Wies Ongeluk

Part 13

Chapter 134,310 wordsPublic domain

"Dat moeten we juist voorkomen, Mevrouw en daarvoor heb ik uw hulp noodig. Louise mag maar een bepaalden tijd aan haar extra werk besteden. Kan ze in dien tijd niet klaar komen, doordat ze afdwaalt of niet oplet, dan moet ze dat zelf weten. Ik zal u een lijstje geven van de uren, die ze werken moet, dan is het aan u, om er op te letten, dat die tijd niet overschreden wordt, maar ook niet verminderd door andere plichtjes of pretjes. Zoodoende hoop ik juist, dat ze leeren zal, haar aandacht te concentreeren, ze weet, ieder oogenblik, dat verloren gaat, brengt schade aan het bereiken van haar doel. Begrijpt u me?"

Mevrouw Schotter knikte toestemmend.

"Ja zeker, ik begrijp u."

Toen, alsof het haar plotseling te binnen schoot, dat ze wel dankbaarder mocht zijn voor de belangstelling in haar kind:

"Het is zeer vriendelijk van u, zich al die moeite voor Louise te willen geven, mijn man zal u ook zeer dankbaar zijn."

"O ja, dat is waar ook. Ik heb Louise beloofd u te vragen, alles een verrassing voor haar vader te laten zijn. Bij niet slagen is het dan voor hem ook geen teleurstelling. U moet niet denken, dat ik zoo zeker ben, van het gelukken van ons plannetje, als Louise in staat is haar doel te bereiken, zal ik heusch respect voor haar krijgen, want het zal een zware dobber voor haar zijn."

"Ik maak me er niet veel illusie van," en na de directrice nogmaals bedankt te hebben voor haar welwillendheid, verliet mevrouw Schotter de school.

Nu brak er een moeielijke tijd voor onze Wies aan.

Dezen keer had ze besloten te overwinnen, het kostte, wat het wilde.

Maar gemakkelijk ging dat niet.

Wel had ze nu haar ring, die haar telkens hevig prikte, de gedachte aan het doel, dat ze bereiken wilde, het gevoel, dat ze geen oogenblik mocht laten verloren gaan. Maar vooral in het begin was het letterlijk worstelen om haar aandacht bij haar werk te bepalen. Het lukte lang niet altijd, het gebeurde, dat ze bij de directrice kwam, beschaamd en verlegen, omdat ze zich bewust was, de lessen niet te kennen, of haar werk haastig afgeroffeld te hebben, door gebrek aan tijd. Moeder was op dat punt gewoon verschrikkelijk. Geen minuut mocht ze over den bepaalden tijd aan haar extrawerk besteden, af of niet, ze moest er op een zeker uur mee uitscheiden. Toen ze zich hierover eens bij de directrice beklaagde, zei deze, dat ze het uitstekend vond, dat ze blij was, dat haar moeder zich zoo flink hield. In het algemeen zei de juffrouw weinig, als ze minder goed voor den dag kwam, ze keek haar alleen maar lang en ernstig aan en Wies vond dat allernaarst. Ze had veel liever een flink standje gehad, ze had nu zoo het gevoel, dat de zaak aan haarzelve werd overgelaten, ze kon werken, of ze kon het laten, ze zou de gevolgen er van ondervinden.

Het was een prachtige middag in October, toen Wies met een niet te onderdrukken zucht haar boek opnam, om een Duitsche taalles te leeren.

Ze was dolgraag met Lottie gaan wandelen, maar ze had precies een uur vrij gehad, om eens in de lucht te komen en Lottie had toen juist pianoles, zoodat ze maar een beetje op haar eentje was gaan dwalen. Als je in een uur uit en thuis moet zijn, kun je niet ver gaan en Wies had heel veel lust gehad, er nog een uurtje aan vast te knoopen. Het was me iets, om je op zoo'n middag te moeten bezighouden met die saaie, drooge Duitsche grammatica, terwijl de zon je naar buiten lokte, en het in het bosch nog zoo prachtig was.

Ze was zich evenwel bewust, dat iedere minuut, die ze over haar tijd thuiskwam, verloren was voor haar werk, want als de toegestane tijd om was, kwam Moeder en nam haar boek weg.

Ze werd wel vreeselijk streng behandeld tegenwoordig, ze pruttelde er wel eens tegen, maar in het diepst van haar hart voelde ze, dat het goed voor haar was, als ze zich niet bewust was geweest, dat ze geen minuut toegift zou krijgen en niet bang, morgen weer met den mond vol tanden voor de directrice te moeten staan, dan was ze niet naar huis teruggekeerd, maar had zeker den heelen middag rondgedwaald en niets uitgevoerd.

Ze boog dus het hoofd over haar boek en trachtte in zich op te nemen, wat daar stond.

Waar moest ze haar arme hersens nu weer mee volstoppen?

Datief en Accusatief.

O ja, die vreeselijke regeering van de voorzetsels.

Vooruit maar.

Met de vingers in hare ooren, om toch vooral niet door eenig geluid van buiten afgeleid te worden en hare oogen strak op de bladzijde voor haar gericht, begon ze:

"An, auf, hinter, neben, in, über, unter, vor und zwischen."

Dat waren die lamme dingen, die twee naamvallen regeerden.

Ze zou ze maar eerst van buiten leeren en dan eens zien, wat het verschil in het gebruik was.

En ze begon weer: "An, auf..."

Even kijken.

"An, auf, hinter, neben, zwischen."

Neen, dat was niet goed, dat sissende ding kwam achteraan.

Wat hadden die Duitschers toch een rare klanken, je moest je heele mond er naar vertrekken, zwischen, je hadt altijd neiging: zwizen te zeggen. Anders wel leuke menschen, dat Duitsche meisje laatst....

Och, daar dwaalde ze weer af, oppassen was de boodschap en met nieuwen moed begon ze:

"An, auf, hinter, neben, in," en zoo verder, totdat ze wel dacht, dat ze er achter was.

Ziezoo, ze kon ze opdreunen, nu de regels.

Ze worstelde dapper door de moeielijke taalregels heen, ze begreep ze niet best, of liever ze was zich bewust, dat ze met de toepassing er van niet goed raad zou weten. En dat was juist zoo vervelend, ze mocht de voorbeelden uit het boek niet nemen, ze moest andere geven, hè, wat maakten ze het haar toch moeielijk.

Eerst toch eens de voorbeelden, die hier gegeven waren, overlezen.

Gudrun stand im Schnee am Meere.

Gudrun, wie was dat ook al weer, ze hadden haar in een van de vertaallesjes gehad, maar ze herinnerde zich niet precies meer, wie het eigenlijk was. Even kijken.

Ze vond het lesje en begon aandachtig te lezen, maar nog voor het uit was, schrok ze op en sloeg haastig het verleidelijke boek dicht.

Stel je voor, daar ging ze zitten lezen en ze moest een taalles leren, de tijd ging voorbij, die vreeselijke tijd stond geen minuut stil, ze moest haar aandacht bij haar les bepalen, ze moest, ze moest.

Zenuwachtig stond ze op, nam haar boek in de hand en begon met onrustige schreden de kamer op en neer te loopen, steeds haar les hardop overlezend in de hoop er zoo beter bij te kunnen blijven. Als ze bleef zitten, kreeg ze zoo'n slaap, 's avonds vooral kon ze soms niet wakker blijven en betrapte ze zich meer dan eens, dat ze heerlijk wegdommelde. Ze was dan woedend op zichzelve, beet zich wel eens krachtig in haar vinger, uit louter behoefte om iets te doen, dat haar helpen zou, wakker te blijven. Ze werd een enkelen keer zoo driftig, over wat ze haar machteloosheid noemde, dat ze hare boeken door de kamer gooide en met het hoofd op de tafel even uit moest huilen, voor ze weer beginnen kon.

Het was echt vechten, wat ze deed, maar ze voelde, dat de weinige weken, na het bewuste gesprek met de directrice verloopen, haar al wat vooruit geholpen hadden en dat gaf haar moed.

Slagen zou ze. Er hing te veel van af.

Als ze niet slaagde, zou ze nooit meer het gevoel kunnen kwijtraken van haar onbeduidendheid, er zou goedig geglimlacht worden om haar vergeefsche pogingen, Moeder zou zeggen, dat ze niet anders verwacht had en de directrice? O, die zou zeggen, dat ze den moed niet moest opgeven, dat ze maar door moest gaan met haar best te doen, maar dat zou ze niet kunnen, dat wist ze zeker. Nu deed ze werkelijk haar uiterste best, ze voelde, dat ze zich krachtig inspande om haar doel te bereiken, mocht haar dat mislukken, dan....

Ja, wat dan?

Nog vóór haar moeder dien middag bij haar kwam, om te zeggen, dat de tijd om was, kende Wies haar les. Hare wangen gloeiden, hare oogen brandden van de inspanning, die het haar gekost had, niet meer af te dwalen, maar ze had haar taalles nu onder de knie, ze voelde, dat ze die voorzetsels de baas was en opgewonden van blijdschap, dat ze gekund had, wat ze wilde, ging ze met Moeder mee om piano te gaan studeeren.

"Rust eerst een kwartiertje," zei haar moeder, haar aanziende, "je ziet er moe uit."

"Och neen, Moes, dat hoeft niet, laat me maar dadelijk beginnen."

"Dan ben ik er eerder af," voegde ze er in gedachte bij.

Het studeeren ging niet schitterend, ze moest er nu telkens aan denken, dat ze die nare Duitsche les zoo prachtig kende.

Nu nog langer zich zelve de baas te blijven, dat zou te veel gevergd zijn van ons Wiesje.

VIJFTIENDE HOOFDSTUK.

DRAMA MET APOTHÉOSE.

Op een Zondagmorgen in November werd Wies gewekt door een ratelend en kletterend geluid, dat ze zich in het eerste oogenblik van ontwaken niet thuis kon brengen.

Ze richtte zich verschrikt in bed op en riep onwillekeurig: "ja, ik ben al wakker."

Maar het leven hield niet op en toen ze met slaperige oogen rondkeek in het flauw verlichte kamertje, drong het tot haar bewustzijn door, dat het geweld, waardoor ze gewekt was, veroorzaakt werd door het kletteren van groote hagelsteenen tegen de ruiten van haar venster en op het dak.

Ze liet zich weer neervallen en trok huiverig de dekens wat hooger op.

Brr, wat een noodweer, nu ze met bewustzijn luisterde, hoorde ze ook, hoe de wind gierde.

Ze moest eensklaps denken aan dien nacht, gevolgd op Vaders vertrek en aan den angst, dien ze toen gehad had, dat het schip in gevaar zou zijn en haar vader zou kunnen verongelukken.

Nu had ze niemand op zee, waarvoor ze behoefde te vreezen, Vader was ver weg, heelemaal in Indië.

Ze nestelde zich nog wat gemakkelijker in haar kussens.

Hoe laat zou het zijn?

Ze zou maar niet kijken, want als ze zag, dat het acht uur was, zou ze op moeten, dat was zoo het Zondagsklokje van opstaan.

Neen, ze bleef nog een oogenblikje heerlijk liggen, zoo knus in het warme bed, terwijl het buiten zulk een weer was. November had al heel wat leelijke dagen gegeven, maar zooals vandaag!

Neen maar, hoor toch eens, het leek wel, of de ruiten stuk moesten en dan dat spektakel op het dak! Gelukkig, dat ze niemand op zee had. Hè, wat een windvlaag, het huis kraakte er van.

Neen, zij had nu geen lieven vader, dien ze in gevaar wist, zij niet, maar anderen wel, hoevele vrouwen zouden angstig uitkijken, of er ook iets te zien was van de pink, waarop man en zoon overgeleverd waren aan de woeste elementen. Eén ding was gelukkig, dat het Zondag was en verreweg de meeste booten thuis zouden zijn.

't Moest anders wel vreeselijk wezen, te weten, dat iemand, waarvan je dolveel hield, nooit terug zou keeren.

Soms overviel haar ook die angst, Vader was zoover weg en er kon zooveel gebeuren, die nare cholera heerschte weer in verschillende deelen van Indië.

Ze wierp de dekens van zich af, ze kreeg het er benauwd van.

Kom, ze zou maar liever opstaan, het was toch al over den tijd meende ze.

Een beetje schuw keek ze naar het klokje.

Bij half negen, lieve deugd, ze mocht zich wel haasten, anders begon de dag alweer met een standje en ze was toch zoo kriebelig met dat nare weer. Ze moest oppassen, zoo licht gaf ze een brutaal antwoord en Moeder was in den laatsten tijd zoo tevreden over haar en had juist gezegd, dat ze blij was, nu eens geen klachten aan Vader te moeten schrijven.

Ze haastte zich dus zooveel mogelijk, en kwam niet al te laat beneden, hoewel de anderen er al waren en Henk spottend naar de klok keek.

Maar Moeder gaf hem een wenk, haar niet te plagen en zei zelf ook niets. Moes was in den laatsten tijd wel erg lief voor haar, ze merkte misschien, dat ze zoo haar best deed en ook heusch wel wat minder droomerig en afgetrokken was, dan vroeger.

Na het ontbijt stond ze een oogenblik in beraad wat te doen.

Zondagsochtends met mooi weer mocht ze altijd met Lottie gaan wandelen, maar het was gewoon noodweer. Misschien zou Moeder niet willen, dat ze met zulk een weer uitging.

Voorzichtig zei ze:

"Het weer klaart wel een beetje op, vindt u niet?"

Een hevige hagelslag tegen de ruiten was het antwoord en allen begonnen te lachen.

"O ja," zei Moeder droogkomiek, "het is bepaald heerlijk weer. Je gaat zeker wat met Lottie wandelen, hè?"

Wies lachte nu ook.

"Neen, dat we niet kunnen wandelen, begrijp ik wel, maar ik had even naar haar toe willen gaan, we spreken elkander tegenwoordig zoo weinig, nu we niet meer in één klasse zitten."

Henk keek tragisch en reciteerde:

"Ja, dat is heel erg, En als nu de berg, In den vorm van Lot, Die lieve, lekkre dot, Niet naar Mahomed komt,"

"Dan wil Mahomed naar den berg, precies. Mag ik gaan, Moes?"

Mevrouw Schotter keek naar buiten, waar de boomen in den tuin op en neer stonden te zwiepen en de hagel nu vervangen was door een regentje, dat als een dichte sluier neerviel en de omgeving bijna aan het oog onttrok.

"Je kunt er niet door," zei ze.

Wies keek teleurgesteld, ze had eigenlijk wel geen ander antwoord verwacht, maar nu ze het kreeg, had ze toch het land.

"Werk vanochtend, misschien klaart het weer vanmiddag op," stelde moeder voor.

"Vanmiddag gaat Lot op visite bij dat nieuwe meisje, dat pas in haar klasse gekomen is. Toe, laat me nu maar gaan."

Moeder schudde van neen.

"Het is geen weer om onnoodig door te gaan. De wind op zichzelf is al erg genoeg en met die stortregens gaat het heelemaal niet."

"Als het dan straks soms ophoudt met regenen, mag ik dan even?"

Haar moeder maakte een gebaar van ongeduld.

"Kind, wat zeur je. Goed dan, als het droog wordt, mag je gaan, maar nu wil ik er geen woord meer over hooren."

Wies zweeg, al blij met die voorwaardelijke toestemming. Ze ging naar boven, om een boek en een schrift te halen, ze zou maar vast een beetje gaan werken, dan ging de tijd gauwer voorbij en had ze van middag minder te doen. Of zou ze een oogenblikje lezen?

Dat mocht ze nu alleen Zondags en meestal kwam ze er enkel 's avonds aan toe, doordat ze met goed weer 's morgens ging wandelen en 's middags werken moest. Soms ging ze bij Lottie op visite, of kwam deze bij haar en dan lazen ze elkaar voor, maar veel kwam daar nooit van, meestal hadden ze den tijd omgebabbeld, voor ze het wisten.

Nog had ze geen besluit genomen, wat te doen, lezen of werken, toen de deur van haar kamertje openging en Henk binnenkwam.

"Teerbeminde zuster, ik moet je spreken," zei hij op pathetischen toon.

"Ge zijt welkom, geliefde broeder," antwoordde Wies lachend.

Toen voegde zij er nieuwsgierig bij:

"Wat moet je?"

Henk maakte een diepe buiging.

"Mijn hooggeachte en geduldige schuldeischeres mijn schuld afdoen."

"Je schuld?"

"Ja, kijk maar niet zoo verbazend snugger, mijn schuld," en hij telde één rijksdaalder, drie guldens en verder kwartjes en dubbeltjes op de tafel neer, tot groote verbazing van Wies, die zich nu herinnerde, dat ze hem dat geld in het voorjaar gegeven had, maar cadeau, niet te leen. Hij had toen immers gezegd, dat hij het nooit zou kunnen oversparen van zijn zakgeld, daarom had ze het hem juist geschonken.

Hoe kwam hij daar nu aan?

Een vreeselijke gedachte kwam bij haar op.

Zou hij weer gespeeld hebben en dit zijn winst zijn?

Ze greep zijn arm vast en keek hem angstig aan.

"Hoe kom je aan dat geld?" vroeg ze.

Henk hield op met tellen, niet weinig verwonderd over haar uitval.

"Gestolen," zei hij toen droog.

Dat die jongen nu alweer gekheid maakte, geen fatsoenlijk woord kon je ooit uit hem krijgen.

"Wees nu eens ernstig, Henk, toe, zeg, hoe kom je aan dat geld?"

"Ik heb een ezeltje gekocht, een kostbaar beestje, als je het maar handig weet op te vangen, dan...."

"Henk, zeg me nu de waarheid, je hebt toch niet weer gespeeld?"

Ze zag er zoo angstig uit, dat Henk diep in zijn binnenste voelde, dat ze toch een lieve zus was, om zoo bezorgd voor hem te zijn. Maar zoo iets toont een jongen niet, meisjes worden zoo gauw pedant.

"Je hebt nog al een mooi idee van me, had ik niet beloofd, het niet meer te doen," zei hij quasi barsch.

Wies kreeg een kleur.

Henk scheen beleedigd, ze had hem ook niet moeten verdenken van zijn woord te breken, maar eigenlijk had hij dat niet bepaald gegeven. Hij had toen gezegd, dat hij in de vacantie vanzelf niet met de lui in aanraking kwam en dat ze verder maar niet vooruit moest tobben, of iets dergelijks.

Dat hij nu zoo verontwaardigd was over haar veronderstelling, bewees, dat hij het niet gedaan had en ze slaakte een zucht van verlichting.

"Je moet er niet boos om zijn," zei ze zacht, "maar ik was er altijd zóó bang voor."

Henk wist nog zijn ernst te bewaren.

"Boos niet, maar diep bedroefd, het is niet prettig om te merken, dat je eigen zuster je voor zoo'n zwak vat houdt. Maar helaas, ik heb dat verdiend door mijn vroegere zonden."

Zijn stem trilde, als van onderdrukt lachen en toen Wies hem goed aankeek, zag ze een lichtje flikkeren in zijn blauwe oogen en zijn wangen toonden verraderlijke kuiltjes.

Ze sloeg haar arm om hem heen en gaf hem een klinkenden kus.

"Malle jongen," lachte ze.

Henk veegde quasi ontsteld zijn wang af.

"Zoo'n straf heb ik niet verdiend," beweerde hij.

Zijn zusje gaf hem lachend een flinken duw.

"Nare beer, is dat een manier om met dames om te gaan."

"Dames, wat noemt zich al geen dame! Zeg eens, alikruik, wil je het geld, of wil je het niet? We mogen ons wel wat haasten, want Moeder behoeft er nu juist niet het fijne van te weten."

Hij telde verder tot al de kwartjes en dubbeltjes op tafel lagen en vroeg toen plechtig om een quitantie.

Wies streek alles bij elkaar en borg het in haar kast.

"Dank je wel, hoor, dat is een meevallertje," verklaarde ze, "maar toe, Henk, zeg me nu, hoe je er aan komt. Ik denk heusch geen kwaad van je, maar ik zou het toch zoo graag weten."

Henk ging op de tafel zitten en stak een sigaret aan.

"Kan ik je ook dienen?" vroeg hij.

"Dank je, verleider, je weet, dat ik het dolgraag doen zou, maar niet mag van Moes."

"'t Is ook niet goed voor kleine meisjes," en Henk stak zijn sigarettenkokertje weg.

Lustig dampend begon hij:

"Je moet weten, dat ik van den zomer op de wandelingen met den ouden heer...."

"Met den ouden heer, maar Henk!"

"Met Grootvader dan. Wat ik zeggen wilde, als we dan samen door de velden liepen, bespraken we nog al eens het een en ander, je weet, Grootvader is een leuke baas..."

"Maar Henk dan!"

"Alweer niet goed? Als je nu eens zweeg, zou er misschien kans zijn, dat ik voor den avond klaar kwam. Nu dan, we bespraken zoo van alles en voor ik het me goed bewust was, had hij me ten binnenste buiten gekeerd en wist alles van mijn misdaad af. Hij keurde het natuurlijk niet bepaald malsch af, maar hij is iemand, die allemachtig leuk weet te redeneeren en hij kreeg het zoover, dat ik hem mijn eerewoord gaf, nooit meer tot het spel te vervallen. Het mooiste was, dat hij me dat eerewoord niet afdwong, waarachtig niet, hij had er zoo deksels mooi op los geredeneerd, dat ik een afschuw van de grap gekregen had en heelemaal uit mijn eigen die belofte aflegde."

"Heerlijk, Henk."

"Ja de oude, ik bedoel Grootvader, heeft me geen geringen dienst bewezen, dat voel ik zelf. Je kunt je niet voorstellen, wat een flink type dat is, je moet zoo eens met hem praten, als ik gedaan heb, dan voel je in je binnenste zoo'n echt respect voor hem, dan krijg je zoo'n gevoel, dat daar nu een man voor je staat en dat je het heele aardsche tranendal nog zoo kwaad niet vindt, omdat je toch altijd ook een kansje gegeven is, tot iets dergelijks op te groeien."

Wies was er stil van.

Zóó had Henk zich nog nooit uitgelaten, ze had hem altijd beschouwd, als een besten jongen, maar als zeer luchthartig, gevaarlijk luchthartig zelfs en nu bleek hij heel anders te zijn.

"Vader lijkt op Grootvader, vin' je niet?" vroeg ze.

"Vader? O, Vader is ook een bovenste beste, maar Grootvader is toch weer anders. Enfin, zoo is het dus gegaan. Toen moest ik hem ook nog beloven, dat ik mijn schuld aan jou af zou doen. Hij vond, dat ik dat zootje zelf bij elkaar moest sparen, hij heeft er wel een begin mee gemaakt, den eersten riks gaf hij me cadeau, maar de rest moest ik zelf zien op te halen. Amusant was dat niet bepaald, ik had nog een kleinigheid en verder heb ik al dien tijd als een gierigaard geleefd, maar nu ben ik er af, gelukkig."

Wies was bepaald ontroerd, door wat ze in haar hart een heldendaad vond.

"Laat ik je er wat van teruggeven," zei ze.

"Er me wat van teruggeven? Wat denk je van me. Neen meisje, je kent je broer nog niet, zijn zieltje is nu juist weer rein en vlekkeloos, denk je, dat hij dat dadelijk weer door het vuile geld wil laten bezoedelen?" en Henk maakte zulk een gebaar van afschuw, dat Wies het uitschaterde en hem naholde, toen hij de kamer uitvloog.

Hij liet zich niet vangen en hijgend kwam ze in haar kamertje terug, waar ze, nog lachend, op een stoel neerviel.

Toen ze wat uitgeblazen was, bleek het, dat de regen had opgehouden en haastig maakte ze zich klaar, om nog wat naar Lottie te gaan. Aan de koffietafel vroeg Moeder haar, hoe het weer was. Zij was de eenige, die uit was geweest.

"Goed," verklaarde Wies, "alleen een beetje wind."

"Noem je dat een beetje wind? Je moet weten, dat ik vanmiddag graag een verjaarsvisite zou maken bij iemand, die tachtig jaar wordt vandaag. Op zoo'n leeftijd sla je een verjaardag niet graag over, maar ik zie er wel tegenop er door te gaan, het stormt gewoon."

"'k Ga er ook door," verklaarde Henk, "ik heb een afspraak."

"O, jij bent een jongen, jullie verwaait zoo niet. Ik zie er bepaald tegen op, maar ik zal het toch maar doen. 't Is Betje's uitgaansdag, Wies en Marietje beloven me zeker, goed op de kleintjes te zullen passen. Je blijft van middag toch thuis, nietwaar, kind?"

Marietje knikte toestemmend.

"Kan ik er zeker van opaan?"

"Vast, Moes."

Wies had alweer een onaangenaam gevoel.

Moeder scheen haar nog altijd de kinderen niet toe te vertrouwen. Nu, dan moest Marietje er de verantwoordelijkheid ook maar van dragen, dan was zij er af.

"Wat ga je doen?" vroeg ze aan haar zusje, toen dien middag haar moeder vertrokken was en ze met hun viertjes alleen waren.

"Mijn handwerk voor St. Nicolaas afmaken. Ik ben blij dat Moeder uit is, ik wist al niet, hoe ik klaar moest komen. En jij?"

"Ja, zie je, ik moet nog een Fransche thema maken. Je wilt dan zeker wel op de kinderen letten, want ik moet mijn aandacht bij mijn werk hebben."

"Natuurlijk, laat dat maar aan mij over," en Wies moest inwendig lachen om het pedante snoetje, waarmee haar zusje die woorden uitsprak.

Wies verdiepte zich dus in haar thema, ze vond hem moeielijk en eenige maanden geleden, zou het haar misschien niet gelukt zijn, haar aandacht bij haar werk te bepalen. Nu ging het, zij het dan ook niet zonder moeite. Zoodra hare gedachten een andere richting uit wilden, dwong zij ze, tot haar werk terug te keeren. Ze had door de praktijk geleerd, dat men wel degelijk baas kon zijn over zijn gedachtengang, met haar doel als een vast punt voor oogen en het gevoel van te willen en te moeten slagen, voelde ze hare krachten groeien en het heerlijke gevoel van vooruit te gaan, was al een belooning op zich zelf.

Wat was het stil in de kamer.

Ze keek even op en zag Marietje over haar werk gebogen, ijverig de naald hanteeren, terwijl de jongens rustig samen op den grond speelden met blokken en soldaatjes.

Ze werkte weer door.

Buiten gierde nog altijd de wind, van tijd tot tijd deed hij het vuur in de kachel hoog oplaaien, zoodat de vlammen even door de reten van het deurtje sloegen, om dadelijk weer naar binnen te verdwijnen. De regen kletterde tegen de ruiten en Wies dacht, hoe jammer het was, dat het niet droog was gebleven. Moeder had natuurlijk voor de verjaarvisite haar beste goed aan. Misschien ook niet, Moes was zoo zuinig.

"Weet je ook, Marietje, of Moeder haar nieuwen mantel aan heeft, het regent zoo."

Even keek haar zusje op, naar den nu in stroomen neerstortenden regen.

"Ik geloof het wel, maar het zal een bui zijn, zoo hard regent het niet lang achtereen. Moeder zal wel wachten, tot het weer droog is."

Dat hoopte Wies dan maar en weer begon ze aan haar werk.