Wies Ongeluk

Part 3

Chapter 34,192 wordsPublic domain

"Vooral als Moeder dan binnenkomt en je met je handen in je schoot vindt zitten droomen, in plaats van te studeeren," plaagde Henk.

"Dan hoor ik muziek."

Nu lachte haar moeder hartelijk.

"Doe toch zoo gek niet, kind, je maakt je bespottelijk. Als je dan toch die dure muzieklessen hebben moet, maak dan ten minste, dat je er wat van leert. Toen ik je laatst op het partijtje van Marietje vroeg, wat dansen te spelen, deedt je dat zoo mooi, dat de kinderen er onmogelijk op dansen konden. Of je al over muziek zit te droomen, zooals je beweert, daar kom je niet verder mee. Ik heb Vader beloofd, er goed op te letten, dat je studeert en het hem te schrijven, daar mag je wel aan denken."

Wies staarde voor zich uit. Tot ergernis van haar moeder, lag haar breiwerk weer rustig in haar schoot.

"Ja, ziet u," zei ze peinzend, "ik wil wel goed studeeren, ik neem het me altijd voor, maar ik kan het niet volhouden, ik vergeet het. Weet u, wat ik wou? Dat er een fee was, die me een ring cadeau gaf, die me, telkens als ik afdwaalde, een prikje in mijn vinger gaf. Heusch dat wou ik."

"Ik denk, dat je dien ring gauw af zoudt leggen. Maar zou het niet hetzelfde effect hebben, als ik je eens een flinken tik op je vingers gaf, als ze werkeloos op de toetsen lagen?"

Nu moest Wies zelf lachen.

"Hoe vreeselijk prozaïsch, neen hoor, ik had liever mijn ring."

"Als het hielp, wilde ik, dat ik je hem bezorgen kon. Maar nu wordt het tijd, om naar bed te gaan. Toe, rol dat werk wat netter op. Zoo, geef maar hier. Slaap lekker!"

Zoodra Wies in bed lag, sliep ze in. Ze was werkelijk heel moe door al de emoties, die de dag gebracht had.

Zoo tegen een uur of één werd ze echter plotseling wakker.

Wat hoorde ze toch?

Wat een vreemd gesteun en gekraak.

Ze richtte zich in bed op en luisterde.

Dat was de wind.

En wat een gekletter op het dak, vlak boven haar hoofd.

Een stortregen stroomde neer op de zinken platen, die het bovenste deel van het dak bedekten en maakte een leven als een oordeel.

Geen wonder, dat ze wakker geworden was, haar kamertje lag op de zolderverdieping, zoodat ze alles uit de eerste hand had.

Nu hield de regenvlaag op, gelukkig, nu zou ze probeeren weer in te slapen.

Ze legde zich neer en trok de dekens tot over hare ooren.

Ze was nog zoo moe, ze wilde slapen.

Wat was dat nu weer?

Hagel, het was bepaald noodweer.

De wind scheen steeds heviger te worden, den schoorsteen hoorde ze duidelijk kraken, dat was geen wind meer, dat was storm.

Met een ruk zat ze overeind.

Storm.... en Vader op zee.

Hoe was het mogelijk, dat ze daar niet dadelijk aan gedacht had. Ze was zeker nog niet goed wakker geweest, maar nu was haar geest helder en kon ze de gedachte geen oogenblik meer van zich afzetten: Vader in dezen storm op zee.

Haar altijd levendige verbeelding deed haar het schip zien, op en neer geduwd door de onstuimige golven, overgeleverd aan het woeste spel van den storm.

Ze zag het groote schip als een notedop dansen op het water en dan weer de hooge golven over het dek slaan.

Ze had nooit een schip in nood gezien, nooit zelfs de zee bij stormweer, maar haar phantasie kwam haar te hulp en ze zag letterlijk voor hare angstige starende oogen het schip in nood, het schip, waarop haar vader zich bevond, waarvan hij commandant was, dat hij dus nooit zou mogen verlaten, waarmee hij ten gronde zou moeten gaan.

Hij zou met het schip moeten vergaan.

Die gedachte zette zich vast in hare hersens en liet haar niet meer los.

Vader was zoo dapper, hij zou zijn schip niet verlaten, hij zou liever een eervollen dood sterven, dan zonder zijn schip te moeten terugkeeren.

Dat was wel mooi, hij zou dan als een held sterven en ze dweepte met helden, ze had altijd een gloeiende bewondering gevoeld voor ieder, die zich opofferde aan zijn plicht. Als ze las van een brandweerman, die niet geaarzeld had, zich in een brandend huis te begeven, om een achtergelaten kind te redden, dan gloeide ze van geestdrift; groote daden doen, voor niets terugdeinzen, geen moeielijkheid te groot achten, dat was prachtig!

"En beginnen met je dagelijksche plichten nauwkeurig en goed te doen."

Och ja, dat had Vader tegen haar gezegd, toen ze een paar dagen geleden ook zoo geestdriftig gesproken had, over een held, waarvan ze gelezen had.

Vader had gelijk, daar moest je mee beginnen, maar dat was juist zoo moeielijk, omdat je er zoo weinig eer van hadt en het meestal niet eens opgemerkt werd, als je je best gedaan had in kleinigheden.

Vader zag het nog wel eens en kon je dan zoo heerlijk aankijken, maar Moes merkte het nooit. Die viel het meer op, als je niet deedt, wat je moest.

O, wat een rukwind!

Angstig kroop Wies ineen.

"Vadertje, Vadertje," kreunde ze, met opgetrokken knieën in bed zittend, haar hoofd voorover gebogen, "was u toch maar bij me."

Weer een stormvlaag.

Even richtte ze luisterend het hoofd op, toen liet ze het op hare opgetrokken knieën zinken en smoorde een kreet van doodsangst.

Als Vader als een held stierf, kwam hij nooit meer bij haar terug!

O, neen, neen, dat kon niet, dat mocht niet, hij moest terugkomen, mocht niet sterven, ze zou niet zonder hem kunnen leven, ze zou veel liever zelf doodgaan, aan haar was niets verbeurd, maar zonder Vader konden ze geen van allen.

En de mogelijkheid bestond, met zoo'n storm kon men voor niets instaan, ze werd hoe langer hoe angstiger en zenuwachtiger.

Nu scheen de wind wat te bedaren, maar slechts voor een poosje, daarna gierde hij nog heviger dan te voren.

Wies kon het in bed niet meer uithouden ze stond op, stak een kaars aan en keek rillend en bevend haar kamertje rond.

Daar stond op haar kastje Vaders laatste portret. Ze nam het op en keek er gretig naar. Zijne vriendelijke oogen gaven haar weer wat moed en hare angstige trekken ontspanden zich, maar slechts voor een oogenblik.

Toen kreeg de angst weer de overhand en het portret haastig neerzettend en bevend over haar geheele lichaam, sloeg ze hare handen voor hare oogen en kreunde.

Het vreeselijke zou gebeuren, alles wees er op, had ze dien middag het portret niet laten vallen en was het glas niet gebarsten?

"O Vader, Vader dan toch, waar bent u op het oogenblik, wat doet u, wat gebeurt er met u!"

Ze liet zich op den grond vallen en snikte het uit.

De plof van haar neervallend lichaam deed haar moeder, wier kamer onder de hare was, niet weinig ontstellen.

Ze luisterde een oogenblik en hoorde toen duidelijk boven haar hoofd het wanhopend gesnik van haar dochtertje.

Opstaan en naar boven loopen was het werk van een oogenblik en even bleef ze ontsteld staan, toen ze Wies daar zoo op den grond zag liggen huilen.

Ze ging naar haar toe en haar oprichtend vroeg ze, wat er aan scheelde, had ze ergens pijn?

Wies schudde heftig van neen.

"Wat is er dan?"

"Vader, Vader, de storm."

Haar moeder, die zelf door het noodweer, in verband met het vertrek van haar man, niet had kunnen slapen en zich zenuwachtig en overspannen voelde, zei wat ruw:

"O, is het dat. Maar daarom behoef je je toch niet zoo aan te stellen. Denk je soms, dat ik den wind niet hoor, maar lig ik daarom als een waanzinnige op den grond? Kom sta op en ga weer in bed."

Die woorden werkten als een stortbad.

Instinctmatig stond Wies op en ging naar haar bed.

"Kruip er maar gauw in, dan stop ik je lekker toe, je rilt van de kou, dwaas kind, dat je bent."

"Niet van kou, van angst," verbeterde Wies.

"Je schijnt je gevoelens nog precies te kunnen ontleden. Ziezoo, hou je nu verder bedaard en maak het heele huis niet wakker met je spektakel."

Wies greep haar moeders hand, toen deze de dekens nog wat optrok.

"Bent u heelemaal niet bang?" fluisterde ze.

"Natuurlijk vind ik dien wind niet prettig, maar ik laat mijn verstand spreken en dat zegt, dat het best mogelijk is, dat Vaders schip niet te lijden heeft onder den storm, het is al zooveel uren onderweg, nietwaar, en in ieder geval, het is een stevig schip en kan best tegen een stootje. Er is heusch geen reden, om zoo beangst te zijn, en in geen geval mag je je zoo aanstellen, daar doe je niemand en niets goed mee."

Wies voelde zich kalmer worden. Moeders woorden waren niet prettig, de toon van haar stem niet heel vriendelijk, maar ze kalmeerden haar, haar groote angst verdween langzamerhand.

"Maar het portret," fluisterde ze nog.

"Welk portret?"

"Van Vader, dat ik vandaag heb laten vallen."

"Ja, dat spijt me genoeg, maar wat zou dat?"

Wies aarzelde.

Ze durfde Moeder haast niet zeggen, wat haar op het hart lag, Moeder was zoo wars van dat soort van dingen, maar ze wilde toch zoo dolgraag uit haar eigen mond hooren, dat het onzin was, wat Betje vanmiddag gezegd had.

"Is het geen slecht voorteeken, als iemands portret valt, en het glas breekt?"

Haar moeder keek haar verbaasd aan.

"Een slecht voorteeken? Wie heeft je die malligheid wijs gemaakt. Begin je nu ook al aan voorteekens te gelooven? Je wordt hoe langer hoe dwazer, kind, ik zal eens goed op je letten in den eersten tijd en je maar eens flink aan het werk zetten, zoodat je geen tijd hebt, om aan al die bespottelijke dingen te denken en er over te lezen. Geef me nu maar een zoen en zet al die nonsens uit je hoofd. Ik zou maar gauw zien in te slapen, anders ben je morgen den geheelen dag weer zoo soezerig en onmogelijk."

Wat overbluft door haar moeders vlug achtereen gesproken woorden, staarde Wies droomerig voor zich uit.

"Ja Moes," was al wat ze antwoordde.

Haar moeder glimlachte.

Het leek wel, of ze al half sliep.

"Goedennacht dan," zei ze wat vriendelijker, "en slaap lekker."

Weer in haar eigen kamer gekomen, bleef ze nog een oogenblik in een gemakstoel zitten. Slapen kon ze toch niet, die storm werkte op de zenuwen, dat was waar en wekte akelige gedachten op, maar men moest zijn verstand gebruiken en geen zorgen voor den tijd maken.

"Die Wies," dacht ze toen, "dat overdreven, dwaze schepseltje. Ik had innig medelijden met haar, ze was werkelijk heel angstig en zenuwachtig, maar ik mag daar niet aan toegeven. Haar vader bedierf haar wel wat, ze is er in de laatste jaren niet op vooruit gegaan, wat haar humeur en zelfbeheersching betreft. Ik zal haar maar flink aanpakken, en niet toegeven aan al haar dwaze, overdreven ideeën. Een mensch is nu eenmaal niet op de wereld, om zijn leven te verdroomen."

VIERDE HOOFDSTUK.

NOODLOT OF EIGEN SCHULD?

"Zeg Wies, vraag, of je vanavond bij me mag komen, mijn broer is jarig, er komen meer menschen. Ik vond al die volwassen lui zoo vervelend en daarom heb ik gevraagd, of jij bij mij mocht komen."

"Heerlijk, ik hoop, dat Moeder het goed zal vinden."

"Dat zal wel, waarom zou ze niet. Het zal vreeselijk leuk zijn, de tuin wordt met lampions geïllumineerd en er wordt nog een vuurwerkje afgestoken ook. Het kan nu zoo goed, met die lange Juni-avonden en het is tegenwoordig zulk mooi weer."

"Wat eenig, wat zal dat prachtig staan, jullie tuin is toch al zoo mooi met al die boomen en struiken."

"Ja, 't is een heerlijke tuin, voor een stadstuin. Je komt dus hè?"

"Als 'k mag. Ga je om twaalf uur even mee om het te vragen?"

"Goed," en de twee vriendinnetjes stapten de school binnen, beiden vervuld van de pret, die hun vanavond te wachten stond.

Toch was Wies niet zoo heel zeker van de toestemming van haar moeder.

Een paar dagen geleden was deze naar de directrice der school geweest, om eens naar haar te informeeren, en hetgeen ze daar gehoord had, was niet zoo heel gunstig geweest. Het waren de oude klachten, ze kon wel, maar lette niet op en dwaalde veel te veel af. Het stond zelfs maar zóó zóó, of ze over zou kunnen gaan, dat zou nog van de laatste zes weken afhangen. De juffrouw had er ook over geklaagd, dat ze hare lessen niet altijd kende, en Moeder was allesbehalve tevreden thuis gekomen. Ze vond dus dat hare kansen, om vanavond te mogen gaan, niet zoo heel goed stonden.

Om twaalf uur holden de meisjes naar huis.

"Is Moeder in de huiskamer?" vroeg Wies aan Betje, die opendeed.

"Ja, Mevrouw zorgt voor de koffietafel, geloof ik."

Nog voor ze uitgesproken had, was Wies haar al voorbij gedrongen, gevolgd door Lottie.

Ze duwde de deur der huiskamer open en stormde op haar moeder af.

"Moes, mag ik vanavond naar Lottie gaan, haar broer is jarig en nu is er een feest, de tuin wordt geïllumineerd, het zal eenig zijn."

"Ze mag hè, mevrouw, toe zeg u maar gauw ja."

Mevrouw Schotter legde brood en mes neer en keek van het eene meisje naar het andere.

"Dag meisjes," zei ze kalm. "Wil je even de deur achter je toedoen, Wies. Zoo, ik dacht, dat de wind plotseling opgestoken was, zoo vloog die deur open. Kwam je vragen Lottie, of Wies vanavond bij je mocht komen?"

"Ja mevrouw," zei Lottie, nu heel wat bedaarder.

Mevrouw Schotter aarzelde even, gespannen keken de meisjes haar aan.

"Ik mag toch, Moes," drong Wies aan.

"Toe ja, mevrouw," viel Lottie haar bij.

Mevrouw Schotter schudde ontkennend het hoofd.

"Ik geloof niet, dat het gaan zal. Je weet misschien niet, Lottie, dat ik eergisteren allesbehalve gunstige inlichtingen omtrent Wies gekregen heb van de directrice van de school, ze klaagde er over, dat Wies slecht haar lessen kende en altijd onoplettende fouten maakte.

Dus vind ik, dat ze 's avonds haar tijd aan haar werk moet besteden en niet uit mag gaan."

Lottie keek diep teleurgesteld.

Wat Wies betreft, de tranen stonden haar nader dan het lachen.

"Ze kan vanmiddag werken," opperde Lottie, "we hebben toch onzen vrijen middag."

"Hè ja, dat kan best," zei Wies, vervuld van nieuwe hoop.

"We hebben niet heel veel te doen," voegde Lottie er nog aarzelend bij.

Wies keek haar eens aan.

Wat jokte die Lot, ze hadden juist veel werk, morgen repetitie van die vervelende, droge jaartallen, en nog repetitie van Fransche grammaire. Het trof zoo slecht, dat ze midden in die repetitie zaten.

Mevrouw Schotter dacht even na.

"Nu, weet je wat, ik zal Wies dadelijk na het eten haar lessen overhooren en als ze die dan heel goed kent, mag ze gaan."

Lottie klapte vroolijk in hare handen.

"Heerlijk, ze kan ze vanmiddag gemakkelijk leeren, ik moet dat natuurlijk ook."

"Ze moet eerst nog pianostudeeren."

"O, mevrouw, de middag is lang. Dol, dat u het goed vindt. Dag mevrouw. Tot vanavond Wies."

Bij de voordeur liep ze tegen Henk aan, die juist binnen kwam.

Deze pakte haar lachend beet en tilde haar in de hoogte.

"Dag Lot, lekkere dot," rijmde hij.

Lottie worstelde zich los.

"Wil je dat wel eens laten, brutale jongen," gierde ze, hard wegloopend.

Nog lachend kwam Henk de kamer binnen.

"Wat moest dat grappige, kleine ding hier?" vroeg hij.

"Grappig klein ding," zei Wies verontwaardigd, "Lot is mijn vriendin en even oud als ik."

"Is die peuter al veertien, och kom!" en Henk trok een ongeloovig gezicht.

Zijn zusje vatte vuur.

"Omdat jij zulke onmogelijke ooievaarsbeenen hebt, is een ander in jouw oogen altijd een dwerg, ze is gewoon een snoes hoor."

"Echt?" spotte Henk, "maar dan toch een dwergachtige snoes, en...."

"Zou jullie niet eens beginnen," viel hun moeder in, "me dunkt, dat het tijd wordt, je bent laat vandaag, Henk."

"Ja Moes, ik had nog wat af te spreken met een van de jongens en toen heb ik hem even thuis gebracht."

"Die jongen woonde zeker in de buurt van Ina van Wal, hè?" fluisterde Wies.

"Hou je mond," mompelde haar broer.

Toen allen genoeg gegeten hadden zei Moeder:

"Weet je wat, Wies, begin nu met pianostudeeren, terwijl ik hier afwasch met Marietje. Ik ga straks met de kinderen wandelen, als de kleintjes geslapen hebben, dan kun jij je lessen leeren voor morgen. Het is beter, dat je studeert, terwijl ik nog thuis ben," voegde ze er glimlachend bij.

Wies lachte ook.

Het was waar, als Moeder er niet was om te luisteren, kon ze zoo heerlijk zitten soezen voor de piano. Maar vandaag zou ze flink studeeren, dat nam ze zich stellig voor en met goeden moed begon ze hare vingeroefeningen.

Na tien minuten gespeeld te hebben, merkte ze, dat Moeder met Marietje de kamer verlaten had en ze dus alleen was.

Ze rekte zich eens uit en gaapte. Hoe vreeselijk saai waren toch die eentonige oefeningen.

Nu nog die even saaie gamma's. Ze begon, maar hare gedachten waren er niet bij, ze struikelde dan ook gedurig over hare vingers. Zonde van den tijd toch, ze had zooveel te doen voor school, ze kwam nooit klaar.

Als Moeder niet thuis geweest was, zou haar grammaire op de piano gezet en onderwijl wat geleerd hebben, die gamma's gingen toch immers machinaal, maar nu durfde ze niet.

Ze hadden die afschuwelijke regels van de Participe Passé te herhalen en ze kende er nog niets van, want ze had ze slecht geleerd. Dat was juist dien avond geweest, toen ze dat leuke versje gemaakt had, dat Lot zoo mooi vond.

Ze zat nu rustig met hare handen in haar schoot en probeerde, of ze dat versje nog zou kunnen opzeggen:

De lente was gekomen, De bosschen waren groen, Ik zat heerlijk te droomen, Op een bankje in 't plantsoen, Daar kwam een kleine elf, Uit een der bloemen gekropen, 't Was 't bloemengeestje zelf, Dat daar kwam aangeslopen. "Lief meisje," sprak het....

"Louise, Louise, kan ik je dan geen vijf minuten alleen laten, zonder dat je ophoudt met je oefeningen?"

Verschrikt keerde Wies zich om.

Moeder stond achter haar en keek haar verwijtend aan.

Ze boog dadelijk het hoofd, ze had veel liever, dat Moeder boos keek, dan zooals ze nu deed.

"Kind," zei deze nog, "als je wist, wat het me een verdriet doet, dat je zoo weinig vertrouwbaar bent."

Ontsteld keek Wies haar aan.

Weinig vertrouwbaar, was ze dat werkelijk?

"Ben ik niet te vertrouwen?" stotterde ze.

Haar moeder zag, dat hare woorden het meisje hadden doen schrikken.

"Wat noem je het anders," zei ze, niet onvriendelijk, maar ernstig, "als je me belooft, goed te studeeren en ik geen oogenblik de kamer uit kan gaan, zonder dat je ophoudt met spelen?"

Wies voelde, dat Moeder gelijk had.

"Maar ik doe het niet expres," zei ze zacht.

"Niet expres, je bent toch een meisje van veertien jaar, je hebt toch je verstand, wat moet ik er dan van denken, als je zoo handelt. Als je nog een klein kind was, zou ik zeggen, dat je erg ongehoorzaam was, maar nu noem ik het onbetrouwbaarheid."

Wies zuchtte diep en begon opnieuw de gamma van g, die ze straks had afgebroken, om even te probeeren, of ze dat gedichtje nog op kon zeggen.

Haar moeder bleef nu in de kamer, totdat de tijd van studeeren om was, en ging toen Betje helpen de kleintjes aan te kleeden, om daarna met hen en Marietje te gaan wandelen.

Wies stond voor het raam hen na te kijken. Ze wuifde de kinderen toe, zoolang ze hen zien kon, lekkere ventjes toch die Stan en Janneman.

Toen keerde ze zich met een zucht om en zocht hare boeken bij elkaar, om aan hare lessen te beginnen.

Wat zou ze eerst doen?

Die jaartallen maar. Hoeveel had ze er te leeren?

Even tellen.

Lieve deugd, dertig, hoe kreeg ze die ooit in haar hoofd. Het was wel repetitie, maar ze geloofde niet, dat ze er nog veel van wist.

Met haar hoofd op beide handen gesteund, haar geschiedenisboek voor zich op tafel, begon ze.

1565 Verbond der edelen.

Jawel, dat wist ze, en het volgend, 1566 ook, 1568 wist ze natuurlijk wel, dat was ook nog Vaderlandsche geschiedenis, maar er stond meer bij.

"Maria Stuart vlucht naar Engeland en wordt door Elizabeth gevangen gehouden."

Zoo in-gemeen toch van die Elizabeth, Maria zocht bescherming bij haar en uit jaloezie hield ze haar gevangen. De juffrouw zei wel, dat er heel andere redenen bij kwamen, ze was vergeten wat ook weer, maar zij was er zeker van, dat Elizabeth jaloersch was op haar mooie nicht. Die Maria Stuart was haar toch altijd zoo sympathiek geweest, arm koninginnetje, zoo vroeg al weduwe van den Franschen dauphin, waar ze zooveel van hield en gedwongen het heerlijke Frankrijk te verlaten, waar ze zich zoo gelukkig gevoeld had.

Hoe was dat mooie gedicht ook weer?

Adieu charmant pays de France, Que je dois tant chérir, Berceau de mon heureux enfance Adieu, te quitter, c'est mourir.

Wat klonk dat toch mooi, charmant pays de France, als de Fransche juffrouw op school dat opzei, met haar mooie uitspraak, klonk het zoo echt.

Een lief mensch, de Française, waarvan ze leesles hadden, veel liever dan juffrouw Faber, die het gramaticale gedeelte behandelen moest, omdat de andere geen Hollandsch kende.

Juffrouw Faber was zoo ongemakkelijk, zoo precies. Dat zou morgen weer wat zijn, met de Participe Passé, ze wist er geen woord van en had al zooveel slechte cijfers voor Fransch bij juffrouw Faber. Niet bij de Fransche snoes, die was heel tevreden, en zei, dat ze een goede uitspraak had en gevoel wist te leggen in wat ze las.

Hare gedachten dwaalden zoo langzamerhand heelemaal af van hare jaartallen en ze zat in diep gepeins voor zich uit te staren, toen ze de pendule op de schoorsteenmantel hoorde slaan.

Verschrikt kwam ze weer toch zichzelf. Al vier uur, nog maar een goed uurtje en ze kende nog niets.

Met hare vingers in hare ooren, om toch niet afgeleid te worden, boog ze zich over haar boek en deed haar best haar aandacht bij hare jaartallen te bepalen. Aanvankelijk gelukte haar dit en een half uurtje was ze werkelijk ingespannen bezig. Toen dacht ze wel, dat zij ze kende.

Met hare armen boven haar hoofd, rekte ze zich eens flink uit, zoodat de leuning der stoel, waarop ze zat, kraakte.

"Even opstaan, me even bewegen," dacht ze en de daad bij het woord voegend, duwde ze haar stoel achteruit en begon de kamer rond te loopen.

Voor het raam viel haar oog op een musschenpaar, dat op het dak van het tegenoverliggende huis een nestje scheen te bouwen. Een der dakpannen was kapot en door die opening zag Wies het vogelpaartje in en uitgaan, druk strootjes en veertjes aandragend.

Hoe snoezig toch, die dotten maakten een warm nestje voor hun toekomstige kindertjes. Wat was dat mooi, de zorg, die de dieren instinctmatig hadden voor hun jongen. Wat snoezig zou dat zijn, als in het nestje eerst eitjes gelegd werden en dan later de jonge vogeltjes er uitkwamen. Ze zag ze voor zich, met hun kleine, nog kale lijfjes en groote bekken, gretig opengesperd om het voedsel te ontvangen, dat hun vadertje en moedertje voor hen aanbrachten. En als dan die lijfjes langzamerhand met dons bedekt werden en dat dons in veertjes overging....

Hé, wat was dat?

"Henk, wat doe je me schrikken, ik wist niet, dat je binnen gekomen was."

"Was je weer in hooger spheren? Zeker al klaar met je werk?"

"Klaar?"

Zijn zusje keek hem afgetrokken aan.

Henk lachte vroolijk.

"Wat zie je er snugger uit. Weet je wel, dat het al bij vijven is."

"Bij vijven? Och neen! Ik ken nog geen woord van mijn grammaire," en Wies nam, rood van schrik, haar boek op en begon ijverig de regels te lezen en te herhalen, die ze voor morgen kennen moest.

"Daar komt Moeder aan," zei Henk en liep naar de voordeur om open te doen.

Toen ze een half uur later aan tafel zat, was Wies zich bewust, dat ze hare lessen voor morgen niet kende.

Ze was stiller dan anders en trachtte brokstukken van de grammaire in haar gedachte op te zeggen, maar telkens bleef ze steken.

Hoe moest dat straks gaan, als Moeder haar overhooren zou.

Ze zou er niets van terechtbrengen en dan zou ze niet mogen gaan vanavond.

Maar neen, dat kon toch niet, ze had zich zóó op dat feestje verheugd.

Ze had zich toch zoo vast voorgenomen, hare lessen vanmiddag goed te leeren, ze had toch ook niets anders gedaan, alleen maar even aan iets anders gedacht, dat kon ze toch niet helpen. Ze wou, dat ze nog in den tijd van de feeën leefde en dat er een was, die haar beschermen wilde en haar straks alles heel zacht influisterde, zoodat ze het maar te herhalen had.

"Heb je hoofdpijn, Wies?" vroeg haar moeder, "je bent zoo stil."