Wies Ongeluk

Part 2

Chapter 24,216 wordsPublic domain

Hoewel bang voor hare bloemen, liet Wies ze toch een oogenblik begaan, ze zagen er zoo snoezig uit in hun donkerblauwe truitjes, met hun blonde krullebollen en roode wangetjes.

"Ziezoo, jongens, nu is het mooi geweest, geef ze me nu terug."

Maar dat was niet naar den zin van haar broertjes.

Stan drukte zijn tak seringen stevig tegen zich aan, zoodat de paarse bloempjes over den grond gestrooid werden en verklaarde:

"Neen, we geven ze niet terug."

Jantje volgde zijn voorbeeld en zijn tak witte seringen aan zijn hartje drukkend, zei hij beslist:

"Neen, dat doen we niet, hoor."

Wies werd er zenuwachtig van.

Haar mooie bloemen, waarvoor ze zooveel betaald had.

"Geef ze dadelijk hier, dadelijk," zei ze driftig, Stan bij een arm grijpend, terwijl ze trachtte hem de seringen af te nemen.

Ze scheen hem wat heel stevig te hebben beetgepakt, tenminste, hij zette het op een schreeuwen en den tak woest van zich afgooiend, riep hij: "Betje, Bet!"

Jantje zette nu ook een keel op, ofschoon hij met geen vinger was aangeraakt en schreeuwde mee: "Betje, Bet!"

Verschrikt kwam het meisje aanloopen, wat was er gebeurd?

Ze vond de kinderen nog steeds huilend en Wies, die met een boos gezicht de gehavende bloemtakken bekeek.

Zoodra de jongens Betje zagen, vlogen ze op haar af en klemden zich aan haar vast.

"Wat is er, kinders, wie heeft jullie wat gedaan?"

"Wies heeft ons geknepen," snikte Stan.

"Wies heeft ons geknepen, hoor," herhaalde onder dikke tranen Jantje.

"Dat u zich niet schaamt, zulke kleine schapen te knijpen," en met een verontwaardigd gezicht knielde ze tusschen de kinderen in en trachtte hen te sussen.

Wies, toch al driftig om het gebeurde met de bloemen, viel uit:

"Zeg, zorg jij liever, dat zulke kleine kinderen niet alleen in de kamer zijn. Waarom was je niet bij hen? Zeker weer aan het babbelen met Ant."

Betje's gezicht werd rood van kwaadheid.

"Wel ja, nou nog een mond ook tegen mijn! Dat zul je altijd zien, zelf niks uitvoeren en alles aan mijn overlaten en dan snauwen, maar ik dank je...."

Het verdere ging in gebrom verloren, want Betje had met de twee jongetjes de kamer verlaten.

Met een zucht van verlichting liep Wies naar de kamerdeur, om die dicht te doen. Ze zou den sleutel maar omdraaien, dan kon er niemand in om haar te hinderen, het was hoog tijd, dat ze begon.

Het portret hing wat hoog, maar als ze er met een stoel bij klom, zou het wel gaan.

Maar wacht, ze zou eerst den krans vlechten en hem dan rond het portret hangen.

De seringen waren niet mooi meer, de trossen waren geknakt, maar dat was niet erg, ze kon ze toch ook moeielijk in hun geheel in een krans gebruiken, ze zou ze stuk knippen, er kleine takjes van maken.

Met ijver ging ze aan het werk en daar ze smaak had en niet onhandig was, als ze iets doen kon, wat ze graag deed, was er al spoedig een aardig kransje gereed.

Met verrukte oogen keek ze er naar, hoe mooi zou dat staan, als ze hem om het portret gehangen had.

Bons, bons op de deur.

"Zeg, mankeer je het, waarom sluit je je op?"

Dat was Henk's stem.

Zenuwachtig stond Wies op, waren ze toch nog maar even weggebleven, dan hadden ze de verrassing ineens in volle glorie kunnen zien.

"Toe, wacht nog even, ik zal je dadelijk inlaten."

"Waarom doe je niet open? Wat voer je uit?"

"Dat zal je zoo meteen wel zien."

Nu kwam Marietjes stem tusschenbeide.

"Maar er moet gedekt worden."

Verschrikt keek Wies op de pendule. Zoo laat al?

"Ja, dat moet dan maar wachten, ik doe niet open," antwoordde ze zenuwachtig.

Bons, bons, klonk het weer.

Haastig sleepte Louise een stoel tot onder het portret.

"Zeg, breek je de boel af?" riep Henk.

"Je maakt toch niets kapot?" vroeg Marietje.

Daartusschen klonk Bet's stem, die haar schijnbare onaardigheid tegen de kleintjes vertelde.

Dat gaf een oogenblik rust en Wies haastte zich haar versiering aan te brengen.

De stoel bleek niet hoog genoeg, vlug zette ze er nog een voetenbankje op.--Zoo, nu kon ze er bij.

Hè, wat mooi stond dat!

Verrukt stond ze er naar te kijken.

Bons, bons.

Ze schrikte zoo hevig van dat onverwachte geluid, dat ze kantelde, haar hand uitstrekte en onwillekeurig het portret greep, dat van den spijker gleed, waaraan het was opgehangen.

Ze verloor nu heelemaal haar evenwicht, rolde met voetenbankje en al van den stoel en kwam met een smak op den grond terecht. Een oogenblik zat ze versuft terneer, toen keek ze naar het portret, dat ze nog altijd in haar hand hield en zag, dat het glas gebarsten was. De krans lag naast haar en had ook geleden door den val.

De gewaarwording van pijn, die ze eerst gehad had, loste zich op in een gevoel van wanhoop.

Dat had ze nu voor al haar moeite en kosten, dat was nu het resultaat.

Intusschen was het bonzen op de deur steeds heviger geworden en echte angst klonk in haar zusjes stem, toen ze smeekte, toch open te doen. Wat deed ze toch, wat gebeurde er, wat was er omgevallen met zoo'n smak?

Henk dreigde een smid te halen, om het slot open te breken en Betje verzekerde, nog nooit zoo iets bijgewoond te hebben en deed intusschen haar best, de kleintjes te bedaren, die door al het lawaai bang geworden, hard om Moesje riepen.

Met een pijnlijk gezicht stond Wies op uit haar zittende houding. Au, wat deed haar been pijn en haar hand had ze ook bezeerd.

Ze strompelde naar den stoel, plaatste het voetenbankje er weer op en hing niet zonder moeite portret en krans op.

Daarna opende ze eindelijk de deur.

Dadelijk stormden Henk en Marietje naar binnen, spiedend rondkijkend, wat er gevallen kon zijn, terwijl Betje bromde, dat ze hoopte, nog bijtijds met dekken klaar te komen.

Henk's oog viel het eerst op het portret.

"O, dat is aardig," riep hij uit, maar toen eensklaps den barst in het glas ziende: "Was dat glas kapot? Neen toch?"

Marietje, die nu ook de leelijke streep gewaar werd, dwars over Vaders gezicht, drukte van schrik beide handen tegen haar mond.

"Oooo!" was alles, wat ze zei.

Wies begon te huilen.

"Ik heb Moes willen verrassen, ik heb er al mijn zakgeld voor gegeven."

"Moeder zal zeker heel verrast zijn," zei Henk, op zijn sarkastische manier. Maar het bedroefde gezichtje van zijn zusje ziende, kwam zijn goed hart boven.

"Ik zou er maar niet langer om huilen. Ik heb nog wel een kleinigheid en als Marietje dan ook wat geeft, kunnen we er een nieuw glas op laten maken. De krans staat heel leuk," voegde hij er goedig bij.

Marietje knikte toestemmend. Ze had intusschen den stoel recht en het voetenbankje op zijn plaats gezet.

"Hoe is het eigenlijk gekomen?" vroeg ze.

"Ik schrok zoo van jullie bonzen op de deur en toen ben ik gevallen."

"Van den stoel af? Heb je je geen pijn gedaan?"

Wies werd zich hoe langer, hoe meer bewust, dat ze zich wel degelijk pijn gedaan had.

"Of ik, ik had best een arm of een been kunnen breken."

"Ja," merkte Henk op, "het is eigenlijk een wonder, dat het niet gebeurd is, dat was net iets voor Wies Ongeluk."

Marietje lachte, maar Wies nam de zaak heel ernstig op.

"Jullie lacht er om, maar zeg nu zelf eens, ben ik niet voor het ongeluk geboren? Alles loopt altijd mis met me, als ik iets aardigs wil doen, komt er iets naars van, dat zie je nu weer. Ik had me zóó verheugd op die verrassing voor Moeder en nu zal ze nog boos zijn om dat gebroken glas."

Ze had al weer tranen in haar oogen en Henk had oprecht medelijden met haar.

Hij klopte haar zoo hartelijk op haar schouder, dat een "au" haar ontsnapte, en verklaarde:

"Daar zijn we het dus over eens, voortaan heet je niet meer Louise Schotter, maar Wies Ongeluk. Goed?"

Hij trok, dit zeggend, zoo'n komisch gezicht, dat Wies door hare tranen heen, lachen moest.

Daar mengde zich opeens Betje in het gesprek.

"Waarom jullie nou lachen, dat gaat mijn verstand te boven. Ik vind het ijselijk griezelig, dat dat glas gebroken is. Jullie Pa op zee, waar je zoo gemakkelijk verdrinken kunt en dan een ongeluk met zijn portret, dat is kasueel hoor, ik ben er niet zoo gerust op."

Verbaasd hadden de kinderen naar haar geluisterd.

Toen ze uitgesproken had, lachte Henk hartelijk.

"'t Is kasueel, daar heb je gelijk aan, ouwetje. En op zee verdrink je gemakkelijker, dan op het land, dat is ook al niet tegen te spreken."

"Spot maar, ik weet, wat ik weet, en ik heb meer beleefd, dan zoo'n jong ventje, als u is. Mijn moeders zuster der man zijn portret is ook op een dag gevallen en kort daarop werd ie ziek. Gelukkig was het glas toen niet gebroken, anders was ie bepaald doodgegaan."

"Dus hij bleef in leven, niettegenstaande zijn portret gevallen was? Hoe is het mogelijk," lachte Henk.

"Het glas was niet kapot," zei Bet hoogst ernstig.

"Weet je wat mij overkomen is, Bet? Het waterfonteintje van de kooi van het kanarievogeltje van mijn neef zijn overgrootvaders achterneef is gebroken en toen is mijn sijsje gestorven. Is dat niet kasueel?"

Bet begon er nu achter te komen, dat de jongen haar voor den gek hield.

"Ik hoop, dat u gelijk zult hebben," zei ze somber, de laatste lepels en vorken recht leggend en daarna de kamer verlatend.

Henk keek haar lachend na en gaf toen Wies een vroolijk knipoogje.

"Wat een type, hè?" zei hij.

Wies lachte even terug, maar keek dadelijk weer ernstig.

"Ze heeft me bang gemaakt."

"Wat? Laat jij je door zoo'n nonsens bang maken? Maar Wies, dat meen je toch niet, je bent toch niet zoo bespottelijk bijgeloovig?"

Wies kleurde.

"Neen, ik geloof niet, dat ik bijgeloovig ben, maar ik vind het toch een akelig idee, dat het portret nu juist vandaag beschadigd is, en dat ik dat gedaan heb. Je weet, ik ben Wies Ongeluk."

"Dat komt er nu van, Henk, met je gekke gezegdes," viel Marietje in, "nu zet ze zich dat in haar hoofd, ze verbeeldt zich toch al, dat ze alles verkeerd moet doen, omdat ze nu eenmaal niet anders kan. Moeder zal wel dadelijk komen, zoo echt iets voor Moes, om liever niet van den trein gehaald te worden," voegde ze er bij.

Daar klonk de bel.

"Hoera, daar is ze!" en Henk stormde de gang in, om zijn moeder open te doen.

DERDE HOOFDSTUK.

DE STORM.

Mevrouw Schotter werd in triomf door de kinderen naar de huiskamer gebracht.

Ze waren zoo weinig gewoon, dat hun moeder niet thuis was, dat ze een onveilig gevoel gehad hadden, toen ze een nacht zonder haar hadden moeten doorbrengen en nu ze weer in hun midden stond, waren ze allen even blij.

De kleintjes klemden zich aan haar vast en wilden beiden tegelijk gekust worden, terwijl Henk met zijn lange beenen als een dolleman om haar heen sprong en Wies zelfs een oogenblik vergat er aan te denken, wat Moeder wel zeggen zou van haar verrassing en.... van het gebroken glas.

Marietje bleef het kalmst, maar haar ernstig gezichtje stond heel tevreden, toen ze te midden van al die drukte Moeders hoed en mantel aannam en netjes op een stoel legde.

"Of wil ik het goed liever naar boven brengen," vroeg ze, "gaat u zich nog wat opknappen, of wilt u dadelijk aan tafel?"

"Laten we maar eerst gaan eten, mijn handen kan ik wel aan het fonteintje wasschen," zei haar moeder, voor den spiegel haar gescheiden haar gladstrijkend.

Daar viel in den spiegel haar oog op de weerkaatsing van het versierde portret.

Verrast bleef ze een oogenblik staan kijken.

"Wie heeft dat zoo mooi gedaan?" vroeg ze.

"Wies," riep Henk.

"Wies? Jij? Dat is een lief idee van je geweest," en zich omkeerende wilde ze haar dochtertje tot dank een kus geven, toen haar oog onwillekeurig op het versierde portret viel.

Wat was dat?

Zag ze dat goed?

Liep daar midden over het glas een barst?

Ze liep er naar toe, om het wat nader te bekijken, misschien was het een speling van het licht, die haar deed denken, dat het portret beschadigd was.

Louise's hart klopte haar in de keel, wat zou Moeder zeggen? Zou ze er verdrietig over zijn, of boos? Moeder, die zelf zoo handig was en nooit iets brak, kon niet velen, dat een ander iets vernielde.

Mevrouw Schotter keerde zich langzaam om, met een verdrietige uitdrukking om haar mond.

"De bloemen zijn mooi, Louise, ik dank je wel voor de verrassing," zei ze, maar veel minder hartelijk dan zooeven.

Wies slikte haar tranen in en antwoordde niet, ze durfde niet spreken, ze zou dan zeker beginnen te schreien.

"Willen we nu maar gaan eten," vroeg haar moeder en gaf zelf het voorbeeld door haar plaats aan het hoofd der tafel in te nemen.

Wies en Marietje zetten zich ieder aan een kant naast haar neer, de kleintjes, die nog niet aan tafel aten en hun maal op hadden, zetten hun spelletje op den grond voort, tot ze naar bed gebracht zouden worden en Henk stond aarzelend bij zijn gewone zitplaats, naast Wies.

"Zal ik soms daar gaan zitten?" vroeg hij weifelend aan zijn moeder, op den stoel tegenover haar wijzend.

Deze knikte toestemmend.

"Ja, dat is gezelliger, zoo'n leege stoel maakt zoo'n treurigen indruk," zei ze zacht.

Wies schokte op, alsof haar iets onaangenaams trof.

Ze opende hare lippen, om wat te zeggen, maar er kwam geen geluid.

"Is er iets, wou je wat zeggen?" vroeg haar moeder, maar daar Betje juist binnenkwam met het vleesch, behoefde Wies niet te antwoorden.

Gelukkig maar, als Moeder er niets aan vond, een ander op Vaders plaats te zien zitten, dan zou ze toch niet begrijpen, dat Wies die plaats daar te heilig voor was. Ze zou haar maar weer overdreven genoemd hebben. Ze wilde vanavond geen enkel onaangenaam woord met Moeder hebben, het was lief van haar, niets van dat gebroken glas te zeggen, wel was Wies er niet heelemaal zeker van, dat ze bij een andere gelegenheid er nog niet het een en ander van hooren zou, maar het was toch aardig van haar, er nu over te zwijgen. Morgen zou ze er zelf over beginnen en zeggen, dat het haar speet en dat ze allemaal samen er een nieuw glas op zouden laten maken.

Het middagmaal verliep onder druk gepraat. Moeder had veel te vertellen van Vader, hoe hij hen allen nog hartelijk liet groeten en hoe mooi het weer was geweest dien morgen, toen het schip wegvoer.

Wat een prachtig gezicht was dat geweest, dat vertrekkende oorlogsschip, de heele bemanning had gejuicht en gegroet, totdat het langzaam uit het gezicht verdwenen was.

De kinderen zaten stil te luisteren, zelfs de kleintjes waren bij hun moeder komen staan en probeerden te begrijpen, wat ze vertelde.

Henk werd opgewonden bij de voorstelling van dat vertrekkende schip en Marietje was ook onder den indruk van het verhaal.

Wies zat doodstil met neergeslagen oogen, schijnbaar was ze er minder bij, dan de anderen. Ze hoorde niet eens dat haar moeder het woord tot haar richtte.

Henk stootte haar aan.

"Luister je niet, naar wat ik vertel?" vroeg haar moeder.

Wies keek haar aan en barstte toen los:

"Maar Moeder, hoe kond u dat verdragen, dat aanzien, dat schip, dat langzaam verdween, steeds kleiner en kleiner werd, tot er eindelijk niets meer van te zien was en dan te weten, dat op dat schip Vader meegevoerd werd. O, Moes, Moes!" en haar gezicht in haar servet verbergend, snikte ze het uit.

Haar moeders oogen waren ook vochtig geworden, toen ze zacht haar hand op Louise's schouder legde.

"Bedaar, kind, en tracht je wat in te houden. Je hebt gelijk, het was iets vreeselijks, dat weggaan, maar het moest, er was niets aan te doen en dus moest ik me wel schikken. Je begrijpt wel, dat ik me tusschen al die menschen niet kon aanstellen en mijn vrienden waren goed en hartelijk voor me. Bij hen ben ik toen nog wat gebleven, zooals je weet en natuurlijk kon ik hen niet vervelen met mijn verdriet, dat gaat nu eenmaal niet."

Wies keek met hare vochtige oogen haar moeder aan.

Ze had de tranen niet gezien, die een oogenblik haar moeders blik verduisterd hadden en vond haar nu onverschillig, met haar kalm gezicht en rustige manieren.

Je niet aanstellen, je schikken, het was goed en wel, maar je moest maar kunnen. Ze was er zeker van, dat zij het bij dat vertrek had uitgesnikt, ze zou niet tot bedaren te brengen geweest zijn, totaal overstuur, maar ze was nu eenmaal niet zoo kalm van natuur, zoo beredeneerd.

Daar kwam Moes maar altijd op neer, je kalm houden, je beheerschen, nooit mocht je eens je gevoel toonen, dan stelde je je aan, jawel, dat was maar, naar je het nemen wilde. De een voelde nu eenmaal dieper, dan de ander.

Waar hadden ze het nu over?

Daar spraken ze al over onverschillige dingen, Vader had al afgedaan, natuurlijk, Vader was weg, uit de oogen uit het hart, maar niet bij haar, neen, niet bij haar!

Hare tranen vloeiden weer rijkelijk. De kleintjes waren nu naar bed gebracht en het gesprek tusschen Moeder en de anderen drong bij brokstukken tot haar door. Waarom lachte Henk nu en Moeder ook?

Nu al lachen!

Het was niet om uit te houden.

"Hoe is het mogelijk, om nu al te kunnen lachen," zei ze scherp.

Haar moeder keek haar verbaasd aan.

"Wat een toon. Wat ben je weer in een lief humeur."

"Ik ben niet uit mijn humeur, heelemaal niet, maar ik vind u en Henk en Marietje afschuwelijk onverschillig," klonk het heftig.

Henk trok zijn schouders op.

"Ze is weer half gek," zei hij.

"Ik half gek, ik half gek, jij zelf bent...."

"Is 't uit, Louise," viel haar moeder in. "Je bent blijkbaar overspannen door het vertrek van Vader en daarom zal ik je je brutaliteit niet kwalijk nemen. We zijn klaar met eten, ga dus je schoolwerk maken en dan vlug naar bed. Als je eens flink geslapen hebt, zul je wel wat minder prikkelbaar zijn en er dan misschien eens aan denken, wat je Vader beloofd hebt. Dat is ook een manier om te toonen, dat je veel van hem houdt."

Wies stond op en verliet schoorvoetend de kamer om hare schoolboeken te halen.

Ze voelde zich geslagen.

Moeder had gelijk, ze kon het best haar liefde voor Vadertje toonen, door aan zijne woorden te denken.

Dat was juist zoo vreeselijk, dat Moeder zoo akelig kalm kon spreken, zoo hard zelfs, vond ze, en ze bij slot van rekening toch dikwijls gelijk had.

Ze had zich zóó voorgenomen, lief voor allemaal te zijn, niet prikkelbaar, geen scherp woord te zeggen en nu had ze al dadelijk weer haar innerlijke belofte gebroken en was onaangenaam geweest.

Ze leunde in de gang met haar voorhoofd tegen den muur en beet op haar zakdoek, om zich in te houden. Ze voelde zich zoo wanhopend, dat ze het 't liefst zou hebben uitgegild.

Alles was weer verkeerd gegaan, de verrassing, waarvan ze zich zooveel had voorgesteld, grootendeels mislukt door het breken van het glas, ze was brutaal en onaardig geweest en Moeder zou haar natuurlijk weer de minste van de kinderen vinden, terwijl ze juist vandaag de liefste had willen zijn.

O, het was om wanhopend onder te worden.

"Wies!" galmde Henk's stem door de gang, "waar blijf je, kom je je werk niet maken?"

"Ja, ik kom al."

Haastig veegde ze haar oogen af en stak haar natten zakdoek tusschen haar ceintuur.

Wat kon het haar ook eigenlijk schelen, niemand begreep haar, niemand kende haar, zooals ze was, nu dacht Moeder weer aan niets, dan aan het maken van haar schoolwerk, terwijl ze hier in de gang stond te krimpen van verdriet.

Goed, ze zou ook onverschillig worden en koud, als ze dat liever hadden, haar goed en hare boeken opnemend, liep ze met opgeheven hoofd naar binnen en ging met zoo'n air aan de tafel zitten, dat Henk het uitschaterde en Moeder glimlachend haar hoofd schudde.

Ze maakte zwijgend haar werk en deed haar best niet te luisteren naar de woorden, die nu en dan tusschen de anderen gewisseld werden.

Marietje was al klaar met hare lessen en zat nu te haken, Henk praatte telkens, hij beweerde vanavond haast niets te doen te hebben.

Het was toch zoo gezellig, nu Moeder weer achter het theeblad zat, als ze aan de saaiheid van gisteravond dacht, kreeg ze een gevoel van dankbaarheid, dat Moes weer thuis was. Ze had nu wel graag mee willen praten, maar als niemand zich met haar bemoeide, kon zij niet beginnen, vond ze.

"Nog een kopje thee, Wies? Ben je nog niet klaar? Maak een beetje voort, dan kun je naar bed, je ziet er zoo moe uit."

"Ik ben niet moe."

"Niet? Maak dan toch maar wat voort, dan kun je ook eens een woordje meepraten, dat is gezellig."

Wies voelde zich al wat prettiger, niet meer zoo eenzaam.

"Ik ben eigenlijk klaar," zei ze, "ik zat maar zoowat te suffen."

"De meest geliefkoosde bezigheid van mijn oudste zuster," lachte Henk.

Wies keek hem boos aan, die jongen met....

Maar neen, nu niet weer beginnen. Ze legde hare boeken en schriften bij elkaar, bergde ze in haar tasch en nam haar plaats weer in, beide ellebogen op tafel en haar hoofd in hare handen gesteund.

Nu was ze bereid tot een gezellig praatje.

"Zou je niet wat breien ondertusschen," zei haar moeder, "die kousjes van Janneman komen anders nooit klaar. Je moet er eens wat mee voortmaken, kind, hij heeft ze noodig."

Met een zucht stond Wies op, om haar werk te krijgen.

Dat afschuwelijke breien, dat behoefde geen van haar vriendinnetjes te doen, die mochten gerust eens een poosje leegzitten, wie breide er nu tegenwoordig nog kousen.

Maar Moeder vond koopkousen prullegoed, daar waren de wilde jongens dadelijk doorheen en dus moesten de kousen gebreid worden en daar ze zelf niet alles doen kon, moest Wies haar helpen. Dat was goed voor haar, vond Moeder, een meisje moest leeren practisch werkzaam te zijn en nooit met leege handen te zitten.

En ons Wiesje deed niets liever.

Zoo eens heerlijk niets doen, alleen je gedachten vrij spel laten, dat was een genot, een heerlijkheid!

Maar dat mocht je nooit bij Moeder, altijd moest je bezig zijn, je handen gebruiken, akelige kousen breien, of stukjes leeren inzetten, wat nog erger was, of kopjes en glazen afwasschen, waarbij je doodsangsten uitstond, dat je wat breken zoudt.

Een diepe zucht was het resultaat van deze overpeinzingen.

"Wat ben je toch gezellig," merkte Henk op, "als je onder je meisjes bent, heb je ook meer praats."

"Natuurlijk, dat spreekt vanzelf, de meisjes zijn ook aardig, maar jij...."

"Wat is het weer veranderd," viel Moeder ter afleiding in, "vanochtend was het zoo prachtig en nu regent het en het begint te waaien ook."

"Ja," beaamde Henk, "dat zijn zoo van die grillen van onze lieve Meimaand. Moet die peuter nog niet naar bed?" voegde hij er, op Marietje wijzend, bij.

Het kind had juist haar haakwerk in haar taschje geborgen en stond nu kalm op.

"Je zag, dat ik ging, je aanmerking was dus niet noodig," zei ze, haar moeder een nachtkus gevend.

Toen ze de kamer verlaten had, zei deze:

"Zoo'n zeldzaam lief en gemakkelijk kind als dat toch is, daar heb ik nu letterlijk geen oogenblik moeite mee."

Henk keek bedenkelijk.

"Een beetje saai, hè?" zei hij.

"Saai?"

Zijn moeder keek verwonderd.

"Waarom saai? Omdat ze weet wat haar plicht is en dien doet? Noem je dat saai?"

"Nou, ze is pas twaalf, een beetje te jong, om al zoo volmaakt te zijn, dunkt me. Neen, dan is ons Wiesje anders," plaagde hij.

"Jij hebt goed praten, in de eerste plaats ben je Moeders bedorven kindje, altijd geweest trouwens, en...."

"Maar Louise," viel haar moeder lachend in, terwijl Henk het uitschaterde van pret over het verongelijkt gezicht van zijn zusje.

"Ja, je bent altijd het bedorven oudste zoontje geweest en daarenboven ben je geen meisje en mag je dus over je vrijen tijd beschikken, terwijl ik dingen doen moet, die ik vervelend vind."

"Arm schaap," spotte haar broer, maar liet er op volgen:

"Eerlijk gezegd ben ik heel blij, geen meisje te zijn."

"Zie je wel, dat wist ik wel. Maar heusch, andere meisjes behoeven niet altijd zulke vervelende dingen te doen. Wanneer heb ik nu eens tijd om te lezen? Alleen Zondags een uurtje."

Haar moeder keek naar haar verontwaardigd gezichtje en begon te lachen.

"Dat is maar goed ook, al die malle geschiedenissen brengen je hoofd maar in de war. Als een meisje de school goed doorloopt, naaien, breien, koken en de huishouding besturen leert, is dat volkomen voldoende. En dan leer je nog muziek ook, omdat Vader daarop gesteld is, dat vergeet je heelemaal."

"Nu ja, ik zou natuurlijk graag mooi pianospelen, maar dat studeeren is heusch geen pretje, die vingeroefeningen zijn een nachtmerrie voor me."