Wies Ongeluk

Part 15

Chapter 15372 wordsPublic domain

"Dat meisje, waarvan ik zooeven sprak, Was op 'n dag lang niet op haar gemak. Ze had namelijk bijna haar broertjes verdronken, De schapen waren al haast gezonken, Toen ze nog net konden worden gered, En vlug gestopt in 't warme bed."

"Dat's flauw," meende Lottie en Wies kreeg een kleur.

"Je ziet dus, van zonde was het meisje niet vrij, Maar wie had er meer verdriet van dan zij? Toen kreeg ze het in haar leuken knikker, Dat ze veranderen wou, net als een kikker. Die toch eerst meer lijkt op een visch, Dan op een vorsch, als ik me niet vergis. Nu, dat meisje bleek te weten wat ze wou, Overgaan, dat was het, wat ze moest en zou. De juffrouw, die ook nog zoo kwaad niet was, Zou haar helpen en het meisje was in haar sas, Niet zuinig hoor, dat zou best gaan, Alle droomerijen joeg ze naar de maan, En 't ging, ze rolde er schitterend door. Een grapje was 't niet, dat zeg ik je hoor. Maar ze deed nog meer, z' ontpopte zich in heldin, Toen haar broertje het kreeg in zijn zin, Om voor gebraden vleesch te spelen, Of 't warm was, scheen hem niet te kunnen schelen. Toen maakte ze vlug een eind aan dat spel En redde het ventje uit den knel. Dat alles vernamen de feeën met vreugd, Ze hebben er zich innig over verheugd. En daarom aan mij opgedragen, Me tusschen de wreede menschen te wagen. En deez' bloemen te strooien voor haar voet, Opdat haar pad verder zij, glad en goed. En den leelijken naam, die niet meer bij haar past, Voor altijd te bergen in de kast. Hoe zal ze dan nu voortaan heeten? Dat dienen we dan toch te weten. Wacht, daar schiet me wat in den zin, Leve ons Wiesje, de heldin!"

Dat was me een gejoel en een pret, de een schreeuwde al harder dan de ander: "Leve ons Wiesje, de heldin!"

En Wies zelf?

Die drukte krampachtig al de handen, die haar toegestoken werden en liet zich kussen en kuste terug, terwijl hare wangen nat waren van de tranen, die ze niet in kon houden.

En toch was ze nog nooit zoo gelukkig geweest.