Part 4
"Welneen," antwoordde Henk voor haar, "ze is alleen maar weer in het rijk der feeën. Ze droomt van een goede fee, die haar al het werk uit de hand neemt, zoodat ze zelf niets behoeft te doen, dan op een stoel te zitten slapen."
Wies kreeg een kleur van verlegenheid. Hoe kon die Henk nu zoo precies raden, waar ze aan dacht.
Haar moeder keek haar aan en begon te lachen.
"Neen Henk, voor zoo dwaas houd ik Wies gelukkig niet," zei ze, "je zoudt haar wel voor half gek willen verslijten."
"Is ze ook," beaamde Henk.
Zijn moeder keek ontevreden.
"Zulke dingen mag je niet zeggen, ik weet wel, dat je er niets van meent, maar het klinkt naar."
Zich toen tot Wies wendend:
"Goed gewerkt vanmiddag? We zijn toch klaar, dus moesten we nu maar opstaan, dan kan ik je even overhooren. Daarna kun je je dan wat gaan opknappen."
Met een kloppend hart volgde Wies haar moeder naar de voorkamer en reikte haar het geschiedenisboek over, om zich de jaartallen te laten overhooren.
De eerste tien gingen vlot en met een tevreden knikje ging haar moeder door. Maar van toen af begon ze te haperen, raakte in de war en van de laatste zes kende ze er geen een.
Haar moeders gezicht was hoe langer hoe ernstiger geworden.
"Noem je dat je les kennen?" vroeg ze.
Wies schudde van neen.
"Ik ook niet, dus zijn we het eens. Wat nu nog?"
Aarzelend reikte Wies haar grammaireboek aan.
"Het Participe Passé? Goed, begin maar."
Met den moed der wanhoop ving Wies aan, maar al heel gauw kon ze niet verder, stotterde en hield eindelijk heelemaal op.
Haar moeder trachtte haar door een paar vragen op den rechten weg terug te brengen, maar het hielp niet, ze wist er niet veel meer van.
Met een ontmoedigd gebaar sloot haar moeder eindelijk het boek. Men kon haar aanzien, dat het haar speet, dat ze nu genoodzaakt was, Wies niet naar het feestje te laten gaan.
"Het spijt me, Wies, maar ik moet je natuurlijk thuishouden van avond. Wat heb je vanmiddag uitgevoerd, in plaats van te werken?"
Louise's oogen vulden zich met tranen. Met bevende lippen verklaarde ze, niets anders gedaan te hebben, dan hare lessen geleerd.
"Dat is onmogelijk. Als je niet met iets anders bezig bent geweest, heb je zeker geslapen. In ieder geval, het resultaat is, dat je je lessen niet kent en ze dus over moet leeren."
"Mag ik dat morgenochtend niet doen?"
"Natuurlijk niet."
"Moet ik heusch thuis blijven van avond?"
"Dat spreekt toch vanzelf. Ga nu maar dadelijk aan het overleeren beginnen, anders zie ik nog aankomen, dat je die lessen vanavond nog niet kent."
Met deze woorden verliet ze de kamer.
Wies staarde haar na, tot ze de deur achter zich gesloten had en wierp zich toen snikkend in een gemakstoel.
"Mijn heerlijk avondje," steunde ze, "het zou zoo verrukkelijk geweest zijn en zoo mooi in den tuin en zoo gezellig. Het is altijd zoo dol prettig bij Lottie."
Ze schreide en snikte en voelde zich doodongelukkig, bij de gedachte aan wat ze nu misliep.
Na een poosje bedaarde het huilen en hare oogen afvegend, ging ze met een ruk rechtop zitten en verklaarde:
"Ik leer niets meer vanavond, ik doe het niet, als ik nooit eens pret mag hebben, werk ik ook niet meer."
Toen wrevelig van zich af schoppend:
"Het is weer zoo echt iets voor mij, juist vandaag zulke moeilijke lessen te hebben en Moeder, die altijd zoo streng is, andere meisjes kennen toch ook niet altijd hun lessen. Ik had ze best morgenochtend kunnen overleeren. Ik kan 't toch niet helpen, dat ik niet bij die droge dingen blijven kan. Het is niets lief van Moeder, nooit eens iets bij me door de vingers te zien, maar ik geef er de brui van, ik leer vanavond die lessen niet, ik doe het niet. Moeder kan me thuis houden, maar de lessen in mijn hersens pompen, kan ze niet."
Ze zag er alles behalve lief uit, zooals ze, met dien koppigen trek om haar mond, naar binnen ging, hare boeken in haar tasch pakte en een leesboek van het boekenrekje nam.
Met een brutaal gezicht ging ze daarin zitten lezen.
Haar moeder kwam juist binnen, na de kleintjes naar bed te hebben geholpen en ziende, dat Wies vol aandacht over een boek gebogen zat, lette ze er niet op, welk boek en liet haar rustig zitten.
Wies keek heelemaal niet op, ze scheen nu ernstig te leeren, maar na een half uurtje viel het haar moeder op, dat ze telkens een blad omsloeg.
Opeens ging haar een licht op.
"Welk boek heb je daar voor je, Louise?" vroeg ze.
Wies werd donkerrood.
Nu ze Moeders vragende oogen op zich gericht zag, werd ze zich op eens goed bewust, hoe brutaal ze gehandeld had.
Ze keek haar moeder met verschrikte oogen aan en durfde niet antwoorden.
Deze strekte haar hand uit, om het boek naar zich toe te halen en als verstijfd liet Wies haar begaan. Haar moeder keek het in, sloeg het titelblad op en zag toen Louise aan.
Deze zou dolgraag haar hoofd afgewend hebben, maar ze kon niet, als magnetisch voelde ze zich aangetrokken door de oogen harer moeder, die haar steeds strak aankeken.
Henk en Marietje zaten dit tooneel doodstil aan te staren, bijna zonder zich te bewegen.
Daar verbrak haar moeder de stilte.
"Hoe durf je," was alles, wat ze zei.
Ja, hoe had ze gedurfd. Ze begreep dat nu zelf niet.
"En je weersprak me vanmiddag nog al, toen ik zei, dat je onbetrouwbaar was. Ga direct uit mijn oogen, wat er morgen van je lessen terecht komt, moet je zelf maar weten, maar ik wil je geen oogenblik langer in mijn nabijheid hebben, ga naar je kamertje en naar bed en denk dan eens goed over je gedrag na."
Met droge oogen, maar met een gevoel van schuld, als ze zelden gekend had, stond Louise langzaam op.
Een nachtkus durfde ze haar moeder niet geven.
"Goedennacht, Moes," zei ze zacht.
Haar moeder wendde het hoofd af.
"Ga nu maar," zei ze en toen Wies nog aarzelde en staan bleef, deed ze, alsof ze niet meer in de kamer was en begon met Marietje te praten.
Met loome schreden ging Wies de trap op naar haar kamertje.
Toen ze binnentrad, was het er nog niet heelemaal donker en zonder haar kaars op te steken, knielde ze voor het raam neer en met beide armen op het kozijn steunend, staarde ze naar buiten.
De maan stond reeds aan den hemel en hier en daar flikkerde flauw een enkele ster.
Hoe heerlijk vreedzaam zag alles er uit, de tuintjes beneden haar in schemerlicht gehuld en boven haar die wijde hemel met die enkele schitterende puntjes.
Alles was zoo mooi, zoo rein, en zij.... zoo slecht.
Ze liet haar hoofd op hare armen rusten en hare tranen begonnen te vloeien, eerst een enkele, dien ze dadelijk met haar mouw afveegde, maar langzamerhand kwamen er al meer, en ze liet ze maar stroomen, te ellendig, om er verder op te letten.
Nu had ze schuld, nu had Moeder gelijk; al was die ook nog zoo boos op haar, het kon niet erger zijn, dan ze verdiende.
Dat ze vanmiddag haar lessen zoo slecht geleefd had, was niet goed, maar wat kon ze er aan doen, ze was nu eenmaal zoo. Iedereen zou begrijpen, dat ze liever vanavond gegaan was, dat ze dus niet expres zoo slecht geleerd had.
O, ze was een zwak, zwak schepsel, de natuur was onbarmhartig voor haar geweest, ze was nu eenmaal zoo, wat kon ze er aan doen.
Op dat oogenblik had ze bepaald medelijden met zichzelve.
Maar wat ze vanavond gedaan had, dat was leelijk geweest.
Ze wist, dat ze nooit in de week mocht lezen, het toch te doen, was dus al iets, dat niet goed was en nu vanavond, nu ze voor straf thuis moest blijven om haar lessen over te leeren, stil te gaan zitten lezen, dat was heel erg, dat voelde ze.
En genoten had ze niet eens van haar lectuur, daartoe was ze veel te onrustig geweest.
Wat had ze een spijt, toegegeven te hebben aan die leelijke inblazing, nu haar hoofd eens dwars te zetten en niet te doen, wat er van haar geëischt werd.
"Hoe durf je," had Moeder gevraagd. Ja, dat wist ze nu zelf niet.
Wat had Moes ernstig gekeken en zoo weinig gezegd.
Ze had veel liever een hevig standje gehad, ze had veel liever de hardste waarheden gehoord, dan zoo behandeld te worden, als Moeder gedaan had.
Zou ze haar nu nooit meer vertrouwen?
Als Vader het eens hoorde, als Moes het hem eens schreef.
Ze kromp ineen bij die gedachte. Vader zou het zoo vreeselijk vinden, hij vertrouwde haar zoo volkomen.
"Ik ben een ellendig schepsel, voor het ongeluk geboren," zei ze met pathos.
Wie lachte daar?
Het was haar, alsof ze Vaders lach vernam en zijn bekende stem hoorde zeggen:
"Wiesje, doe toch niet zoo mal, wees niet zoo overdreven."
Dat was het voornaamste, wat Vader tegen haar had, dat hij haar overdreven vond.
Och, als Vader maar niet zoover weg was!
Hare tranen waren nu gedroogd en ze staarde naar buiten, waar in het uitspansel hoe langer hoe meer sterren zichtbaar werden.
Hoe mooi, hoe heerlijk mooi. Zouden die sterren bewoonde werelden zijn, net als de aarde, zouden daar ook wezens op wonen, die plezier en verdriet hadden, die goed en slecht waren, net als de menschen.
Een sissend geluid wekte haar uit haar gepeins op.
Een oogenblik kon ze niet thuisbrengen, wat het zijn kon.
Toen flitste het door haar hoofd.
"Het vuurwerk."
Ze richtte zich op en staarde in de richting, waarin ze wist, dat het huis van Lottie lag.
Ze zag duidelijk enkele lichte stippen door de boomen heen schemeren en na een oogenblik steeg weer een vuurpijl sissend op. Wies volgde hem met de oogen, tot hij uiteen spatte.
Nu hoorde ze knetteren, zeker een vuurwerkstukje, dat ontbrandde, ze zag wel een lichtschijn, maar kon niets bepaalds onderscheiden.
Wat zou het nu mooi zijn, in dien tuin en door haar eigen schuld mocht ze er niet bij zijn.
Door haar eigen schuld?
Hoe kwam ze daar nu zoo op eens toe, om dat te denken, ze beweerde immers altijd, dat het haar noodlot was, waardoor ze dikwijls iets misliep.
Maar neen, ze voelde het nu plotseling, ze kon er wel wat aan doen, ze dwaalde licht af, dat was waar, maar ze streed ook niet tegen die fout, ze gaf er maar altijd aan toe.
Dat moest nu anders worden.
Ze werd zich bewust, dat ze voor een groot deel haar eigen lot in handen had, dat ze veel kon bijdragen tot haar eigen geluk, maar dat ze dan moest vechten tegen hare verkeerde neigingen, er niet aan toegeven, haar tijd niet verdroomen, maar wakker zijn.
En met haar wijd geopende oogen gericht op de schitterende sterren, deed ze bij zichzelf de gelofte, voortaan te strijden tegen al die fouten in haar karakter, die ze tot nog toe als aangeboren en daarom als niet te veranderen beschouwd had.
VIJFDE HOOFDSTUK.
DE WRAAK.
Den volgenden morgen ging Wies met een bezwaard hart naar school.
Ze was zich bewust, van hare jaartallen niet veel en van haar Fransche les zoowat niets te weten. Ze had plan gehad, 's morgens vroeg nog wat te leeren, maar had zich verslapen. Nu moest het maar gaan, zooals het ging, ze zou dragen, wat ze verdiend had, het was toch de laatste keer, want voortaan zou ze maken, dat ze hare lessen kende. Moeder was erg koel tegen haar geweest dien morgen, maar ook dat zou ze dragen, zonder er zich tegen te verzetten. Voortaan zou Moeder geen reden meer hebben om zoo te zijn.
Ze haalde Lottie af op haar weg naar school en deze betuigde dadelijk haar spijt, dat Wies er gisterenavond niet bij had kunnen zijn, het was zóó leuk geweest.
"Waarom heb je toch 's middags niet geleerd," voegde ze er bij, "we hadden dat toch afgesproken en ik heb het ook gedaan."
"Ik heb het geprobeerd, maar ik kon niet," zei Wies somber.
Lottie haalde haar schouders op en begon te lachen.
"Wat een gekheid, waarom zou je niet net zoo goed kunnen, als ik."
"Ik dwaalde aldoor af."
"Maar je hoeft toch niet af te dwalen, als je niet wilt."
Wies zuchtte.
"Och, dat weet je zoo niet, omdat je daar geen last van hebt. Natuurlijk is het in zoover mijn schuld, dat ik er mij niet tegen verzet heb. Het ergste is, dat ik nog geen woord van mijn lessen ken."
Lottie keek haar vriendinnetje verbaasd aan.
"Maar Wies!"
"Echt, je zult het zien. Daar beleef je vanochtend weer wat aan."
Lottie kon het niet helpen, ze moest alweer lachen, die Wies keek ook zoo tragisch.
"Kom, het zal wel losloopen, jammer, dat ik niet wat dichter bij je zit, dan kon ik je voorzeggen. Weet je wat, ik zal vragen, of Rie het doet, die kent hare lessen meestal goed."
Zoo gezegd, zoo gedaan, Rie, die naast Wies zat, werd gevraagd voor te zeggen, als het noodig was en beloofde het te zullen doen.
Het eerste uur was een rekenles, waarvoor de meisjes niets hadden behoeven te leeren en dus ging het rustig voor Wies voorbij.
Toen volgde de geschiedenisles, waarin de jaartallen overhoord werden en het lot was Wies gunstig, ze wist al de jaartallen, die haar gevraagd werden, op één na en dat fluisterde Rie haar nog bijtijds in.
Ze voelde zich erg verlucht, ze scheen een geluksdag te hebben, door het Fransch zou ze nu ook wel heenrollen, als Rie haar niet in den steek liet.
Juffrouw Faber scheen goed geluimd, ze begon al dadelijk een grapje te maken met een van de leerlingen, het zou dus wel terecht komen. Eenige meisjes hadden al een beurt gehad, nu zou zij weldra moeten antwoorden. Als Rie haar nu maar voorzei, want ze wist er eigenlijk niets van.
"Louise, les règles du Participe Passé des verbes pronominaux."
Daar hadt je het al, les verbes pronominaux hadden aparte regels voor hun deelwoord, ze wist wel zooiets van toevallig wederkeerig en noodzakelijk, maar hoe moest ze dat nu in het Fransch zeggen. En wat het verschil tusschen de deelwoorden van die twee was, dat wist ze heelemaal niet.
"Eh bien, Louise?"
Wies gaf Rie een schop onder tafel; toen begon ze:
"Le participe passé des verbes...."
"Accidentellement pronominaux," fluisterde Rie.
Wies haalde bijna onmerkbaar hare schouders op, ze verstond Rie niet.
"Accidentellement pronominaux," herhaalde Rie wat harder.
Juffrouw Faber keek haar strak aan.
"Marie," zei ze waarschuwend.
Rie dorst nu niets meer te zeggen, de juffrouw had geen oog van haar af.
"Continuez, Louise."
Wies kreeg het benauwd, ze wist er niets van, ze zou dus verder maar geen pogingen doen en zwijgen.
Lot deed haar best om de aandacht van Wies te trekken, misschien kon ze haar wel helpen, door duidelijk met de lippen te spreken, maar Wies staarde strak voor zich uit.
"L'éloquence même," zei juffrouw Faber op scherpen, onaangenamen toon, "la meilleure de mes élèves est décidément Louise Schotter."
Wies keek boos op.
De juffrouw hoefde niet met haar te spotten, ze kon haar een standje geven, maar dat eeuwige sarkasme van die Faber kon ze niet uitstaan.
"U hoeft me niet voor den gek te houden," barstte ze los.
Juffrouw Fabers gezicht verloor niets van zijn spottende uitdrukking.
"Ayez la bonté de répéter votre charmant discours en français, ma chère," zei ze kalm, "vous savez, qu'il est défendu de parler le hollandais pendant ma leçon."
Wies zweeg met een kleur van boosheid.
"Eh bien, j'écoute."
Nog zweeg Wies.
"Ne m'avez-vous pas compris, Louise. Répétez en français, ce que vous venez de dire."
Wies voelde haar bloed koken. Die afschuwelijke Faber, ze zou haar niet loslaten, voor ze haar gezegde in het Fransch herhaald had en ze wist niet, hoe ze het moest zeggen.
"Moquer," mompelde ze.
"Bravo, c'est ça. C'est le verbe se moquer, que vous cherchiez. C'est bien, continuez."
Eensklaps liet Wies haar hoofd op de bank zakken en barstte in tranen uit.
"Schei toch uit," mompelde ze.
Juffrouw Faber scheen te vinden, dat ze nu ver genoeg gegaan was, ze wendde zich tenminste tot een ander meisje en liet Wies verder met rust.
Na een poosje bedaarde ze, en na hare oogen afgeveegd te hebben, zat ze de juffrouw met zulk een boozen blik aan te staren, dat deze bepaald vermeed haar kant uit te kijken. Ze was zich bewust vanochtend wat ver te zijn gegaan. Louise was een zenuwachtig kind, daar had ze aan moeten denken, maar ze kende ook haast nooit hare lessen en had dan daarenboven iets brutaals over zich, dat haar irriteerde.
Om twaalf uur ging Wies met Lottie samen naar huis.
Eerst sprak ze geen woord en Lottie durfde ook niets zeggen, Wies zag er zoo door en door boos uit.
Na een poosje begon Wies:
"Von' je het geen schandelijke manier van me te behandelen?"
"Ja, hatelijk," beaamde Lottie.
"Maar ik zal me wreken," zei Wies somber.
Lottie keek een beetje angstig naar haar op.
Ze zag er uit, alsof ze tot de zwartste daden van wraak in staat zou zijn.
"Ik zou er maar niet meer aan denken," zei Lottie aarzelend.
Louise bleef staan van verbazing.
"Er niet meer aan denken? Zou jij dat kunnen, als je bespot en vernederd was voor de heele klasse, als je behandeld was op een manier, dat de honden geen brood van je zouden eten?"
"Mijn hemel, Wies, wat overdrijf je weer."
"Zoo, overdrijf ik. Welzeker, het is heel gemakkelijk zooiets voor nul en geener waarde te verklaren, als het je zelf maar niet overkomt."
Lottie, die oprecht met haar vriendinnetje meevoelde en haar alleen wat overdreven vond, stak haar arm door dien van Wies.
"Je weet best, dat ik het naar voor je vind, maar ik meen 't in ernst, wees verstandig en denk er niet meer aan. Het is nu eenmaal gebeurd en je kunt er toch niets aan veranderen."
"Ik kan me wreken."
"Dat zou ik maar niet beginnen, met zoo'n juffrouw trek je licht aan het kortste eindje. Heusch, Wies, je wint er niets mee en je brengt je eigen maar in onaangenaamheden."
Wies antwoordde niet meer.
Lot had gemakkelijk praten, maar ze moest iets doen, om de schande van die bespotting uit te wisschen.
Maar wat?
Den heelen verderen dag dacht ze er over na, maar ze kon niets vinden. Soms bedacht ze een of ander, waarmee ze de juffrouw zou kunnen plagen, maar dan verwierp ze het weer, omdat ze er iets kinderachtigs, ja zelfs iets lafs in vond.
Neen, ze moest wat bijzonders verzinnen, iets, dat een ander nog niet gedaan had, iets aparts.
Maar er schoot haar niets te binnen, dan een paar flauwe plagerijtjes, die een ander net zoo goed verzinnen kon, als zij.
's Avonds bij het sluiten van haar raam, zag ze weer den helderen sterrenhemel voor zich en eensklaps overviel haar de gedachte, dat ze zich had voorgenomen, goed te zijn en edel en dat ze zich dus niet wreken mocht.
Wraak was lafhartig en een bewijs van een kleine ziel.
Ze keek naar buiten, naar die rustige pracht en glimlachte.
Dat was een goede gedachte, dat zou ze doen.
Ze zou juffrouw Faber laten zien, hoe een edel meisje zich wreekt, ze zou haar doen voelen, dat ze boven haar bespotting stond.
Morgenochtend had ze weer les van haar, dan zou ze een mooien bouquet voor haar meenemen, ze zou wat vroeger van huis gaan en even bij den jongen, die altijd op den hoek van die dwarsstraat stond, wat mooie bloemen koopen, die had meestal zulke prachtige rozen.
Zoo gedacht, zoo gedaan.
Lottie was niet weinig verbaasd, toen ze Wies met een mooien bouquet zag aankomen en van haar hoorde, dat die bloemen voor juffrouw Faber bestemd waren.
"Hoe krijg je dat in je hoofd?" vroeg ze verbaasd.
"Dat is nu mijn wraak," antwoordde Wies met een triomfeerend lachje.
Ze wachtte juffrouw Faber bij de deur der klasse op en bood haar, zoodra ze verscheen, met een verlegen gezicht de bloemen aan.
De juffrouw nam werktuigelijk den bouquet aan en was blijkbaar zóó verbaasd, dat ze eerst vergat te bedanken. Wies was reeds in de bank, toen juffrouw Faber, de bloemen bekijkend, zeide:
"C'est très joli, ce bouquet, merci, Louise."
Toen ging ze naar haar plaats voor de klasse en legde de bloemen, tegelijk met hare boeken, op het tafeltje naast zich.
Lottie vond het zonde, dat die heerlijke rozen geen water kregen, ze had graag gevraagd, of ze de bloemen even in een glas water mocht zetten, maar ze durfde niet, want ze zou het in het Fransch moeten zeggen, fouten maken, het over moeten zeggen en zoo al meer. Daar zag ze tegen op.
De les begon.
Wies had haar uiterste best gedaan, haar les nu eens precies te leeren en een goedkeurend knikje van de onderwijzeres was haar belooning. Na het opzeggen van de lessen begon deze een nieuw gedeelte van de grammaire te behandelen en al pratende nam ze den rozenbouquet op, om er aan te ruiken.
Met een schreeuw gooide ze hem eensklaps weer neer, haar gezicht drukte afschuw, zelfs angst uit. De meisjes begrepen niet, wat er gebeurde.
"Een spin," stootte ze uit.
Een deel der meisjes begon te lachen.
Het was algemeen bekend, dat juffrouw Faber een grooten afschuw van spinnen had, ja, er gewoon bang voor was.
Lottie keek verschrikt naar Wies.
Was dat haar wraak?
Niet erg aardig verzonnen, eigenlijk een leelijke manier van doen, Wies viel haar tegen, tot zooiets had ze haar niet in staat geacht.
Wies zelf zat daar, stijf van schrik. Ze begreep dadelijk wat er van haar gedacht zou worden en ze had wel onder de bank willen kruipen, zoo zag ze op, tegen hetgeen er volgen zou.
Juffrouw Faber had zich van haar eersten schrik hersteld en zei nu op ijskouden, snijdenden toon, in haar verontwaardiging heelemaal vergetend Fransch te spreken:
"Louise, neem die bloemen weg en verlaat de kamer. Je behoeft tot nader order niet meer in mijn lessen te komen."
Wies verroerde zich niet, het scheen wel, of ze de woorden van de juffrouw niet verstaan had.
"Hoor je niet, wat ik zeg?"
Nu stond Wies op in haar bank en keek rond, als zocht ze iemand, die haar verdediging op zich nemen zou.
Maar nergens vond ze hulp.
Sommige meisjes waren hun lach nog niet meester en deden wanhopige pogingen, om hem te verbergen.
Anderen keken verontwaardigd naar haar, vonden haar zeker een naar schepsel, en eenigen, waaronder Lottie, zagen haar medelijdend aan, maar niemand sprak een woord.
Ze slikte eens, om de prop weg te krijgen, die ze in haar keel voelde en zei toen, wat schor:
"U denkt toch niet, dat ik het expres gedaan heb?"
Juffrouw Faber keek haar minachtend aan.
"Speel nu verder maar geen comedie," zei ze koud, "en doe, wat ik je zeg, neem die bloemen met inhoud op en verlaat de kamer. Ik zal na de les de zaak zelf aan de directrice meedeelen."
Het duizelde Wies.
Van zoo iets werd ze verdacht, van zoo'n minne wraak, om onder den schijn van een vriendelijkheid te bewijzen, iemand een hevigen schrik op het lijf te jagen.
Hoe was het mogelijk.
En iedereen scheen het te gelooven.
Lottie ook?
Ze keek naar haar vriendinnetje en dit sloeg hare oogen neer en vermeed haar aan te zien.
Dus Lottie ook.
Ze boog het hoofd en drukte haar zakdoek voor haar mond, om de snikken te smoren, die nu opwelden.
Toen verliet ze haastig haar bank en wilde de klasse uit gaan, maar werd teruggehouden door de scherpe stem van juffrouw Faber, die haar beval, de bloemen mee te nemen.
Machinaal voldeed ze aan dit bevel en een oogenblik later stond ze in de gang met den ongeluks-bouquet in haar handen.
Ze keek naar de mooie rozen, waarvan er eenige door de ruwe behandeling geknakt waren en die als verzoeningsteeken tusschen haar en juffrouw Faber hadden moeten dienst doen.
Het was weer haar gewone pech, die alles in de war gestuurd had. Wies Ongeluk, dat was ze wel! Dat nu zoo'n ellendige spin alles verkeerd moest doen loopen. Waar was het onzalige beest? Daar wandelde het rustig over de rozen en spon kalm een draad, onbewust van de ellende, die het aangericht had.
"Araignée au matin, chagrin." Dat rijmpje bevatte voor haar wel waarheid.
Toch wel een aardig beestje, hoe kunstig spon het zijn draad.
Eenige oogenbikken vergat Wies haar verdriet, zoo interessant vond ze de bewegingen van het spinnetje. Toen keerde ze met een zucht tot de werkelijkheid terug.
Wat nu te doen?
Ze moest zich bij de directrice gaan melden, als uit de les gestuurd, maar ze durfde niet. Die zou natuurlijk ook aan haar schuld gelooven en ze hield van het hoofd der school. Ze zou het vreeselijk vinden, als die haar tot zoo iets in staat achtte en toch was de schijn tegen haar.
Ze legde de bloemen op den grond en tegen den muur geleund, schreide ze, haar gezicht met beide handen bedekkend.
Lot geloofde het ook.
Hoe was het mogelijk, zij zou Lottie zeker niet van zoo iets mins beschuldigd hebben.