Part 14
Ze had vanmiddag iets onrustigs over zich, waarom, begreep ze niet, de kinderen waren bizonder zoet, ze schenen zich best te amuseeren.
Marietje sprak geen woord, tamelijk saai, maar wel goed om rustig te kunnen werken en toch.... ze had meer moeite, dan in den laatsten tijd het geval was geweest, om bij haar thema te blijven.
Marietje had beloofd, op de kinderen te letten, maar ze keek er niet veel naar om. Ze waren zoet, dat was waar, maar telkens als ze een zinnetje af had, voelde ze den drang om eens te kijken, wat ze uitvoerden en dat leidde haar af.
Eindelijk gelukte het haar, eenige zinnen achter elkaar te vertalen. Ze begon er in te komen. Daar ontmoette ze een woord, dat ze niet wist, ze herinnerde zich ook heelemaal niet, het in haar boek gehad te hebben, ze zou het maar eens in de dictionnaire opzoeken.
Ze stond op om deze te krijgen, bleef een minimum van tijd verstijfd staan en vloog toen op Jantje aan, die met zijn schortje, dat aan den onderkant vlam had gevat, heen en weer zwaaide.
Op het kind toevliegen, het schortje afrukken, de vlam uitdooven, was het werk van een oogenblik. Vóór Marietje goed wist, wat er gebeurd was, zag ze Wies, met een doodsbleek gezicht, waarin een paar verschrikte oogen, staan, met het half verbrande schortje in haar hand, terwijl Jantje zich driftig op haar wierp en met zijn kleine vuist naar haar sloeg en Stan in een luid gehuil uitbarstte.
"Wat is er gebeurd?" vroeg ze verschrikt.
Jan gilde het uit.
"Ze heeft het mooie vlammetje kapot gemaakt, die akelige Wies," jammerde hij.
"Oooo.... mooi vlammetje kapot gemaakt," huilde de echo.
Marietje zag nu even wit als Wies en keek ontsteld naar het zwart verkoolde schortje.
"Stonden ze in brand?" vroeg ze, met ontzetting in stem en oogen.
Wies knikte van ja, ze kon niet antwoorden, de schrik had haar te hevig aangegrepen en de kinderen van zich afduwend, viel ze op de rustbank neer en met haar gezicht in de kussens barstte ze in tranen uit.
Marietje stond verlegen toe te kijken, ze was natuurlijk niet zoo hevig geschrokken als Wies, want ze had het gevaar pas bemerkt, toen het voorbij was.
Ze schudde den nog steeds huilenden Jantje eens flink door elkaar en zei, dat hij oogenblikkelijk zijn mond moest houden.
Jantje huilde maar door: leelijke Wies, akelige Wies, en Stan herhaalde dit trouw.
Intusschen was Wies een beetje bekomen, ze droogde haar tranen af en begon de kinderen te ondervragen.
Hoe was dat gekomen? Hoe kwam Jantje's schort in brand?
Jan, getroost, omdat hij nu vertellen kon, zei, dat de vlammetjes zoo aardig door het deurtje kwamen, heel eventjes maar, hij had er met Stan naar gekeken en het mooi gevonden. Maar toen waren ze een heel poosje niet gekomen, en toen had hij gedacht, dat ze niet door het reetje konden en had het deurtje een beetje open gemaakt.
"De kacheldeur?" vroeg Wies ontsteld, "kon je dat dan?"
"Ja," knikte Jantje, "en toen het open was, kwam er een heel groote vlam uit en pakte mijn schortje en het was zoo mooi, maar jij, akelig mensch, heb het dadelijk uitgemaakt."
Wies voelde het koude zweet op haar voorhoofd bij de gedachte, aan wat er gebeurd zou zijn, als ze niet toevallig opgestaan was, om die dictionnaire te krijgen.
Ze werd weer zoo wit, dat Marietje angstig naar haar keek.
"Heb je je pijn gedaan?" vroeg ze.
"Neen, ik geloof het niet ten minste," want half onbewust voelde ze wel een schrijnende pijn aan haar linkerhand.
Ze keek er naar en zag een leelijke, roode streep binnen in de palm.
"Ik schijn me gebrand te hebben," zei ze.
Nu kwam dadelijk het huismoedertje in Marietje boven, ze haalde een fleschje lijnolie en kalkwater, dat Moeder altijd in huis had en een linnen lapje en verbond netjes de gebrande hand.
Wies gaf haar een kus.
"Dank je wel, je bent 'n echte ziekenverpleegster, hoor."
Toen het schortje bekijkend, waarvan het onderste deel geheel uitgerafeld was, met een langwerpig gat naar boven toe:
"Wat zal Moeder zeggen?"
Marietje gaf geen antwoord, maar zag er uit, of ze geweldig het land had.
Het was ook iets voor haar, gewoon als ze was, precies te doen, wat er van haar verwacht werd en daarom steeds geprezen te worden, nu te staan voor het feit, dat door haar verdiept zijn in eigen werk, de kinderen bijna verbrand waren. Als Wies niet juist had opgekeken, was het misschien te laat geweest, als Jantje gemerkt had, dat het geen spelletje meer was en gegild had, was hij wellicht reddeloos verloren geweest.
Ze rilde er van.
"Jij hebt hem het leven gered, Wies," zei ze eerlijk.
Haar zusje lachte:
"Een gelukkig toeval, anders niet. Als ik dat gezegende moeielijke woord niet in mijn thema gehad had, dan.... hè ik moet er niet aan denken."
Daar werd gebeld, dat zou Moeder zijn.
Zoo was het en Stan vloog haar tegemoet, met een verhaal van die stoute Wies, die het mooie vlammetje kapot gemaakt had.
Ze begreep er niets van, maar binnen gekomen zag ze de nog ontdane gezichten van haar dochtertjes en het half verbrande schortje van Jan. Ze voelde haar knieën onder zich knikken, zou er een ongeluk gebeurd zijn?
Maar ze zag dadelijk, dat Jantje ongedeerd, hoewel met een behuild gezichtje, voor het raam stond en Stan was haar te gemoet gekomen, de kinderen waren dus gezond en wel.
"Wat is er gebeurd?" vroeg ze.
Eenigszins stotterend vertelde Wies het gevaar, waarin Jantje verkeerd had.
Haar moeder drukte het ventje zenuwachtig tegen zich aan. Ze dacht er op het oogenblik niet aan, hoe het kind gered was en door wie en zei op verwijtenden toon:
"Dat ik jullie geen van beiden vertrouwen kan, jou ook al niet, Marietje."
Het meisje werd nog bleeker, dan ze al was.
Ze was zich schuld bewust, ze had totaal niet op de kinderen gelet, maar dat Moeder, die haar altijd prees, nu op dien toon tot haar sprak, was meer dan ze verdragen kon.
"Wies is toch de oudste," mompelde ze.
Haar moeder nam dat woord dadelijk over.
"Ja natuurlijk, Wies is de oudste, maar we weten nu eenmaal, wat we aan Louise hebben en hoe we haar vertrouwen kunnen."
De gedachte aan wat had kunnen zijn en wat ze bij haar thuiskomst had kunnen vinden, maakte haar onrechtvaardig.
Marietje, die in haar verlegenheid de schuld eenigermate op Wies had overgedragen, kon dàt toch niet hebben.
"Wies heeft de vlam uitgedrukt en zelf haar hand gebrand," zei ze.
"Je hand gebrand? Heb je je bezeerd, kind?" en eensklaps bezorgd, keek Moeder naar de verbonden hand.
"O, dat is niets, maar we konden het heusch niet helpen, we dachten niet, dat Jantje het kacheldeurtje open kon krijgen."
"Dat kan hij ook niet, als het goed gesloten is, daar ben ik zeker van."
Daar kwam Henk binnen en moest natuurlijk van A tot Z hooren, wat er gebeurd was.
Hij luisterde aandachtig en griezelde, toen hij naar de twee blonde broertjes keek, die al weer genoegelijk samen aan het spelen waren.
Toen ging hij naar Wies toe en haar op haar schouder slaande, verzekerde hij, dat ze een flinke meid was en dat zonder haar in plaats van die kleine kabouters, twee hoopjes asch op het tapijt zouden liggen.
Zijn moeder rilde van afschuw en verzocht hem te zwijgen, was dat nu iets om mee te spotten?
Henk lachte en beweerde, dat hij er niet aan dacht om te spotten en dat Wies zich flink gedragen had, daar ging niets van af. Ze had toch best haar tegenwoordigheid van geest kunnen verliezen in den eersten schrik en wat dan?
Over Wies' bleek gezichtje trok een blos. Die lieve Henk, hij was de eerste, die er aan dacht, dat ze toch wel getoond had, tot handelen in staat te zijn, als de nood aan den man kwam.
"Het is een gelukkig toeval, dat ik opstond," zei ze, "Moeder zegt nu wel, dat we beter op de jongens hadden moeten passen, maar we konden ze toch niet aldoor in het oog houden. Het was alles het werk van een paar minuten."
Moeder had, in gedachten verdiept, voor zich uit staan staren.
Henks woorden hadden haar eensklaps doen inzien, wat ze aan de tegenwoordigheid van geest van Wies te danken had en nu stak ze de hand naar haar dochtertje uit en trok het naar zich toe.
"Henk heeft gelijk," zei ze, "het is en blijft waar, dat je beter op de kinderen hadt moeten letten, maar toen het eenmaal gebeurd was, heb je je flink gehouden. Ik moet er niet aan denken, hoe de toestand hier zou zijn, als je wat langer geaarzeld had, of om hulp geroepen, in plaats van dadelijk in te grijpen. Ik dank je wel kind," en ze kuste het meisje hartelijk.
Wies straalde.
Ze beantwoordde den kus en stootte daarbij tegen haar hand, wat haar even een kreetje van pijn ontlokte.
"Je hebt je toch niet erg gebrand?" vroeg haar moeder bezorgd. "Laat ik het eens nakijken. Wie heeft je zoo flink verbonden? Marietje?"
Het kind stond bleek en gedrukt in een hoekje.
Het was zoo heel weinig gewoon, schuld aan iets te hebben, het was er heelemaal door uit haar sfeer gerukt.
"Kom eens hier," zei Moeder, "laat ik je ook maar gauw afkussen. Tob er nu maar niet meer over, laten we maar blij zijn, dat alles zoo goed is afgeloopen."
"Mooi zoo," riep Henk, "dat gaat goed. Als de vrouwen eenmaal aan het kussen zijn, komt er geen eind meer aan. Als 't u blieft, hier is nog een lading," en hij pakte den hevig tegenspartelenden Stan op en duwde hem in zijn moeders armen.
Deze mokkelde hem eens flink, wat de jaloezie van Jantje opwekte, die dadelijk ook gepakt wilde worden.
Zoo stond Moeder dan, met op iederen arm een jongen terwijl Marietje zich tegen haar aandrukte en Wies het neerhangend handje van Janneman kuste.
"Apotheose," verklaarde Henk, "tot slot van het drama Wies Ongeluk als heldin, of het brandende jongetje."
ZESTIENDE HOOFDSTUK.
"LEVE ONS WIESJE, DE HELDIN!"
Het was 24 December, 's morgens om zeven uur.
Nauwelijks had Wies hare oogen geopend en had ze even rondgetuurd in de nog donkere kamer, waar het opgetrokken gordijn enkel een flauw schemerlicht doorliet, of ze was het zich bewust, er was iets heerlijks gebeurd.
Ze richtte zich even op en trachtte te weten te komen, hoe laat het was, maar ze kon de wijzers van haar klokje niet onderscheiden en met een zucht van zaligheid zonk ze weer in de kussens neer.
Het was haast al te verrukkelijk, ze had gisteren examen gedaan en was geslaagd.
Wat ze gevoeld had, toen de directrice haar meedeelde, dat ze goed werk geleverd had en dus na Nieuwjaar in de volgende klasse mocht overgaan, neen, dat was niet te beschrijven, een overweldiging van vreugde, een niet goed begrijpen, dat het mogelijk kon zijn, ja, eigenlijk een soort van schrik.
"Is 't heusch?" had ze geroepen.
Bespottelijk vond ze dat nu, de directrice had er ook om moeten lachen en had toen zoo aardig tegen haar gesproken en gezegd, dat ze nu getoond had, wat ze kon en dat ook zij zoo heel blij was geweest met den uitslag.
"Had u het niet gedacht?" had Wies gevraagd.
En weer had de juffrouw gelachen.
"Wat ik gedacht had, zullen we nu maar niet meer napluizen. Je bent er en dat doet me bizonder veel plezier. Ga nu maar gauw naar huis, je moeder zal ook wel verlangend zijn den uitslag te hooren."
Nu, dat had ze zich geen tweemaal laten zeggen, ze was letterlijk naar huis gehold, ze was Moeder zoo woest om den hals gevlogen, dat deze zich aan iets had moeten vasthouden, om niet te vallen, ze had maar niets geroepen dan: "Moes, kunt u het gelooven, toe knijp me eens, dat ik voel, dat ik niet droom."
Ze waren allemaal even blij geweest en er was dadelijk aan Vader en Grootvader geschreven.
Grootvader wist het nu al, maar Vader pas over verscheidene weken. Ze hadden er nog over gesproken, of ze ook een telegram zouden zenden, maar daar Vader er niets van wist, zou men het niet zoo heel kort kunnen maken, wilde hij er iets van begrijpen. Besloten was dus, dat Vader het dan maar wat later weten moest en dan ineens het heele verhaal krijgen, hoe alles gegaan was.
Wies draaide zich nog eens om en dacht aan al het heerlijke, dat nu volgen ging. Moeder had gisteren dadelijk Lottie laten vragen, om vandaag te komen eten. Ze zou al na de koffie komen en ze konden dan weer eens eindelijk samen zijn, als van ouds. In den laatsten tijd had ze Lot minder dan ooit gezien. Ze was zoo vervuld geweest van haar werk en Lot zelf had repetitie gehad voor het Kerstrapport. Grappig, dat zij nu geen rapport had gehad, ze had de twee laatste dagen examen moeten doen. Hé, verleden jaar was met Kerstmis haar lijst niets goed geweest, ze wist nog, hoe schuw ze er mee thuis was gekomen. Dom toch, om niet goed te werken, als je toch wel kon, je berokkende je eigen en anderen maar verdriet en je won er niets mee. Neen hoor, dat zou haar niet meer overkomen, nu ze eenmaal de zaligheid van het slagen ondervonden had, nu zou ze er wel voor zorgen, dat ze dat genotje meer had.
Ze moest nu toch eens opstaan.
Wat een eenig gevoel, niets te moeten doen, geen lessen leeren, geen thema's maken, niet naar school gaan, maar lezen en babbelen en pret maken, veertien lange dagen.
Ze had in de laatste maanden zoo heel weinig vrijen tijd gehad, dat ze er nu van zou weten te genieten. Ze moest voor een heelen tijd plezier maken, want als de vacantie om was en zij in de nieuwe klasse.... pas dan op, hoe ze werken zou, nu was ze al niet meer tevreden bij Lot en de andere kennisjes te zitten, nu wilde ze nog tot de eersten behooren ook, ze zou hem katoen geven, hoor, ze wist nu, dat ze wel kon, als ze maar wilde.
Met oogen stralend van opgewondenheid schudde ze haar vuist tegen een denkbeeldigen vijand.
"Pas jullie maar op, kindertjes, je krijgt er nu een in de klasse, die jullie er allemaal onder wil hebben."
Ze schaterde het ineens uit.
"De stumpers, ik wensch ze heusch geen kwaad toe, ik ben immers nooit jaloersch geweest op hun mooie rapporten, maar ik moet vooruit, knap worden wil ik, willen ze me de mooiste cijfers betwisten, des te beter, dat staat ze vrij, dan vechten we er om, dan wordt het pas echt."
Vroolijk sprong ze het bed uit en trok het gordijn hooger op.
Lieve deugd, wat een duisternis, hoe somber zag alles er uit.
Maar dat kon haar niet schelen, bij haar scheen het zonnetje van binnen.
Ze haastte zich met kleeden, het was al laat, ze had eigenlijk haar tijd weer liggen te verdroomen, maar voor één keertje, mocht ze dat wel, nu zou zelfs Moeder er niets op tegen gehad hebben.
Toen ze beneden kwam, vond ze bij haar plaats een mooien bouquet chrysanten en op haar bord een pakje.
Een oogenblik keek ze verbaasd naar al de lachende gezichten, die haar aanstaarden.
"Ik ben toch niet jarig vandaag?" vroeg ze grappig, welke vraag Jantje in een onbedaarlijk geschater deed uitbarsten. De gedachte, dat iemand niet weten zou, of hij jarig was, vond hij allergeestigst.
"Beter dan jarig," zei Moeder, "aan een verjaardag heb je zelf niets geen verdienste."
Wies liep op haar af en gaf haar een klinkenden kus.
"Moesje, ik ben zoo blij, dat u eindelijk tevreden over me bent."
"Ik niet minder, dat ik het zijn kan. Kijk nu maar eens gauw, wat er in dat pakje zit."
Wies ging naar haar plaats terug, terwijl Jan en Stan juichten: "Wij weten het, wij weten het al lang, hoor."
Nieuwsgierig greep Wies naar het pakje en begon met haastige vingers het touwtje los te maken, waardoor het natuurlijk in den knoop schoot en Henk helpen moest, om het door te snijden.
Toen het papier er af was, vertoonde zich een étuitje, dat Wies niet onbekend was, haar hart klopte snel, zou het waar zijn? Dat was het étuitje van een goud armbandje van Moes, dat ze altijd zoo beeldig mooi gevonden had, een goud slangetje met twee schitterende diamantjes voor oogen.
Ze keek haar moeder aan met vragende oogen, voor ze het étui opende en deze knikte haar lachend toe.
Een druk op het veertje en open sprong het deksel.
Daar lag het lang bewonderde beestje op zijn groen fluweelen bedje en de oogjes schitterden haar tegen.
Wies was een oogenblik verstomd, ze kon niets zeggen.
Al die oogen, die naar haar keken, hoe ze het wel vond, dat prachtige armbandje daar voor haar, het gevoel, dat het toch niet waar kon zijn, dat het voor haar was, ze werd er verlegen onder en stotterde niets dan:
"Maar Moes!"
Henk verbrak de stilte.
"Het is te veel voor het brave wichtje, ze is van louter verrassing in de war."
Wies was opgestaan en hing nu aan haar moeders hals.
"U hadt het niet moeten doen, dat prachtige armbandje, dat Vader voor u mee uit Indië gebracht heeft."
Haar moeder beantwoordde haar omhelzing en vroeg schertsend:
"Wil je het liever niet hebben?"
"Niet hebben?" en Wies drukte haar schat tegen zich aan, "ik vind het alleen naar, dat u het nu niet meer dragen kunt."
Nu gierde Henk het uit.
"Draag het samen, het is nog al rekbaar, misschien kunnen er wel twee polsen in, wil ik het eens probeeren?" en hij stak zijn hand uit naar het kleinood.
Wies duwde hem terug.
"Je zult er wel afblijven."
Henk schudde met een komisch gezicht zijn hoofd.
"Dat is nu onze dank, Marietje, we hadden die bloemen wel voor ons kunnen houden, de jubilaresse kijkt er zelfs niet naar om, nu ze goud heeft weten te bemachtigen."
"Zijn de bloemen van jullie? Wat vreeselijk lief, dank je duizendmaal," en nu moesten Marietje en Henk zich onderwerpen aan een onstuimige omhelzing, zooals Henk het uitdrukte.
"Het is goed," zei hij met een genadig gebaar, "maar een teleurstelling is en blijft het voor me. Ik dacht de reine ziel van mijn oudste zuster beter te kennen. Ik dacht, als zij kiezen moet tusschen het doode metaal en de levende natuur, zal haar poëtische ziel geen oogenblik aarzelen en haar hand het lokkende goud ver van zich werpen, maar jawel...."
Wies lachte, tot hare oogen overliepen.
"Schei uit, Henk, ik stik," zei ze, hare oogen afvegend.
"Gelukkig ze weent, ze voelt nu blijkbaar...."
"Ontbijten, kinderen," viel Moeder in, "anders zitten we hier om twaalf uur nog."
Wies had moeite iets naar binnen te krijgen.
Ze bekeek maar steeds het gouden slangetje op het groene fluweel en beweerde, dat ze het nooit zou durven dragen, uit angst het te verliezen.
"Ook een manier, om van je cadeau te genieten," vond Henk.
Wat een gezellige dag was dat.
Wie kwam daar tegen het koffieuur aan?
Niemand minder dan Grootvader, die zelf zijn kleindochter wilde gelukwenschen. Hij was zoo verrast geweest en Grootmoeder niet minder. Als het reizen voor haar niet zooveel bezwaar opgeleverd had en daarenboven het weer niet zoo slecht was geweest, dan was ze meegekomen. Nu stuurde ze de boodschap, dat ze zoo innig blij was, dat Wies nu getoond had, niet enkel een lief droomstertje te zijn.
Grootvader had ook nog een verrassing meegebracht, een mooi goud kettinkje, dat Grootmoeder zelf als jong meisje gedragen en altijd voor Wies bestemd had, als deze eens een bizondere belooning verdiend had.
Wies was haast al te gelukkig, met de cadeautjes was ze dolblij, maar de reden, waarom ze die kreeg, was toch het voornaamste.
Met moeite werd Grootvader overgehaald, ten minste één nacht te blijven logeeren. Hij mocht toch in geen geval voor den eten weg en het was zoo gehaast, als hij 's avonds ging. Eerst aarzelde hij, het was morgen Kerstmis en dan wilde hij thuis zijn, hij had voor den eten weer weg willen gaan, maar Henk nam hem mee in een hoekje van de kamer en fluisterde hem iets in en toen beloofde hij dan maar te zullen blijven.
"Als het morgen geen Kerstmis was, zou ik zeggen, ik neem Wies voor een paar dagen mee, maar nu zullen jullie haar misschien niet graag missen. Het zou anders wel aardig voor Grootmoeder zijn," voegde hij er bij.
"Als Wies graag wil, sta ik haar af," antwoordde Moeder "maar voor Oudejaar zou ik haar liefst weer thuis hebben."
"Daar kun je op rekenen," beloofde Grootvader en dus werd er besloten, dat hij dien nacht blijven zou en Wies morgen met hem mee zou gaan.
Een telegram bracht Grootmoeder en Tante Marie van dit plan op de hoogte, wat Tante dadelijk heel wat te bedisselen gaf, terwijl Grootmoeder langzaam het groene papier glad streek, dat de prettige tijding gebracht had, terwijl ze zacht zei: "Dat lieve kind, dat lieve kind."
Wat een vroolijk en gezellig dinertje was dat, dien middag.
Grootvader was zoo echt opgewekt en plaagde Lottie en plaagde Wies en plaagde Marietje en deed telkens een daverend gelach ontstaan.
Aan het dessert verdween Henk opeens en na een poosje kwam Betje gichelend binnen en zei, dat er een jongedame was om Wies te spreken.
"Een jongedame?" vroeg Wies verbaasd.
"Ze heit dit kaartje gegeven," gierde Bet, met haar schort voor haar gezicht, om niet te laten zien, hoe ze lachen moest.
Ze reikte Wies een klein, wit kaartje over, waarop te midden van een rozenkrans stond te lezen:
"De fee van den ring."
Wies keek nog verbaasder van den een naar den ander.
"We zullen die jonge dame niet langer laten wachten," zei Moeder en droeg Betje op haar te verzoeken, binnen te willen komen.
Betje ging, steeds lachend, zich van deze opdracht kwijten en eenige oogenblikken later werd de deur weer geopend en wat zich daar op den drempel vertoonde, deed een salvo van gelach ontstaan.
Het was de lange gestalte van Henk, gedrapeerd in een wit laken, waaronder uit zijn eenigszins bemodderde laarzen kwamen. Zijn bloote, gespierde armen staken eigenaardig uit de witte kleeding, in zijn eene hand, rood en met hier en daar een schram, hield hij een met goudpapier beplakt staafje en in de andere een mandje met bloemen, die vast al dienst hadden gedaan op een of anderen hoed, ze zagen er tenminste tamelijk verkleurd en vuil uit. Deze fee, zich niet storend aan het gelach, waarmee zij ontvangen werd, kwam met vlugge trippelpasjes op Wies aan, waarbij ze groote moeite had, niet te struikelen over het wat afzakkend laken.
Ze had blijkbaar wat te zeggen, maar kon door het lachen van de anderen niet aan het woord komen en vroeg dus dringend, of het gegichel nu uit was.
"Sst," zei Grootvader, "laten we nu stil zijn en hooren, wat deze schoone uit het rijk der feeën ons te vertellen heeft."
"Bij het woord "schoone" verslikte de fee zich blijkbaar, ze begon ten minste geducht te proesten, maar al gauw was ze weer bedaard en nam het woord:
"Gij uitverkoren menschenkind, Door al de feeën teer bemind, Gij geest, die leeft in hooger spheren, U willen nu wij, feeën, eeren. Wij hoorden van uw worsteling, Zelfs in onz' bovenaardschen kring. We zagen, hoe g'op uw potlood beet, Tot 't arme ding er van versleet. We zagen u loopen, op en neer, Om wakker te blijven, keer op keer. We hoorden uw wensch naar den prikkenden ring, En konden u niet helpen aan zoo'n ding. Want wij, arme feeën, zijn tamelijk machteloos, Wij zijn zoo fijn en wonen in een roos...."
Hier brak een schaterend gelach onze fee af, die zoo fijn was en een roos tot woonplaats had en Marietje vroeg, naar zijne vuile laarzen wijzend:
"Hebben jullie daar geen schoenpoetsers?"
Een minachtende blik was alle antwoord.
"....en wonen in een roos," herhaalde de fee. "Wij zijn voor de menschen te teer besnaard, En de meesten zijn ons dan ook niet waard. Maar als dan een enkel poëtisch kind, Eens denkt aan ons, feeën, en ons bemint, En over die heerlijkheid zit te droomen, Dan is dat haar meestal slecht bekomen. De standjes waren niet van de lucht. Wij namen dan ijlings de vlucht, En lieten een droevig schepseltje na, Dat een straftaak moest breien voor haar ma. Dat haar naalden liet ratelen, driftig en woest, En zei, dat niemand meer breien moest, In dezen tijd van beschaving en licht, Je vroeg in den winkel wat kousen op zicht, Dan hadt je ze te keus en te keur, En dat breien, wat een vreeselijk gezeur. In de ban dus dat werk uit vroeger tijden, Wij willen ons aan kunsten en wetenschap wijden!"
"Bravo!" riep Lottie en Wies stemde mee in.
Moeder schudde lachend het hoofd.
"Henk, Henk, stook de meisjes niet op."
Henk ging onverstoorbaar door: