaan?"
"Van school," mompelde Wies, met een kleur om haar leugen.
"Regelrecht van school?"
Wies kleurde nog dieper en schudde van neen.
"Niet, dat dacht ik wel, je bent ergens anders heen geweest en hebt toen hard geloopen, om niet al te laat thuis te zijn. Maar waar ben je geweest, dat wil ik weten."
Wies kreeg het hoe langer hoe benauwder, wat moest ze nu zeggen.
"Kom, antwoord me en de waarheid, als 't je blieft."
"Als je jokt, leest Moes het op je voorhoofd," verklaarde Jantje plechtig.
"Op je voorhoofd," herhaalde Stan.
Henk begon te lachen, maar Wies hoorde het niet eens.
"Ik weet het niet," fluisterde ze.
Nu proestte Henk het uit en de kleintjes lachten hartelijk mee, hoewel ze niet goed begrepen, waarom.
Marietje haalde haar schouders op en wees op haar voorhoofd.
"Ja, het lijkt wel, of er een van de vijf bij je op den loop is," beaamde haar moeder. "Nu als 't je blieft, verder geen gekheid, nog eens, waar kom je vandaan, waar ben je geweest?"
"In 't bosch."
Allen keken even verwonderd.
"In 't bosch," herhaalde haar moeder en liet er wat driftig op volgen:
"Zeg, is het nu uit met die gekheid, het bosch ligt ruim drie kwartier van de school af, je kunt dus onmogelijk in een half uur heen en weer naar het bosch geweest zijn."
"Een van de feeën heeft haar daar heen gedragen," opperde Henk, maar zijn moeder verzocht hem te zwijgen, ze vond de houding van Wies zoo vreemd, dat ze ongerust werd, over hetgeen er gebeurd kon zijn.
"Louise, maak nu de zaak niet erger en vertel me, waar je geweest bent," drong ze aan.
"Werkelijk in het bosch."
Toen voegde ze er nauw verstaanbaar bij:
"Ik was weggestuurd van school."
Haar moeder meende haar niet goed verstaan te hebben.
"Wat zeg je. Spreek duidelijker."
"Ik was weggestuurd," herhaalde Wies iets harder.
Henk floot zachtjes tusschen zijn tanden.
Marietje keek even ontsteld op, maar daarna ging ze door met Jan en Stan om beurten hun boterham in het mondje te werken.
Wies ademde eenigszins verlucht. Nu was het er uit, nu kon ze niet meer terug, nu moest er maar van komen, wat wilde.
"Weggestuurd," herhaalde haar moeder, "weggestuurd van school, het is nog al geen kleinigheid, waarom, wat heb je gedaan?"
Wies begon te huilen en mompelde iets van bloemen en van een spin en van heelemaal geen kwaad bedoeld hebben.
Haar moeder begreep er niets van.
"Kun je je niet duidelijker uitdrukken, Louise?"
Wies' eenig antwoord bestond in een hevige huilbui. Haar wat overspannen zenuwen ontspanden zich, ze snikte het uit.
Haar moeder zweeg eenige oogenblikken.
Henk waagde het nu ook niet, gekheid te maken en Marietje keek verschrikt van de een naar de ander, terwijl de kleintjes er niets van begrepen.
"Waarom is Wies zoo verdrietig?" vroeg Stan.
"Wies is niet verdrietig, Wies is stout," meende Jan.
"Als je me geen duidelijken uitleg kunt geven, zal ik genoodzaakt zijn op school te informeeren," zei nu mevrouw Schotter. "Mag je vanmiddag weer op school komen?"
Wies schudde van neen.
"Niet? Voor hoelang ben je dan weggestuurd?" vroeg haar moeder verschrikt.
"Voor vandaag."
"Zoo, nu neem dan je boterhammen mee en ga naar je kamertje, je begrijpt wel, dat ik je vandaag niet in den huiselijken kring wil hebben. Neem je breiwerk mee, kom hier, ik zal je een taak opgeven, zorg, dat die af is. Ik zal zelf wel eens gaan hooren, wat er eigenlijk gebeurd is."
Wies nam haar breiwerk op en wilde de kamer verlaten.
"Je boterhammen."
"Ik heb geen honger," en ze haastte zich weg naar boven, naar haar eigen kamertje, waar ze zich veilig voelde.
Ze ging op den rand van haar bed zitten en zuchtte diep.
Wat zouden ze vanmiddag lekker kwaad van haar spreken tegen Moeder, die Faber zou haar hart ophalen.
De directrice misschien ook wel, die geloofde haar immers ook schuldig.
Enfin, het kon haar niets meer schelen, iedereen mocht van haar denken, wat ze wilde.
Zoo zat ze een poosje stil op haar bed, peinzend over wat ze haar ongelukkig gesternte noemde, waardoor altijd haar goede bedoelingen in de war gestuurd werden. Als Moeder straks bij haar kwam, zou ze natuurlijk ontkennen, de spin expres in de rozen geplaatst te hebben, maar zou Moeder haar gelooven? Och neen, niemand geloofde haar immers, en toch konden ze niet zeggen, dat ze dikwijls jokte, een heel enkel keertje maar, om zich te redden uit moeielijkheden, waarin ze zich telkens bracht en dan deed ze meestal nog zoo onhandig, dat haar leugentje dadelijk doorzien werd.
Wat was ze moe, flauw voelde ze zich ook, ze had zoo'n eind geloopen en na vanmorgen acht uur niets meer gegeten. Ze wilde nu wel, dat ze hare boterhammen maar mee gebracht had, maar naar beneden gaan en er om vragen, dat deed ze niet.
Zoo op haar bed zittend, legde ze onwilkeurig haar hoofd op het kussen.
Hè, heerlijk, even mocht ze rusten, dan zou ze gaan breien, Moeder had haar zooveel opgegeven.
Ze bleef dus stil liggen en niet lang daarna sliep ze gerust, doodvermoeid van alles, wat ze dien morgen ondervonden had en van de lange wandeling, die ze gedaan had.
Ze werd pas wakker, toen ze een hand op haar schouder voelde, die haar zacht heen en weer schudde.
Ze opende haar oogen en zag vaag Henk's gezicht over zich heen gebogen.
"Zeg, wor' eens wakker."
"Ja," en met een zucht richtte Wies zich op.
"Wat is er?"
Henk lachte even.
"Ben je nu goed wakker, of niet, kan ik met je praten? Je ziet er zoo suf uit."
"Ja, ik ben wakker. Is Moeder al naar school geweest?"
"Natuurlijk, 't is half vijf. Je hebt uren geslapen."
"Hoe is het mogelijk. En?"
"Ja, Moeder weet nu alles."
"Alles, Moeder weet niets."
Henk trok zijne schouders op.
Hij stond daar met zijne handen in zijne broekzakken en keek zijn zusje wat spottend aan.
"Dacht je, dat ze je zonde voor haar verzwegen hadden? Eerlijk gezegd, vind ik de grap nogal leuk verzonnen, hoe ben je er op gekomen, zeg?"
Wies antwoordde niet, ze zat in gedachte.
"En wat zegt Moeder?" vroeg ze aarzelend.
"Nou, ze is niet weinig boos, ze vindt, dat je valsch gehandeld hebt. Ze neemt de zaak veel te ernstig op, zie je, alsof je niet eens meer een grapje mocht uithalen."
Wies keek naar haar broer.
Gek, dat zoo'n jongen zoo iets zoo opnam, als alles werkelijk gegaan was, zooals ze dachten, zou ze het toch een lage aardigheid gevonden hebben.
"Maar Henk, ik heb die spin er niet expres in gezet."
"Och kom!"
"Heusch niet."
"Ik zou maar uitscheiden met die comedie, je wilt toch zeker niet beweren, dat je Faber die rozen gaf, om haar een plezier te doen."
Wies kleurde.
"Dat is het juist," mompelde ze.
Henk keek haar met groote oogen aan, een en al verbazing.
"Och kom," zei hij nog eens.
Wies staarde voor zich uit.
"Ik zal het je maar bekennen, het is heusch waar, ik dacht, dat het een edele manier was, om me te wreken."
Henk schaterde het uit.
"Wies, Wies, wat een type ben je toch, ik geloof waarachtig dat je het meent."
Wies had al spijt, dat ze zich zoo had laten gaan. Het was niet voor niets geweest, dat ze er tegenop gezien had, de waarheid te zeggen, Henk spotte er blijkbaar al mee.
"Je moet niet denken, dat ze je gelooven zullen, als je dat zegt," beweerde Henk.
"Dan laten ze het. Ik ben trouwens niet van plan het te zeggen."
Toen wat aarzelend: "Zeg Henk, geloof jij me ook niet?"
Henk wist niet meer, wat hij er van denken moest, die Wies keek hem zoo ernstig, ja zelfs gespannen aan.
"Ja, zie je," zei hij langzaam, "eerst dacht ik, dat je maar wat praatte om je leitje schoon te vegen, maar nu begin ik te gelooven, dat je het meent."
"Natuurlijk meen ik het," zei Wies en toen ze zag, dat Henk het nog niet geheel met zich zelven eens was, voegde ze er hartstochtelijk bij:
"Henk, geloof me, laat er ten minste één zijn, die me gelooft."
Henk was wat verlegen met zijn figuur.
Wies scheen wèl de waarheid te spreken en toch....
"Geef je me je eerewoord er op?" vroeg hij.
"Ja, op mijn woord van eer, ik heb de waarheid gezegd."
"Goed, ik geloof je."
Wies greep zijn hand en drukte die krachtig.
"Dank je," zei ze.
"Maar begrijpen doe ik je niet," vervolgde Henk.
"Dat hoeft ook niet, als je me maar gelooft. Stil, daar komt iemand, zeker Moeder."
"Dan ga ik maar," en Henk ging naar de deur, waar hij tegen zijn moeder aanliep, die juist binnenkwam.
"Wat doe jij hier?" vroeg deze verwonderd.
"Even met Wies praten," en weg was hij.
Wies kon het hare moeder aanzien, dat ze echt verdriet had over het gebeurde en viel dadelijk uit:
"U behoeft niet zoo verdrietig te kijken, ik heb niets kwaads gedaan!"
Haar moeder nam een stoel en ging bij haar zitten.
"Hou je een beetje bedaard, Louise. Ik ben bij de directrice geweest en heb ook juffrouw Faber gesproken. Ik ben dus geheel op de hoogte.
Wies had haar zitplaats op den rand van haar bed verlaten en stond nu voor haar moeder.
"Dat denkt u," zei ze, "maar u weet niets."
"Weet ik niets? Wat moet ik dan nog meer weten?"
"Ik heb het niet expres gedaan."
"Wat, die spin in de rozen gezet? Hoe kwam die daar dan in?"
"Hoe kan ik dat nu weten, ik heb ze immers zelf maar gekocht."
Haar moeder keek haar verwonderd aan.
"Wil je beweren, dat het geen vooruit verzonnen plagerij is van die spin, maar een toeval?"
"Ja juist."
"Ik wilde, dat ik je gelooven kon. Maar waarom heb je dan aan juffrouw Faber die rozen gegeven, je hadt immers pas onaangenaamheden met haar gehad en je beweert altijd, dat je niet van haar houdt."
Wies bloosde en zweeg.
Haar moeder keek haar aan en begreep er niets van.
Toen greep ze haar hand.
"Kind," zei ze, hartelijker dan ze gewoon was, "zeg me de waarheid. Vertel me eens, waarom heb je die bloemen aan de juffrouw gegeven, als je er niets kwaads mee bedoeld hebt."
Wies lachte zenuwachtig.
"Ik heb nog nooit gehoord, dat men iemand bloemen geeft om haar te plagen."
"Win' je nu maar niet zoo op. Natuurlijk geeft men in gewone gevallen iemand geen bloemen, om haar verdriet te doen, maar dit is een bizonder geval. Je geeft niets om juffrouw Faber, wel?"
Wies schudde van neen.
"Nu, zie dan zelf, je geeft toch geen bloemen aan iemand, van wie je niet houdt, alleen om haar plezier te doen. Daar zie ik jou tenminste niet toe in staat."
Wies beet hare lippen bijna ten bloede uit zenuwachtigheid.
"Neen, natuurlijk niet," zei ze bitter, "dat spreekt van zelf, tot iets edelmoedigs ben ik niet in staat."
Haar moeder ging eensklaps een licht op.
Weer greep ze de hand van haar dochtertje en haar naar zich toetrekkend, zei ze:
"Was het dat werkelijk, Wiesje, wou je wat goedmaken bij juffrouw Faber?"
Wies knikte van ja, met een zoo beschaamd gezicht, alsof ze de grootste misdaad opbiechtte.
Haar moeder trok haar nu heelemaal op schoot en kuste haar hartelijk.
"Dan hebben we ons allemaal in je vergist en het ongelukkige toeval, dat die spin zich daar nu juist in die bloemen bevinden moest, is de schuld van alles. Het spijt me, dat ik je verdacht heb, kind."
Wies keek haar wat verbijsterd aan.
"Dus u gelooft me?"
"Zeker geloof ik je, ik begrijp nu alles. Morgen ga ik met je mee naar school om ook daar te vertellen, hoe we ons allen in je vergist hebben."
Wies maakte een gebaar van schrik.
"Dat nooit, ik zou geen raad weten van verlegenheid. Als u het vertellen wilt, doe het dan, als 't u blieft, waar ik niet bij ben."
Haar moeder moest lachen.
"Wat zijn jullie meisjes toch dwaas, met je valsch schaamte. Daarom heb je de toedracht der zaak zeker ook niet aan de directrice verteld. Ze zei me, je zoo dringend gevraagd te hebben, of je eenige opheldering geven kon."
Wies loosde een diepen zucht.
"Ik weet niet, wat ik liever gedaan had, het zou er iets van gehad hebben, of ik mezelf eens in een mooi daglicht wilde stellen. Ik vind het nog afschuwelijk, dat ze nu alles weten moeten, vooral die Faber! Ik heb nu door alles, wat er uit voortgekomen is, een gevoel gekregen, of ik iets heel geks gedaan heb."
"Maar kindje, wat een idee, integendeel, je bent heel lief geweest."
"Heusch, eerlijk gezegd wilde ik, dat het denkbeeld nooit in mijn hoofd was opgekomen. Toe Moes, wilt u als 't u blieft vragen, of ze geen van allen er meer iets van zeggen willen. Laat iedereen toch doen, of er niets gebeurd is, anders weet ik van verlegenheid niet, waar ik blijven moet."
Haar moeder beloofde haar verzoek over te brengen.
"Maar de meisjes," vroeg ze nog aarzelend, "hoe kunnen die dan te weten komen, dat je niets geen kwaad bedoeld hadt."
Wies maakte een gebaar van schrik.
"De meisjes moeten er juist buiten blijven. Die vinden zoo iets zoo erg niet en echt, Moes, ik weet geen raad, als er nog verder over gepraat wordt. Ik zou in staat zijn te zeggen, dat ik het wel gedaan had."
Haar moeder schudde het hoofd.
"Kind, kind, wat heb je nog een verkeerde begrippen omtrent recht en onrecht. Ik begrijp je eigenlijk niet. Je vindt zelf, dat het laag van je geweest zou zijn, als je werkelijk die spin in de rozen gezet hadt, om juffrouw Faber schrik aan te jagen, maar toch heb je liever, dat de meisjes dat van je denken, dan dat ze weten, dat je een goede daad hebt willen doen."
Wies keek nadenkend voor zich.